Wet financiële markten BES

Geraadpleegd op 10-08-2022.
Geldend van 23-09-2017 t/m 30-06-2021

Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede met het oog op een functionele inrichting van het toezicht, wenselijk is om de bij de staatkundige hervorming als wetten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overgenomen landsverordeningen betreffende het toezicht op financiële ondernemingen te vervangen door een op de openbare lichamen toegesneden algemene wet voor het toezicht op de financiële markten, met bijzondere aandacht voor de positie van de consument;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1:1. (begripsbepalingen)

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • aanbieden: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk:

    • a. doen van een voldoende bepaald, tot een consument of cliënt gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een financieel product dan wel aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst;

    • b. doen van een voldoende bepaald, tot meer dan een persoon gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod op effecten;

  • adviseren: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van één of meer specifieke financiële producten of effecten aan een bepaalde consument of cliënt;

  • adviseur: degene die adviseert;

  • Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële Markten;

  • beheerder: degene die het beheer voert over een beleggingsinstelling;

  • beleggingsfonds: niet in een rechtspersoon ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

  • beleggingsinstelling: beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij;

  • beleggingsmaatschappij: rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of heeft verkregen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

  • bemiddelaar: degene die bemiddelt;

  • bemiddelen: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden, gericht op:

    • a. de totstandkoming van overeenkomsten inzake een financieel product tussen de aanbieder van dat product en een consument of cliënt;

    • b. de totstandkoming van transacties in effecten voor rekening van een cliënt;

    • c. het assisteren bij het beheer of de uitvoering van zodanige overeenkomsten of transacties;

  • bijkantoor: duurzaam in een andere staat dan de staat van zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming;

  • buitenland: ander land van het Koninkrijk of andere staat, alsmede het Europese deel van Nederland;

  • cliënt: een persoon, niet zijnde een professionele marktpartij, aan wie een financiële onderneming:

    • a. een verzekering of recht van deelneming in een beleggingsinstelling aanbiedt of voornemens is aan te bieden, of

    • b. een financiële dienst betreffende een verzekering, recht van deelneming in een beleggingsinstelling of effect verleent of voornemens is te verlenen;

  • consument: een niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming:

    • a. een financieel product aanbiedt of voornemens is aan te bieden, met uitzondering van verzekeringen en rechten van deelneming in beleggingsinstellingen;

    • b. een financiële dienst verleent of voornemens is te verlenen, met uitzondering van diensten betreffende verzekeringen, rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of effecten;

  • effecten:

    • a. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants en soortgelijke waardepapieren;

    • b. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van zaken, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;

    • c. rechten uit overeenkomsten tot verrekening van een koers- of prijsverschil en soortgelijke verhandelbare rechten en waarden;

    • d. certificaten en recepissen van waarden als hiervoor bedoeld, met uitzondering van waarden die uitsluitend het karakter van betaalmiddel dragen en appartementsrechten;

  • effectenbeurs: aan regels onderworpen markt voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van effecten;

  • elektronisch geld: geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager of op afstand in een centrale rekeningadministratie;

  • elektronischgeldinstelling: degene die, geen kredietinstelling zijnde, zijn bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht aan anderen dan degene die het elektronische geld uitgeeft;

  • externe deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;

  • financieel product:

    • a. betaal- of spaarrekening, met inbegrip van de daaraan verboden betaal- of spaarfaciliteiten;

    • b. elektronisch geld;

    • c. krediet;

    • d. recht van deelneming in een beleggingsinstelling;

    • e. levensverzekering, natura-uitvaartverzekering of schadeverzekering;

    • f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere producten;

    • g. samenstel van twee of meer onder a tot en met f genoemde producten

    • h. samenstel van effecten en een of meer onder a tot en met f genoemde producten;

  • financiële dienst:

    • a. adviseren of bemiddelen;

    • b. optreden als vermogensbeheerder;

    • c. verlenen van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;

  • financiële onderneming: adviseur, beleggingsinstelling, bemiddelaar, elektronischgeldinstelling, geldtransactiekantoor, gevolmachtigde agent, houder van een effectenbeurs, kredietinstelling, kredietaanbieder, ondergevolmachtigde agent, trustkantoor, vermogensbeheerder of verzekeraar;

  • geldtransactie:

    • a. het wisselen van munten of bankbiljetten;

    • b. het uitbetalen van munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard of tegen inlevering van cheques of andere waardepapieren;

    • c. het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden teneinde deze al dan niet in dezelfde vorm aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden die elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld, een en ander voor zover de geldelijke overmaking een op zichzelf staande dienst is;

    • d. het verrichten van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen verwante activiteiten;

  • geldtransactiekantoor: degene die zijn bedrijf maakt van het uitvoeren van geldtransacties ten behoeve of op verzoek van derden of het verrichten van werkzaamheden, gericht op de totstandkoming van zodanige transacties;

  • Gerecht: Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • gevolmachtigd agent: gevolmachtigde vertegenwoordiger van een verzekeraar, die, op grond van zijn volmacht, voor rekening van die verzekeraar overeenkomsten van verzekering met cliënten sluit;

  • groep: economische eenheid van organisatorisch verbonden rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen;

  • Koninkrijk: het Koninkrijk der Nederlanden;

  • krediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom of verschaffen van het genot van een roerende zaak, dan wel ten behoeve van een consument ter beschikking stellen van een geldsom aan derden, onder gehoudenheid van de consument om ter zake een of meer betalingen te verrichten;

  • kredietaanbieder: degene die krediet aanbiedt;

  • kredietinstelling: degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen;

  • levensverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;

  • levensverzekering: overeenkomst van verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens, met uitzondering van overeenkomsten van ongevallenverzekering;

  • natura-uitvaartverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van natura-uitvaartverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;

  • natura-uitvaartverzekering: overeenkomst van verzekering tot het doen van uitkeringen in natura in verband met het overlijden van de mens;

  • Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • ondergevolmachtigde agent: ondergevolmachtigde vertegenwoordiger van een verzekeraar die op grond van een door een gevolmachtigde agent afgegeven ondervolmacht voor rekening van die verzekeraar overeenkomsten van verzekering met cliënten sluit;

  • Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

  • openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • opvorderbare gelden: gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald;

  • persoon: natuurlijke persoon of rechtspersoon;

  • premie: door verzekeringnemer uit hoofde van een overeenkomst van verzekering verschuldigde, in geld uitgedrukte prestatie;

  • professionele marktpartij: beleggingsinstelling, kredietinstelling, pensioenfonds, vermogensbeheerder, verzekeraar of andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen partij;

  • schadeverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van schadeverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;

  • schadeverzekering: overeenkomst van verzekering, niet zijnde een levensverzekering of natura-uitvaartverzekering, met inbegrip van overeenkomsten van ongevallenverzekering;

  • staat van zetel: de staat waar een onderneming haar zetel heeft, dan wel:

    • a. indien de onderneming haar zetel heeft in het Caribische of het Europese deel van Nederland: het desbetreffende deel van Nederland, of

    • b. indien de onderneming haar zetel heeft in een ander land van het Koninkrijk: het desbetreffende land;

  • toezichtautoriteit: de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten, elk voor zover zij ingevolge de artikelen 1:5 en 1:6 zijn belast met de uitvoering of handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;

  • toezichthoudende instantie: overheidsinstantie of van overheidswege aangewezen instantie, niet zijnde de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten, die is belast met het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen;

  • trustdienst:

    • a. het in opdracht van een derde, niet zijnde een derde die behoort tot een groep waarvan ook de verlener van de trustdienst deel uitmaakt:

      • 1°. optreden als bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap;

      • 2°. ter beschikking stellen van een adres of correspondentieadres als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, onderdeel b, en 13, onderdeel a, van het Handelsregisterbesluit BES aan een rechtspersoon of vennootschap, in combinatie met administratieve of adviserende werkzaamheden;

      • 3°. oprichten of liquideren dan wel doen oprichten of liquideren van rechtspersonen;

      • 4°. zijn van trustee in de zin van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141);

    • b. het verkopen van rechtspersonen of daarbij bemiddelen;

    • c. het ten behoeve van degene aan wie de trustdienst wordt verleend, gebruik maken van een vennootschap die behoort tot een groep waarvan ook de verlener van de trustdienst deel uitmaakt;

    • d. het verrichten van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;

  • trustkantoor: degene die van het verlenen van trustdiensten zijn beroep of bedrijf maakt;

  • uitgevende instelling: een ieder die effecten heeft uitgegeven of voornemens is uit te geven;

  • vermogensbeheerder: degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf op grond van een overeenkomst, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling, op discretionaire basis het beheer voert over effecten die toebehoren aan een persoon, of over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in effecten, daaronder begrepen het verrichten of doen verrichten van effectentransacties voor rekening van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten;

  • verzekeraar: levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar;

  • vestiging: zetel of bijkantoor;

  • zetel: plaats waar een onderneming volgens haar statuten of reglementen is gevestigd dan wel, indien zij geen rechtspersoon is, de plaats waar de onderneming haar hoofdvestiging heeft.

