Wetboek van Strafvordering BES

Geraadpleegd op 27-11-2022.
Geldend van 01-07-2019 t/m heden

Wetboek van Strafvordering BES

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:

  • aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;

  • beschikkingen: de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen;

  • commandant: de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk;

  • einduitspraken: de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan;

  • gebruiker van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;

  • gegevens: iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken;

  • gezagvoerder van een luchtvaartuig: elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt;

  • Hof van Justitie en Hof: Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;

  • huiszoeking: het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van het Wetboek van Strafrecht BES, op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen;

  • hulpofficieren van justitie: de in artikel 191 bedoelde personen;

  • inbeslagneming: het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering;

  • installatie ter zee: elke installatie buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgericht op de bodem van de territoriale zee of dat deel van de Caribische zee of de Atlantische Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan genoemde eilanden toekomende gedeelte van het continentale plat;

  • Nederlands schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht BES;

  • opsporingsambtenaren: alle personen die overeenkomstig de artikelen 184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, alsmede de leden van het openbaar ministerie, indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik maken;

  • opsporingsonderzoek: het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen;

  • opvarende: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands schip bevindt, ook indien hij buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee bevindt;

  • ouders: de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen;

  • persoon: zowel de natuurlijke als de rechtspersoon;

  • raadsman: de advocaat van een verdachte;

  • rechterlijke beslissingen: zowel de beschikkingen als de uitspraken;

  • rechtstaal: de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten;

  • schepeling: ieder die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip bevindt;

  • schipper: de gezagvoerder van een Nederlands schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij ministeriële regeling aangewezen installatie ter zee;

  • teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen: het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten;

  • uitspraken: de op de terechtzitting gegeven beslissingen;

  • voorbereidend onderzoek: het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat;

  • voorlopige hechtenis: de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de bevelen tot verlenging daarvan;

  • voorwerpen: alle zaken en vermogensrechten.

Artikel 2

  • 1 Waar van misdrijf in het algemeen of van een misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder mede begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

  • 2 Waar in bijzondere bepalingen met betrekking tot de inbeslagneming alleen over voorwerpen wordt gesproken, worden vorderingen daaronder mede begrepen.

  • 3 Onder eed wordt steeds mede begrepen de belofte.

  • 4 Onder staande houden wordt mede verstaan het doen halt houden van voertuigen en vaartuigen.

Artikel 3

  • 1 Een in dit wetboek vastgestelde termijn, binnen welke tegen enige beslissing beroep kan worden aangetekend, eindigende op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De Algemene termijnenwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Een termijn van drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn.

  • 3 Onder maand wordt verstaan de tijd van dertig dagen, onder een dag de tijd van vierentwintig uren.

Artikel 4

  • 1 Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt.

  • 2 Onder de bevoegdheid tot kennisneming van processtukken wordt mede begrepen die tot het maken van aantekeningen daaruit. Het openbaar ministerie kan in het belang van een goede procesorde bij algemene regeling bepalen in welke gevallen en op welke wijze afschriften zullen worden verstrekt. Ook overigens regelt het openbaar ministerie, tenzij anders is bepaald, de wijze waarop kennisneming van processtukken wordt toegestaan, alsmede, zo nodig, de plaats waar en de wijze waarop bij die kennisneming toezicht zal worden uitgeoefend.

  • 3 Nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, worden de in het tweede lid bedoelde beslissingen gegeven door de rechter, die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld.

Artikel 5

  • 1 Het verhoren van personen ten behoeve van de strafvordering is gericht op het aan de dag brengen van de waarheid. Wanneer zij in verband met een beslissing in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken, worden zij gehoord.

  • 2 Wanneer is voorgeschreven, dat de verdachte wordt gehoord, gaat daaraan een behoorlijke oproeping vooraf. Van het horen kan slechts worden afgezien, indien de verdachte daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of indien hij, ondanks een behoorlijke oproeping, niet is verschenen.

Artikel 5a

  • 1 Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- of geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen.

  • 2 De voorzitter van het college, de rechter, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen, verhoren of ondervragen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

  • 3 Tegen de beslissing om van videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

    • a. de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van vastgelegde waarneming;

    • b. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.

Artikel 6

Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.

Artikel 7

Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.

