Besluit vervangingsfonds 2022

Geraadpleegd op 30-09-2022.
Geldend van 01-08-2022 t/m heden

Besluit van 27 mei 2011, houdende vaststelling van regels omtrent de taak, de goedkeuring van statuten en de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van het Vervangingsfonds en het Participatiefonds (Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 7 april 2011, nr. WJZ/284390 (2703), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 187, derde lid, en 188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 172, derde lid, en 173, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Raad van State gehoord (advies van 28 april 2011, nr. W05.11.0112/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 23 mei 2011, nr. WJZ/301971 (2703), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 3. Instemming statuten

  • 1 Onze Minister stemt in met de statuten alsmede de wijziging daarvan, bedoeld in artikel 194, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 173, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, indien de statuten ten minste de volgende bepalingen bevatten:

    • a. dat het vervangingsfonds zich ten doel stelt de waarborgen te bieden, bedoeld in artikel 188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 167, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra;

    • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag door het vervangingsfonds van de leden en plaatsvervangend leden van het bestuur;

    • c. het aantal leden en plaatsvervangend leden van het bestuur dat wordt benoemd, met dien verstande dat het bestuur ten minste drie en ten hoogste negen leden heeft, waarvan één voorzitter;

    • d. dat de leden en plaatsvervangend leden, met uitzondering van de voorzitter, voor de worden benoemd op bindende voordracht van de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties in het onderwijs en voor de andere helft worden benoemd op bindende voordracht van de centrale werkgeversorganisatie primair onderwijs;

    • e. dat het vervangingsfonds ten minste eenmaal per jaar overleg voert met Onze Minister of een door Onze Minister aan te wijzen vertegenwoordiger;

    • f. dat het bestuur in het kader van zijn taakuitoefening, bedoeld in artikel 188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 167, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, het bevoegd gezag bij reglement of anderszins verplichtingen van administratieve aard oplegt ten behoeve van:

      • 1°. de controle van de rechtmatigheid van de uitgaven van het vervangingsfonds;

      • 2°. het verkrijgen door het vervangingsfonds van betrouwbare gegevens met betrekking tot ziekteverzuim, andere vormen van afwezigheid en vervanging;

      • 3°. de doelmatige uitvoering van de werkzaamheden door het vervangingsfonds;

      • 4°. het voldoen aan verplichtingen van het vervangingsfonds uit hoofde van de wet of dit besluit;

      • 5°. het vaststellen van de bijdrage die het bevoegd gezag aan het vervangingsfonds moet voldoen;

    • g. dat bij ontbinding of beëindiging van de werkzaamheden van het vervangingsfonds de bestemming van het bij liquidatie aanwezige vermogen door het bestuur wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister; en

    • h. dat het vervangingsfonds een van het bestuur onafhankelijke commissie instelt die is belast met het interne toezicht en waarvan de taken zijn vastgelegd in de statuten.

  • 2 Onze Minister stemt in ieder geval niet in met een door het Vervangingsfonds voorgestelde wijziging van de statuten, indien een dergelijk besluit in strijd is met de wet of met dit besluit, dan wel in strijd is met het algemeen belang of met een op grond van artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen door Onze Minister vastgestelde beleidsregel, dan wel niet is te verenigen met de waarborgen welke het Vervangingsfonds zich ten doel stelt te bieden.

Artikel 4. Gevolgen intrekking van de aanwijzing

Bij de intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 167, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra:

Artikel 7. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, en artikel II, onderdeel D, van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds) (Stb. 2021, 538) in werking treden.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 mei 2011

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de eenentwintigste juni 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

Naar boven