Artikel 1:3. (uitzonderingen)

  • 1 Deze wet is niet van toepassing op de uitvoering van socialezekerheidsregelingen en zorgverzekeringen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 2 De Nederlandsche Bank is geen financiële onderneming in de zin van deze wet.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën financiële ondernemingen worden aangewezen waarop in bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

§ 2. De toezichtautoriteiten

Artikel 1:5. (taakstelling de Nederlandsche Bank)

  • 1 Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.

  • 3 De Nederlandsche Bank heeft voorts tot taak te beslissen omtrent de toelating van de in artikel 2:1, eerste lid, genoemde financiële ondernemingen tot de financiële markten en, met uitzondering van het ingevolge artikel 1:6, tweede lid, aan de Autoriteit Financiële Markten opgedragen gedragstoezicht, ten aanzien van die ondernemingen toezicht uit te oefenen op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Tevens heeft zij tot taak toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2:21 tot en met 2:23 gestelde regels.

Artikel 1:6. (taakstelling Autoriteit Financiële Markten)

  • 1 Gedragstoezicht is gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van consumenten of cliënten.

  • 3 De Autoriteit Financiële Markten heeft voorts tot taak te beslissen omtrent de toelating van de in artikel 2:3, eerste en tweede lid, genoemde financiële ondernemingen tot de financiële markten en, met uitzondering van het ingevolge artikel 1:5, tweede lid, aan de Nederlandsche Bank opgedragen prudentiële toezicht, ten aanzien van die ondernemingen toezicht uit te oefenen op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Artikel 1:7. (bevoegdheid inlichtingen te vorderen)

  • 1 De toezichtautoriteit is bevoegd van een ieder inlichtingen te vorderen, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor:

    • a. de vervulling van een haar in deze wet opgedragen taak;

    • b. de uitvoering van verdragen, bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties of met buitenlandse toezichthoudende instanties gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen.

  • 2 Een ieder is verplicht aan de toezichtautoriteit binnen de door haar gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die zij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van haar bevoegdheden.

  • 3 Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.

Artikel 1:10. (doorberekening toezichtkosten)

  • 1 De aanvrager van een beschikking op grond van deze wet is de toezichtautoriteit voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag een vergoeding verschuldigd van de met de behandeling van die aanvraag verband houdende kosten.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de toezichtautoriteit de overige kosten die verband houden met de vervulling van de haar op grond van deze wet opgedragen taken, eveneens geheel of gedeeltelijk in rekening brengt bij de ingevolge deze wet onder haar toezicht staande financiële ondernemingen, overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven vastgesteld ter vergoeding van de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten. Bij de regeling kan worden bepaald dat vergoedingen als bedoeld in het eerste lid bij vooruitbetaling verschuldigd zijn.

Artikel 1:12. (onderzoek naar toereikendheid of uitvoering van de wet)

  • 1 De toezichtautoriteit verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichtautoriteit deze wet uitvoert, met uitzondering van vertrouwelijke gegevens als bedoeld in artikel 1:20, eerste lid, die:

    • a. betrekking hebben of herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen;

    • b. zijn ontvangen van de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij die autoriteit of instantie instemt met het verstrekken van de gegevens.

  • 2 De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor zover het gegevens betreft die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een financiële onderneming waarvan op grond van deze wet de vergunning is ingetrokken, of een financiële onderneming ten aanzien waarvan surseance van betaling is verleend of ten aanzien waarvan de noodregeling, bedoeld in artikel 8:9, is uitgesproken, of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.

Artikel 1:13a. (aansprakelijkheidsbeperking toezichtautoriteiten)

  • 1 De Nederlandsche Bank, de leden van haar directie en raad van commissarissen en haar werknemers zijn niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van haar op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld.

  • 2 De Autoriteit Financiële Markten, de leden van haar bestuur en raad van toezicht en haar werknemers zijn niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van haar op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld.

§ 3. Samenwerking tussen toezichthoudende instanties

Artikel 1:14. (advies bij vergunningverlening)

  • 1 Indien de Nederlandsche Bank in het kader van de behandeling van een aanvraag om vergunning dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan bij of krachtens de artikelen 3:9, tweede lid, onderdeel c, 3:11 of 3:12 gestelde regels, vraagt zij, alvorens op de aanvraag te beslissen, daarover advies aan de Autoriteit Financiële Markten.

  • 3 De om advies gevraagde toezichtautoriteit brengt haar advies schriftelijk uit binnen vier weken na het verzoek. Het advies maakt deel uit van de beslissing op de aanvraag om vergunning.

  • 4 Indien de toezichtautoriteit die bevoegd is op de aanvraag te beslissen, overweegt van het in het derde lid bedoelde advies af te wijken, stelt zij de toezichtautoriteit die het advies heeft uitgebracht, in de gelegenheid om haar advies mondeling toe te lichten.

Artikel 1:15. (advies over verklaring van geen bezwaar)

De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij met betrekking tot een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling of een vermogensbeheerder een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28 verleent. Artikel 1:14, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:16. (advies over bestuurlijke maatregelen)

  • 1 De toezichtautoriteit gaat niet over tot het treffen van een hierna genoemde maatregel, dan nadat zij de andere toezichtautoriteit in de gelegenheid heeft gesteld om daarover binnen een redelijke termijn haar zienswijze naar voren te brengen:

    • a. de intrekking van een op grond van deze wet verleende vergunning;

    • b. het geven van een aanwijzing, strekkende tot het doen heenzenden van een persoon die het beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt, of van een persoon die onderdeel is van een orgaan, belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming;

    • c. de benoeming van een curator op grond van artikel 7:14 of 7:15;

    • d. het opleggen van een verbod als bedoeld in artikel 7:20, eerste of tweede lid.

  • 2 De zienswijze wordt schriftelijk naar voren gebracht, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het aanvragen van een faillissement op grond van de Faillissementswet BES of het aanvragen van de noodregeling op grond van artikel 8:9.

Artikel 1:17. (bindende aanbeveling bij negatieve bestuurderstoets)

  • 1 Indien de toezichtautoriteit constateert dat een persoon die het beleid van een financiële onderneming waaraan door de andere toezichtautoriteit vergunning is of wordt verleend, bepaalt of mede bepaalt dan wel zal bepalen of mede bepalen, niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:4 of 3:5 gestelde regels, kan zij de andere toezichtautoriteit een bindende aanbeveling doen voor een door die toezichtautoriteit te treffen maatregel, te geven oordeel of te nemen beslissing.

  • 2 Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en wordt, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet, schriftelijk gedaan. Indien de aanbeveling spoedshalve mondeling wordt gedaan, wordt zij zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.

  • 3 De toezichtautoriteit tot wie de aanbeveling is gericht, geeft daaraan zo spoedig mogelijk uitvoering. De aanbeveling of, indien de aanbeveling mondeling is gedaan, de schriftelijke bevestiging daarvan maakt deel uit van de beslissing waarbij uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling. Artikel 1:16, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die deel uitmaken of zullen gaan uitmaken van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming.

Artikel 1:18. (samenwerking met andere toezichthoudende instanties)

  • 1 De toezichtautoriteit werkt samen met de toezichthoudende instanties in de andere landen van het Koninkrijk, indien dat voor de vervulling van haar taak op grond van deze wet of voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instanties nodig is.

  • 2 De toezichtautoriteit verstrekt, met inachtneming van artikel 1:21, op verzoek aan een toezichthoudende instantie in een ander land van het Koninkrijk alle gegevens en inlichtingen die voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instantie nodig zijn.

  • 3 De toezichtautoriteit kan, met inachtneming van artikel 1:21, aan een toezichthoudende instantie buiten het Koninkrijk gegevens of inlichtingen verstrekken, voor zover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening van toezicht door de desbetreffende toezichthoudende instantie geschiedt.

  • 4 Indien de toezichtautoriteit met een toezichthoudende instantie buiten het Koninkrijk een overeenkomst sluit met betrekking tot de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, zendt zij onverwijld een afschrift van die overeenkomst aan Onze Minister.

§ 4. Geheimhoudingsplicht en vertrouwelijke gegevens

Artikel 1:20. (geheimhoudingsplicht)

  • 1 Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van een ingevolge deze wet genomen besluit enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet zijn verstrekt of verkregen of van een instantie of persoon als bedoeld in artikel 1:21 of 1:23 zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

  • 2 De toezichtautoriteit is, in afwijking van het eerste lid, bevoegd met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van haar taak op grond van deze wet, mededelingen te doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.

Artikel 1:21. (gegevensuitwisseling met andere instanties)

  • 1 De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij:

    • a. het doel waarvoor die gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt, onvoldoende bepaald is;

    • b. het beoogde gebruik van die gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen;

    • c. verstrekking van die gegevens of inlichtingen zich niet verdraagt met de openbare orde of het recht van de openbare lichamen;

    • d. de geheimhouding van die gegevens of inlichtingen niet voldoende is gewaarborgd;

    • e. verstrekking van die gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

    • f. onvoldoende is gewaarborgd dat die gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

  • 2 Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichtautoriteit deze niet aan de andere toezichtautoriteit of aan een andere buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij de instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen, heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3 Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de toezichtautoriteit die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichtautoriteit dat verzoek slechts in:

    • a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; of

    • b. voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit de openbare lichamen met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en

    • c. na overleg met Onze Minister van Justitie, indien het verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de toezichtautoriteit.