Titel III. Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter

Artikel 12

Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 14

De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie de nodige bevelen geven.

Titel IV. Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten

Artikel 15

  • 1 Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.

  • 2 Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon, die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

  • 3 Wanneer op het gebied van de opsporing en de vervolging activiteiten niet of niet binnen een redelijke termijn hebben plaatsgevonden, wordt deze omstandigheid voor de toepassing van deze titel met een beslissing tot niet vervolging gelijkgesteld.

Artikel 16

  • 1 De griffier van het Hof geeft de klager spoedig schriftelijk bericht van de ontvangst.

  • 2 Na ontvangst van het klaagschrift draagt het Hof de procureur-generaal op ten aanzien van de beslissing tot niet of niet verdere vervolging schriftelijk verslag te doen en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen.

Artikel 17

Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.

Artikel 18

  • 1 Het Hof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in het geval van artikel 17.

  • 2 Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven, wanneer door hem ter zake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het Hof bekend geweest, tot een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.

  • 3 Indien beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het Hof volstaan met het oproepen van de twee personen, wier namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.

Artikel 19

  • 1 Het Hof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

  • 2 Een bevel, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het Hof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen.

Artikel 20

  • 1 De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.

  • 2 De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van artikel 17, de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 21

De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Artikel 22

Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.

Artikel 25

  • 1 Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven.

  • 2 Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.

  • 3 In alle andere gevallen wijst het Hof het beklag af.

  • 4 Alvorens te beslissen kan het Hof, indien het nader onderzoek wenselijk oordeelt, de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen onder aanduiding van het onderwerp en de omvang van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen. Artikel 359, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 26

  • 1 Het Hof beslist zo spoedig mogelijk en bij een met redenen omklede beschikking.

  • 2 Van elke beschikking zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de procureur-generaal, de klager, alsmede, indien de artikelen 19, eerste lid, en 25, eerste lid, toepassing hebben gevonden, aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd.

Artikel 29

Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Titel V. Schorsing van de vervolging

Artikel 30

  • 1 Indien de waardering van het tenlastegelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, kan de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging voor een bepaalde tijd schorsen ten einde de uitspraak van de burgerlijke rechter over het geschilpunt af te wachten.

  • 2 De schorsing kan telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd en te allen tijde worden opgeheven.

Artikel 31

  • 1 In zaken betreffende minderjarige verdachten kan de vervolging worden geschorst, indien, gelijktijdig met de vervolging, aanhangig is:

    • a. ten aanzien van beide of een van de ouders een verzoek of vordering tot ontheffing of tot ontzetting van de ouderlijke macht of van de voogdij;

    • b. ten aanzien van de voogd een verzoek tot ontzetting van de voogdij;

    • c. over de verdachte een verzoek of een vordering tot ondertoezichtstelling.

    De schorsing duurt voort totdat de beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.

  • 2 In zodanig geval wordt de schorsing geacht plaats te vinden wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht.

Artikel 32

Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.

Artikel 33

  • 1 Indien de verdachte na het begaan van het strafbare feit in een toestand is komen te verkeren dat hij niet meer in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging.

  • 2 Zodra van het herstel van de verdachte is gebleken, wordt de schorsing opgeheven.

Artikel 34

  • 1 Bij schorsing van de vervolging kan de rechter, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, niettemin spoedeisende maatregelen bevelen.

  • 2 Hij kan gelasten dat de schorsing zich niet zal uitstrekken tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.

Artikel 36

De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.

Artikel 37

Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.

Titel VI. Behandeling door de raadkamer

Artikel 38

  • 1 In alle gevallen waarin niet de beslissing door de rechter op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschieden onderzoek en beslissing door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten aldaar gedaan.

  • 2 De raadkamer bij het Hof van Justitie is op straffe van nietigheid samengesteld uit drie leden. In eerste aanleg treedt de raadkamer enkelvoudig op. In dat geval vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstig toepassing.

  • 3 Indien door de raadkamer een beslissing moet worden gegeven na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.

  • 4 De rechter die als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan onderzoek en beslissing door de raadkamer geen deel.

Artikel 39

  • 1 De beschikking vermeldt de namen van de rechters door wie, en de dag waarop zij is gegeven, en wordt ondertekend door ieder van hen en de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig was. Indien de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft, kan de beschikking, mits daarvan eenvoudige aantekening wordt gedaan, mondeling worden gegeven.

