Regeling nationale EZ-subsidies

Geldend van 20-02-2016 t/m 14-03-2016

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • afzet van landbouwproducten: afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 7, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, punt 35, onderdeel 12, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de de-minimis verordening;

  • besluit: Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

  • daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • eco-innovatie: eco-innovatie als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 19, onder 4, van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020 (PbEU 2014, C200);

  • experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel j, van de O&O&I-kaderregeling;

  • fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel m, van de O&O&I-kaderregeling;

  • groepsvrijstellingsverordening landbouw: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193);

  • haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel k, van de O&O&I-kaderregeling;

  • hernieuwbare energiebronnen: hernieuwbare energiebronnen als bedoeld in als bedoeld in artikel 2, onderdeel 110, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 1.3, onderdeel 19, onder 5, van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020 (PbEU 2014, C200);

  • hooggekwalificeerd personeel: hooggekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 93, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel o, van de O&O&I-kaderregeling;

  • industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel q, van de O&O&I-kaderregeling;

  • innovatieadviesdiensten: innovatieadviesdiensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 94, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel r, van de O&O&I-kaderregeling;

  • innovatieclusters: innovatieclusters als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel r, van de O&O&I-kaderregeling;

  • jonge landbouwer: natuurlijke persoon die ten hoogste 39 jaar oud is en sinds ten hoogste drie jaar voor het eerst voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheert die hij:

    • a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht heeft, of

    • b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft met een andere natuurlijke persoon die niet eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad.

  • minister: Minister van Economische Zaken;

  • O&O&I-kaderregeling: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2014/C 198/01 (PbEU 2014, C 198);

  • Unienorm: Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 1.3, onderdeel 19, onder 3, van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020 (PbEU 2014, C200);

  • verwerking van landbouwproducten: verwerking van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, punt 35, onderdeel 11, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de de-minimis verordening.

Artikel 1.2. Rapport van feitelijke bevindingen

  • 2 Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het besluit, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU 2006, L 391) en, indien de subsidieontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.3. Steunintensiteit

De subsidie bedraagt voor zover het activiteiten bedoeld in bijlage 1.2 betreft, het percentage van de subsidiabele kosten zoals aangegeven in die bijlage.

Artikel 1.4. Vaste opslag voor indirecte kosten

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

Artikel 1.5. Controleprotocol

De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 1.3.

Artikel 1.6. Afwijzingsgronden

  • 1 Op grond van de hoofdstukken 3 en 4 wordt geen subsidie, voor zover deze valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, verleend aan een onderneming voor zover deze actief is in een op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel a, b, of c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening uitgesloten sector.

  • 2 Op grond van de hoofdstukken 3 en 4 wordt geen subsidie, voor zover deze valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, verleend aan een onderneming die actief is zowel in een in artikel 1, derde lid, onderdeel a, b, of c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening uitgesloten sector als in een andere sector, tenzij deze onderneming er, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, voor zorgt dat de activiteiten in de uitgesloten sector geen uit hoofde van deze regeling voor een andere sector bestemde subsidie genieten.

  • 3 Onverminderd artikel 23, eerste lid, onderdelen b, f en h, van het besluit wordt geen subsidie verleend aan:

    • a. een onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk, indien het een landbouwonderneming betreft, artikel 1, vijfde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

    • b. een onderneming als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk, indien het een landbouwonderneming betreft, artikel 1, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

  • 4 Geen subsidie wordt verleend aan een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft.

Artikel 1.7. In aanmerking komende kosten

In aanvulling op artikel 10, vierde lid, van het besluit, worden, indien de subsidie valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening landbouw:

  • a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

  • b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

  • c. indien de steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, de steuntranches gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Hoofdstuk 2. Agro en natuur

Titel 2.1. Algemene bepaling

Artikel 2.1.1. Uurtarief

  • 1 Indien in dit hoofdstuk is bepaald dat loonkosten in aanmerking komen voor een subsidie:

    • a. worden de kosten bepaald aan de hand van een uurtarief dat wordt berekend door eerst het bruto jaarloon te verminderen met de volledige winstafhankelijke uitkeringen en te verhogen met de premies voor sociale verzekeringen, VUT en pensioen, en dat bedrag vervolgens te delen door 1.600,

    • b. komen de kosten uitsluitend in aanmerking tot ten hoogste het bedrag dat wordt berekend door de salariskosten per mensjaar in Euro, opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën, te delen door het in die handleiding opgenomen afgeronde aantal direct productieve uren. Hierbij wordt uitgegaan van ten hoogste de volgende salarisschalen:

      • 1°. schaal 6 voor ondersteunend personeel;

      • 2°. schaal 11 voor uitvoerend personeel;

      • 3°. Schaal 13 voor toezichthoudend personeel.

  • 2 Indien in dit hoofdstuk is bepaald dat kosten voor eigen arbeid in aanmerking komen voor een subsidie wordt het uurtarief vastgesteld op het in het eerste lid, onderdeel b, afhankelijk van het type werkzaamheden bedoelde bedrag.

Artikel 2.1.2. Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • landbouwsteunkader: Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020 nr. 2014/C 204/01 (PbEU 2014, C 204);

  • vervangingsinvestering: investering voor het eenvoudige vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine, zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd.

Titel 2.2. Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij

Artikel 2.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • dierlijke productieketen: keten van veehouderijbedrijven, ondernemingen die dieren en dierlijke producten verwerken en verhandelen, en ondernemingen die productiegerelateerde producten, zoals grondstoffen, uitgangsmateriaal, installaties en houderijsystemen leveren aan veehouderijbedrijven, met uitzondering van adviseurs en adviesbureaus;

  • udv-ambities: doelstellingen, geformuleerd in de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij, die zijn opgenomen in de bijlage 2.2.1 bij deze regeling;

  • udv-project: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:

    • a. het uitvoeren van een verbeterplan;

    • b. de ontwikkeling van een nieuwe bedrijfsvoering, een nieuw bedrijfsproces, een nieuw product of een prototype, met het oog op het wegnemen van drempels die de ontwikkeling of toepassing belemmeren van een nieuw product of proces dat bijdraagt aan de verbetering van de duurzaamheid binnen een of meer udv-ambities;

  • udv-verbeterplan: document waarin een beschrijving is opgenomen van samenhangende activiteiten, gericht op het oplossen van een of meer problemen die verduurzaming in ten minste één van de udv-ambities in de weg staan;

Artikel 2.2.2. Subsidieaanvraag

De minister kan een subsidie verstrekken:

  • a. voor een project tot opstelling van een udv-verbeterplan waaraan ten minste twee ondernemingen in de dierlijke productieketen actief bijdragen, aan een onderneming of een organisatie die in het handelsregister is opgenomen, dan wel aan een samenwerkingsverband van ondernemingen of organisaties die in het handelsregister zijn opgenomen;

  • b. voor een udv-project, aan een samenwerkingsverband waarin ten minste twee ondernemingen die tot de dierlijke productieketen behoren, en ten minste een onderneming of organisatie die niet tot de dierlijke productieketen behoort, samenwerken.

Artikel 2.2.3. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd;

    • d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen.

Artikel 2.2.4. Aanvangstermijn

De subsidieontvanger vangt het project aan binnen drie maanden na de datum van de subsidieverlening.

Artikel 2.2.5. Subsidiabele kosten

  • 1 De volgende kosten voor een project als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel a of b, komen in aanmerking voor subsidie:

    • a. de kosten voor de inhuur van een procesbegeleider of projectuitvoerder;

    • b. de kosten van derden voor de organisatie en facilitering van bijeenkomsten ten behoeve van kennisuitwisseling, waaronder begrepen zaalhuur en vergaderfaciliteiten;

    • c. de kosten voor het vastleggen en verspreiden van kennis, waaronder begrepen drukwerk en de kosten van de ontwikkeling en het beheer van internetapplicaties;

    • d. de kosten voor het inhuren van consultatie en bijstand in het kader van innovatieadvies.

  • 2 Voor een project als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, komen tevens in aanmerking voor subsidie de kosten apparatuur en materiaal, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 3 De kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze kosten vallen binnen de kostensoorten, genoemd in de artikelen 28 en 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Artikel 2.2.7. Duur

  • 1 Een project tot opstelling van een verbeterplan heeft een duur van ten hoogste 1,5 jaar.

  • 2 Een udv-project heeft een duur van ten hoogste 3,5 jaar.

Artikel 2.2.8. Verdeling van het subsidieplafond

  • 1 De minister verdeelt het subsidieplafond voor de ingediende projecten, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel a, respectievelijk het subsidieplafond voor de ingediende projecten, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, op volgorde van rangschikking van de aanvragen. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft hoger scoort op de criteria, bedoeld in artikel 2.2.9, derde en vierde lid.

  • 2 Indien blijkt dat het totale bedrag van de toe te kennen subsidies voor de ingediende projecten, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel a, respectievelijk artikel 2.2.2, onderdeel b, die voor verlening van subsidie in aanmerking komen, lager is dan het subsidieplafond dat voor deze projecten is vastgesteld, wordt het voor de ene soort project overblijvende bedrag zo nodig aan het beschikbare bedrag voor de andere soort project toegevoegd.

Artikel 2.2.9. Adviescommissie en rangschikking

  • 1 Er is een Adviescommissie udv-subsidies die tot taak heeft de Minister te adviseren over de rangschikking van de aanvragen van subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdelen a en b.

  • 2 De voorzitter en de leden worden voor de duur van vier jaar benoemd.

  • 3 De Adviescommissie udv-subsidies rangschikt bij haar advisering aanvragen van subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel a, hoger naarmate:

    • a. er meer aandacht wordt gegeven aan de mogelijkheden voor sociale innovatie of nieuwe marktconcepten (30%);

    • b. er meer wordt bijgedragen aan de diverse udv-ambities (30%);

    • c. er meer verschillende partners in het project worden betrokken, waaronder één of meer detailhandelaren of partijen van buiten de dierlijke keten (40%).

  • 4 De Adviescommissie udv-subsidies neemt bij haar advisering over de rangschikking van aanvragen van subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, in aanmerking:

    • a. de aard en de omvang van de weg te nemen drempel (25%);

    • b. het potentieel van het udv-project om systeeminnovaties te bewerkstelligen (25%);

    • c. de mate waarin wordt bijgedragen aan de diverse udv-ambities (15%);

    • d. de betrokkenheid van een of meer partners van buiten de dierlijke productieketen in het project, waaronder één of meer detailhandelaren of een privaatrechtelijke belangenorganisatie (25%);

    • e. de mate van vernieuwing ten opzichte van de gangbare praktijk en techniek groter is (10%).

  • 5 De Adviescommissie udv-subsidies, bedoeld in het eerste lid, kan de minister adviseren om een aanvraag tot subsidieverlening af te wijzen.

