Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013

Geraadpleegd op 27-06-2022.
Geldend van 01-01-2013 t/m 30-06-2014

Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2012, Directie Kinderopvang, nr. KO/ 2012/16947, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.64 en 2.22 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

  • b. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 1. 61 en 2.19 van de wet;

  • c. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;

  • d. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, alsmede gedurende vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties;

  • e. inspectierapport: het inspectierapport, bedoeld in artikel 1.63 en 2.21 van de wet;

  • f. college: college van burgemeester en wethouders;

  • g. voorziening voor gastouderopvang: opvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de wet;

  • h. peuterspeelzaal: voorziening als bedoeld in artikel 2.1 van de wet;

  • i. risicomodel: het door GGD Nederland ontwikkelde risicomodel voor toezicht.

  • j. voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten.

Paragraaf 2. Werkwijze toezichthouder

Artikel 2. Werkzaamheden toezichthouder

  • 1 De werkzaamheden van de toezichthouder bestaan uit:

    • a. het beoordelen van de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van een gastouderbureau of houder van een voorziening voor gastouderopvang op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van de wet gegeven voorschriften alsmede ten aanzien van peuterspeelzalen het beoordelen van de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de wet gestelde regels;

    • b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde werkzaamheden voeren van overleg met betrokkenen van het betreffende kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal, met dien verstande dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede en derde lid, van de wet en als bedoeld in artikel 2.20, tweede en derde lid, van de wet, ten minste overleg plaatsvindt met de houder of diens vertegenwoordiger, met één of meer personeelsleden, met één of meer vertegenwoordigers van de oudercommissie en met, indien aanwezig, de klachtenfunctionaris en de vertrouwensfunctionaris. Ook is er overleg met vertegenwoordigers van de gemeente waar het desbetreffende kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal is gevestigd, tenzij dit naar het oordeel van de toezichthouder in verband met de kwaliteit van de kinderopvang bij het desbetreffende kindercentrum, van de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang, van de desbetreffende peuterspeelzaal respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden van het betreffende gastouderbureau niet noodzakelijk wordt geacht;

    • c. het rapporteren over de naleving van de kwaliteitseisen bij een kindercentrum, voorziening voor gastouderopvang, peuterspeelzaal respectievelijk een gastouderbureau.

  • 2 Op basis van het door GGD Nederland ontwikkelde risicomodel adviseert de toezichthouder het college over de inspectieactiviteiten bij een kindercentrum of gastouderbureau.

  • 3 Indien de toezichthouder op basis van dit risicomodel werkt moeten bij een kindercentrum in ieder geval de volgende onderwerpen in het jaarlijkse onderzoek worden betrokken: de pedagogische praktijk, beroepskracht-kindratio, groepsgrootte, beroepskwalificaties, verklaringen omtrent het gedrag en het onderwerp waarover de oudercommissie een (negatief) signaal geeft.

  • 4 Indien de toezichthouder op basis van dit risicomodel werkt moeten bij een gastouderbureau in ieder geval de volgende onderwerpen in het jaarlijkse onderzoek worden betrokken: pedagogische praktijk, activiteiten voor de bemiddeling, begeleiding en evaluatie van de gegeven opvang, verklaringen omtrent het gedrag, de administratie van het gastouderbureau, de risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid en het onderwerp waarover de oudercommissie een (negatief) signaal geeft.

  • 5 Indien sprake is van voorschoolse educatie dienen de basiskwaliteitseisen met betrekking tot voorschoolse educatie onverkort getoetst te worden.

Artikel 3. Onderzoek voor registratie

  • 1 Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht op grond van artikel 1.62, eerste lid en 2.20, eerste lid, van de wet stelt hij vast of sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang of van een gastouderbureau in de zin van de wet dan wel van een peuterspeelzaal in de zin van de wet en of er een aanvraag tot exploitatie is gedaan in de zin van de wet.

