Subsidieregeling lerarenbeurs

[Regeling vervalt per 01-04-2022.]
Geldend van 22-07-2021 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 maart 2017, nr. 1074316, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan leraren met onderwijsbevoegdheid om substantiële scholing te bevorderen (Subsidieregeling lerarenbeurs)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Wet overige OCW-subsidies;

BESLUITEN:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken aan:

    • a. de leraar voor studiekosten in verband met het volgen van een opleiding; en

    • b. het bevoegd gezag voor kosten in verband met het verlenen van studieverlof aan de leraar.

  • 2 De subsidie kan worden verstrekt voor bachelor-, master- en deficiëntieopleidingen.

  • 2a In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister ook subsidie verstrekken voor het volgen van een opleiding in het Verenigd Koninkrijk, indien:

    • a. voor het eerste jaar van die opleiding uiterlijk in 2020 subsidie wordt aangevraagd; of

    • b. door de leraar voor de desbetreffende opleiding voor een tweede of derde studiejaar subsidie wordt aangevraagd en de minister de leraar reeds eerder voor de opleiding op grond van deze regeling subsidie heeft verstrekt.

  • 3 De subsidie wordt verstrekt voor één studiejaar en voor één opleiding.

  • 4 In afwijking van het derde lid kan subsidie worden verstrekt voor een tweede opleiding indien:

    • a. subsidie wordt aangevraagd voor een masteropleiding en reeds subsidie is ontvangen voor een bacheloropleiding;

    • b. subsidie wordt aangevraagd voor een masteropleiding en reeds subsidie is ontvangen voor een deficiëntieopleiding, met dien verstande dat indien reeds subsidie voor het volgen van een deficiëntieopleiding is verleend, voor een opleiding van meer dan 60 studiepunten ten hoogste twee maal subsidie wordt verleend; en

    • c. subsidie is ontvangen op basis van de Regeling lerarenbeurs voor scholing, zij-instroom en bewegingsonderwijs 2009–2017 zoals deze gold vóór 1 april 2013 voor een opleiding anders dan een deficiëntie-, bachelor- of masteropleiding.

  • 5 Voor een opleiding met een studielast van dertig tot zestig studiepunten wordt ten hoogste één maal subsidie verstrekt.

  • 6 Voor een opleiding met een studielast van zestig studiepunten wordt ten hoogste twee maal subsidie verstrekt. Om voor de tweede subsidie in aanmerking te komen, dient deze binnen drie studiejaren na de eerste subsidieverlening te worden aangevraagd.

  • 7 Voor een opleiding met een studielast van meer dan zestig studiepunten wordt ten hoogste drie maal subsidie verstrekt. Om voor de tweede of derde subsidie in aanmerking te komen, dient deze binnen vijf studiejaren na de eerste subsidieverlening te worden aangevraagd.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 Voor het studiejaar 2017-2018 is een bedrag van € 106.000.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

  • 2 Voor het studiejaar 2018–2019 is een bedrag van € 94.300.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

  • 3 Voor het studiejaar 2019–2020 is een bedrag van € 82.060.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

  • 4 Voor het studiejaar 2020–2021 is een bedrag van € 49.600.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

  • 5 Voor het studiejaar 2021–2022 is een bedrag van € 47.901.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 5. Begrotingsvoorwaarde

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in art. 1.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, worden op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de Rijksbegroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 6. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1 Onverminderd het tweede lid verdeelt de minister het beschikbare bedrag per doelgroep in volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidie met dien verstande dat:

    • a. aan aanvragers aan wie op basis van deze regeling reeds voor een eerste of tweede maal subsidie is verleend voor dezelfde opleiding, voorrang wordt verleend bij de subsidieverstrekking; en

    • b. bij subsidieverstrekking in 2021 vervolgens voorrang wordt verleend aan aanvragers die in 2020 een afwijzing ontvingen vanwege dreigende overschrijding van het subsidieplafond in 2020.

  • 2 De aanvrager krijgt krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht twee weken de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. Als de aanvraag binnen twee weken voldoende is aangevuld, geldt de dag waarop de aanvraag is ingediend, met betrekking tot de in het eerste lid genoemde verdeling, als datum van ontvangst.

  • 2a In afwijking van het tweede lid stelt de minister een aanvrager die in 2020 op of voor 17 juni een onvolledige aanvraag doet, in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen tot en met uiterlijk 30 juni 2020. Als de aanvraag uiterlijk op 30 juni 2020 voldoende is aangevuld, geldt de dag waarop de aanvraag is ingediend, met betrekking tot de in het eerste lid genoemde verdeling, als datum van ontvangst.