Artikel 2.2.10. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten voor een project als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel a, en bedraagt ten hoogste € 70.000.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten voor een project als bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, en blijft onder een bedrag van € 125.000.

Artikel 2.2.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 28 en 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Artikel 2.2.12. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 2.2.1 vervallen met ingang van 1 juli 2019, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.3. Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw

Artikel 2.3.1. Begripsomschrijving

In deze titel wordt verstaan onder glastuinbouwonderneming:landbouwonderneming met glasopstanden.

Artikel 2.3.2. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister verstrekt aan een glastuinbouwonderneming op aanvraag subsidie voor de hierna opgesomde apparatuur, installaties of machines:

    • a. een tweede energiescherm;

    • b. verticale ventilatoren;

    • c. meerinvesteringen diffuus glas met antireflectiecoating;

    • d. de aansluiting op een warmtenetwerk of -cluster;

    • e. de aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster;

    • f. een ketel of kachel gestookt op biomassa als bedoeld in nummer 251105 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.

  • 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor:

    • a. gevelschermen, (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen;

    • b. een tweede energiescherm, indien het totale energieverbruik van de onderneming meer dan 20 kubieke meter aardgasequivalenten per vierkante meter kasoppervlak bedraagt;

    • c. diffuus glas met antireflectiecoating, indien de lichtdoorlatendheid van het glas lager is dan 80% hemisferische PAR transmissie of waarbij de loodrechte PAR transmissie lager is dan 90% of de hazefactor lager is dan 25%;

    • d. vervangingsinvesteringen;

    • e. investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa;

    • f. investeringen met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

    • g. investeringen in installaties voor de productie van hernieuwbare energie met het oog op de productie, op het glastuinbouwbedrijf, van thermische energie of elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, indien:

      • 1°. het niet de bedoeling is in de eigen energiebehoeften te voorzien;

      • 2°. de productiecapaciteit van die installaties groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van het glastuinbouwhuishouden, of

      • 3°. verkoop van elektriciteit aan het net plaatsvindt die buiten de jaarlijkse limiet van het eigen verbruik, bedoeld onder 2°, valt;

    • h. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving;

    • i. investeringen die in strijd zouden zijn met de beperkingen als bedoeld in punt 151 van het landbouwsteunkader;

    • j. de investeringen met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen die niet voldoen aan de voorwaarden van punt 149 en 150 van het landbouwsteunkader.

  • 3 Indien meer dan één glastuinbouwbedrijf de investering met het oog op de productie, op het glastuinbouwbedrijf, van energie uit hernieuwbare bronnen om in de eigen energiebehoeften te voorzien, wordt onder het gemiddelde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, mede verstaan het gemiddelde jaarlijkse verbruik van elk van die bedrijven opgeteld tot de hoeveelheid die overeenstemt met het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden van de subsidie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.3.3. Subsidievoorwaarden

  • 1 De minister verstrekt subsidie voor een investering als bedoeld in artikel 2.3.2, indien de investering ten minste gericht is op één van de doelstellingen, genoemd in punt 143, onder a en b, van het landbouwsteunkader.

  • 2 Subsidie voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f, wordt uitsluitend verstrekt indien:

    • a. de energie die wordt opgewekt door de apparatuur, installaties of machines uitsluitend wordt gebruikt door de glastuinbouwonderneming die de subsidie heeft aangevraagd ten behoeve van tuinbouwdoeleinden van die onderneming en

    • b. de apparatuur, installaties of machines niet meer energie genereren dan vermeld staat op de laatste jaarafrekening van het energieverbruik van de glastuinbouwonderneming.

Artikel 2.3.3a. Eén aanvraag per glastuinbouwonderneming

Per glastuinbouwonderneming kan één aanvraag worden ingediend voor een investering, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid.

Artikel 2.3.4. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in punt 71 van het landbouwsteunkader.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd;

    • d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen.

  • 3 De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

    • a. een op naam van de aanvrager gestelde offerte van de bouwer of de leverancier, waarop is aangeven welke apparatuur, installatie of machine als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, het betreft. Deze offerte bevat ook de maximale en werkelijke capaciteit van de installatie als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f;

    • b. een kopie van de laatste jaarafrekening waarop het energieverbruik van de landbouwonderneming staat voor de installatie als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen a en f;

    • c. een kaart met daarop ingetekend de totale oppervlakte van de betrokken opstand en met daarop gearceerd ingetekend de oppervlakte waarop de investering betrekking heeft inclusief opgave van lengte van de voorziening in meters en de afstand tussen de onderneming en het netwerk in meters voor investeringen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen d en e.

  • 4 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat in afwijking van artikel 50 van het besluit vergezeld van:

    • a. facturen waarop prijzen inclusief en exclusief BTW worden opgevoerd en waarbij, voor zover van toepassing, het onderscheid tussen de kostenonderdelen is aangegeven;

    • b. bankafschriften waaruit de betaling van de facturen blijkt;

    • c. een opdrachtbevestiging of ondertekende offerte, waaruit blijkt op welk moment verplichtingen zijn aangegaan.

Artikel 2.3.5. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond door middel van loting.

Artikel 2.3.6. Subsidiabele kosten

  • 1 De kosten, genoemd onder punt 144, onder a en b, van het Landbouwsteunkader, komen in aanmerking voor de subsidie.

  • 2 Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster.

  • 3 Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening.

  • 4 Voor de subsidie komen niet in aanmerking de kosten, genoemd onder punt 145 van het Landbouwsteunkader.

  • 5 De maximale subsidiabele kosten per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak bedragen voor:

    • a. een tweede energiescherm € 5,20;

    • b. verticale ventilatoren € 3;

    • c. meerinvesteringen diffuus glas met antireflectiecoating € 10.

Artikel 2.3.7. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt ten minste € 5.000 en ten hoogste € 50.000.

  • 3 In afwijking van het tweede lid bedraagt een subsidie voor de in artikel 2.3.2, eerste lid, opgesomde apparatuur, installaties of machines ten hoogste:

    • a. € 125.000 voor onderdeel c;

    • b. € 150.000 voor onderdeel d;

    • c. € 250.000 voor onderdeel f.

Artikel 2.3.8. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door Steunmaatregel SA.34005 (2012/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader.

Artikel 2.3.9. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.4. Groene-plus lectoraten

Artikel 2.4.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • agrarische HBO-instelling: instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek, op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

  • groene-plus lectoraat: lectoraat dat zich op basis van deze regeling bezighoudt met thema’s op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

  • HBO: Hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de Wet op Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek;

  • kenniskring: samenwerkingsverband van een lectoraat, docenten en anderen waarbinnen inhoudelijke expertise op een bepaald gebied gebundeld en verder ontwikkeld wordt;

  • lector: hoog gekwalificeerde professional die ruime ervaring heeft met onderwijs en onderzoek op een bepaald vakgebied en die door zijn prestaties een groot gezag geniet als deskundige;

  • lectoraat: samenwerkingsverband dat onder leiding staat van een lector.

Artikel 2.4.2. Subsidieverstrekking

  • 1 Ter versterking van de onderwijsvernieuwing op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, kan de minister subsidie aan het bevoegd gezag van een agrarische HBO-instelling verstrekken voor activiteiten die leiden tot het vergroten van kennisinnovatie en de daarmee samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs en de externe oriëntatie naar bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

  • 2 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, hebben een duur van ten hoogste vier jaar en zijn gericht op:

    • a. het uitvoeren van vraaggestuurd praktijkgericht onderzoek;

    • b. de doorvertaling van de kennisontwikkeling in het onderwijs;

    • c. het professionaliseren van docenten en kenniskringleden;

    • d. een landelijke doorwerking, het versterken van de kenniscirculatie tussen onderwijs, onderzoek en praktijk via kenniskringen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

    • e. het op waarde schatten van elders ontwikkelde nieuwe kennis en het benutten en overdragen van deze kennis aan docenten, studenten en andere kenniskringleden.

Artikel 2.4.3. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft:

  • a. qua thema waarop het groene-plus lectoraat betrekking heeft, beter aansluiten bij de agenda’s van de topsectoren Agro & Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, de beleidsreactie van het kabinet op deze agenda’s en de beleidsagenda’s in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken in het domein Landbouw en Natuurlijke omgeving;

  • b. qua werkveld meer vernieuwend zijn ten opzichte van de werkvelden van bestaande lectoraten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

  • c. een grotere bijdrage leveren aan de doelstelling en subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.4.2;

  • d. meer kwaliteitswinst in de groene kennisinfrastructuur opleveren, waarbij een landelijke doorwerking van verworven kennis beter geborgd wordt en verdergaande zwaartepuntvorming bij de HBO-instellingen passend bij het profiel van de instellingen verkregen wordt;

  • e. een goede benutting van eerder gedane investeringen in de groene kennisinfrastructuur bewerkstelligen;

  • f. beter uitvoerbaar zijn;

  • g. een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties in de regio van de subsidieaanvrager bewerkstelligen;

  • h. meer vertrouwen geven dat na afloop van de subsidieperiode een structurele verankering van de resultaten plaatsvindt binnen de instelling.

Artikel 2.4.4. Subsidieaanvraag

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een beschrijving van de doelen en van de activiteiten die ondernomen worden, welke bijdrage aan innovatie en duurzaamheid gerealiseerd wordt, welke partijen, doelgroepen en bestaande kennisnetwerken betrokken worden en welke instrumenten ingezet worden om het doel te bereiken.

Artikel 2.4.5. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger draagt zorg voor een functionerend kwaliteitszorgmechanisme dat zorgt voor een samenhang tussen de doelstelling en activiteiten van de groene-plus lectoraten.

  • 2 De subsidieontvanger vangt met de activiteiten aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening.

  • 3 De subsidieontvanger draagt zorg voor de deelname van minimaal één mbo-docent aan de kenniskring van het desbetreffende groene-plus lectoraat.

  • 4 De subsidieontvanger moet in elk geval meer dan 40% van de kosten, bedoeld in artikel 2.4.6, onderdeel a, gebruiken voor docenten van de aanvragende instelling.

  • 5 De subsidieontvanger en de deelnemers aan de groene-plus lectoraten werken mee aan door of namens de minister ingestelde activiteiten die gericht zijn op het monitoren en verspreiden van kennis.

  • 6 De subsidieontvanger brengt uiterlijk op 1 oktober van elk jaar een tussenrapportage uit van de voortgang van het groene-plus lectoraat voor de doelstelling en de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.4.2.