Artikel 1:23. (bewindvoerder, curator en rechter-commissaris)

  • 1 De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een op grond van de Faillissementswet BES of op grond van hoofdstuk 8 benoemde of aangestelde rechter-commissaris, bewindvoerder of curator, voor zover die gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van diens taak.

  • 2 De toezichtautoriteit verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien verstrekking van die gegevens redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Voorts verstrekt zij geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen van de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie, indien de andere toezichtautoriteit of die toezichthoudende instantie niet instemt met het verstrekken van die gegevens of inlichtingen.

  • 3 Een curator die is aangesteld in het faillissement van een financiële onderneming, is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid te verstrekken aan het Gerecht, voor zover dat voor de afwikkeling van het faillissement nodig is.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op een naar het recht van het Europese deel van Nederland of het recht van Aruba, Curaçao of Sint Maarten benoemde of aangestelde rechter-commissaris, bewindvoerder of curator.

Artikel 1:24. (monetaire autoriteiten, externe deskundigen e.a.)

  • 1 De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan:

    • a. de Nederlandsche Bank, handelend in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, of buitenlandse monetaire autoriteiten, voor zover die gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van de monetaire taak;

    • b. een externe deskundige of actuaris, belast met de wettelijke controle van de jaarrekening of de staten van een financiële onderneming, voor zover de gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die onderneming en noodzakelijk zijn voor die controle;

    • c. de houder van een effectenbeurs, voor zover de gegevens of inlichtingen nodig zijn voor de controle op de naleving van de voor die beurs te hanteren regels.

Artikel 1:25. (verklaringen in burgerlijke zaken)

Artikel 1:20, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van een op grond van deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een financiële onderneming die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.

§ 5. Vrijstelling en ontheffing

Artikel 1:27. (ontheffing)

  • 2 Ontheffing wordt slechts verleend, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die deze wet beoogt te beschermen, daardoor niet in het gedrang komen, dan wel dat de met de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd, beoogde doeleinden anderszins kunnen worden bereikt.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder ontheffing kan worden verleend.

Hoofdstuk 2. Markttoegang

§ 1. Vergunningen

Artikel 2:1. (vergunning van de Nederlandsche Bank)

  • 1 Het is verboden zonder daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning:

    • a. in of vanuit de openbare lichamen:

      • 1°. het bedrijf van kredietinstelling, elektronischgeldinstelling of geldtransactiekantoor uit te oefenen;

      • 2°. als trustkantoor werkzaam te zijn;

    • b. vanuit een vestiging in de openbare lichamen het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar uit te oefenen.

  • 2 Een vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, tevens als vergunning tot uitoefening van het bedrijf van elektronischgeldinstelling of geldtransactiekantoor.

Artikel 2:2. (groepsvergunning trustkantoren)

  • 1 Een vergunning om als trustkantoor werkzaam te zijn kan aan een groep van trustkantoren worden verleend.

  • 2 Een op grond van het eerste lid aan een groep verleende vergunning geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, in gelijke zin voor alle tot de groep behorende trustkantoren.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 2:3. (vergunning van de Autoriteit Financiële Markten)

  • 1 Het is verboden zonder daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning in de openbare lichamen:

    • a. als adviseur, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent op te treden;

    • b. als vermogensbeheerder op te treden;

    • c. krediet aan te bieden;

    • d. een effectenbeurs te houden.

  • 2 Het is verboden in of vanuit de openbare lichamen gelden of andere goederen ter deelneming in een beleggingsinstelling waaraan geen vergunning is verleend door de Autoriteit Financiële Markten, te vragen of te verkrijgen, dan wel rechten van deelneming in zodanige beleggingsinstelling aan te bieden.

  • 3 Een vergunning om als bemiddelaar op te treden geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, tevens als vergunning om als adviseur op te treden.

  • 4 Indien de beleggingsinstelling een beleggingsfonds is, wordt de in het tweede lid bedoelde vergunning verleend aan de beheerder van dat fonds.

Artikel 2:4. (voorkomen dubbele vergunningplicht DNB en AFM)

  • 1 Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar is verleend, voor zover de in dat artikel bedoelde activiteiten betrekking hebben op een financieel product dat door de betrokken onderneming zelf of door een tot dezelfde groep behorende financiële onderneming wordt aangeboden.

  • 2 Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

  • 3 Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar is verleend, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

§ 2. Aanvraag van een vergunning

Artikel 2:6. (indiening aanvraag)

  • 1 Een vergunning op grond van deze wet wordt aangevraagd bij de tot verlening van die vergunning bevoegde toezichtautoriteit.

  • 2 De aanvrager verschaft de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden.

  • 4 De toezichtautoriteit kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet krachtens het derde lid is voorzien.

Artikel 2:7. (niet in behandeling nemen aanvraag)

  • 1 De toezichtautoriteit kan beslissen een aanvraag om vergunning niet te behandelen, indien:

    • a. de aanvrager niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2:6, derde lid, gestelde regels, dan wel de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beslissing;

    • b. de aanvrager de ingevolge artikel 1:10, eerste lid, verschuldigde vergoeding, voor zover bij vooruitbetaling verschuldigd, niet heeft voldaan.

  • 2 Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de toezichtautoriteit de aanvrager in de gelegenheid om zijn aanvraag binnen een door de toezichtautoriteit gestelde termijn aan te vullen.

  • 3 De beslissing om een aanvraag niet te behandelen wordt schriftelijk aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 2:8. (beslistermijn)

  • 1 De toezichtautoriteit beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om vergunning.

  • 2 Indien de beslissing niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, deelt de toezichtautoriteit dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 2:9. (opschorting beslistermijn)

  • 1 De in artikel 2:8 bedoelde termijn wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop de toezichtautoriteit:

    • a. de aanvrager krachtens artikel 2:7, tweede lid, uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld dan wel de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of

    • b. de aanvrager mededeelt dat voor de beslissing op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.

  • 2 De termijn voor het geven van de beslissing wordt voorts opgeschort:

    • a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd;

    • b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of

    • c. zolang de toezichtautoriteit door overmacht niet in staat is de beslissing te geven.

  • 3 In geval van overmacht deelt de toezichtautoriteit zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4 Indien de opschorting eindigt, doet de toezichtautoriteit daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beslissing alsnog moet worden gegeven.

Artikel 2:10. (aanhouden beslissing in verband met vvgb)

  • 1 In afwijking van artikel 2:8, eerste lid, houdt de toezichtautoriteit, indien er tevens een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28 is ingediend, de beslissing op een aanvraag om vergunning aan, tot uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar is bekendgemaakt.

  • 2 Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is ingediend tegen de beslissing op de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar, houdt de toezichtautoriteit de beslissing op de aanvraag om vergunning aan tot uiterlijk twee weken na het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.

§ 3. Verlening, weigering en intrekking van vergunningen

Artikel 2:11. (verlening van de vergunning)

De toezichtautoriteit verleent de vergunning, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:1 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:24, 3:33, 3:34 en 3:44 tot en met 3:46 gestelde regels, alsmede:

  • a. voor beleggingsinstellingen: de bij of krachtens de artikelen 4:1 tot en met 4:5 en 4:10 gestelde regels;

  • b. voor houders van effectenbeurzen: de bij of krachtens de artikelen 4:15 en 4:16 gestelde regels;

  • c. voor kredietinstellingen, elektronischgeldinstellingen en geldtransactiekantoren: de bij of krachtens de artikelen 4:18 en 4:21 gestelde regels;

  • d. voor verzekeraars: de bij of krachtens de artikelen 4:25 tot en met 4:34 gestelde regels.

Artikel 2:13. (weigering van de vergunning)

De toezichtautoriteit kan in afwijking van artikel 2:11 de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:

  • a. zij gronden heeft om aan te nemen dat de vergunning is aangevraagd met het oogmerk de betrokken financiële onderneming te onttrekken aan het toezicht op financiële ondernemingen in een andere staat of een ander deel van het Koninkrijk;

  • b. de betrokken onderneming haar zetel in het buitenland heeft en de toezichtautoriteit van oordeel is dat de toezichthoudende instantie in de staat van zetel onvoldoende in staat is om adequaat en effectief toezicht op de onderneming uit te oefenen;

  • c. de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zich tegen verlening van de vergunning verzetten.