  • 3 De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2017–2018 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 35.125.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 43.500.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 11.250.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 16.125.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 4 De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2018–2019 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 27.800.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 39.000.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 11.375.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 16.125.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 5 De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2019–2020 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 33.125.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 29.283.700 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 11.212.500 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 8.438.800 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 6 De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2020–2021 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 14.000.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 23.000.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 6.500.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 6.100.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 7 De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2021–2022 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 14.620.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 19.869.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 8.118.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 5.294.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 8 Indien een van de budgetten niet volledig wordt benut, wordt het restbedrag naar evenredigheid verdeeld over de overige doelgroepen.

Artikel 7. Subsidieaanvraag studiekosten

  • 1 De subsidie voor studiekosten wordt aangevraagd door de leraar.

  • 2 De aanvraag geschiedt door invulling en inlevering of elektronische verzending van daartoe bestemde door de minister te verstrekken formulieren op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Artikel 8. Subsidieaanvraag studieverlof

  • 1 De subsidie voor studieverlof wordt door de leraar aangevraagd voor het bevoegd gezag.

  • 2 De aanvraag geschiedt door invulling en inlevering of elektronische verzending van daartoe bestemde door de minister te verstrekken formulieren op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Artikel 9. Termijn indiening aanvraag

Subsidieaanvragen kunnen jaarlijks worden ingediend van 1 april tot en met 15 mei, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 9a. Termijn indiening wijziging

Aanvragen tot wijziging van het aangevraagde subsidiebedrag en de aangevraagde studieverlofuren kunnen jaarlijks worden ingediend tot en met 15 oktober van het studiejaar waarvoor subsidie is aangevraagd.

Artikel 10. Weigeringsgrond

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert de minister subsidieverlening aan een leraar, indien deze van de minister een tegemoetkoming in de studiekosten ontvangt voor het volgen van de opleiding.

Artikel 11. Beslistermijn

De minister besluit binnen acht weken na het sluiten van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 9.

Artikel 12. Betaling

Het subsidiebedrag wordt voordat de opleiding waar de subsidie betrekking op heeft aanvangt, aan de subsidieontvanger uitbetaald.

Artikel 13. Terugvordering

  • 1 De minister kan de subsidie voor studiekosten terugvorderen indien de leraar in de subsidieperiode minder dan vijftien studiepunten behaalt.

  • 2 De minister kan de subsidie voor studieverlof terugvorderen indien:

    • a. de leraar binnen twee maanden na het verstrekken van de subsidie de aanvraag voor studieverlof of de aanvraag voor studiekosten intrekt; of

    • b. het bevoegd gezag geen studieverlof heeft verleend.

  • 3 De minister kan op aanvraag van de leraar een betalingsregeling treffen voor het terugbetalen van de subsidie voor studiekosten die voorziet in betaling van het totale bedrag binnen 24 maanden. Het minimumbedrag dat maandelijks wordt afgelost, bedraagt € 100.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan de minister een subsidie voor studiekosten die voor het studiejaar 2019–2020 of 2020–2021 is verstrekt, terugvorderen indien de leraar in het desbetreffende studiejaar minder dan vijf studiepunten behaalt.

Hoofdstuk 2. Subsidie voor studiekosten

Artikel 14. Subsidiecriteria

  • 1 De subsidie voor studiekosten wordt uitsluitend verstrekt aan de leraar die:

    • a. bij aanvang van het studiejaar waarvoor de subsidie bestemd is op grond van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de graad Bachelor mag voeren;

    • b. op het moment van de subsidieaanvraag of in de twaalf kalendermaanden daaraan voorafgaand werkt of heeft gewerkt bij een of meer bekostigde onderwijsinstellingen dan wel in een of meer orthopedagogisch-didactische centra; en

    • c. voor minimaal twintig procent van zijn werktijd is of was belast met lesgebonden taken en pedagogisch-didactisch verantwoordelijk is of was voor het onderwijs, voor zover de leraar niet is of was benoemd als:

      • 1. ambulant begeleider;

      • 2. zorgcoördinator;

      • 3. intern begeleider; of

      • 4. remedial teacher.

  • 2 Het criterium genoemd in het eerste lid, onder b, wordt bij elke aanvraag aangetoond met een door het bevoegd gezag ondertekende werkgeversverklaring voorzien van een stempel van het bevoegd gezag.

Artikel 15. Berekening subsidiebedrag

De subsidie voor studiekosten bedraagt de som van een vergoeding voor:

  • a. de kosten van collegegeld tot een maximum van € 7000;

  • b. de kosten van studiemiddelen van twintig procent van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350;

  • c. reiskosten van twintig procent van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350.

Artikel 16. Terugvordering collegegeld

Als het daadwerkelijk betaalde bedrag aan collegegeld lager is dan de verstrekte subsidie voor de kosten van collegegeld, kan de minister de subsidie voor de kosten van collegegeld, en naar rato de subsidie voor de kosten van studiemiddelen en reiskosten, terugvorderen, onverminderd artikel 13.