  • 7 De tussenrapportages bedoeld in het zesde lid worden ingediend bij de minister met behulp van het format, bedoeld in bijlage 2.4.1, en bevatten een beschrijving van:

    • a. de activiteiten die tot dan toe zijn verricht;

    • b. de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de in de aanvraag omschreven doelstelling;

    • c. de stand van zaken en planning ter zake van de financiën, waarbij de subsidieontvanger jaarlijks in een door een accountant gecontroleerde jaarrekening, waarin uitgaven en ontvangsten van het lectoraat inzichtelijk worden gemaakt, verantwoording aflegt over de uitgaven en ontvangsten van het lectoraat.

  • 8 De subsidieontvanger dient binnen 3 maanden na aanstelling van een lector een uitgewerkt activiteitenplan in.

  • 9 De subsidieontvanger legt jaarlijks in het jaarverslag verantwoording af over de inzet van de op basis van deze titel verstrekte subsidie. Een controleverklaring als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit blijft bij de aanvraag tot subsidievaststelling achterwege.

Artikel 2.4.6. Subsidiabele kosten

  • 1 De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:

    • a. de loonkosten van het bij de uitvoering van de in artikel 2.4.2 bedoelde activiteiten betrokken personeel van de subsidieontvanger, waarbij de loonkosten van docenten uitsluitend in aanmerking komen tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën, behorende bij salarisschaal 11, en de loonkosten van de lectoren uitsluitend in aanmerking komen tot ten hoogste het bedrag dat als normbedrag is opgenomen in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën, behorende bij ten hoogste salarisschaal 16;

    • b. de kosten, die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk door de subsidieontvanger zijn betaald voor het inhuren van ondersteuning, ondersteuningsinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstellingen vanwege hun expertise of specifieke voorzieningen tot ten hoogste 10% van de subsidiabele kosten, bedoeld in onderdeel a;

    • c. materiële kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn en daadwerkelijk door de subsidieontvanger zijn betaald voor de uitvoering van de activiteiten tot ten hoogste 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in onderdeel a.

  • 2 Voor loonkosten komen uitsluitend kosten voor subsidie in aanmerking die als indicatief uurtarief vallen onder de categorie ‘kosten-plus tarief exclusief BTW’, bedoeld in de Handleiding Overheidstarieven van het Ministerie van Financiën.

Artikel 2.4.7. Omvang subsidie

De subsidie bedraagt in afwijking van artikel 1.3 ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 120.000 per jaar.

Artikel 2.4.9. Vervaltermijnen

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.5. Garantstelling landbouw

Artikel 2.5.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

bancair aansprakelijk vermogen:

    • a. eigen vermogen van de onderneming van de aanvrager;

    • b. zekerheidsstelling door derden ten behoeve van de onderneming van de aanvrager, en

    • c. vermogensbestanddelen van de aanvrager privé, bestaande uit:

      • 1°. bij eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen: privébezittingen;

      • 2°. bij besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschappen: privébezittingen voor zover deze door zekerheidsstelling ten behoeve van de bank zijn verboden;

      • 3°. achtergestelde leningen;

  • landbouwbedrijf: landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en punt 35, onderdeel 16, van het landbouwsteunkader;

  • lening: door een bank verstrekte geldlening, niet zijnde een rekening-courantkrediet;

  • liquiditeitstoename: som van het bedrijfsresultaat, de afschrijving en de privé-toevoegingen verminderd met de aflossingen, de privé-onttrekkingen en de vervangingsinvesteringen;

  • primaire landbouwproductie: primaire landbouwproductie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 5, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en punt 35, onderdeel 10 van het landbouwsteunkader.

Artikel 2.5.2. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister kan subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken voor de terugbetaling van een lening, voor zover deze strekt tot financiering van investeringen in de stichting, overname, instandhouding of verbetering van een kleine of middelgrote landbouwonderneming.

  • 2 Een investering als bedoeld in het eerste lid is ten minste gericht op één van de doelstellingen, genoemd in punt 143, onder a tot en met d, van het landbouwsteunkader.

Artikel 2.5.3. Uitzonderingen en weigeringsgronden

  • 1 Geen garantstelling wordt verstrekt:

    • a. voor de terugbetaling van leningen die zijn gericht op de herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens in geval van overmacht;

    • b. indien ten aanzien van de investeringen reeds een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;

    • c. aan andere landbouwondernemingen dan kleine of middelgrote ondernemingen;

    • d. indien aan de aanvrager reeds een garantstelling is verstrekt door de minister of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw, en:

      • 1°. die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of

      • 2°. met garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming € 2.500.000 of hoger wordt;

    • e. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een landbouwonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode, overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan worden opgezegd;

    • f. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager minder dan 15% bedraagt van het balanstotaal;

    • g. indien de verstrekking van de garantstelling de landbouwonderneming naar het oordeel van de minister onvoldoende liquiditeitstoename oplevert;

    • h. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de minister onvoldoende middelen bevat om eventuele exploitatietekorten van de landbouwonderneming op te vangen;

    • i. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de minister onvoldoende middelen bevat om in de toekomst noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten in de landbouwonderneming;

    • j. ingeval de lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt in totaal minder dan € 50.000 bedraagt.

  • 2 Geen garantstelling wordt verstrekt voor investeringen:

    • a. in de verwerking en afzet van landbouwproducten;

    • b. in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa;

    • c. in installaties voor de productie van hernieuwbare energie die bedoeld zijn voor de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140), indien:

      • 1°. de productiecapaciteit van die installaties groter is dan de capaciteit die overeenstemt met de gemiddelde hoeveelheid brandstof die het landbouwbedrijf jaarlijks voor vervoer verbruikt, of

      • 2°. de geproduceerde biobrandstof op de markt wordt verkocht;

    • d. in installaties voor de productie van hernieuwbare energie met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie of elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, indien:

      • 1°. het niet de bedoeling is in de eigen energiebehoeften te voorzien;

      • 2°. de productiecapaciteit van die installaties groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden, of

      • 3°. verkoop van elektriciteit aan het net plaatsvindt die buiten de jaarlijkse limiet van het eigen verbruik, bedoeld onder 2°, valt;

    • e. die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving;

    • f. die in strijd zouden zijn met de beperkingen, bedoeld in punt 151 van het landbouwsteunkader;

    • g. met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen die niet voldoen aan de voorwaarden van de punten 149 en 150 van het landbouwsteunkader.

  • 3 Indien de investering door meer landbouwbedrijven wordt uitgevoerd om in hun eigen behoefte aan biobrandstof en energie te voldoen, is het gemiddelde jaarlijkse brandstof- respectievelijk energieverbruik, bedoeld in het tweede lid, onder c en d, de som van het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden.

Artikel 2.5.4. Eisen aan subsidieontvangers

  • 1 De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt aan aanvragers die:

    • a. wegens het ontbreken van de daartoe benodigde zekerheden volgens normaal bankgebruik onvoldoende financiering voor de landbouwonderneming kunnen krijgen;

    • b. voor zover rechtens is toegestaan, op alle hen toebehorende zaken goederenrechtelijke zekerheid verlenen voor alle door de bank te verstrekken financieringen, waaronder de lening waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • c. beschikken over de wettelijk vereiste bescheiden ter zake van de vestiging en uitoefening van de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft, en

    • d. de minister machtigen tot gebruik van de door hen op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet verstrekte gegevens voor de controle van de te verlenen garantstelling.

  • 2 Voor de garantstelling komen natuurlijke personen in aanmerking indien:

    • a. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft voor eigen rekening en risico beheren;

    • b. zij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:

      • 1°. zij beschikken over een getuigschrift van afronding van een erkende landbouwkundige opleiding of opleiding van gelijkwaardig niveau, of

      • 2°. zij kunnen aantonen dat zij ten minste drie jaar op een landbouwonderneming werkzaam zijn geweest, en

    • c. elk van hen aan de vereisten uit het eerste lid voldoet, en een van hen aan de voorwaarden uit onderdeel b voldoet, ingeval meer dan een persoon voor gezamenlijke rekening en risico de landbouwonderneming beheren.

  • 3 Voor de garantstelling komen rechtspersonen in aanmerking indien:

    • a. zij blijkens de statuten de exploitatie van een of meer landbouwondernemingen ten doel hebben;

    • b. zij de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft onder leiding van een bedrijfsleider hebben gesteld die voldoet aan één van de voorwaarden, gesteld in het tweede lid, onderdeel b, en

    • c. de bestuurders zich hoofdelijk verbinden tot de volledige terugbetaling van de lening waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede hun hele vermogen tot zekerheid terzake stellen.

  • 4 De minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, onderdeel c.

Artikel 2.5.5. Nadere voorschriften

  • 1 De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een lening die:

    • a. is verstrekt door een bank waarmee de minister een raamovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de minister en de bank zijn vastgelegd, heeft gesloten;

    • b. een looptijd heeft van ten hoogste twintig jaar, met dien verstande dat de bank de looptijd met ten hoogste twee jaar kan verlengen in geval van betalingsmoeilijkheden, en

    • c. lineair wordt afgelost.

  • 2 Uiterlijk één jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de garantstelling neemt de subsidieontvanger de lening waarop de garantstelling betrekking heeft volledig op.

  • 3 Bij de bepaling of de landbouwonderneming naar het oordeel van de minister voldoende liquiditeitstoename oplevert, wordt uitgegaan van een, zo nodig door de minister gewijzigde, begroting die op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder meer blijkt dat:

    • a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten de landbouwonderneming waaruit deze kunnen worden bestreden, gezinsbestedingen kunnen worden betaald;

    • b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden gerealiseerd;

    • c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen voldoen.

Artikel 2.5.6. Verlenging looptijd

  • 1 In afwijking van artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan de bank de looptijd van de lening, waarvoor de minister onder de voorwaarden van deze titel een garantstelling heeft verstrekt, met ten hoogste drie jaar verlengen tenzij de totale looptijd van de lening daarmee meer dan 22 jaar bedraagt.

  • 3 De kredietinstelling kan de verlenging van de looptijd, bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid gestelde voorwaarden, overeenkomstig toepassen op leningen met een looptijd van maximaal 20 jaar, niet zijnde achtergestelde leningen, waarvoor garantie is verstrekt op grond van het Besluit Borgstellingsfonds of het Besluit BF bijzondere borgstellingen.

Artikel 2.5.7. Verdeling van subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.5.8. Subsidieaanvraag

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in punt 71 van het landbouwsteunkader.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd;

    • d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde garantstelling zijn opgenomen.

  • 3 De aanvraag tot garantstelling gaat vergezeld van de volgende documenten:

    • a. een investerings- en financieringsplan;

    • b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor uitvoering van het investeringsplan;

    • c. een specificatie van de zekerheden voor alle door de bank te verstrekken financieringen aan de landbouwonderneming, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;

    • d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;

    • e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat de landbouwonderneming:

      • 1°. een bruto-jaaromzet heeft die voor meer dan de helft wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten, en

      • 2°. voldoende liquiditeitstoename oplevert;

    • f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;

    • g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens, en

    • h. de statuten van de landbouwonderneming, indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon.