Artikel 2:14. (wijziging of intrekking van de vergunning)

De toezichtautoriteit kan een door haar verleende vergunning wijzigen dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder en voorts indien:

  • a. de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om vergunning zijn verstrekt, onjuist of onvolledig blijken en kennis omtrent de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid;

  • b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend, de vergunning zou zijn geweigerd;

  • c. de vergunninghouder niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen niet naleeft;

  • d. uit de verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 3:35, tweede lid, of 3:36, tweede lid, of het actuarieel verslag, bedoeld in artikel 3:36, derde lid, niet blijkt dat de jaarrekening of de staten van de onderneming een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van de onderneming of van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

  • e. de vergunninghouder geen of onvolledig gevolg heeft gegeven aan een krachtens artikel 7:12 of 7:13 gegeven aanwijzing;

  • f. de vergunninghouder de bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES of de Sanctiewet 1977 gestelde regels niet naleeft;

  • g. niet binnen twaalf maanden na verlening van de vergunning met de vergunde activiteit daadwerkelijk een aanvang is gemaakt;

  • h. de vergunninghouder de vergunde activiteit heeft beëindigd of de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gedurende meer dan twaalf maanden heeft gestaakt;

  • i. de vergunninghouder de onderneming ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;

  • j. de vergunninghouder oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van de vergunning;

  • k. de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zich tegen instandhouding of ongewijzigde instandhouding van de vergunning verzetten.

Artikel 2:15. (verplichte intrekkingsgronden)

  • 1 De toezichtautoriteit trekt een door haar verleende vergunning in, indien:

    • a. de natuurlijke persoon waaraan de vergunning is verleend, overlijdt dan wel de rechtspersoon of vennootschap waaraan de vergunning is verleend, wordt ontbonden;

    • b. de vergunninghouder onder curatele is gesteld, dan wel bij rechterlijke beschikking een of meer goederen van de vergunninghouder onder bewind zijn gesteld;

    • c. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.

  • 2 De Nederlandsche Bank trekt een door haar verleende vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar in, indien:

  • 3 Indien van een buitenlandse financiële onderneming door de toezichthoudende instantie van de staat van zetel de vergunning van die onderneming om in de staat van zetel haar bedrijf uit te oefenen wordt ingetrokken, trekt de toezichtautoriteit tevens de op grond van deze wet aan die onderneming verleende vergunning in.

Artikel 2:17. (afwikkeling bedrijf na intrekking vergunning)

  • 1 Indien de toezichtautoriteit een vergunning intrekt, kan zij bij haar beslissing tot intrekking bepalen dat de betrokken financiële onderneming haar bedrijf binnen een door de toezichtautoriteit te bepalen termijn geheel of gedeeltelijk afwikkelt, zo nodig met inachtneming van door de toezichtautoriteit gegeven aanwijzingen.

  • 2 Bij de afwikkeling van het bedrijf van een financiële onderneming wordt die onderneming, evenals de curator in het faillissement van een financiële onderneming, aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 2:18. (wijzigingen na vergunningverlening)

  • 1 Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend, meldt met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:6, derde lid, in het kader van een aanvraag om vergunning verstrekking van gegevens of bescheiden is voorgeschreven, aan de toezichtautoriteit alle wijzigingen waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die wijzigingen voor het door de toezichtautoriteit op die onderneming uit te oefenen toezicht van belang zijn.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de ingevolge het eerste lid te melden wijzigingen, de daarbij te volgen procedures en de daarbij te verstrekken gegevens of bescheiden.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend, niet is toegestaan om wijzigingen aan te brengen in haar rechtsvorm, statuten of ondernemingsstructuur of in de inrichting van haar bedrijfsvoering zonder voorafgaande toestemming van of melding aan de toezichtautoriteit.

§ 4. Register financiële markten

Artikel 2:19. (register financiële markten)

  • 1 Er is een register financiële markten, waarin de financiële ondernemingen staan ingeschreven waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend of waarvan een kennisgeving als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, is ontvangen.

  • 2 Het register is openbaar en wordt gehouden door de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten, elk met betrekking tot de ingevolge artikel 1:5, derde lid, of 1:6, derde lid, onder haar toezicht staande financiële ondernemingen.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indeling en inrichting van het register en de in het register op te nemen gegevens, alsmede regels met betrekking tot de wijziging van in het register opgenomen gegevens.

Artikel 2:20. (inschrijving in register)

  • 1 Inschrijving van een financiële onderneming in het register geschiedt zo spoedig mogelijk na verlening van de vergunning, doch uiterlijk binnen veertien dagen nadien.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de vergunning, voor zover die wijzigingen van belang zijn voor de in het register opgenomen of op te nemen gegevens.

  • 3 De inschrijving van een financiële onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt doorgehaald. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, alsmede regels met betrekking tot de doorhaling van inschrijvingen van financiële ondernemingen waarvan een kennisgeving als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, is ontvangen.

§ 5. Bijzondere bepalingen

Artikel 2:21. (verbod op gebruik woord «bank»)

  • 1 Het is een onderneming, niet zijnde een kredietinstelling waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, verboden om de woorden «bank», «krediet» of «spaar» en vertalingen of vormen daarvan te gebruiken in haar naam of bij de uitoefening van haar bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt dat daaruit duidelijk blijkt dat de onderneming niet werkzaam is op de financiële markten.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde verbod op het gebruik van het woord «krediet» geldt niet voor ondernemingen waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend tot het aanbieden van krediet.

Artikel 2:22. (verbod aantrekken opvorderbare gelden)

  • 1 Het is verboden in de openbare lichamen in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben of als tussenpersoon werkzaamheden, gericht op het aantrekken of ter beschikking krijgen van zodanige gelden, te verrichten.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen:

    • a. door financiële ondernemingen waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend;

    • b. door de Staat der Nederlanden;

    • c. als gevolg van het aanbieden van effecten overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk 5, paragraaf 4, gestelde regels.

Artikel 2:23. (inkomende dienstverrichting verzekeraars)

  • 1 Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland verboden door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen, tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis geeft en aantoont:

    • a. zijn zetel te hebben in Curaçao, Sint Maarten of een krachtens artikel 3:1, tweede lid, aangewezen andere staat of ander deel van het Koninkrijk;

    • b. naar het recht van de staat van zetel rechtspersoon te zijn;

    • c. in de staat van zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf en dit bedrijf daadwerkelijk vanuit een vestiging in die staat uit te oefenen, en in die staat onder prudentieel toezicht te staan.

  • 2 De Nederlandsche Bank bevestigt onverwijld de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de verzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.

  • 3 Na de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, mag de verzekeraar overgaan tot het aanbieden van verzekeringen in de openbare lichamen. Hij biedt geen verzekeringen aan in branches waarin hij in de staat van zetel niet bevoegd is tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder het is toegestaan vanuit een vestiging in het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen, alsmede nadere regels met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.

Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen betreffende financiële ondernemingen

§ 1. Zetel en rechtsvorm

Artikel 3:1. (plaats van zetel)

  • 1 Een financiële onderneming heeft haar zetel in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het financiële ondernemingen in bij die regeling te bepalen gevallen tevens is toegestaan hun zetel in een door Onze Minister aangewezen andere staat of ander deel van het Koninkrijk te hebben.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3 verricht, die activiteiten vanuit een bijkantoor in de openbare lichamen verricht.

Artikel 3:2. (buitenlandse ondernemingen)

  • 1 Een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3 verricht, is in de staat van zetel bevoegd tot uitoefening van die activiteiten.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen worden gesteld aan de aard of de omvang van de activiteiten die financiële ondernemingen met zetel in het buitenland in of vanuit de openbare lichamen mogen verrichten, alsmede regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij die activiteiten mogen verrichten.

Artikel 3:3. (rechtsvorm)

  • 1 Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij.

  • 2 Een verzekeraar met zetel in het buitenland bezit naar het recht van de staat van zetel rechtspersoonlijkheid.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de rechtsvorm van financiële ondernemingen, alsmede regels met betrekking tot de structurering en inrichting van die ondernemingen.

§ 2. Bestuur, inrichting en bedrijfsvoering

Artikel 3:4. (betrouwbaarheid beleidsbepalers)

  • 1 Het beleid van een financiële onderneming wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid eveneens buiten twijfel staat.

  • 2 De betrouwbaarheid van personen staat, wanneer die betrouwbaarheid eenmaal voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, buiten twijfel, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling en zolang geen nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid is voorgeschreven.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van personen als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat, en de feiten en omstandigheden die daarbij in aanmerking worden genomen, alsmede regels met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door een persoon als bedoeld in het eerste lid, met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling moeten leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat.

  • 4 Bij de maatregel, bedoeld in het derde lid, kan worden bepaald dat periodiek een nieuwe beoordeling van de betrouwbaarheid plaatsvindt.

Artikel 3:5. (geschiktheid beleidsbepalers)

  • 1 Het dagelijks beleid van een financiële onderneming wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van die onderneming. Indien binnen de onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van dit toezicht.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geschiktheid van personen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:6. (vierogenprincipe en plaats van werkzaamheden)

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het aantal natuurlijke personen dat het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt, en het aantal natuurlijke personen dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de onderneming.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer personen die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen, hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit de openbare lichamen verrichten.

