Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Geldend van 01-01-2014 t/m 23-04-2014

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

  • 2 Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 3

  • 1 Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

    • a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

    • b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

    • c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

  • 2 Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:

    • a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen;

    • b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of

    • c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.

  • 3 Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.

Artikel 4

  • 1 De mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen, dan wel via digitale gegevensdragers.

§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 5

  • 1 Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

    • a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

    • b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

    • c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

    • d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

    • e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

    • f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

    • g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

    • h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

    • i. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

    • j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    • k. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

    • l. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet, tenzij de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM;

    • m. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

    • n. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

    • o. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet;

    • p. betrokkene, die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

  • 2 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l respectievelijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet.

§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 7

Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.

Artikel 8

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • f. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • g. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • i. het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 9

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:

  • a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;

  • b. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;

  • c. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;

  • d. demonstratief niet aan de cursus deelneemt;

  • e. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of

  • f. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.

Artikel 10

  • 1 De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten van het opleggen van de maatregel, die € 318,– bedragen en

    • b. kosten van de uitvoering van de maatregel, die € 208,– bedragen.

  • 2 Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde termijn kan niet worden verlengd.

§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 11

  • 1 Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

    • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    • b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

    • c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder,

    • d. betrokkene op grond van artikel 8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    • e. betrokkene op grond van artikel 18, onderdeel g, niet in aanmerking komt voor het alcoholslotprogramma en er niet eerder een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is uitgebracht ten aanzien van de betrokken rijbewijshouder, gebaseerd dan wel mede gebaseerd op bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, bij deze Regeling, die heeft geleid tot het opleggen van een educatieve maatregel alcohol en verkeer.

Artikel 12

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • e. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • f. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt,

  • g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • h. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 13

  • 1 De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 318,– bedragen en

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 522,– bedragen.

  • 2 Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 3 Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd.

§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer

Artikel 14

  • 1 Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

    • a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

    • b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • c. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • d. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden,.

    • e. de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Artikel 15

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. hij bewust op een andere weggebruiker is ingereden;

  • c. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar reeds twee maal aan de educatieve maatregel gedrag en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • g. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 16

  • 1 De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel gedrag en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 318,– bedragen en

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 684,– bedragen.

§ 6. Alcoholslotprogramma

Artikel 17

  • 1 Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:

    • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    • c. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    • d. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

    • e. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen a, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    • f. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen a, c of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of

    • g. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij oplegging van dit onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van artikel 23, eerste lid, onderdelen b, onder I, of c, onder I.

Artikel 18

Betrokkene komt niet in aanmerking voor het alcoholslotprogramma indien:

  • a. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;

  • b. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;

  • c. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • d. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen, anders dan alcohol, gebruikt;

  • e. hij uitsluitend de beschikking had over een rijbewijs voor de categorie A, het rijbewijs voor de categorie AM niet meegerekend, of

  • f. hij beschikt over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs, maar op het moment van het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet in Nederland woonachtig is;

  • g. de overtreding waarop de mededeling is gebaseerd, is begaan als bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM.

Artikel 19

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.

  • 3 Bij de aanvang van het alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 4 In afwijking van het derde lid bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt, indien:

    • a. bij de laatste uitlezing in de eerste periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste driemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l;

    • b. bij een uitlezing in de tweede periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste tweemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l

    • c. bij een uitlezing in de derde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma ten hoogste één maal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    • d. bij een uitlezing in de vierde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma, dan wel bij de laatste uitlezing tijdens een verlenging, géén blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 5 Indien bij de eerstvolgende uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 6 De betrokkene dient, in aanvulling op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra te laten uitlezen, indien:

    • a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;

    • b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onregelmatigheden of technische mankementen zijn;

    • c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd;

    • d. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan 88 µg/l;

    • e. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;

    • f. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan 88 µg/l.