  • 4 In aanvulling op het eerste lid verstrekt de aanvrager op verzoek van de minister:

    • a. een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de roerende en onroerende zaken die tot zekerheid strekken, dat:

      • 1°. niet ouder is dan zes maanden rekenend vanaf de dag van indiening van de aanvraag, en

      • 2°. is opgesteld door een ter zake deskundig en onafhankelijk taxateur;

    • b. alle bescheiden en informatie die de minister noodzakelijk acht.

Artikel 2.5.9. Afschrift beschikking

De minister verstrekt de bank, bedoeld in artikel 2.5.5, eerste lid, een afschrift van de beschikking tot verlening van de garantstelling.

Artikel 2.5.10. Subsidiabele kosten

De kosten, bedoeld in punt 144, onder a tot en met d, van het Landbouwsteunkader komen in aanmerking voor de garantstelling.

Artikel 2.5.11. Niet-subsiabele kosten

De volgende kosten komen niet in aanmerking voor de garantstelling:

  • a. bedrijfskosten die de begunstigde normaal zou moeten dragen;

  • b. de kosten, bedoeld onder punt 145 van het Landbouwsteunkader;

  • c. kosten voor investeringen waarvoor productiebeperkingen of beperkingen op communautaire steunverlening in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen zijn vastgesteld, zoals toeslagrechten en quota;

  • d. kosten voor investeringen die tot doel hebben de financiële situatie van producenten te verbeteren, maar in geen enkel opzicht bijdragen aan de ontwikkeling van de sector;

  • e. kosten voor landbouwproducten waarvoor geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden;

  • f. kosten voor activiteiten die de landbouwonderneming ook onder marktvoorwaarden alleen zou kunnen uitvoeren;

  • g. kosten voor de aankoop van bouwgrond;

  • h. andere dan de in punt 144, onderdeel b, van het Landbouwsteunkader, genoemde kosten in verband met een huurkoopcontract, waaronder belastingen, marge voor de verhuurder, kosten voor de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

  • i. kosten voor investeringen in verband met de naleving van bestaande nationale maatregelen of EG-maatregelen.

Artikel 2.5.12. Hoogte garantstelling

  • 1 De lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt bedraagt ten hoogste € 600.000.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, bedraagt de lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt ten hoogste € 1.200.000 voor jonge landbouwers.

  • 3 De lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt bedraagt ten hoogste twee derde van de financieringen die benodigd zijn voor de investeringen, opgenomen in het investeringsplan, bedoeld in artikel 2.5.8, eerste lid, onderdeel a, verminderd met de eigen beschikbare middelen, rekening houdende met de financieringsmogelijkheden op basis van beschikbare zekerheden en de wijze waarop de beschikbare eigen middelen optimaal kunnen worden aangewend.

  • 4 De hoogte van de garantstelling vermindert naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de lening waarop de garantstelling betrekking heeft, volgens het aflossingsschema dat is vastgesteld bij verlening van de garantstelling.

  • 5 Indien de bank nakoming vordert van de garantstelling, wordt ten hoogste vier vijfde van de restantschuld van de lening waarop de garantstelling betrekking heeft uitbetaald.

Artikel 2.5.13. Garantstelling ‘plus’

  • 1 In afwijking van artikel 2.5.12, eerste lid, bedraagt de lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt ten hoogste € 2.500.000 ingeval aan de bepalingen van dit artikel is voldaan.

  • 2 De aanvraag tot garantstelling is gericht op de terugbetaling van een lening die strekt tot financiering van de volgende investeringen:

    • a. investeringen in een duurzame melkveestal, varkensstal of pluimveestal die:

      • 1°. voldoet aan de eisen van het certificatieschema Maatlat Duurzame Veehouderij, hetgeen blijkt uit een voorlopig certificaat dat is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie hiervoor geaccrediteerde organisatie, en waarvoor geldt dat:

        • binnen twee jaar na afgifte van het voorlopig certificaat een definitief certificaat wordt overgelegd, of

        • binnen drie jaar een definitief certificaat wordt overgelegd volgens de dan vigerende Maatlat Duurzame Veehouderij, en

      • 2°. bestaat uit ruimten waarin dieren worden gehuisvest, stalinrichting, klimaattechnische en voertechnische systemen, ammoniakemissiereducerende systemen, mestafvoer en mestopslag;

    • b. investeringen in een Groen Label Kas, die is bestemd voor het bedrijfsmatig telen van gewassen, en is aangewezen op grond van de artikelen 3.31, eerste lid, of 3.42a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    • c. aankoop van grond voor de uitoefening van de glastuinbouw, mits de betrokken kavel ten minste 80 meter breed is met een lengte-breedte-verhouding van ten hoogste 2:1.

  • 3 De garantstelling wordt verstrekt ter zake van een investeringsplan, waarbij ten minste de helft van de investeringen betrekking heeft op investeringen als bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Een garantstelling als bedoeld in dit artikel kan tevens worden verstrekt voor de terugbetaling van leningen die zijn achtergesteld ten opzichte van andere vorderingen van de bank, waarbij geldt dat:

    • a. slechts garantstelling wordt verstrekt voor zover de omvang van de achtergestelde lening kleiner is dan het eigen vermogen van de landbouwonderneming waarop de aanvraag tot garantstelling betrekking heeft;

    • b. artikel 2.5.4, eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing is, en

    • c. achtergestelde leningen een looptijd hebben van ten hoogste tien jaar en niet lineair hoeven te worden afgelost, in afwijking van artikel 2.5.5, eerste lid, onderdelen b en c.

Artikel 2.5.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.5.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door Steunmaatregel SA.37251 (2013/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader.

Artikel 2.5.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.6. Garantstelling landbouwondernemingen werkkapitaal

[Vervallen per 01-01-2016]

Titel 2.7. Groen en doen

Artikel 2.7.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • jacht: jagen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Flora- en faunawet;

  • natuur- en landschapsbeheer: geheel van activiteiten die zien op het behoud en de ontwikkeling van de natuur of het landschap, de instandhouding van de natuur of het landschap bevorderen, daaronder mede begrepen het ontwikkelen van nieuwe natuur of herstellen van landschapskenmerken, het opdoen van vaardigheden ten behoeve van het opzetten en doen functioneren van een vrijwilligersorganisatie die zich bezig houdt met natuur- en landschapsbeheer en het betrekken van mensen met een beperking bij natuur- en landschapsbeheer;

  • vrijwilliger: natuurlijk persoon die, anders dan bij wijze van beroep, onverplicht arbeid om niet verricht.

Artikel 2.7.2. Subsidieaanvraag

  • 1 De Minister kan subsidie verstrekken voor de opleiding van vrijwilligers ter bevordering van natuur- en landschapsbeheer.

  • 2 Geen subsidie wordt verstrekt, indien de activiteiten in het kader van een dergelijke opleiding:

    • a. in strijd zijn met overheidsbeleid ten aanzien van natuur of landschap;

    • b. verband houden met de jacht.

  • 3 De subsidie wordt verstrekt aan vrijwilligers.

  • 4 Iedere vrijwilliger kan ten hoogste één aanvraag doen.

  • 5 De opleiding wordt afgerond binnen een jaar nadat de subsidie is verstrekt.

  • 6 De subsidieontvanger stemt er mee in dat de Minister de informatie, bedoeld in artikel 2.7.3 openbaar maakt.

Artikel 2.7.3. Informatieverplichtingen

Bij de aanvraag wordt ten minste de volgende informatie verstrekt:

  • a. een beschrijving van de opleiding, waarbij onder meer wordt ingegaan op de aanbieder van de opleiding, het doel van de opleiding, de wijze waarop het volgen van de opleiding leidt tot het betrekken van nieuwe mensen bij natuur- en landschapsbeheer, de activiteiten die zullen worden verricht in het kader van de opleiding en het beoogde resultaat; en

  • b. een opgave van de kosten die de opleidingsactiviteiten met zich zullen brengen.

Artikel 2.7.4. Afwijzingsgronden

Geen subsidie wordt verstrekt in een van de volgende gevallen:

  • a. de aanvraag voldoet niet aan het bepaalde in deze titel;

  • b. de subsidiabele kosten bedragen minder dan € 1.000,–;

  • c. het is aannemelijk dat de door de aanvrager verstrekte gegevens onjuist zijn;

  • d. er bestaat onvoldoende vertrouwen in het niveau van de kennis die met de opleiding wordt verkregen.

Artikel 2.7.5. Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn de subsidiabele kosten alle rechtstreeks aan de uitvoering van de opleiding toe te rekenen kosten, met uitzondering van kosten voor eigen arbeid van de subsidieaanvrager.

Artikel 2.7.6. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.7.9. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2020, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 2.8. Genotypering TSE bij schapen

Artikel 2.8.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • voucher genotypering TSE: voucher voor het bepalen door middel van DNA analyse van de erfelijke gevoeligheid voor klassieke scrapie bij schapen waarvoor niet eerder een DNA analyse voor dit doel is uitgevoerd;

  • erkend laboratorium: laboratorium als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria;

  • schapenhouder: een hobbyschapenhouder of kleine of middelgrote ondernemer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw die werkzaam is in de primaire landbouwproductie en die schapen houdt.

Artikel 2.8.2. Verstrekking voucher genotypering TSE

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een of meerdere vouchers genotypering TSE ter waarde van € 6 aan een schapenhouder.

  • 2 Een voucher genotypering TSE is geldig voor genotyperingen TSE uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.

Artikel 2.8.3. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. een schapenhouder en het erkend laboratorium voor 1 januari 2015 verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan met betrekking tot de genotyperingstest TSE;

  • b. een schapenhouder een voucher genotypering TSE wil aanwenden voor een genotyperingstest waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt;

  • c. een schapenhouder eerder een genotyperingstest TSE bij het betrokken dier heeft uitgevoerd.

Artikel 2.8.4. Verdeling vouchers genotypering TSE

  • 1 Een voucher genotypering TSE kan uitsluitend worden aangevraagd indien de minister heeft vastgesteld:

    • a. in welke periode de voucher genotypering TSE kan worden aangevraagd, en

    • b. hoeveel vouchers genotypering TSE beschikbaar zijn.

  • 2 De minister bepaalt per aanvraagperiode tot welke datum de in die aanvraagperiode verstrekte vouchers genotypering TSE kunnen worden ingeleverd bij een erkend laboratorium.

  • 3 De minister maakt een besluit als bedoeld in dit artikel bekend in de Staatscourant.