  • 2 Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum, of van gastouderopvang of van een gastouderbureau in de zin van de wet, of van een peuterspeelzaal in de zin van de wet dan informeert de toezichthouder het college.

  • 3 De toezichthouder kan in het kader van onderzoeken op grond van artikel 1.62, eerste lid en 2.20, eerste lid, van de wet alle relevante feiten betrekken waaronder het niveau van naleving van wet- en regelgeving van de desbetreffende houder bij andere locaties.

Artikel 4. Onderzoek na aanvang exploitatie

Binnen drie maanden nadat een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie is genomen, vindt een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede lid, respectievelijk als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, van de wet plaats. De toezichthouder verricht een dergelijk onderzoek evenals daaropvolgende onderzoeken in beginsel onaangekondigd.

Artikel 5. Signaleren niet-geregistreerde activiteiten

Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-geregistreerde kinderopvang in een kindercentrum, niet-geregistreerde activiteiten van een gastouderbureau of niet-geregistreerde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college waar de niet-geregistreerde kinderopvang of de niet-geregistreerde gastouderopvang voorkomt dan wel het niet-geregistreerde gastouderbureau opereert. Dit geldt eveneens voor activiteiten in een niet-geregistreerde peuterspeelzaal.

Artikel 6. Procedure ontwerprapport

  • 2 Binnen twee weken na de ontvangst van het ontwerprapport, bedoeld in het eerste lid, wordt door de GGD-ambtenaar met de houder overleg gevoerd over de inhoud van het ontwerprapport en krijgt de houder de gelegenheid zijn zienswijze over de inhoud van het ontwerprapport kenbaar te maken.

  • 3 De toezichthouder stelt het inspectierapport binnen een week na het tijdstip bedoeld in het tweede lid vast. De toezichthouder stelt het college daarvan in kennis.

Artikel 7. Inspectierapport

  • 1 Het inspectierapport met betrekking tot kindercentra, gastouderbureaus en peuterspeelzalen wordt opgemaakt volgens het door GGD Nederland ontwikkelde modelrapport.

  • 2 Een inspectierapport bevat:

    • a. naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het kindercentrum, het gastouderbureau of de peuterspeelzaal waar een onderzoek is uitgevoerd, evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder;

    • b. de soort voorziening die is onderzocht;

    • c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;

    • d. naam en het adres van de vestiging van de GGD waar de ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd werkzaam is;

    • e. de aanleiding voor een onderzoek;

    • f. de datum van een onderzoek;

    • g. de wijze waarop een onderzoek is uitgevoerd;

    • h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten;

    • i. een advies aan het college van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau, de peuterspeelzaal of de betreffende voorziening voor gastouderopvang is gevestigd.

  • 3 Voorts bevat een inspectierapport zo nodig: een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk artikel van de wet- en regelgeving het betreft, welke onderdelen niet zijn onderzocht, en met dien verstande dat bij een onderzoek na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45 van de wet tevens wordt aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden beoordeeld.

  • 4 In de definitieve versie van het inspectierapport wordt in ieder geval de datum opgenomen waarop het rapport definitief is vastgesteld. Tegelijkertijd met het openbaar maken van het inspectierapport op grond van artikel 1.63, onder 5, van de wet doet de toezichthouder het inspectierapport toekomen aan de oudercommissie.

Artikel 8. Inspectierapport gastouders

In afwijking van artikel 7 kan voor voorzieningen voor gastouderopvang worden volstaan met een rapport dat in ieder geval bevat:

  • a. naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de voorziening voor gastouderopvang waar een onderzoek is uitgevoerd;

  • b. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;

  • c. naam en adres van de vestiging van de GGD waar de desbetreffende ambtenaar werkzaam is;

  • d. aanleiding van het onderzoek;

  • e. een beknopte weergave van de onderzoeksresultaten;

  • f. een advies aan het college van de gemeente waar de voorziening voor gastouderopvang is gevestigd;

  • g. datum van onderzoek.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 5 december 2012

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher.

Naar boven