Artikel 20

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan het alcoholslotprogramma indien:

  • a. hij de kosten, bedoeld in artikel 132c, zesde en zevende lid, van de wet niet, niet binnen de gestelde termijn of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet;

  • b. hij niet of niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot, met uitzondering van de in artikel 19, zesde lid, onderdelen a, b of c, genoemde gevallen;

  • c. hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken in het kader van het alcoholslotprogramma zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden van verhindering is opgegeven;

  • d. hij onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de vastgestelde periodieke bijeenkomsten of begeleidingsafspraken verschijnt;

  • e. hij demonstratief niet aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken deelneemt;

  • f. hij zich tijdens de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken agressief gedraagt;

  • g. hij tijdens de vastgestelde bijeenkomsten op andere wijze het groepsproces verstoort;

  • h. hij tijdens het alcoholslotprogramma een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets:

    • I. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of

    • II. waarin een zodanig alcoholslot is ingebouwd waarvan door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat het niet functioneert, of

    • III. waarin wel een alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld;

    • IV. en door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen proces-verbaal is opgemaakt op basis van eigen constatering, dan wel op basis van een bekentenis van de bestuurder of van een verklaring of verklaringen van getuigen, dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

  • i. ten aanzien van hem, tijdens het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet na een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, dan wel indien hij tijdens de duur van het alcoholslotprogramma heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • j. ten aanzien van hem tijdens het alcoholslotprogramma een rijontzegging van kracht is geworden;

  • k. het op zijn naam gestelde rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet of indien een aantekening is gemaakt op grond van artikel 123b, derde lid, van de wet;

  • l. tijdens het alcoholslotprogramma vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd;

  • m. hij de meting of de werking van het alcoholslot heeft omzeild;

  • n. indien tijdens het alcoholslotprogramma uitbouw van het alcoholslot heeft plaatsgevonden zonder dat een ander alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, van de wet is ingebouwd;

  • o. indien tijdens de duur van het alcoholslotprogramma is geconstateerd dat:

    • I. de bij de installatie aangebrachte verzegeling van de behuizing van het alcoholslot of van de bedrading van het alcoholslot is verbroken,

    • II. een voorziening is aangebracht waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, dan wel is gebleken dat het motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking van het alcoholslot of dat met het motorrijtuig is gereden zonder dat periodiek een hertest is afgelegd;

    • III. de software van het alcoholslot zodanig is aangepast of omzeild dat het motorrijtuig kan worden gestart zonder het afleggen van een initieel ademmonster of

    • IV. kan worden gereden zonder dat periodiek een hertest moet worden afgelegd;

  • p. indien tijdens het alcoholslotprogramma is gebleken dat voor de tweede keer bedrading is onderbroken of beschadigd, de behuizing van het alcoholslot is beschadigd of onregelmatigheden zijn geconstateerd betreffende de aansluitpunten tussen de vaste eenheid en de uitleesapplicatie.

Artikel 21

  • 1 De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma, voor zover niet betrekking hebbend op de kosten van het huren of kopen, de inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het typegoedgekeurde alcoholslot worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van het alcoholslotprogramma, die € 318,– bedragen;

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132c, vierde lid, van de wet bedoelde periode, die € 760,– bedragen;

    • c. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet bedoelde verlenging, die per verlenging € 170,– bedragen;

    • d. kosten verbonden aan het in stand houden van het alcoholslotregister, welke kostenbij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994zijn vastgesteld.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.

Artikel 22

Het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

§ 7. Onderzoeken

Artikel 23

  • 2 Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  • 3 Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

    • a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’, alsmede

    • b. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  • 4 Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 24

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:

  • a. de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet, of

  • b. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven.

Artikel 25

  • 2 De in het eerste lid bedoelde kosten worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van het onderzoek, die € 318,– bedragen;

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van die maatregel, die € 702,– bedragen.

  • 4 Indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden voor de verhindering is opgegeven, bedragen de kosten van uitvoering € 500,–. Het verschil tussen het bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, en het in dit lid bedoelde bedrag wordt door het CBR terugbetaald aan degene die het in het tweede lid, onderdeel b, genoemde bedrag heeft betaald.

Artikel 26

  • 2 De kosten van het tweede onderzoek worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.

  • 3 Indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het tweede onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven, bedragen de kosten van uitvoering € 500,–. Het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en het in dit lid genoemde bedrag wordt door het CBR terugbetaald aan degene die het in het eerste lid genoemde bedrag heeft betaald.