  • 4 De minister verdeelt de beschikbare vouchers genotypering TSE in de volgorde van ontvangst van de aanvragen. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal vouchers genotypering TSE zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting.

Artikel 2.8.5. Verstrekking van subsidie aan erkende laboratoria

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een erkend laboratorium dat één of meer geldige vouchers genotypering TSE overlegt.

Artikel 2.8.7. Staatssteun

De voucher genotypering TSE, bedoeld in artikel 2.8.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door Steunmaatregel SA.39008 (2014/N).

Titel 2.9. Subsidie kosten vaccinatie pluimvee ter bestrijding van salmonella

Artikel 2.9.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • pluimveehouder: ondernemer die werkzaam is in de primaire landbouwproductie en die fok- of vermeerderingspluimvee voor de consumptie-ei-sector dan wel leghennen houdt, dan wel pluimvee dat daarvoor wordt opgefokt;

  • gevaccineerd pluimvee: met toegelaten vaccin gevaccineerd fokpluimvee, vermeerderingspluimvee voor de consumptie-ei-sector, gevaccineerde leghennen of pluimvee dat daarvoor wordt opgefokt;

  • toegelaten vaccin: vaccin dat op grond van de Wet dieren is toegelaten voor gebruik bij fokpluimvee, vermeerderingspluimvee voor de consumptie-ei-sector of leghennen ter voorkoming van een besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium;

  • vaccinatie: toediening van een toegelaten vaccin bij fokpluimvee, vermeerderingspluimvee voor de consumptie-ei-sector, leghennen of pluimvee dat daarvoor wordt opgefokt overeenkomstig de voorwaarden die daaraan bij de registratie van het betreffende vaccin zijn verbonden;

  • vaccindoses: standaardhoeveelheid van een toegelaten vaccin per dier.

Artikel 2.9.2. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken aan een pluimveehouder voor de aankoop van tegen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium gevaccineerd pluimvee.

  • 3 Aan de pluimveehouder wordt slechts subsidie verstrekt indien de aankoop van gevaccineerd pluimvee is gefactureerd in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.

  • 4 In afwijking van het tweede lid komt voor subsidie in aanmerking gevaccineerd pluimvee dat vóór 1 januari 2015 is aangeschaft en op of na 1 januari 2015 is geleverd aan een pluimveehouder.

Artikel 2.9.3. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.9.4. Indiening aanvraag tot vaststelling

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

  • a. nota’s en betaalbewijzen van de aanschaf van gevaccineerd pluimvee;

  • b. een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het gevaccineerd pluimvee geregistreerd is in een op grond van artikel 38hh van de Regeling identificatie en registratie dieren aangewezen databank voor identificatie en registratie van pluimvee;

  • c. een bewijs waarmee wordt aangetoond dat vaccinatie overeenkomstig de toelatingsvoorwaarden van het betreffende vaccin is uitgevoerd, alsmede het aantal vaccindoses dat is toegediend;

  • d. indien de vaccinatie van het pluimvee in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is uitgevoerd, tevens een schriftelijk bewijs dat in de betreffende lidstaat voor het jaar 2015 geen subsidie voor de aankoop van vaccins ten behoeve van het betreffende pluimvee is of wordt aangevraagd dan wel is of wordt toegekend.

Artikel 2.9.5. Subsidiabele kosten

  • 1 Voor subsidie komen in aanmerking kosten voor de aankoop van tegen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium gevaccineerd pluimvee.

  • 2 Niet verrekenbare BTW komt niet in aanmerking voor subsidie.

Artikel 2.9.7. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.9.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door Steunmaatregel SA.39008 (2014/N).

Hoofdstuk 3. Innovatie en ondernemerschap

Titel 3.2. TKI-toeslag

Artikel 3.2.1. Begripsomschrijvingen

  • 1 In deze titel wordt verstaan onder:

    • geldmiddelen: chartaal geld, giraal geld of elektronisch geld;

    • innovatieactiviteiten: ondersteunende activiteiten, gericht op het betrekken van MKB-ondernemers bij een samenwerkingsproject of het stimuleren van de valorisatie van de kennis op het terrein van het TKI-programma, bestaande uit:

      • a. netwerkactiviteiten, bestaande uit masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en netwerking tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of

      • b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar;

    • inzet in natura: op geld waardeerbare inbreng in een samenwerkingsproject die

      • a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage, en

      • b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen;

    • private bijdrage: geldmiddelen die niet direct of indirect afkomstig zijn van:

      • a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen,

      • b. een openbaar lichaam;

    • samenwerkingsproject: project dat:

      • a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt;

      • b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd voor gezamenlijke rekening en risico, en

      • c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan.

    • TKI: Topconsortium voor Kennis en Innovatie, zijnde een rechtspersoon die als zodanig is genoemd in de wet houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken van het jaar waarop de aanvraag, bedoeld in artikel 3.2.2, betrekking heeft;

    • TKI-programma: op onderzoek en innovatie gericht meerjarig programma, houdende de samenwerkingsprojecten en de innovatie-activiteiten van het TKI;

    • TKI-relevante onderzoeksopdracht: opdracht:

      • a. die wordt uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie,

      • b. die bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan, en

      • c. die kennis oplevert voor de onderzoeksorganisatie die toepasbaar is in binnen het TKI-programma mogelijke samenwerkingsprojecten;

  • 2 In deze titel wordt onder onderzoeksorganisatie verstaan, een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk.

Artikel 3.2.2. Tki-toeslag

De minister verstrekt op aanvraag TKI-toeslag aan een TKI voor:

  • a. uitvoering van het TKI-programma (programmatoeslag), of

  • b. uitvoering van een bepaald samenwerkingsproject (projecttoeslag).

Artikel 3.2.3. Grondslag programmatoeslag

  • 1 De hoogte van de programmatoeslag bedraagt 25% van de som van:

    • a. de private bijdragen voor de samenwerkingsprojecten van het TKI-programma, en

    • b. de private bijdragen aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten,

    die in het kalenderjaar, voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend, blijkens onderbouwing in de aanvraag aan onderzoeksorganisaties verschuldigd zijn geworden;

  • 2 Over de eerste € 20.000 van de som van de private bijdragen van een bepaalde deelnemer aan samenwerkingsprojecten van het TKI-programma per jaar bedraagt de hoogte van de programmatoeslag, in afwijking van het eerste lid, 40%.

  • 3 De private bijdragen aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten, die zijn gerealiseerd in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend, worden in aanmerking genomen tot ten hoogste 40% van de totale gerealiseerde private bijdragen in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 4 Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing voor zover de uit een TKI-relevante onderzoeksopdracht voortvloeiende kennis van de onderzoeksorganisatie redelijkerwijs slechts ten goede kan of zal komen aan de onderneming, de onderzoeksinstelling, of beide partijen bij de TKI-relevante onderzoeksopdracht.

  • 5 Een TKI bevordert dat kennis die voortvloeit uit TKI-relevante onderzoeksopdrachten waarvoor hij op grond van het eerste lid, onderdeel b, TKI-toeslag heeft ontvangen, daadwerkelijk wordt toegepast binnen een samenwerkingsproject van het TKI-programma.

  • 6 Voor toepassing van het tweede lid kan de waarde van inzet in natura tot ten hoogste € 20.000 als private bijdrage in aanmerking worden genomen.

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel worden private bijdragen aan een onderzoeks- of experimenteel ontwikkelingsproject dat op het moment van aanvraag al anders dan als samenwerkingsproject van een TKI-programma wordt uitgevoerd slechts in aanmerking genomen indien bestaande publieke of private bijdragen aan dat project niet bij gelegenheid van opneming in het TKI-programma worden verlaagd.

Artikel 3.2.5. Projecttoeslag

  • 1 De hoogte van de projecttoeslag bedraagt 25% van de som van de private bijdragen die in totaal voor het desbetreffende samenwerkingsproject aan onderzoeksorganisaties verschuldigd zullen worden.

  • 2 Artikel 3.2.3, tweede en zesde lid, is op de hoogte van projecttoeslag van toepassing met dien verstande dat niet de private bijdrage in een jaar maar de private bijdrage voor het project als geheel in aanmerking wordt genomen.

  • 3 De minister verstrekt uitsluitend projecttoeslag indien de verschuldigdheid van de private bijdragen en de inzet in natura blijkt uit een bij de aanvraag gevoegd afschrift van een ondertekende samenwerkingsovereenkomst.

  • 4 Projecttoeslag wordt niet verstrekt voor samenwerkingsprojecten die een looptijd hebben van meer dan tien jaar.

  • 5 Op grond van dit artikel voor projecttoeslag in aanmerking genomen private bijdragen en inzet in natura worden niet in aanmerking genomen voor bepaling van de hoogte van de programmatoeslag.

Artikel 3.2.6. Algemeen nut beogende instellingen

  • 2 Indien het totaal van de in een bepaalde openstellingsperiode ingediende aanvragen het bedrag, bedoeld in het eerste lid, overschrijden, worden de in de desbetreffende aanvragen opgenomen bedragen op volgorde van binnenkomst in aanmerking genomen.

Artikel 3.2.7. Toewijzingsgronden TKI-toeslag

  • 1 De minister verstrekt uitsluitend TKI-toeslag indien ten aanzien van de inzet van TKI-toeslag voor een samenwerkingsproject wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, nummer 28, onderdeel b, c of d in samenhang met nummer 29, van de O&O&I-kaderregeling.

  • 2 De minister verstrekt voorts uitsluitend TKI-toeslag voor zover:

    • a. verzekerd is dat op het terrein van het programma werkzame ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die passen in het programma;

    • b. het bestaan van samenwerkingsprojecten en de verschuldigdheid van private bijdragen daaraan kan worden aangetoond aan de hand van schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten;

    • c. de aanwending van de TKI-toeslag meerwaarde levert voor het TKI-programma;

    • d. het samenwerkingsproject waarvoor de TKI-toeslag wordt aangewend bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur;

    • e. een bepaald samenwerkingsproject of een bepaalde innovatie-activiteit niet is gestart voorafgaand aan de eerste aanvraag waarbij aanwending van TKI toeslag voor dat project of die activiteit werd aangevraagd.