Artikel 3:7. (benoeming beleidsbepalers)

  • 1 Het is verboden zonder voorafgaande toestemming van de toezichtautoriteit personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen, of leden van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming, te benoemen.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 3:8. (integere bedrijfsuitoefening)

  • 1 Een financiële onderneming voert een adequaat beleid voor een integere uitoefening van haar bedrijf, en richt haar bedrijfsvoering zodanig in dat de integere uitoefening van haar bedrijf is gewaarborgd.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    • a. het tegengaan van belangenverstrengeling;

    • b. het tegengaan van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, alsmede de naleving van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels;

    • c. het tegengaan van strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de onderneming of haar werknemers, die het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

    • d. relaties met consumenten, cliënten of andere derden, die het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

    • e. andere handelingen door de onderneming of haar werknemers, die zodanig ingaan tegen hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt dat daardoor het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad.

Artikel 3:9. (beheerste bedrijfsuitoefening)

  • 1 Een financiële onderneming voert een adequaat beleid voor een beheerste uitoefening van haar bedrijf, en richt haar bedrijfsvoering zodanig in dat een beheerste uitoefening van haar bedrijf is gewaarborgd.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    • a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;

    • b. het beheersen van financiële risico’s en andere risico’s die de soliditeit van de onderneming kunnen aantasten, alsmede het zorgen voor de instandhouding van de vereiste financiële waarborgen;

    • c. ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en de zorgvuldige behandeling van consumenten of cliënten.

Artikel 3:10. (doorzichtige zeggenschapstructuur)

  • 1 Een financiële onderneming is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming.

  • 2 Een financiële onderneming is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur, indien op die personen buitenlands recht van toepassing is en dat buitenlandse recht een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming.

Artikel 3:11. (vakbekwaamheid werknemers)

  • 1 Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent, draagt zorg voor de vakbekwaamheid van zijn werknemers en van andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het aanbieden van die producten of het verlenen van die diensten. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden van de onderneming over voldoende vakbekwaamheid, dat de kwaliteit van de dienstverlening aan de consument of cliënt kan worden gewaarborgd.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vakbekwaamheid van de personen, bedoeld in het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister volgens daarbij te stellen regels exameninstituten erkent die bevoegd zijn tot het afgeven van diploma’s waarmee de vakbekwaamheid wordt aangetoond. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht op de naleving van die regels.

Artikel 3:12. (klachtbehandeling)

  • 1 Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent, beschikt over een procedure voor de zorgvuldige en consistente behandeling van klachten van consumenten of cliënten binnen een redelijke termijn. De onderneming draagt er zorg voor dat deze procedure genoegzaam bekend is bij alle personen die vanwege de onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten.

  • 2 Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid is met betrekking tot de financiële producten of financiële diensten die zij aanbiedt of verleent aan consumenten of cliënten, aangesloten bij een door Onze Minister erkende instantie voor de behandeling van geschillen met betrekking tot die producten of diensten, tenzij er geen zodanige instantie is.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de klachtenprocedure, bedoeld in het eerste lid, alsmede regels met betrekking tot de erkenning en werkwijze van een geschilleninstantie als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3:13. (uitbesteding aan derden)

  • 1 Indien een financiële onderneming werkzaamheden uitbesteedt aan derden, draagt zij er zorg voor dat deze derden de ingevolge deze wet met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende onderneming van toepassing zijnde regels naleven.

  • 2 Een financiële onderneming besteedt geen werkzaamheden uit aan derden waarvan zij weet of behoort te weten dat die derden niet over een op grond van deze wet vereiste vergunning beschikken, dan wel dat het die derden anderszins niet is toegestaan bedoelde werkzaamheden te verrichten.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat bij die maatregel aan te wijzen werkzaamheden niet worden uitbesteed.

Artikel 3:15. (verplichte vertegenwoordiger)

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3 verricht, gehouden is in de openbare lichamen een vertegenwoordiger aan te stellen.

  • 2 De vertegenwoordiger beschikt ten aanzien van het dagelijkse beleid van de onderneming, voor zover dat betrekking heeft op de activiteiten die in of vanuit de openbare lichamen worden verricht, over volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid.

  • 3 De vertegenwoordiger is gehouden namens de financiële onderneming te voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of diens in gebreke zijn ontslaat de betrokken onderneming niet van de verplichting aan die voorschriften te voldoen.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging, alsmede regels met betrekking tot de aan de vertegenwoordiger te stellen eisen.

§ 3. Financiële waarborgen

Artikel 3:16. (minimumvermogen)

  • 1 Een beleggingsmaatschappij, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen.

  • 2 Onverminderd het eerste lid beschikt een verzekeraar over financiële middelen tot dekking van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen. Bij de vaststelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden categorieën financiële ondernemingen onder eigen vermogen wordt verstaan.

  • 4 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een verzekeraar wordt uitgedrukt in een minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:17, vierde lid.

Artikel 3:17. (solvabiliteit)

  • 1 Een bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar beschikt over voldoende solvabiliteit.

  • 2 De aan te houden solvabiliteit van een verzekeraar wordt uitgedrukt in een solvabiliteitsmarge. De aan te houden solvabiliteit van overige financiële ondernemingen wordt uitgedrukt in een toetsingsvermogen.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de minimumomvang van de ingevolge het eerste lid aan te houden solvabiliteit, de samenstelling van de solvabiliteit en de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend, en van de waarden die dienen ter dekking van de solvabiliteit.

  • 4 Een derde gedeelte van het overeenkomstig het derde lid berekende minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een verzekeraar vormt het garantiefonds.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling door kredietinstellingen en elektronischgeldinstellingen.

Artikel 3:18. (liquiditeit)

  • 1 Een kredietinstelling of, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, beleggingsinstelling beschikt over voldoende liquiditeit.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de in het eerste lid bedoelde liquiditeit.

Artikel 3:19. (technische voorzieningen verzekeraar)

  • 1 Een verzekeraar houdt toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

  • 2 Een verzekeraar die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor de te sluiten levensverzekeringen op adequate wijze vast.

  • 3 Een verzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 8:25, tweede lid, volledig door waarden.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de ingevolge het eerste lid aan te houden technische voorzieningen, de waarden ter dekking van die voorzieningen, de lokalisatie van die waarden en de muntsoort waarin zij worden uitgedrukt.

Artikel 3:20. (bewijsvermoeden buitenlandse ondernemingen)

  • 1 Een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat wordt, onverminderd de bevoegdheden van de toezichtautoriteit en de door haar aangewezen toezichthouders uit hoofde van artikel 1:7 en hoofdstuk 7, vermoed te voldoen aan de ingevolge de artikelen 3:16 tot en met 3:19 op haar van toepassing zijnde eisen, zolang zij in de staat van zetel is toegelaten tot de uitoefening van haar bedrijf.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:21. (bijzondere waarborgen buitenlandse ondernemingen)

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een verzekeraar met zetel in het buitenland verplicht is in de openbare lichamen een solvabiliteitsfonds aan te houden, overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 3:16 tot en met 3:18 met zetel in het buitenland, niet zijnde verzekeraars, aanvullende financiële waarborgen worden geëist ter dekking van verplichtingen die zij in of vanuit de openbare lichamen zijn aangegaan jegens consumenten, cliënten of andere bij die maatregel aan te wijzen derden.

Artikel 3:23. (vermogensscheiding)

  • 1 Een vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten die effecten of gelden onder zich houdt die toebehoren aan een consument of cliënt, treft adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van die consument of cliënt op bedoelde effecten of gelden, en ter voorkoming van het gebruik van die effecten of gelden voor eigen rekening door de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een trustkantoor dat gelden of geldswaarden onder zich houdt die toebehoren aan derden.

  • 3 Een elektronischgeldinstelling treft adequate maatregelen om de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.

  • 4 In afwijking van het eerste lid mag een vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten de in dat lid bedoelde effecten voor eigen rekening gebruiken, indien de cliënt daar uitdrukkelijk mee heeft ingestemd.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 3:24. (beroepsaansprakelijkheidsverzekering tussenpersonen)

Een adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of een gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agent heeft ter dekking van aansprakelijkheid, voortvloeiende uit de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, een verzekeringsovereenkomst afgesloten die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 3:26. (ontbinding of liquidatie)

  • 1 Een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen, die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn bedrijf heeft besloten, raadpleegt ten minste dertien weken voordat aan dat besluit uitvoering wordt gegeven, de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten.

§ 4. Deelnemingen in financiële ondernemingen

Artikel 3:27. (begrip gekwalificeerde deelneming)

Onder gekwalificeerde deelneming wordt in deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen verstaan: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten in een onderneming dan wel het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap.

Artikel 3:28. (verklaring van geen bezwaar)

  • 1 Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, trustkantoor, vermogensbeheerder of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen te houden, te verwerven of te vergroten, dan wel enige zeggenschap, verbonden aan een dergelijke deelneming, uit te oefenen.

  • 2 De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van door de Nederlandsche Bank te bepalen gegevens. De artikelen 2:7 tot en met 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a. het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een vermogensbeheerder, indien die vermogensbeheerder tevens kredietinstelling is en de aanvrager voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in die kredietinstelling al over een verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank beschikt dan wel zodanige verklaring heeft aangevraagd en op die aanvraag nog niet is beslist;

    • b. het houden, verwerven of vergroten van gekwalificeerde deelnemingen in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.

  • 4 Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden.

