Regeling tarieven Spoorwegwet 2012

Geldend van 01-05-2020 t/m 31-12-2020

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 30 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/44689, houdende vaststelling van de Regeling tarieven Spoorwegwet 2012

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 91 van de Spoorwegwet;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • wet: Spoorwegwet;

  • Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545: Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 90/66); en

  • Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763: Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie (PbEU 2018, L 129/49).

Artikel 2*

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 16f, tweede lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

  • 2 De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag begroot en aan de aanvrager medegedeeld.

Artikel 3

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag om ontheffing van de toepassing van een of meer TSI’s of delen daarvan als bedoeld in artikel 26f, eerste lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 6.279,–.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag om ontheffing van de toepassing van nationale voorschriften als bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 2.792,–.

Artikel 4

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor het in dienst stellen van subsystemen als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 26h, vierde lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

  • 3 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 26h, vijfde lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

Artikel 5

Voor de behandeling van een aanvraag tot beoordeling van een informatiedossier als bedoeld in artikel 26i, tweede lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 6.279,–.

Artikel 6

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag tot het uitbreiden van het gebruiksgebied van een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, vierde lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 6.150,–.

  • 4 Voor de behandeling van een aanvraag van een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26n van de wet is een tarief verschuldigd van € 498,–. Indien de aanvraag betrekking heeft op meer dan één voertuig gebaseerd op dezelfde typegoedkeuring, is per extra voertuig € 20,– verschuldigd.

  • 5 In afwijking van het eerste lid is voor de behandeling van de in dat lid genoemde aanvragen een tarief verschuldigd van € 2.364,– indien de aanvraag alleen betrekking heeft op goederenwagens.

  • 6 In afwijking van het eerste lid is voor de in dat lid genoemde aanvragen een tarief verschuldigd van € 3.103,– indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 16, of artikel 14, eerste lid, van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020.

Artikel 7

Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 26m, eerste lid, van de wet of een wijziging van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 26m, derde lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 6.150,–.

Artikel 8

Artikel 9

Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een tijdelijke gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26r, eerste lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 4.284,–.

Artikel 10

  • 4 Voor de behandeling van een aanvraag voor een aanwijzing van een beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 6 van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013, is een tarief verschuldigd van € 996,–.

Artikel 11

  • 2 Voor het op aanvraag wijzigen van gegevens in het voertuigregister, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid, van de wet is per wijzigingsverzoek, dat kan bestaan uit een of meerdere wijzigingsopdrachten, een tarief verschuldigd van € 28,– per spoorvoertuig.

  • 3 Voor het op aanvraag schrappen van inschrijvingen als bedoeld in artikel 26aa, vierde lid, van de wet is per schrapping een tarief verschuldigd van € 28,– per spoorvoertuig.

  • 4 Voor het wijzigen van de NAW-gegevens is geen tarief verschuldigd.

  • 5 Voor het op aanvraag toekennen van een Europees voertuignummer als bedoeld in artikel 26aa, derde lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 10,– per spoorvoertuig.

  • 6 In afwijking van het vijfde lid is een tarief verschuldigd van € 5,– per spoorvoertuig vanaf het elfde spoorvoertuig waarvoor een Europees voertuignummer wordt aangevraagd.

Artikel 11b

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

Artikel 11c

  • 1 Voor de behandeling van een initiële aanvraag tot het verlenen van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet is:

    • a. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die minder dan 300 personeelsleden een veiligheidsfunctie laat uitoefenen een tarief verschuldigd van € 23.559,–;

    • b. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die 300 personeelsleden of meer een veiligheidsfunctie laat uitoefenen een tarief verschuldigd van € 50.067,–.

    • c. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die gebruik maakt van de hoofdspoorweg op één locatie ten behoeve van overgave van spoorvoertuigen of met zelfrijdend gereedschap of een daarmee vergelijkbaar voertuig om werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg uit te voeren op een deel van een hoofdspoorweg dat daartoe buiten dienst is gesteld, een tarief verschuldigd van € 5.396,–.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag tot het hernieuwen van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet is:

    • a. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die minder dan 300 personeelsleden een veiligheidsfunctie laat uitoefenen, een tarief verschuldigd van € 18.149,–;

    • b. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die 300 personeelsleden of meer een veiligheidsfunctie laat uitoefenen, een tarief verschuldigd van € 23.523,–;

    • c. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die gebruik maakt van de hoofdspoorweg op één locatie ten behoeve van overgave van spoorvoertuigen of met zelfrijdend gereedschap of een daarmee vergelijkbaar voertuig om werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg uit te voeren op een deel van een hoofdspoorweg dat daartoe buiten dienst is gesteld, een tarief verschuldigd van € 5.396,–.