Artikel 3.2.8. Aanwenden TKI-toeslag

  • 1 De ontvanger van TKI-toeslag wendt de TKI-toeslag zodanig aan dat het totale bedrag aan steun dat voor een begunstigde in een samenwerkingsproject beschikbaar is, in afwijking van artikel 1.3, niet meer bedraagt dan:

    • a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek,

    • b. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, en

    • c. 25 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

    De subsidiabele kosten zijn kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Het TKI wendt de TKI-toeslag voor innovatie-activiteiten zodanig aan dat:

    • a. bij netwerkactiviteiten:

      • 1°. slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten met TKI-toeslag betaald worden,

      • 2°. de opdrachtverlening door de ontvanger van TKI-toeslag aan derden plaats vindt op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven,

      • 3°. de netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-onderneming zonder onderscheid toegankelijk zijn, en

      • 4°. indien de netwerkactiviteiten niet voortdurend en voor een ieder vrij toegankelijk zijn, per € 1000 TKI-toeslag minstens één MKB-ondernemer deelneemt aan de netwerkactiviteiten;

    • b. bij innovatieadviesdiensten:

      • 1°. de in te zetten innovatiemakelaars op basis van transparante en redelijke criteria geselecteerd worden,

      • 2°. het totale bedrag aan TKI-toeslag niet meer bedraagt dan 50% van de subsidiabele kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, als bedoeld in artikel in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 10.000 per MKB-ondernemer over een periode van één jaar.

      • 3°. aan een MKB-ondernemer gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten worden geleverd.

  • 3 De ontvanger van TKI-toeslag neemt bij de aanwending van de TKI-toeslag, indien van toepassing, de gemeenschappelijke ordening van de landbouwproducten in acht, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • 4 De ontvanger van projecttoeslag wendt de projecttoeslag aan voor het desbetreffende project.

Artikel 3.2.10

Artikel 3.2.11. Administratie

  • 1 De ontvanger van TKI-toeslag draagt zorg voor een administratie:

    • a. waaruit op eenvoudige en duidelijke wijze kan worden afgeleid hoe de TKI-toeslag wordt aangewend voor het uitvoeren van de in het TKI-programma opgenomen samenwerkingsprojecten en innovatie activiteiten;

    • b. waarin de wijze wordt vastgelegd waarop participanten van samenwerkingsprojecten omgaan met intellectueel eigendom dat voorkomt uit deze projecten;

    • c. waaruit op eenvoudige wijze kennis genomen kan worden van de samenwerkingsovereenkomsten voor de projecten waarvoor een private bijdrage als bedoeld in artikel 3.2.3, eerste lid, verschuldigd is geworden.

  • 2 De TKI-toeslag kan op nihil worden vastgesteld indien de administratie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

Artikel 3.2.12. Rapportage en transparantie

  • 1 De rapportage, genoemd in artikel 39, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval:

    • a. een overzicht van de mate waarin de samenwerkingsprojecten, de private bijdragen aan en de inzet in natura voor deze projecten van het lopende jaar zijn gerealiseerd;

    • b. een opgave van de afwijkingen van het TKI-programma;

    • c. een overzicht van de activiteiten en doelen voor het eerstvolgende jaar;

    • d. een overzicht van de mate waarin de uit TKI-relevante onderzoeksopdrachten, waarvoor op grond van artikel 3.2.3, eerste lid, onderdeel b, TKI-toeslag is ontvangen, voortgevloeide kennis toegepast wordt binnen samenwerkingsprojecten van het TKI-programma.

  • 2 De ontvanger van TKI-toeslag zorgt dat actuele informatie over de samenwerkingsprojecten waarvoor de toeslag wordt aangewend op eenvoudige wijze voor het algemene publiek kenbaar is. De informatie omvat ten minste een beschrijving van het onderzoek, de deelnemende ondernemers en onderzoeksorganisaties en de planning en voortgang.

  • 3 Het tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op informatie over de voorwaarden waaronder deelname door op het terrein van het programma werkzame ondernemers en onderzoeksorganisaties aan samenwerkingsprojecten van het TKI-programma openstaat.

Artikel 3.2.13. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. gegevens over de grondslag, waaronder de topsector waarop de aanvraag ziet, het type TKI-toeslag, het jaar waarover TKI-toeslag wordt aangevraagd, de omvang van de private bijdrage voor samenwerkingsprojecten, de omvang van de private bijdrage voor TKI-relevante onderzoeksopdrachten, de hoeveelheid TKI-toeslag die wordt aangevraagd alsmede de projectgegevens van eventuele project-toeslag die wordt aangevraagd;

    • d. in geval van programmatoeslag, een overzicht van de gerealiseerde private bijdragen in het kalenderjaar, voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • e. Het overzicht, bedoeld in onderdeel d, bevat voor iedere private bijdrage ten minste:

      • i. de naam van het samenwerkingsproject of de TKI-relevante onderzoeksopdracht zoals dat in de samenwerkingsovereenkomst staat;

      • ii. de naam van de deelnemer van wie de private bijdrage afkomstig is;

      • iii. de naam van de onderzoeksorganisatie waaraan de private bijdrage verschuldigd is of is geworden;

      • iv. het KvK-nummer van de deelnemer en onderzoeksorganisatie of, voor zover zij hier niet over beschikken, een ander uniek identificeren nummer;

      • v. de hoogte van de private bijdrage in euro;

    • f. een overzicht van de begrote inzet TKI-toeslag;

    • g. in geval van projecttoeslag, een afschrift van de door alle partijen getekende samenwerkingsovereenkomst met daarin de verschuldigde private bijdragen, en een projectplan.

  • 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. gegevens over de grondslag, waaronder de topsector waarop de vaststelling ziet, het jaar waarop de vaststelling van de TKI-toeslag betrekking heeft, de totale aangewende private bijdrage voor samenwerkingsprojecten, de totale aangewende private bijdrage voor onderzoeksopdrachten en de omvang van de TKI-toeslag die voor vaststelling in aanmerking komt.

Artikel 3.2.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.2.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.2.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 november 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.3. TKI MKB-versterking

§ 3.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.3.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • innovatiemakelaar: een verstrekker van innovatieadviesdiensten;

  • netwerkactiviteiten: masterclasses, workshops of conferenties om kennisdeling en netwerking tussen MKB-ondernemers te bevorderen;

  • TKI: Topconsortium voor Kennis en Innovatie als bedoeld in artikel 3.2.1.

Artikel 3.3.2. Subsidieaanvraag en verdeling van het subsidieplafond

  • 1 De minister verstrekt op grond van deze titel op aanvraag subsidie voor activiteiten die passen binnen de programma´s die als bijlagen op het Ministerie van Economische Zaken ter inzage liggen.

  • 2 De minister verdeelt de aan deze activiteiten verbonden subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.3.3. Start- en realisatietermijn

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieaanvraag.

  • 2 De op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na de start van de activiteiten.

§ 3.3.2. Netwerkactiviteiten

Artikel 3.3.4. Doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan een TKI voor het door derden laten uitvoeren van netwerkactiviteiten ten behoeve van MKB-ondernemers.

Artikel 3.3.5. Subsidiabele kosten

  • 1 Slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten zijn subsidiabel.

  • 2 De opdrachtverlening door de subsidieontvanger aan derden vindt plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven.

  • 3 De netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten zijn voor iedere MKB-onderneming zonder onderscheid toegankelijk.

  • 4 Per € 1.000 subsidie neemt minstens één MKB-ondernemer deel aan de netwerkactiviteiten.

§ 3.3.3. Ondersteuning door innovatiemakelaars

Artikel 3.3.6. Subsidiedoel

Subsidie wordt verstrekt aan een TKI voor het door innovatiemakelaars laten leveren van innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, aan MKB-ondernemers.

Artikel 3.3.7. Subsidievoorwaarden

  • 1 De TKI selecteert op basis van transparante en redelijke criteria de in te zetten innovatiemakelaars.

  • 2 Innovatieadviesdiensten zijn slechts subsidiabel indien zij tegen marktconforme tarieven door een innovatiemakelaar worden uitgevoerd.

Artikel 3.3.8. Steunintensiteit

  • 1 De subsidiabele kosten zijn de kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie voor innovatieadviesdiensten 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 3 Het maximale subsidiebedrag bedraagt € 10.000 per MKB-onderneming waaraan de innovatieadviesdiensten zijn geleverd over een periode van maximaal één jaar.

  • 4 Aan een MKB-ondernemer worden gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten geleverd.

§ 3.3.4. Slotbepalingen

Artikel 3.3.9. Evaluatie

  • 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.3.10. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de topsector waarbinnen het wordt uitgevoerd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;

    • d. een projectplan;

    • e. een begroting.

  • 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;

    • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.

Artikel 3.3.11. Staatssteun

  • 2 De subsidie, bedoeld in artikel 3.3.6, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.3.12. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 november 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.4. MKB innovatiestimulering topsectoren

§ 3.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.4.1. Begripsomschrijvingen

  • 1 In deze titel wordt verstaan onder:

    • Adviesorganisatie: organisatie, niet zijnde een kennisinstelling, die deskundigheid heeft op het gebied van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten, en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert;

    • detachering: detachering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • hooggekwalificeerd personeel: hooggekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 93, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • kennisinstelling:

      • a. onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

      • b. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

      • c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

        • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,

        • 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

      • d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b of c direct of indirect:

        • 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,

        • 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of

        • 3°. overwegende zeggenschap heeft;

      • e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d;

    • MIT-haalbaarheidsproject: een project dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie, of uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

    • MIT-innovatie-adviesproject: een door een kennisinstelling of een onafhankelijke adviesorganisatie verrichte activiteit bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, adviseren over een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten, dan wel het verstrekken van innovatieadviesdiensten of innovatieondersteunings-diensten als bedoeld in artikel 2, nrs. 94 en 95 van de algemene groeps-vrijstellingsverordening;

    • MIT-kennisoverdrachtsproject: een door een kennisinstelling verrichte activiteit bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten;

    • MIT-kennisvoucher: een op grond van artikel 3.4.8 door de minister aan een MKB-ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een MIT-kennisoverdrachtsproject;

    • MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;

    • MIT-R&D-samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, welk verband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject.

  • 2 Onder een MIT-kennisoverdrachtsproject als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen of het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal.

Artikel 3.4.2. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister verstrekt op grond van deze titel op aanvraag subsidie voor activiteiten die passen binnen een programma of plan dat is opgenomen in een van de volgende bijlagen:

    • a. MKB-Innovatiestimuleringsplan 2015 voor de topsector HTSM;

    • b. MIT-programma Tuinbouw & Uitgangsmaterialen (T&U), 2015;

    • c. MIT-programma Logistiek, 2015;

    • d. MIT programma Life Sciences and Health, 2015;

    • e. MIT-programma Water, 2015;

    • f. MKB-Innovatiestimuleringsplan (MIT) 2015 voor Chemie en Energie;

    • g. MIT-MKB-plan Creatieve Industrie, 2015;

    • h. MIT-programma Agri&Food, 2015.