  • 2 Indien een van hen tot die ondertekening buiten staat is, wordt hiervan aan het slot van de beschikking melding gemaakt.

Artikel 40

  • 1 De raadkamer is bevoegd de nodige bevelen te geven, opdat het onderzoek dat aan haar beslissing vooraf moet gaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaatsvinden.

  • 2 De raadkamer zal, alvorens te beslissen, het openbaar ministerie horen en kan zich door de rechter-commissaris, die in de zaak betrokken is geweest, schriftelijk of mondeling doen inlichten.

  • 3 Zij is bevoegd de overlegging van processtukken en stukken van overtuiging te bevelen.

  • 4 Het horen kan ook aan een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of aan rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg van het gebied waar de te horen persoon zich bevindt, worden opgedragen. In dat geval is artikel 42 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

  • 1 De verdachte is bevoegd zich door zijn raadsman te doen bijstaan, wanneer hij wordt gehoord.

  • 2 Elke andere persoon dan de verdachte die ingevolge enige bepaling van dit wetboek wordt gehoord, kan zich door een advocaat doen bijstaan. Deze wordt daarbij in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

Artikel 42

  • 1 Van het onderzoek van de raadkamer wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen bij dat onderzoek is voorgevallen.

  • 2 Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.

  • 3 Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de andere leden van de raadkamer en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na afloop van het onderzoek ondertekend. Voor zover de rechter of de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.

  • 4 Het wordt met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek in raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de processtukken gevoegd.

Titel VII. Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak

Artikel 43

  • 1 In alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, kan een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.

  • 2 Op gelijke wijze komt het openbaar ministerie de bevoegdheid toe een zodanige voorziening te vorderen.

  • 3 Op het verzoek of de vordering, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen te omkleden, wordt tijdens het voorbereidend onderzoek beslist door de rechter-commissaris en, na de aanvang of de beëindiging van het onderzoek ter terechtzitting, door de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld. Is de zaak bij het Hof aanhangig of aanhangig geweest, dan is het college of een door dit college aangewezen lid bevoegd.

  • 4 Is de rechter aanstonds van oordeel, dat degene die het verzoek of de vordering heeft gedaan, niet-ontvankelijk is of dat elke redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, dan wijst hij zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving de gevraagde voorziening af.

  • 5 De voorziening kan zowel een gebod als een verbod bevatten, ook met betrekking tot gedragingen in de toekomst.

  • 6 De beschikking wordt zo spoedig mogelijk gegeven als door het belang van de zaak wordt gevorderd.

  • 7 Voor zover de beschikking een veroordeling inhoudt, kan worden bepaald dat, indien, zo lang of zo dikwijls de veroordeelde aan die veroordeling niet voldoet, door hem zal zijn verbeurd een bij de beschikking vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd. De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan degene die de veroordeling heeft verkregen. Deze kan de dwangsom tenuitvoerleggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Wordt de dwangsom niet voldaan, dan kan de rechter op de vordering van het openbaar ministerie de gijzeling van de veroordeelde bevelen gedurende een door hem te bepalen termijn.

  • 8 De rechter is bevoegd om tenuitvoerlegging van zijn beschikking te bevelen bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep.

  • 9 Tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg staat binnen drie dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie, indien daartoe, gelet op het belang van de gevraagde voorziening, door het Hof of een door dit college aangewezen lid verlof is verleend.

  • 11 Tijdens de behandeling van het verzoek of de vordering kunnen aan de hierboven bedoelde procedure niet meer rechten worden ontleend dan de stand van de strafvorderlijke procedure toelaat.

Titel IX. Geheimhouding

Artikel 45

Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Titel X. Beëdiging

Artikel 46

  • 1 Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal:

    • a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig»;

    • b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: «Dat beloof ik».

  • 2 Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor:

    • a. ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren;

    • b. ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.

  • 3 Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken.

  • 4 Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.

    In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.

Tweede Boek. De verdachte en zijn raadsman

Titel I. De verdachte

Eerste Afdeling. Begripsomschrijving

Artikel 47

  • 1 Als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.

  • 2 Gedurende de vervolging wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.