  • 3 Voor de behandeling van een aanvraag tot het uitbreiden van het exploitatiegebied van het veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de wet of een aanvraag tot wijziging van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32 van de wet is:

    • a. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die minder dan 300 personeelsleden een veiligheidsfunctie laat uitoefenen, een tarief verschuldigd van € 11.762,–;

    • b. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die 300 personeelsleden of meer een veiligheidsfunctie laat uitoefenen, een tarief verschuldigd van € 17.671,–;

    • c. voor een veiligheidscertificaat voor een spoorwegonderneming die gebruik maakt van de hoofdspoorweg op één locatie ten behoeve van overgave van spoorvoertuigen of met zelfrijdend gereedschap of een daarmee vergelijkbaar voertuig om werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg uit te voeren op een deel van een hoofdspoorweg dat daartoe buiten dienst is gesteld, een tarief verschuldigd van € 1.799,–.

Artikel 12

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een ECM-certificaat als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet is een tarief van € 14.134,– verschuldigd.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een certificaat als bedoeld in artikel artikel 28, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 is een tarief verschuldigd van € 4.894,–.

  • 3 Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een certificaat als bedoeld in artikel artikel 28, eerste en tweede lid, onderdeel b, van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 is een tarief verschuldigd van € 4.894,–.

  • 4 Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een certificaat als bedoeld in artikel artikel 28, eerste en tweede lid, onderdeel c, van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 is een tarief verschuldigd van € 6.119,–.

  • 5 Voor de behandeling van een gelijktijdige aanvraag voor het verlenen van meerdere certificaten als bedoeld in de artikelen artikel 36, vierde lid, van de wet en artikel 28, eerste en tweede lid van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020, is een tarief verschuldigd dat bestaat uit de som van 100% van het hoogste verschuldigde tarief, genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, en 35% van elk overig verschuldigd tarief genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, voor zover deze certificaten zijn aangevraagd

  • 6 Voor de behandeling van een aanvraag tot het wijzigen van een of meerdere certificaten als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid is een tarief verschuldigd van € 2.305,–.

Artikel 13

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een erkenning in verband met onderhoud en herstel van spoorvoertuigen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet is per locatie een tarief van € 7.953,– verschuldigd.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag tot het wijzigen van een erkenning als bedoeld in het eerste lid, is per locatie een tarief van € 2.305,– verschuldigd.

  • 3 Voor de behandeling van een gelijktijdige aanvraag voor het verlenen van een erkenning als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet en een certificaat als bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid, onderdeel c, van de Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020 is het tarief, genoemd in het eerste lid, verschuldigd.

Artikel 14

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag voor het verlenen van een erkenning van een keuringsinstituut als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet is een tarief van € 2.060,– verschuldigd en voor een erkenning van een vestiging waar keuringen worden uitgevoerd is een tarief van € 1.281,– verschuldigd.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag voor een wijziging van een erkenning als bedoeld in het eerste lid is een tarief van € 1.281,– verschuldigd en de behandeling van een aanvraag voor een wijziging voor een erkenning van een vestiging waar keuringen worden uitgevoerd, is een tarief van € 1.281,– verschuldigd.

Artikel 15

  • 1 Voor de examinering van de vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden van een machinist, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onder a, en artikel 51a, eerste lid, onder c, van de wet, is een tarief verschuldigd als opgenomen in onderstaande tabel:

    Profiel machinist

    module: Vergunning theorie

    € 200,–

    module: Vergunning Simulatie

    € 400,–

    module: Veiligheidscommunicatie

    € 400,–

  • 2 Voor de examinering van de vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring van een rangeerder, wagencontroleur of treindienstleider, bedoeld in artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet, is een tarief verschuldigd als opgenomen in onderstaande tabel:

    Profiel rangeerder

    module: Algemene vakkennis theorie

    € 200,–

    module: Samenstellen en begeleiden van treinen theorie

    € 200,–

    module: Veiligheidscommunicatie

    € 400,–

    module: Samenstellen en begeleiden van treinen praktijk

    € 679,–

    Profiel wagencontroleur

    module: Basisbekwaamheden theorie

    € 200,–

    module: Vervoer gevaarlijke stoffen RID/VSG cat 2 theorie

    € 200,–

    module: Veiligheidscommunicatie

    € 400,–

    module: Basisbekwaamheden en Vervoer gevaarlijke stoffen RID/VSG categorie 2 praktijk

    € 679,–

    Profiel treindienstleider volledig bevoegd

    module: Basisbekwaamheden treindienstleider volledig bevoegd theorie

    € 500,–

    module: Veiligheidscommunicatie

    € 400,–

    module: Basisbekwaamheden treindienstleider volledig bevoegd praktijk

    € 400,–

    Profiel treindienstleider minimaal bevoegd

    module: Basisbekwaamheden treindienstleider minimaal bevoegd theorie

    € 500,–

    module: Veiligheidscommunicatie

    € 400,–

    module: Basisbekwaamheden treindienstleider minimaal bevoegd praktijk

    € 400,–

  • 3 Voor niet in het eerste tot en met tweede lid van een tarief voorziene elementen, verband houdende met de examinering, bedoeld in artikelen 50, eerste lid, onder a, 50, tweede lid, onder a, en 51a, eerste lid, onder c, van de wet, is een tarief verschuldigd als opgenomen in onderstaande tabel:

    Verstrekking van een duplicaat certificaat

    € 50,–

    Inzage in een gemaakt examen

    € 50,–

  • 4 Voor de examinering en jaarlijkse professionalisering, verband houdende met de erkenning van een examinator als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011, is een tarief verschuldigd als opgenomen in onderstaande tabel:

    Examinator

    Examinator (initieel examen)

    € 1.000,–

    Toevoeging extra module examinator

    € 0,–

    Professionalisering examinator

    € 500,–

    Verlenging van de erkenning als examinator

    € 0,–

  • 6 De kosten, bedoeld in het vijfde lid, worden voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag begroot en aan de aanvrager medegedeeld. Het aantal uren kan na het onderzoek niet meer dan 20 procent naar boven of naar beneden worden bijgesteld.

Artikel 16

Artikel 17

Voor de behandeling van een aanvraag voor de verlening van een erkenning van een opleidingsinstituut als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van de wet is een tarief verschuldigd van € 5.214,–.

Artikel 17a

Voor de behandeling van een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 54a van de wet is een tarief verschuldigd van € 2.364,–.

Artikel 19

Voor de behandeling van de aanvraag van de goedkeuring van het systeem van personeelsbeheer als bedoeld in artikel 17, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011 is een tarief van € 4.609,– verschuldigd.

Artikel 19a

Voor de behandeling van een aanvraag om aangewezen te worden als arts-deskundige, bedoeld in artikel 1 van de Regeling spoorwegpersoneel 2011, is een tarief van € 8.537,– verschuldigd.

Artikel 19d

Artikel 20

In afwijking van de bedragen, genoemd in de artikelen 11b, 11c en 13, is voor de behandeling van een aanvraag van de in die artikelen bedoelde beschikkingen een tarief van € 1.120,– verschuldigd, indien daarvoor een documentatiebeoordeling volstaat.

Artikel 21

In afwijking van de genoemde bedragen in de artikelen 2 tot en met 20, met uitzondering van de artikelen 11 en 16 bedraagt het tarief voor de behandeling van een aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op een administratieve aanpassing € 158,–.

Artikel 22

Voor een aanvraag van een beschikking als bedoeld in deze regeling door een organisatie die met historische spoorvoertuigen voor niet commerciële doeleinden gebruik maakt van de hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, is een vergoeding van 10% van het voor de betreffende beschikking bepaalde tarief verschuldigd, met een minimum van € 255,– met uitzondering van administratieve aanpassingen als bedoeld in artikel 21, waarvoor geen tarief verschuldigd is.

Artikel 23

  • 2 De beslissing op een aanvraag als bedoeld in deze regeling wordt niet eerder genomen dan nadat het daarvoor verschuldigde tarief is voldaan.

  • 3 In afwijking van het tweede lid wordt de beslissing op een aanvraag waarvoor een uurtarief geheven wordt, niet eerder genomen dan nadat het verschuldigde tarief zoals dat ingevolge het eerste lid vooraf is begroot, is voldaan, met uitzondering van de kosten, genoemd in artikel 19d, tweede en derde lid.

  • 4 De voorgaande leden zijn niet van toepassing op aanvragen die worden ingediend bij het loket als bedoeld in artikel 12 van Verordening 2016/796.

  • 5 Bij een beschikking waarvoor een uurtarief geheven wordt, kunnen via een naheffing of een terugbetaling de werkelijke kosten in rekening gebracht worden. De naheffing en de terugbetaling wordt berekend door het genoemde uurtarief te vermenigvuldigen met het aantal werkelijk bestede uren, minus het reeds betaalde tarief, bedoeld in het tweede lid. De aanvrager voldoet de naheffing binnen dertig kalenderdagen na de verzending van een betalingsverzoek daartoe.

Artikel 23a

  • 1 Voor het op verzoek voeren van vooroverleg als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van Uitvoeringsverordening 2018/545 en artikel 2, onderdeel 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 is een tarief verschuldigd van € 124,– per uur.

Artikel 24

Deze regeling is niet van toepassing op aanvragen voor beschikkingen die gedaan worden in verband met de vervanging van de Spoorwegwet 1875 door de wet.

Artikel 25

  • 1 Buitenlandse reis- en verblijfkosten die verband houden met de in deze regeling genoemde handelingen of werkzaamheden, worden tegen de werkelijke kosten in rekening gebracht en zijn separaat verschuldigd naast de in deze regeling genoemde tarieven. Binnenlandse reis- en verblijfkosten worden niet separaat in rekening gebracht.

  • 2 De in het eerste lid genoemde buitenlandse reis- en verblijfkosten worden voorafgaand aan het in behandeling nemen van een aanvraag begroot en aan de aanvrager medegedeeld. De werkelijk gemaakte kosten mogen het begrote bedrag niet overstijgen.

Artikel 27

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 15, dat in werking treedt op 1 juli 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Terug naar begin van de pagina