§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

  • a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;

  • b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

I.1. Bediening van het motorrijtuig

  • 1. Een onjuiste bediening van het koppelingspedaal dan wel het gaspedaal, zich manifesterend in het bij herhaling afslaan van de motor dan wel schokkend en slingerend rijden en bochten te ruim nemen dan wel het intrappen van het onjuiste pedaal of het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • 2. een onjuiste bediening van het versnellingsmechanisme, al dan niet in combinatie met het koppelings- of het gaspedaal, waardoor hoorbaar regelmatig de verkeerde versnelling wordt gekozen, langdurig in een te hoge of te lage versnelling wordt gereden en met een te laag of te hoog toerental;

  • 3. een onjuiste bediening van de rem, waardoor bij herhaling abrupt wordt vertraagd en gestopt of met blokkerende wielen wordt geremd;

  • 4. een onjuist gebruik of nalaten van het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers, richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

  • 1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:

    • a. slingerend wordt gereden;

    • b. bij herhaling van de juiste koers wordt afgeweken;

    • c. bij het richting veranderen bochten niet vloeiend worden genomen;

    • d. bij het volgen van bochten in het wegverloop het motorrijtuig uit de bocht ‘zeilt’.

  • 2. Onvoldoende rekening houden met de omvang van het motorrijtuig waardoor bijvoorbeeld bochten te ruim of te krap worden genomen.

  • 3. Overige feiten of omstandigheden waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt:

    • a. het motorrijtuig niet onder controle houden;

    • b. bij herhaling op onjuiste wijze keren, achteruitrijden of parkeren;

    • c. bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen.

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

  • 1. Niet adequaat kijkgedrag

    Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:

    • a) wegrijden;

    • b) naderen en oprijden van kruispunten;

    • c) voorsorteren;

    • d) inhalen en het wisselen van rijstrook;

    • e) invoegen en het uitvoegen;

    • f. dan wel zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.

  • 2. Gebrekkige rijvaardigheid

    Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • c. onjuist invoegen en uitvoegen;

    • d. onnodig remmen en stoppen;

    • e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • f. rakelings passeren van andere weggebruikers en obstakels;

    • g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;

    • h. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • i. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe of interne factoren.

III. rijgedrag

  • 1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:

    • a) andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

    • b) andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden.

  • 2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

    • a) onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers;

    • b) niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • c) niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

    • d) uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;

    • e) met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

    • f) aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand;

    • g) geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het:

      • 1) geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook;

      • 2) blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren.

  • 3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

    • a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • b) onnodig remmen en stoppen;

    • c) snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

    • d) op te korte afstand volgen van voorliggers;

    • e) onjuist invoegen of onjuist uitvoegen.

  • 4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. het inhalen;

    • c. het verlenen van voorrang;

    • d. het naar links of rechts afslaan;

    • e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

    • f. het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook;

    • g. het negeren van een rood verkeerslicht;

    • h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • i. het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • j. het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

IV. Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens

In de hoedanigheid van beginnende bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:

B. Geschiktheid

I. Lichamelijke geschiktheid

  • a. bewusteloosheid of stoornis in het bewustzijn;

  • b. wegraking / black-out;

  • c. hevige duizeligheid;

  • d. evenwichtsstoornis;

  • e. coördinatiestoornis, ongecontroleerde bewegingen;

  • f. stoornis in het gebruik van één of meer ledematen;

  • g. duidelijk verminderd gezichtsvermogen;

  • h. betrokkene verklaart geneesmiddelen te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de rijvaardigheid beïnvloeden;

  • i. lichamelijk gebrek of functieverlies terwijl op het rijbewijs niet is vermeld dat betrokkene slechts:

    • een motorrijtuig mag besturen dat aan bijzondere eisen voldoet die zijn gericht op dat gebrek of functieverlies;

    • een motorrijtuig mag besturen onder gebruikmaking van kunst- of hulpstukken;

  • j. uit een medische verklaring blijkt van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als bedoeld onder a tot en met i.

II. geestelijke geschiktheid

  • a. verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen;

  • b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;

  • c. ernstig onaangepast rijgedrag;

  • d. agressiviteit in het verkeer;

  • e. paniekaanvallen;

  • f. abnormale opwindingstoestanden;

  • g. poging tot zelfdoding in het verkeer.

III. Drogerende stoffen

Alcohol

  • a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

  • b. bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;

  • c. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder;

  • d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • e. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;

  • f. bij betrokkene is, als deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet, of

  • g. betrokkene heeft tijdens de duur van het alcoholslotprogramma:

    • een motorrijtuig bestuurd waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet functionerend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of

    • een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet.