  • 2 De minister verdeelt de aan deze activiteiten verbonden subsidieplafonds voor de paragrafen 2, 3, 3a, 4 en 6 van deze titel op volgorde van binnenkomst van de aanvragen en voor titel 5 op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.4.3. Afwijzingsgrond

  • 1 Een aanvraag van een MKB-ondernemer wordt afgewezen indien aan hem in hetzelfde kalenderjaar al subsidie, met uitzondering van een MIT-kennisvoucher, is verstrekt op grond van deze titel.

  • 2 Een aanvraag voor een subsidie voor een MIT-innovatie-adviesproject, een MIT-haalbaarheidsproject en een MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt afgewezen indien in 2015 door een provincie of een samenwerkingsverband van provincies een subsidie voor de genoemde soorten projecten kan worden verstrekt.

Artikel 3.4.3a

De aanvrager voegt bij de aanvraag een samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties.

§ 3.4.2. MIT-haalbaarheidsprojecten

Artikel 3.4.5. Steunintensiteit

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een MIT-haalbaarheidsproject uitvoert dat voor ten minste 60% bestaat uit een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

  • 2 Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 50.000,–.

  • 3 In aanvulling op artikel 1.3 bedraagt het subsidiepercentage voor een haalbaarheidsproject in zijn geheel ten hoogste 40%.

  • 4 De subsidiabele kosten zijn de kosten als bedoeld in artikel 25, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.4.6. Start- en realisatietermijn

  • 1 Met de uitvoering van het haalbaarheidsproject wordt gestart binnen vier maanden na indiening van de subsidieaanvraag.

  • 2 Het haalbaarheidsproject wordt uitgevoerd binnen twaalf maanden na de start van het haalbaarheidsproject.

Artikel 3.4.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen;

  • b. het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft.

§ 3.4.3. MIT-kennisvouchers

§ 3.4.3.1. Verstrekking van een MIT-kennisvoucher aan MKB-ondernemers

Artikel 3.4.8. Subsidie MIT-kennisvoucher

Een MIT-kennisvoucher heeft een waarde van maximaal € 3.750 en wordt aan een MKB-ondernemer verstrekt die een MIT-kennisoverdrachtsproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht.

Artikel 3.4.9. Waarde MIT-kennisvoucher

De waarde van de voucher bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.750.

Artikel 3.4.10. Kennisvraag

De MKB-ondernemer vermeldt bij de aanvraag de kennisvraag die hij in het kader van het MIT-kennisoverdrachtsproject wil stellen.

Artikel 3.4.11. Besteding MIT-kennisvoucher

  • 1 De MKB-ondernemer besteedt de MIT-kennisvoucher bij een van de in de aanvraag met naam en toenaam opgenomen kennisinstellingen.

  • 2 In de aanvraag worden maximaal drie kennisinstellingen opgenomen.

  • 3 De MKB-ondernemer legt binnen 4 maanden na de dagtekening van de toekenning van een MIT-kennisvoucher een offerte of een ondertekende opdrachtbevestiging van de kennisinstelling over.

Artikel 3.4.12. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de ondernemer en de kennisinstelling reeds voor de afgiftedatum van de MIT-kennisvoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan met betrekking tot het MIT-kennisoverdrachtsproject;

  • b. de ondernemer de MIT-kennisvoucher wil aanwenden voor een MIT-kennisoverdrachtsproject waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt.

§ 3.4.3.2. Verstrekking van subsidie aan kennisinstellingen

Artikel 3.4.13. Verzilvering MIT-kennisvoucher door kennisinstellingen

Subsidie wordt verleend aan een kennisinstelling die één of meer MIT-kennisoverdrachtsprojecten heeft uitgevoerd en in verband daarmee één of meer geldige MIT-kennisvouchers overlegt.

Artikel 3.4.14. Steunintensiteit

De subsidie bedraagt 50 procent van de door de kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een MIT-kennisoverdrachtsproject in rekening gebrachte kosten, maar niet meer dan € 3.750 per MIT-kennisvoucher.

Artikel 3.4.15. Aanvraag verzilvering MIT-kennisvoucher

  • 1 Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het MIT-kennisoverdrachtsproject door de kennisinstelling ingediend.

  • 2 De aanvraag moet binnen een jaar nadat de MIT-kennisvoucher aan de ondernemer is verstrekt zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden.

§ 3.4.3a. MIT-innovatie-adviesprojecten

Artikel 3.4.15a. Doelgroep

Subsidie voor een MIT-innovatie-adviesproject wordt verleend aan een MKB-ondernemer.

Artikel 3.4.15b. Steunintensiteit

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een MIT-innovatie-adviesproject laat uitvoeren.

  • 2 Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 10.000,–.

  • 3 De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

  • 4 De subsidiabele kosten zijn de kosten, waaronder loonkosten, van het verstrekken van advies en procesbegeleiding door kennisinstellingen of door onafhankelijke adviesorganisaties.

Artikel 3.4.15c

  • 1 Bij de aanvraag wordt een beknopt plan gevoegd, waarin de kennisvraag en de doelstelling van het innovatietraject zijn gevoegd, alsmede de kennisinstelling of adviesorganisatie worden genoemd die het MIT-innovatieadviesproject gaat uitvoeren.

  • 2 Bij de aanvraag wordt een verklaring gevoegd waaruit blijkt dat de adviesorganisatie die met de aanvrager het innovatieadviesproject gaat uitvoeren organisatorisch en financieel onafhankelijk van de aanvrager is.

  • 3 Met de uitvoering van het innovatieadviesproject wordt gestart binnen vier maanden na de subsidieverlening.

  • 4 Het innovatieadviesproject wordt uitgevoerd binnen twaalf maanden na de start van het project.

Artikel 3.4.15d

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de ondernemer en de kennisinstelling reeds voor de subsidieverlening verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan met betrekking tot het MIT-innovatie-adviesproject;

  • b. de kennisvraag in het beknopte plan kennelijk onvoldoende aansluit bij het in het beknopte plan beschreven innovatietraject.

§ 3.4.4. Hooggekwalificeerd personeel

Artikel 3.4.16. Subsidie hooggekwalificeerd personeel

Subsidie wordt verleend aan een MKB-ondernemer bij wie een onderzoeksorganisatie of grote onderneming hooggekwalificeerd personeel heeft gedetacheerd.

Artikel 3.4.17. Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.4.18. Subsidievoorwaarden

  • 1 De gedetacheerde werknemers zijn ten minste twee jaar in dienst bij de onderzoeksorganisatie of de grote onderneming die de werknemers detacheert.

  • 2 De datum waarop de detachering van start gaat ligt maximaal zes maanden na indiening van de subsidieaanvraag.

Artikel 3.4.19. Subsidieomvang

  • 1 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 50.000 per subsidieontvanger per jaar.

  • 2 Aan een MKB-ondernemer wordt per gedetacheerde werknemer voor maximaal één jaar subsidie verleend tot een maximum van € 50.000.

  • 3 Aan een MKB-ondernemer wordt gedurende maximaal drie jaar op grond van deze titel subsidie verleend.

§ 3.4.5. MIT-R&D-samenwerkingsprojecten

Artikel 3.4.20. MIT-R&D-samenwerkingsverband

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een MIT-R&D-samenwerkingsverband dat een MIT-R&D-samenwerkingsproject uitvoert.

Artikel 3.4.21. Penvoerder

De penvoerder is een onderneming die deelneemt aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband.

Artikel 3.4.22. Steunintensiteit

  • 1 De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject 35 procent van de subsidiabele kosten.

  • 3 Elke individuele deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband neemt niet meer dan 70 procent van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening.

  • 4 Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 200.000,–.

  • 5 Het subsidiebedrag bedraagt ten minste € 25.000 en ten hoogste € 100.000 per deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband.

Artikel 3.4.23. Start- en realisatietermijn

  • 1 Met de uitvoering van het MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieaanvraag.

Artikel 3.4.24. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject indien:

  • a. het niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten;

  • b. het niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband en de sector, genoemd in de bijlagen, bedoeld in artikel 3.4.2, eerste lid, of de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie;

  • c. de kwaliteit van het MIT-R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het MIT-R&D-samenwerkingsproject uit te voeren;

  • d. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;

  • e. het subsidiebedrag lager zou zijn dan € 50.000.

Artikel 3.4.25. Rangschikkingscriteria

  • 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;

    • b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband, de in de bijlage, bedoeld in artikel 3.4.2, eerste lid, genoemde sectoren, of de Nederlandse economie;

    • c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • d. er meer sprake is van sectoroverstijgende combinaties en van combinaties van sectoren, genoemd in de bijlagen, bedoeld in artikel 3.4.2, eerste lid, die niet conventioneel zijn.

  • 2 De minister kent voor de onderdelen a, b en c van het eerste lid ten minste één en ten hoogste dertig punten toe en voor onderdeel d van het eerste lid één en ten hoogste tien punten.

  • 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 4 De minister stelt een algemeen subsidieplafond vast voor alle in de bijlagen, bedoeld in artikel 3.4.2, eerste lid, genoemde sectoren tezamen en een subsidieplafond per sector.

  • 5 De minister verdeelt het algemene subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.

§ 3.4.6. MIT-innovatieprestatiecontracten

Artikel 3.4.26. Overeenkomstige toepassing

  • 2 In afwijking van het subsidiepercentage genoemd in artikel 3.5.18, onderdeel b, wordt voor MIT-innovatieprestatiecontracten een percentage van 30 procent gehanteerd.

§ 3.4.7. Slotbepalingen

Artikel 3.4.27. Evaluatie

  • 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.4.28. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;

    • d. een projectplan, behoudens wanneer de aanvraag uitsluitend ziet op een kennisvoucher;

    • e. een projectbegroting, behoudens wanneer de aanvraag ziet op een kennisvoucher of op het inhuren van hooggekwalificeerd personeel;

    • f. een aanmelding en machtiging per deelnemer bij een haalbaarheidsstudie of R&D-samenwerkingsproject;

    • g. een verklaring de-minimissteun indien de aanvraag ziet op een kennisvoucher.

  • 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. de omvang van de vast te stellen subsidie;

    • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.

Artikel 3.4.29. Staatssteun

  • 1 Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt, behoudens paragraaf 3.4.3, gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Subsidie die krachtens paragraaf 3.4.3 wordt verleend, en subsidie voor een MIT-innovatie-adviesproject dat niet onder artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening valt, bevatten staatssteun en worden gerechtvaardigd door de de-minimis verordening.