  • 5 Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan op aanvraag worden bepaald dat die verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.

Artikel 3:30. (verlening van verklaring van geen bezwaar)

  • 1 De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28, eerste lid, tenzij:

    • a. de betrouwbaarheid van een of meer personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het beleid van de financiële onderneming zullen bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of medebepalen, niet buiten twijfel staat;

    • b. de personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het dagelijks beleid van de financiële onderneming zullen bepalen, ter zake niet geschikt zijn;

    • c. de financiële soliditeit van de aanvrager, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de financiële onderneming, niet is gewaarborgd;

    • d. de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming niet zal kunnen blijven voldoen aan de op grond van deze wet gestelde prudentiële eisen;

    • e. er goede redenen zijn om te vermoeden dat er sprake is of zal zijn van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES, dan wel dat de voorgenomen verwerving of vergroting van de deelneming het risico daarop zou kunnen vergroten.

  • 3 Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op trustkantoren.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de weigeringsgronden in het eerste lid.

Artikel 3:31. (indiening aanvraag van vvgb bij AFM)

  • 1 Een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling of vermogensbeheerder, kan indien die financiële onderneming op het moment van de aanvraag nog niet over een vergunning op grond van deze wet beschikt, tevens bij de Autoriteit Financiële Markten worden ingediend.

  • 2 Indien de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig het eerste lid bij de Autoriteit Financiële Markten is ingediend, zendt de Nederlandsche Bank de beslissing op die aanvraag aan de Autoriteit Financiële Markten, die haar aan de betrokken financiële onderneming meedeelt.

Artikel 3:32. (vernietigbaarheid besluiten zonder vvgb)

  • 1 Indien enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een in artikel 3:28, eerste lid, genoemde onderneming, is uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is verkregen of indien daarbij de aan een verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen niet in acht zijn genomen, is een mede door uitoefening van die zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar.

  • 2 Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt op vordering van de Nederlandsche Bank door het Gerecht vernietigd, indien het besluit zonder uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zeggenschap anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

  • 3 Het Gerecht regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging van het besluit.

§ 5. Boekhouding en rapportage

Artikel 3:34. (afzonderlijke boekhouding buitenlandse ondernemingen)

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland een afzonderlijke boekhouding voert met betrekking tot haar activiteiten in de openbare lichamen.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:35. (jaarrekening en jaarverslag)

  • 1 Een beleggingsinstelling, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar dient jaarlijks binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn bij de toezichtautoriteit een jaarrekening en een jaarverslag over het afgelopen boekjaar in. De jaarrekening omvat ten minste een balans en een verlies- en winstrekening met een toelichting daarop.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de jaarrekening vergezeld gaat van een door een externe of andere deskundige afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid, alsmede van andere bij of krachtens die maatregel te bepalen bescheiden.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag en de daarbij behorende bescheiden, alsmede regels met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening.

Artikel 3:36. (staten)

  • 1 Een kredietinstelling of verzekeraar dient periodiek, op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstippen en binnen een bij of krachtens die maatregel te bepalen termijn, bij de Nederlandsche Bank staten in, al dan niet op geconsolideerde basis, die tezamen een getrouw beeld geven van het door de betrokken onderneming gevoerde beheer en haar financiële toestand.

  • 2 De staten gaan vergezeld van een door een externe deskundige afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid. De externe deskundige waarmerkt de staten.

  • 3 Met betrekking tot het levensverzekeringsbedrijf bevatten de staten tevens een actuarieel verslag en een sterftevergelijking. De desbetreffende staten worden voorzien van een verklaring van de actuaris, inhoudende dat de in het actuariële verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld, en dat de sterftevergelijking juist is weergeven. De actuaris waarmerkt de desbetreffende staten.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de staten en de daarbij behorende bescheiden, alsmede regels met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening. Voorts kunnen bij de maatregel regels worden gesteld met betrekking tot de openbaarmaking van de staten.

Artikel 3:37. (indieningstermijnen)

De Nederlandsche Bank kan, indien zich een gebeurtenis voordoet of heeft voorgedaan die ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële positie van een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of verzekeraar, voorschrijven dat een of meer staten tijdelijk worden verstrekt met een hogere frequentie of op een kortere termijn dan ingevolge artikel 3:36, vierde lid, is bepaald. Deze staten worden niet openbaar gemaakt.

§ 6. Externe deskundige en actuaris

Artikel 3:39. (meldingsplicht externe deskundige)

Een externe deskundige die een onderzoek uitvoert naar de getrouwheid van de jaarrekening of de staten van een financiële onderneming, stelt de toezichtautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die:

  • a. in strijd is met de bij of krachtens deze wet gestelde regels;

  • b. in strijd is met krachtens deze wet aan de betrokken onderneming opgelegde verplichtingen;

  • c. het voortbestaan van de financiële onderneming bedreigt;

  • d. leidt tot weigering om een verklaring omtrent de getrouwheid af te geven of tot het maken van een voorbehoud.

Artikel 3:40. (meldingsplicht actuaris)

Een actuaris die een onderzoek uitvoert naar de toereikendheid van de technische voorzieningen en de getrouwheid van het actuarieel verslag van een verzekeraar, stelt de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk in kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die een bedreiging vormt of kan vormen voor de toereikendheid van de technische voorzieningen of de financiële positie van die verzekeraar.

Artikel 3:41. (toelichting door externe deskundige of actuaris)

  • 1 Indien de toezichtautoriteit zulks noodzakelijk acht, kan zij een externe deskundige of actuaris oproepen om een mondelinge toelichting te geven bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:39 of 3:40.

  • 2 De toezichtautoriteit stelt de betrokken financiële onderneming in de gelegenheid bij de mondelinge toelichting aanwezig te zijn.

Artikel 3:42. (aansprakelijkheid externe deskundige of actuaris)

De externe deskundige of actuaris die op grond van artikel 3:39 of 3:40 tot een kennisgeving is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot kennisgeving of het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.

Artikel 3:43. (bezwaar tegen externe deskundige of actuaris)

  • 1 Indien een externe deskundige of actuaris niet de nodige waarborgen biedt dat hij zijn taak met betrekking tot een financiële onderneming naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichtautoriteit ten aanzien van de deskundige of actuaris bepalen dat deze niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot die financiële onderneming af te leggen.

  • 2 Een beslissing als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de externe deskundige of actuaris die het betreft, alsmede aan de betrokken financiële onderneming.

§ 7. Financiële groepen

Artikel 3:44. (algemene bepalingen betreffende financiële groepen)

  • 1 Een onderneming met zetel in een openbaar lichaam die aan het hoofd staat van een groep als bedoeld in artikel 3:45 of 3:46, draagt zorg voor een zodanige bedrijfsvoering dat de financiële soliditeit van de groep en de tot de groep behorende kredietinstellingen en verzekeraars niet in gevaar wordt gebracht door:

    • a. het risicobeheer van de groep als geheel of van de afzonderlijke groepsleden;

    • b. de strategie en het beleid van de groep als geheel of van de afzonderlijke groepsleden;

    • c. mogelijke belangentegenstellingen en relaties tussen de groepsleden;

    • d. door groepsleden verrichte activiteiten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering van een kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:45, onderscheidenlijk artikel 3:46.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:45. (geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen)

  • 1 Op een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, wordt door de Nederlandsche Bank geconsolideerd toezicht uitgeoefend.

  • 2 De Nederlandsche Bank betrekt in het geconsolideerd toezicht de geconsolideerde jaarrekening van de tot de groep behorende ondernemingen alsmede, voor zover het ondernemingen betreft die niet in het geconsolideerd toezicht worden betrokken, significante intragroepsovereenkomsten en -posities tussen de kredietinstelling en die ondernemingen.

  • 3 Een kredietinstelling waarop geconsolideerd toezicht wordt uitgeoefend, berekent haar solvabiliteit op basis van haar geconsolideerde financiële positie.

  • 4 Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid dient periodiek bij de Nederlandsche Bank een rapportage in, waarin zijn opgenomen de in het tweede lid bedoelde overeenkomsten en posities, voor zover die van significante betekenis zijn, en de geconsolideerde financiële positie bedoeld in het derde lid.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 3:46. (aanvullend toezicht op verzekeraars)

  • 1 Op een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, wordt door de Nederlandsche Bank aanvullend toezicht uitgeoefend.

  • 2 De Nederlandsche Bank betrekt in het aanvullend toezicht intragroepsovereenkomsten en -posities tussen:

    • a. met de verzekeraar verbonden ondernemingen;

    • b. in de verzekeraar deelnemende ondernemingen;

    • c. ondernemingen die zijn verbonden met in onderdeel b bedoelde ondernemingen.

  • 3 Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid berekent in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen de aangepaste solvabiliteit.

  • 4 Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid dient periodiek binnen de door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijnen een rapportage in bij de Nederlandsche Bank, waarin zijn opgenomen overeenkomsten en posities, voor zover die van significante betekenis zijn, en indien van toepassing de aangepaste solvabiliteit, bedoeld in het derde lid.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 3:47. (maatregelen door DNB)

Indien uit de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:44, of uit het toezicht, bedoeld in de artikelen 3:45, eerste lid, en 3:46, eerste lid, blijkt dat de financiële positie van de kredietinstelling of verzekeraar in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank jegens die kredietinstelling of verzekeraar maatregelen.