Artikel 17. Subsidieverplichting

  • 1 De leraar behaalt per studiejaar ten minste vijftien studiepunten.

  • 2 In afwijking van het eerste lid behaalt de leraar in het studiejaar 2019–2020 of 2020–2021 ten minste vijf studiepunten.

Artikel 18. Vaststelling

De subsidie voor studiekosten wordt ambtshalve vastgesteld binnen 22 weken na afloop van het studiejaar waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 19. Steekproef

  • 1 Op verzoek van de Minister toont de leraar aan dat hij voldoet aan de subsidiecriteria en de subsidieverplichtingen door het overleggen van:

    • a. een document waaruit blijkt dat hij collegegeld heeft betaald; en

    • b. een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij ten minste vijftien studiepunten heeft behaald, dan wel een verklaring waarin staat dat leeruitkomsten zijn behaald bij een onderwijsinstelling die deelneemt aan het experiment leeruitkomsten ter waarde van in totaal ten minste vijftien studiepunten.

  • 2 Ten aanzien van de subsidies die voor het studiejaar 2019–2020 of 2020–2021 zijn verstrekt toont de leraar, in afwijking van het eerste lid, op verzoek van de minister aan dat hij voldoet aan de subsidiecriteria en de subsidieverplichtingen door het overleggen van:

    • a. een document waaruit blijkt dat hij collegegeld heeft betaald; en

    • b. een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij ten minste vijf studiepunten heeft behaald, dan wel een verklaring waarin staat dat leeruitkomsten zijn behaald bij een onderwijsinstelling die deelneemt aan het experiment leeruitkomsten ter waarde van in totaal ten minste vijf studiepunten.

Hoofdstuk 3. Subsidie voor studieverlof

Artikel 20. Subsidiecriteria

De subsidie voor studieverlof wordt slechts verstrekt aan het bevoegd gezag voor zover:

  • a. de leraar in dienst is bij het bevoegd gezag; en

  • b. aan deze leraar subsidie voor studiekosten is verleend tenzij voor een opleiding geen collegegeld verschuldigd is.

Artikel 21. Aantal studieverlofuren

Voor subsidiëring komt per jaar voor een voltijdsbenoeming, of voor een deeltijdsbenoeming een evenredig deel, ten hoogste het volgende aantal studieverlofuren in aanmerking:

  • a. voor een bacheloropleiding: 160 uur; en

  • b. voor een masteropleiding voor een subsidieontvanger in de sector:

    • 1. basisonderwijs: 320 uur;

    • 2. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: 320 uur;

    • 3. voortgezet onderwijs: 240 uur;

    • 4. beroepsonderwijs en educatie: 240 uur; en

    • 5. hoger beroepsonderwijs: 320 uur.

Artikel 22. Subsidiebedragen

De subsidiebedragen voor een studieverlofuur bedragen, voor een subsidieontvanger in de sector:

  • a. basisonderwijs: € 37,79;

  • b. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: € 39,58;

  • c. voortgezet onderwijs: € 42,86;

  • d. beroepsonderwijs en educatie: € 44,07; en

  • e. hoger beroepsonderwijs: € 48,00.

Artikel 23. Subsidieverplichting

  • 1 Het bevoegd gezag verleent studieverlof aan de leraar.

  • 2 Uit de administratie van het bevoegd gezag blijkt dat het studieverlof daadwerkelijk is verleend.

Artikel 24. Vaststelling en niet-bestede middelen

  • 1 De subsidie voor studieverlof wordt direct vastgesteld.

  • 2 Indien voldaan is aan de subsidieverplichting kan de subsidie voor studieverlof worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 25. Verantwoording

De verantwoording door het bevoegd bezag van de subsidie voor studieverlof geschiedt overeenkomstig artikel 9.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES, met model G, onderdeel 1, behorende bij de richtlijn RJ 660, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 26. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 26a. Aanvullend subsidiebedrag studiejaar 2021–2022

  • 1 In aanvulling op artikel 4, vijfde lid, is voor het studiejaar 2021–2022 een aanvullend bedrag van € 16.000.000 beschikbaar voor het verstrekken van subsidie aan aanvragers wiens aanvragen in 2021 uitsluitend zijn afgewezen wegens de dreigende overschrijding van het in dat lid bedoelde subsidieplafond.

  • 2 Van dit bedrag is:

    • a. € 3.886.209 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 6.997.046 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 455.631 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 4.661.115 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

  • 3 De minister verstrekt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve.

  • 4 In afwijking van artikel 11 verstrekt de minister de subsidie uiterlijk op 31 augustus 2021.

Artikel 29. Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2017 met uitzondering van artikel 27, onderdeel 4, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2017.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 april 2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

S. Dekker

Terug naar begin van de pagina