Artikel 3.4.30. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 november 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.5. Innovatieprestatiecontracten

§ 3.5.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.5.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • collectief onderzoek: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling waarvan de resultaten naar hun aard voor een bredere groep toepasbaar zijn;

  • collectieve activiteiten: activiteiten die op basis van innovatieplannen door twee of meer IPC-deelnemers gezamenlijk zullen worden gefinancierd en uitgevoerd en waarvan de resultaten evenredig over deze deelnemers worden verdeeld;

  • innovatieplan: planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning en kosten daarvan, die een IPC-deelnemer zal verrichten met het oog op innovatie van zijn producten, diensten of productieproces, met inbegrip van zijn collectieve activiteiten en van zijn activiteiten in het kader van het overkoepelende plan;

  • IPC-deelnemer: MKB-ondernemer die deelneemt aan een IPC-verband;

  • IPC-penvoerder: rechtspersoon die:

    • a. de mogelijkheden onderzoekt om tot een IPC-verband te komen als bedoeld in paragraaf 3.5.2,

    • b. de mogelijkheden onderzoekt om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek en dit onderzoek laat uitvoeren, als bedoeld in paragraaf 3.5.3, of

    • c. namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband en het overkoepelende plan uitvoert als bedoeld in paragraaf 3.5.4, en

    • d. niet werkzaam is in een van de sectoren die ingevolge artikel 1 van de de-minimis verordening is uitgesloten van de toepassing van die verordening;

  • IPC-project: project bestaande uit activiteiten die de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers binnen een periode van twee jaar verrichten ter uitvoering van het overkoepelende plan en de daarmee samenhangende innovatieplannen;

  • overkoepelend plan: plan waarin de IPC-penvoerder beschrijft wat de samenhang is tussen de verschillende innovatieplannen, welke collectieve activiteiten worden verricht en door welke deelnemers, hoe en in welke mate het IPC-project voldoet aan de criteria van artikel 3.5.23, welke activiteiten hij ten behoeve van de IPC-deelnemers en het IPC-project zal verrichten, waaronder ten minste het begeleiden van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van de innovatieplannen, het begeleiden van samenwerkingsverbanden van de IPC-deelnemers en het begeleiden en uitvoeren van administratieve activiteiten die samen hangen met een IPC-project, alsmede een globale omschrijving van de planning en de geraamde kosten van deze activiteiten;

  • publieke kennisinstelling:

    • a. onder a, b, c, f of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis van artikel 6.9 of 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn aangewezen;

    • b. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, artikel 12.3.8 en artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    • c. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • d. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,

      • 2°. instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of

      • 3°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • e. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect:

      • 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,

      • 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of

      • 3°. overwegende zeggenschap heeft.

Artikel 3.5.2

  • 2 Een IPC-penvoerder is een rechtspersoon zonder winstoogmerk met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die volgens haar statuten tot doel heeft de behartiging van belangen van ondernemingen en hier volgens feitelijk handelen ook aantoonbaar minimaal één jaar ervaring mee heeft.

  • 3 Een IPC-verband bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste tien en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers.

  • 4 Indien er betrokkenheid bestaat tussen IPC-penvoerder en een of meer IPC-deelnemers, neemt het IPC-verband maatregelen om belangenverstrengeling te voorkomen.

§ 3.5.2. Subsidie ten behoeve van verkenning van samenwerking

Artikel 3.5.3. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor het verkennen van de mogelijkheden voor samenwerking van MKB-bedrijven met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen resulterend in een rapportage waarin zijn opgenomen innovatieonderwerpen waarop met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen kan worden samengewerkt, een inventarisatie van mogelijke IPC-deelnemers en een voorstel voor samenwerkingsprojecten.

Artikel 3.5.4. Subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 30.000.

Artikel 3.5.5. Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 11 van het besluit komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden, waaronder begrepen overige organisaties waarmee de verkenning wordt uitgevoerd,vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 87,50.

Artikel 3.5.6. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.5.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is dat de subsidiabele activiteiten zullen leiden tot het tot stand komen van een IPC-verband, waarvan de deelnemers overeenkomstig paragraaf 4 van deze titel voor subsidie in aanmerking komen en de IPC-penvoerder niet het vertrouwen geeft in staat te zijn om de daarbij benodigde inzet te leveren;

  • b. van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;

  • c. in dezelfde indieningsperiode reeds subsidie is aangevraagd op grond van deze titel voor dezelfde activiteiten door een andere organisatie als bedoeld in artikel 3.5.3, eerste lid.

Artikel 3.5.8. Realisatietermijn

De activiteiten, bedoeld in artikel 3.5.3, eerste lid, vinden plaats binnen veertien maanden na de subsidieaanvraag.

Artikel 3.5.9. Voorschot

  • 1 Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie.

  • 3 Indien de door de minister verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, wordt deze subsidie ambtshalve vastgesteld.

§ 3.5.3. Subsidie ten behoeve van internationale samenwerking

Artikel 3.5.10. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor:

    • a. het onderzoeken van de mogelijkheden om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek dat ten goede komt aan de gehele branche, resulterende in een verslag van dit onderzoek en, indien de conclusie is dat collectief onderzoek mogelijk is, het opstellen van een plan voor een hierop volgend collectief onderzoek;

    • b. het door één of meer onderzoeksorganisaties laten uitvoeren van het collectief onderzoek, bedoeld in onderdeel a, resulterende in een rapport met onderzoeksresultaten en het kosteloos verspreiden van die resultaten binnen de branche.

Artikel 3.5.11. Subsidiabele kosten

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van:

Artikel 3.5.12. Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 11 van het besluit komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a. het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden ten behoeve van reis, overleg en rapportage in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel a, alsmede begeleiding van het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 3.5.10, onderdeel b, vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 87,50, alsmede de reis- en verblijfkosten in verband met deze activiteiten;

  • b. de kosten voor collectief onderzoek, verschuldigd aan een onderzoeksorganisatie waarmee de IPC-penvoerder niet in een groep verbonden is, voor zover deze kosten worden gedragen door de IPC-penvoerder, alsmede de kosten voor de verspreiding van de resultaten, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid,onderdeel b.

Artikel 3.5.13. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.5.14. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. minder dan drie jaar geleden reeds subsidie krachtens deze titel of de Subsidieregeling innoveren is verleend, betrekking hebbend op dezelfde of vergelijkbare activiteiten;

  • b. van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;

  • c. de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is, dat de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel a, zullen leiden tot het tot stand komen van activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel b;

  • d. de IPC-penvoerder geen maatregelen heeft genomen om de betrokkenheid van het midden- en kleinbedrijf uit de branche bij het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel b, te borgen;

  • e. van de totale kosten voor het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel b, meer dan 80 procent wordt gedragen door de IPC-penvoerder.

Artikel 3.5.15. Realisatietermijn

  • 2 De IPC-penvoerder verspreidt de resultaten, bedoeld in artikel 3.5.10, eerste lid, onderdeel b, onder de ondernemers, die werkzaam zijn in dat deel van het bedrijfsleven, waarop het collectief onderzoek betrekking heeft, en stelt het voorts voor een ieder op aanvraag verkrijgbaar.

Artikel 3.5.16. Administratie en accountantsverklaring

§ 3.5.4. Subsidie ten behoeve van een IPC-project

Artikel 3.5.17. Subsidieaanvraag

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag aan de deelnemers in een IPC-verband subsidie voor het uitvoeren van een IPC-project, waarbij:

    • a. de IPC-penvoerder subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn activiteiten die zijn beschreven in het overkoepelende plan en

    • b. een IPC-deelnemer subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn innovatieplan.

  • 2 De subsidiabele kosten voor de activiteiten van een IPC-deelnemer in het kader van een innovatieplan:

    • a. bedragen € 30.000 of meer,

    • b. bestaan voor ten minste 20 procent uit collectieve activiteiten en

    • c. bestaan voor ten minste 60 procent uit overige kosten als bedoeld in artikel 3.5.19, eerste lid, onder b.

  • 3 In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het besluit kan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder of een IPC-deelnemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Artikel 3.5.18. Subsidieomvang

De subsidie bedraagt:

Artikel 3.5.19. Subsidiabele kosten

  • 2 De subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.17, eerste lid, onderdeel b, zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 In afwijking van het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de kosten van het maken van een innovatieplan; de kosten van implementatie van de innovatie, waaronder begrepen marketing- en salesactiviteiten, herhalingstesten en het inrichten van de productie; de kosten van het opzetten van kwaliteitssystemen; de kosten van opleidingen; de kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia; de reiskosten en kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten.

Artikel 3.5.20. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.5.22. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren;

  • b. voor zover voor dezelfde werkzaamheden met dezelfde IPC-deelnemers reeds op grond van deze titel subsidie is verleend of in dezelfde periode is aangevraagd;

  • c. indien aan een IPC-deelnemer eerder subsidie is verstrekt krachtens dit hoofdstuk of de Subsidieregeling innoveren voor een IPC-project of een MIT-innovatieprestatiecontract, en

    • 1°. tussen de datum waarop het IPC-project start en de datum waarop het vorige IPC-project is gestart, een periode verstreken is van minder dan drie jaar, of

    • 2°. de IPC-deelnemer toestemming heeft verkregen om het IPC-project in een langere periode dan drie jaar af te ronden, maar binnen die toegestane aanvullende periode een nieuw IPC-project start;

  • d. indien de datum waarop het IPC-project start, meer dan zes maanden na de datum van de ontvangst van de subsidieaanvraag ligt;

  • e. uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen.

Artikel 3.5.24. Voorschot en rapportages

  • 1 Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie.

§ 3.5.5. Slotbepalingen

Artikel 3.5.25. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;

    • d. een projectplan, inclusief planning en begroting;

    • e. een verklaring de-minimissteun.

  • 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.5.3, 3.5.10 en 3.5.17 bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;

    • b. de omvang van de vast te stellen subsidie.

Artikel 3.5.26. Staatssteun

Artikel 3.5.27. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2017, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel 3.6. Regionale investeringsprojecten

[Vervallen per 01-01-2015]

Titel 3.7. Eurostarsprojecten

Artikel 3.7.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Eurostars High Level Group: door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt;

  • Eurostars Programma: gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader;

  • Eurostarsproject: internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan;

  • Internationaal Evaluatie Panel: panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt.

Artikel 3.7.2. Subsidieaanvraag

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan:

  • a. een ondernemer of onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject of

  • b. indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, aan een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject.

Artikel 3.7.2a. Subsidiabele kosten

  • 1 Het gesubsidieerde deel van het Eurostarsproject, bedoeld in artikel 3.7.2, valt volledig binnen de categorie industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

  • 2 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de in het eerste lid genoemde verordening.

  • 3 De voor subsidie in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid ingedeeld.

Artikel 3.7.3. Steunintensiteit

  • 1 In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie:

    • a. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een onderzoeksorganisatie;

    • b. 35 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer;

    • c. 25 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

  • 2 De percentages genoemd in het eerste lid, onderdeel b en c, worden verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer.

Artikel 3.7.4. Verdeling van subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.