Artikel 3:48. (uitzonderingen)

  • 1 De Nederlandsche Bank kan besluiten een onderneming niet in het toezicht, bedoeld in artikel 3:45, eerste lid, of 3:46, eerste lid, te betrekken, indien:

    • a. de onderneming haar zetel heeft in een staat waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de voor het toezicht noodzakelijke informatie;

    • b. de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen betekenis is;

    • c. het in aanmerking nemen van de financiële positie van die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht misplaatst of misleidend zou zijn.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b.

Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen

§ 1. Beleggingsinstellingen

Artikel 4:1. (beheer van beleggingsfondsen)

  • 1 Een beleggingsfonds wordt beheerd door een beheerder.

  • 2 Als beheerder van een beleggingsfonds mag slechts optreden een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 3 De ingevolge deze wet op beleggingsinstellingen rustende verplichtingen zijn, indien de beleggingsinstelling een beleggingsfonds is, gericht tot de beheerder van dat fonds.

Artikel 4:3. (vermogensscheiding activa beleggingsfonds)

  • 1 De beheerder van een beleggingsfonds treft maatregelen, opdat:

    • a. de activa van het beleggingsfonds ten behoeve van de deelnemers worden verkregen door een van de beheerder onafhankelijke bewaarder;

    • b. de bewaarder slechts met medewerking van de beheerder over de vermogensbestanddelen van het beleggingsfonds kan beschikken.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 4:4. (bewaring van activa)

  • 1 Indien de activa van een beleggingsinstelling door een bewaarder worden bewaard, gaat de beleggingsinstelling met de bewaarder een schriftelijke overeenkomst inzake beheer en bewaring aan. De overeenkomst voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

  • 2 Als bewaarder mag slechts optreden een rechtspersoon met als enig statutair doel het bewaren en administreren van de goederen waarin een beleggingsinstelling belegt. De artikelen 3:4 tot en met 3:10 en 3:13 zijn van overeenkomstige toepassing op de bewaarder.

  • 3 Indien er op grond van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling een reëel risico bestaat dat het vermogen van die instelling en het vermogen van haar bewaarder ontoereikend zullen zijn om daaruit de vorderingen, bedoeld in artikel 4:6, te voldoen, worden de activa van de beleggingsinstelling bewaard door een bewaarder die uitsluitend als bewaarder voor die beleggingsinstelling optreedt.

Artikel 4:5. (minimumvermogen)

  • 1 De beheerder van een beleggingsfonds beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen. Gelijke verplichting rust op de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien een beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn minimumbedrag aan eigen vermogen niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

  • 4 Artikel 3:35 is van overeenkomstige toepassing op een beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4:6. (vorderingen op vermogen beleggingsfonds)

  • 1 Het vermogen van een beleggingsfonds dient uitsluitend tot voldoening van vorderingen die voortvloeien uit:

    • a. schulden die verband houden met het beheer en de bewaring van het fonds;

    • b. rechten van deelneming.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn andere vorderingen verhaalbaar op het vermogen van een beleggingsfonds, indien vaststaat dat de in het eerste lid bedoelde vorderingen zullen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet meer zullen ontstaan.

  • 3 Indien het vermogen van een beleggingsfonds bij vereffening ontoereikend is om daaruit de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, te voldoen, wordt dat vermogen niet aangewend tot voldoening van de vorderingen, voortvloeiend uit de rechten van deelneming, dan nadat de vorderingen die verband houden met het beheer en de bewaring van het fonds, daaruit zijn voldaan.

  • 4 Indien de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig uit het vermogen van het beleggingsfonds kunnen worden voldaan, dient, behoudens de door de wet erkende andere redenen van voorrang, het vermogen van de bewaarder eerst tot voldoening van deze vorderingen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:7. (subfondsen)

  • 1 Voor de toepassing van artikel 4:6 wordt een subfonds gelijkgesteld met een zelfstandig beleggingsfonds.

  • 2 Onder subfonds wordt verstaan: een administratief afgescheiden gedeelte van het vermogen van een beleggingsinstelling waarvoor een separaat beleggingsbeleid wordt gevoerd en waarin specifiek voor dat gedeelte ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen onder specifiek voor dat gedeelte geldende voorwaarden.

Artikel 4:8. (behartiging belangen deelnemers)

  • 1 Een beleggingsinstelling handelt in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling. Zij behandelt de deelnemers in de beleggingsinstelling onder vergelijkbare omstandigheden op vergelijkbare wijze.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de beheerder van een beleggingsinstelling en de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.

Artikel 4:9. (oneigenlijke transacties)

Door of namens een beleggingsinstelling worden voor rekening van die instelling geen transacties uitgevoerd met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beleggingsinstelling, de beheerder, de bewaarder of een met de beleggingsinstelling, beheerder of bewaarder gelieerde partij.

Artikel 4:10. (prospectus)

  • 1 Een beleggingsinstelling heeft een prospectus beschikbaar met betrekking tot de door haar aangeboden rechten van deelneming, dat ten minste de in artikel 5:4 bedoelde informatie bevat. Het prospectus wordt geactualiseerd, zodra daartoe aanleiding bestaat.

  • 2 De beleggingsinstelling draagt er zorg voor dat het prospectus kosteloos verkrijgbaar is voor het publiek. Indien de instelling over een website beschikt, stelt zij het prospectus tevens op haar website beschikbaar.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de door een beleggingsinstelling over de door haar aangeboden rechten van deelneming te publiceren of te verstrekken informatie, alsmede nadere regels met betrekking tot het prospectus en het verkrijgbaar stellen daarvan.

Artikel 4:11. (intrinsieke waarde rechten van deelneming)

  • 1 Telkens wanneer een beleggingsinstelling rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt of daarop terugbetaalt, bepaalt zij de intrinsieke waarde van die rechten.

  • 2 Ten minste een maal per jaar voert een onafhankelijke deskundige een waardering uit van de activa van een beleggingsinstelling die geen effecten zijn die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs.

  • 3 Indien de beleggingsinstelling over een website beschikt, plaatst zij de informatie, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op haar website, met vermelding van het tijdstip waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond. Indien de beleggingsinstelling niet over een website beschikt, draagt zij er zorg voor dat de informatie, bedoeld in het eerste lid, op een andere daartoe geschikte wijze beschikbaar wordt gesteld.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepalen van de intrinsieke waarde, bedoeld in het eerste lid, en de waardering van activa, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4:13. (voorkomen van naamsverwarring)

De Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat van de in de openbare lichamen gevoerde of te voeren naam van een beleggingsinstelling gevaar voor verwarring te duchten is, van de beleggingsinstelling verlangen dat aan de naam van de instelling een verklarende vermelding wordt toegevoegd of dat de naam wordt gewijzigd.

Artikel 4:14. (ontbinding en vereffening)

  • 1 Een beleggingsmaatschappij waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten door het Gerecht ontbonden. Het Gerecht wijst een of meer vereffenaars aan.

  • 2 Het vermogen van een beleggingsfonds waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt binnen een door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen termijn vereffend. Het Gerecht wijst op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten een of meer vereffenaars aan.

  • 3 Ontbinding of vereffening als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt niet eerder plaats dan nadat de intrekking van de vergunning onherroepelijk is geworden.

§ 2. Effectenbeurzen

Artikel 4:15. (houden van een effectenbeurs)

De houder van een effectenbeurs zorgt ervoor dat het houden van de effectenbeurs, de voor de effectenbeurs te hanteren regels, de toepassing van die regels en de controle op de naleving van die regels voldoen aan hetgeen met het oog op een adequaat functioneren van de effectenmarkten en de positie van de beleggers op die markten nodig is.

Artikel 4:16. (regels en procedures effectenbeurs)

  • 1 De houder van een effectenbeurs beschikt over:

    • a. regels en procedures die voor een billijke en ordelijke handel zorgen, alsmede objectieve criteria voor de doelmatige uitvoering van orders;

    • b. duidelijke en transparante regels inzake de toelating van effecten tot de handel op de effectenbeurs;

    • c. objectieve, transparante en niet-discriminerende regels inzake de toegang tot de handel of het lidmaatschap van de effectenbeurs;

    • d. regels inzake de initiële, doorlopende of incidentele informatieverstrekking door uitgevende instellingen die effecten hebben uitgegeven die tot de handel op de effectenbeurs zijn toegelaten;

    • e. effectieve regels en procedures om toe te zien op de naleving van de door de effectenbeurs gehanteerde regels;

    • f. doeltreffende regels voor een doelmatige en tijdige afhandeling van via de effectenbeurs uitgevoerde transacties.