Andere drogerende stoffen

  • a. betrokkene is in het bezit van benodigdheden voor het gebruik van drogerende stoffen en uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik zijn;

  • b. betrokkene is in het bezit van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik is;

  • c. betrokkene staat bij de politie bekend als gebruiker van drogerende stoffen;

  • d. betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Model mededeling

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Divisie Vorderingen

Postbus 3012

2280 GA RIJSWIJK (ZH)

Politie / Openbaar Ministerie / CBR:

Afdeling / district:

PL-code:

Contactpersoon:

Adres:

Postcode + Plaatsnaam:

Telefoonnummer:

Ons kenmerk:

Mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

  • De korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,

  • De commandant, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Politiewet 2012, en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,

  • De officier van justitie,

  • De directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, doet mededeling van het vermoeden dat de hierna genoemde houder van een rijbewijs verder genoemd betrokkene) niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van categorie(ën) /.. /.. /.. / van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) /.. /.. /.. / van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven.

Gegevens betrokkene

Naam:

Voornamen:

Geslacht:

Geboortedatum:

Geboorteplaats:

Adres:

Postcode:

Woonplaats:

Rijbewijsgegevens

Rijbewijsnummer:

Burger Service Nummer:

Afgifte autoriteit:

Afgegeven op:

Geldig tot:

Categorie(ën): /.. / ../.. /

Datum feit of feiten

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

  • bij betrokkene wordt een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

  • bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;

  • ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder;

  • betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;

  • bij betrokkene is, als deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • betrokkene heeft tijdens de duur van het alcoholslotprogramma:

    • een motorrijtuig bestuurd waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a van de wet bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet-werkend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of

    • een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet.

       

Datum:

Ademalcoholgehalte:

Bloedalcoholgehalte:

Weigering:

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van een gebrekkige rijvaardigheid, die blijkt uit:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • c. onjuist invoegen en uitvoegen;

    • d. onnodig remmen en stoppen;

    • e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • f. rakelings passeren van andere weggebruikers of obstakels;

    • g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;

    • h. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • i. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe of interne factoren.

  • Betrokkene heeft gevaarzettend rijgedrag tentoongespreid waardoor:

    • a. andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

    • b. andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden, of

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals:

    • a. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers;

    • b. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, wegwerkzaamheden, of van interne factoren, zoals het ‘hand held’ bellen, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

    • d. uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;

    • e. met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

    • f. aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand;

    • g. geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het:

      • 1. geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook;

      • 2. blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren, of

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

    • a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • b. onnodig remmen en stoppen;

    • c. snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

    • d. op te korte afstand volgen van voorliggers;

    • e. onjuist invoegen of onjuist uitvoegen op autowegen en autosnelwegen;

    • f. onjuist invoegen of onjuist uitvoegen bij vermindering van het aantal rijstroken, of

  • Betrokkene heeft duidelijk een gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. het inhalen;

    • c. het verlenen van voorrang;

    • d. het naar links of rechts afslaan;

    • e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

    • f. het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook;

    • g. het negeren van een rood verkeerslicht;

    • h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • i. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • j. het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

Het vertoonde gedrag is:

  • nader omschreven in bijgaande afschriften van het proces-verbaal

  • nader te bekijken op bijgaande kopie van een video-opname.

Vordering in het kader van begeleid rijden

  • Betrokkene die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

Indien van toepassing:

Invordering als bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het volgende plaatsgevonden:

  • betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

  • betrokkene heeft een poging tot zelfdoding ondernomen in het verkeer;

  • er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

  • betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

  • betrokkene heeft binnen een periode van een jaar tenminste drie aanrijdingen veroorzaakt;

  • betrokkene is rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

  • betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

  • betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

  • bij betrokkene wordt als bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰;

  • bij betrokkene wordt in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • betrokkene heeft geweigerd mee te werken naar een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij betrokkene ten tijde van de laatste verdenking houder van een rijbewijs was;

  • betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de strafbare feiten begaan die worden genoemd in bijlage 1, onderdeel IV, bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, van die regeling genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

  • ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of van artikel 9, negende lid, van de wet;

  • betrokkene die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

Overige:

  • het rijbewijs is bij de mededeling gevoegd.

  • betrokkene beheerst de Nederlandse taal (van belang voor de verschillende educatieve maatregelen).

  • betrokkene beheerst de volgende taal of talen (alleen invullen indien betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst): ...........

Aantal bijlage(n) meegestuurd:

...........

Plaats:

...........

Datum:

...........

Handtekening:

...........

Naam:

...........

Functie:

...........

Terug naar begin van de pagina