  • 2 De houder van een effectenbeurs meldt elke voorgenomen wijziging in regels en procedures als bedoeld in het eerste lid aan de Autoriteit Financiële Markten. De wijziging wordt niet ten uitvoer gelegd, indien de Autoriteit Financiële Markten binnen vier weken na ontvangst van de melding tegen de wijziging bezwaar heeft gemaakt.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

§ 3. Kredietinstellingen, elektronischgeldinstellingen en geldtransactiekantoren

Artikel 4:17. (deelname aan depositogarantiestelsel)

  • 1 Een kredietinstelling waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, neemt deel aan het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 8:26.

  • 2 De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van artikel 8:26, derde lid, de door kredietinstellingen als bedoeld in het eerste lid verschuldigde bijdragen aan het depositogarantiestelsel vast. De bijdrageplichtige kredietinstellingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.

  • 3 Een deelnemende kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid stelt op verzoek en op eigen initiatief informatie ter beschikking over het depositogarantiestelsel waaraan zij deelneemt. De informatie is zodanig dat depositohouders of potentiële depositohouders in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering onder de dekking van het depositogarantiestelsel valt.

  • 4 Het is kredietinstellingen niet toegestaan informatie over het depositogarantiestelsel voor reclamedoeleinden te gebruiken.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op kredietinstellingen die in een reclame-uiting vermelden dat op hen het depositogarantiestelsel van toepassing is.

Artikel 4:18. (geschiktheid voor betalingsverkeer in openbare lichamen)

  • 1 Een kredietinstelling draagt er zorg voor dat de door haar in een openbaar lichaam aangeboden betaal- of spaarrekeningen met de daaraan verbonden betaal- of spaarfaciliteiten geschikt zijn voor deelname aan het betalingsverkeer in de openbare lichamen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor rekeningen die zijn bestemd voor deelname aan het betalingsverkeer met het buitenland.

Artikel 4:19. (informatie over betaler bij geldovermakingen)

  • 1 Een kredietinstelling, geldtransactiekantoor of elektronischgeldinstelling is verplicht bij geldovermakingen informatie over de betaler bij te voegen.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, alsmede regels met betrekking tot het bewaren en beschikbaar houden van de over de betaler bij te voegen informatie, de behandeling van ontvangen geldovermakingen waarbij niet alle vereiste informatie is gevoegd, en het optreden als intermediaire dienstverlener bij geldovermakingen.

Artikel 4:20. (uitgifte en omwisseling elektronisch geld)

  • 1 Een elektronischgeldinstelling of kredietinstelling geeft slechts elektronisch geld uit tegen een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

  • 2 Een elektronischgeldinstelling of kredietinstelling wisselt op verzoek van de houder van door haar uitgegeven elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in chartaal geld of door storting op een betaal- of spaarrekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten kunnen worden berekend.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitgifte en omwisseling van elektronisch geld.

Artikel 4:22. (verbod op correspondentbankrelatie met shellbank)

Het is een kredietinstelling verboden om een vaste relatie voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten aan te gaan of voort te zetten met:

  • a. een buitenlandse kredietinstelling of daarmee vergelijkbare onderneming, die geen fysieke aanwezigheid heeft in de Staat waarin zij is opgericht en die geen deel uitmaakt van een groep waartoe ook de kredietinstelling zelf behoort;

  • b. een buitenlandse kredietinstelling waarvan bekend is dat zij instellingen of ondernemingen als bedoeld in onderdeel a toestaat om gebruik te maken van haar rekeningen.

Artikel 4:23. (vvgb-plichtige handelingen van kredietinstellingen)

  • 1 Het is een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, verboden:

    • a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen;

    • b. een deelneming in een andere onderneming te houden, te verwerven of te vergroten die meer bedraagt dan een procent van het balanstotaal van de kredietinstelling;

    • c. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk over te nemen;

    • d. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;

    • e. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;

    • f. filialen, bijkantoren en kassen onder welke naam dan ook te vestigen; of

    • g. haar statuten te wijzigen.

  • 2 De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van door de Nederlandsche Bank te bepalen gegevens. De artikelen 2:7 tot en met 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

  • 4 Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden.

  • 5 Indien een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verleend, kan deze betrekking hebben op door de aanvrager:

    • a. via een dochtermaatschappij verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen; of

    • b. verworven dan wel nog te verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld in onderdeel a, voor zover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven.

Artikel 4:24. (verklaring van geen bezwaar)

  • 1 De Nederlandsche Bank verleent de in artikel 4:23 bedoelde verklaring van geen bezwaar, tenzij de handeling waarvoor de verklaring wordt gevraagd:

    • a. in strijd zou zijn of kunnen komen met de ingevolge artikel 3:17 voor de betrokken instelling met betrekking tot haar solvabiliteit geldende regels;

    • b. anderszins in strijd zou zijn of kunnen komen met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening;

    • c. zou leiden of kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.

§ 4. Verzekeraars

Artikel 4:25. (combinatie leven en schade)

  • 1 Het is een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen verboden zowel het bedrijf van levensverzekeraar als dat van schadeverzekeraar uit te oefenen.

  • 2 Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland, die in het buitenland zowel het levensverzekeringsbedrijf als het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, verboden in de openbare lichamen het levensverzekeringsbedrijf uit te oefenen.

Artikel 4:26. (branches van het schadeverzekeringsbedrijf)

  • 1 Het bedrijf van schadeverzekeraar wordt onderscheiden in de volgende branches:

    • a. ongevallen- en ziekteverzekering;

    • b. motorrijtuigverzekering;

    • c. zee-, transport- en luchtvaartverzekering;

    • d. verzekering van brandschade en andere schade aan goederen;

    • e. overige schadeverzekeringen.

  • 2 Een vergunning tot uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar wordt verleend voor een of meer specifieke branches als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke risico’s die behoren tot een andere branche dan de branche of branches waarvoor vergunning tot uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend, als bijkomend risico mogen worden verzekerd, alsmede welke risico’s niet als bijkomende risico’s met andere branches mogen worden gecombineerd.

Artikel 4:29. (verbod op nevenbedrijf)

  • 1 Het is een verzekeraar aan wie vergunning tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar is verleend, verboden een ander bedrijf uit te oefenen dan het verzekeringsbedrijf waarvoor de vergunning is verleend.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is het een verzekeraar aan wie vergunning tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar is verleend, tevens toegestaan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen.

Artikel 4:30. (verbod op verzekeren van molest)

Het is een verzekeraar verboden schaden te verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij. In zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringen is het evenwel toegestaan risico’s van molest te verzekeren in de algemeen gebruikelijke molestclausules, zolang de Nederlandsche Bank daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.

Artikel 4:33. (nadere regels voor specifieke branches of verzekeringen)

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar in een specifieke branche.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in overeenkomsten van verzekering op te nemen voorwaarden.

Artikel 4:34. (munteenheid in verzekeringsovereenkomsten)

  • 1 Verzekeringen, gesloten met een in de openbare lichamen woonachtige of gevestigde cliënt luiden, tenzij het verzekerde risico buiten de openbare lichamen is gelegen, in de munteenheid van de openbare lichamen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien partijen uitdrukkelijk anders overeenkomen. De verzekeraar kan daartoe geen beroep doen op een in de algemene voorwaarden waaronder de verzekering is gesloten, opgenomen beding.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid niet geldt voor bij die maatregel aan te wijzen categorieën verzekeringen. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de plaats van ligging van het verzekerde risico, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4:35. (toestemming DNB voor portefeuilleoverdracht)

  • 1 Een verzekeraar kan zijn rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering of natura-uitvaartverzekering slechts bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Nederlandsche Bank aan een andere verzekeraar overdragen.

  • 2 Een verzekeraar kan, mits hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de Nederlandsche Bank, zijn rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van schadeverzekering zonder medewerking of instemming van degenen die aan de schadeverzekering rechten kunnen ontlenen, overdragen aan een andere verzekeraar.

  • 3 De aanvraag van toestemming voor een overdracht als bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt op door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze en gaat vergezeld van door de Nederlandsche Bank te bepalen gegevens.

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing op de overdracht van rechten en verplichtingen uit individuele verzekeringen op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer.

Artikel 4:36. (instemming polishouders met portefeuilleoverdracht)

  • 1 Een verzekeraar doet van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering of natura-uitvaartverzekering mededeling op door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De mededeling bevat een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn waarbinnen de betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.

  • 2 Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de in het eerste lid bedoelde termijn tegen de voorgenomen overdracht heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen toestemming.

  • 3 Heeft de Nederlandsche Bank bedenkingen tegen de overdracht, dan deelt zij deze na afloop van de gestelde termijn mede aan de verzekeraar.

  • 4 Indien zich niet binnen de in het eerste bedoelde termijn een vierde of meer van de polishouders tegen de voorgenomen overdracht heeft verzet en tegen de overdracht ook bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan, verleent de Nederlandsche Bank toestemming voor de overdracht. De overdracht kan dan plaatsvinden en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen.

Artikel 4:37. (mededeling van portefeuilleoverdracht)

  • 1 Een verzekeraar die met toestemming van de Nederlandsche Bank rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering heeft overgedragen, doet van die overdracht mededeling op door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De overdracht wordt van kracht met ingang van de tweede dag na de dag waarop de mededeling is gedaan.