  • 3 De aan de verdachte toekomende rechten komen tevens toe aan de veroordeelde tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld of te wiens aanzien op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES niet onherroepelijk is beslist.

Tweede Afdeling. Rechtskundige bijstand

Artikel 48

  • 1 De verdachte heeft het recht zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, door een of meer door hem gekozen of ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.

  • 2 Hem wordt daartoe, wanneer hij dit verzoekt en hem rechtens de vrijheid is ontnomen, zoveel mogelijk met inachtneming van de huishoudelijke reglementen van de inrichting waarin hij verblijft, de gelegenheid gegeven zich met zijn raadsman of raadslieden in verbinding te stellen.

  • 3 Wanneer de verdachte om bijstand van een raadsman verzoekt voordat hij door een opsporingsambtenaar wordt verhoord, kan het verhoor slechts dan een aanvang nemen, nadat de raadsman die bijstand heeft verleend, tenzij het onderzoek geen uitstel gedoogt, of de komst van de raadsman in redelijkheid niet kan worden afgewacht.

  • 4 De raadsman is niet bevoegd bij de verhoren door een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn. Als het verhoor door een opsporingsambtenaar plaatsvindt, nadat de verdachte in dezelfde zaak door de rechter-commissaris is verhoord, komen de raadsman ten aanzien van het verhoor door de opsporingsambtenaar dezelfde bevoegdheden toe als hem bij het verhoor door de rechter-commissaris zijn toegekend.

  • 5 In de gevallen waarin de raadsman tot bijwoning van het verhoor is toegelaten, onthoudt hij zich van alles wat de strekking heeft het verhoor te beïnvloeden.

Artikel 49

In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.

Derde Afdeling. Zwijgrecht

Artikel 50

  • 1 De verdachte heeft het recht zich van antwoorden te onthouden.Voor een verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

  • 2 In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord, onthoudt de verhorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.

  • 3 De verklaringen van de verdachte, bepaaldelijk die welke een bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden opgenomen.

Vierde Afdeling. Processtukken

Artikel 50a

  • 1 De verdachte kan de officier van justitie dan wel, indien een gerechtelijk vooronderzoek is geopend, de rechter-commissaris schriftelijk en gemotiveerd verzoeken de door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen. Op een dergelijk verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist.

  • 2 Afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid geschiedt schriftelijk en onder opgave van redenen. Van deze beslissing kan de verdachte binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris dan wel, indien de afwijzing door de rechter-commissaris is geschied, bij het Hof van Justitie.

Artikel 51

  • 1 De verdachte heeft het recht om desgevraagd van de op zijn zaak betrekking hebbende processtukken kennis te nemen.

  • 2 Niettemin kan tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden. Daartoe bestaat slechts dan grond, voor zover het belang dat de verdachte bij kennisneming heeft, niet opweegt tegen het belang op grond waarvan de kennisneming wordt onthouden.

  • 3 Wanneer enig onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid of zal leiden, kan de verdachte of de gewezen verdachte de kennisneming van de processtukken niet meer worden onthouden, tenzij dwingende aan het algemene belang van de strafvordering te ontlenen gronden zich daartegen verzetten.

  • 4 Ingeval de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken wordt onthouden, wordt hem onder opgave van redenen schriftelijk meegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn. Van deze beslissing kan hij binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris.

Artikel 52

Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van:

  • a. de processen-verbaal van zijn verhoren;

  • b. de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of derde lid, is gegeven;

  • c. de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.

Artikel 53

De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.

Artikel 54

  • 1 Kennisneming van processtukken, die zijn opgemaakt met betrekking tot de persoonlijkheid of de zielstoestand van de verdachte, kan hem alleen dan geheel of gedeeltelijk worden onthouden, indien de rapporteur verklaart, dat kennisneming bepaaldelijk niet in het belang van de verdachte moet worden aangemerkt en voorts dat er geen mogelijkheden aanwezig worden geacht de kennisneming onder begeleiding van een deskundige te doen plaatsvinden. Daaromtrent beslist het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd dan wel, indien geen vervolging heeft plaatsgehad of deze nog niet is ingesteld, de rechter-commissaris.

  • 2 Ingeval de verdachte kennisneming op de voet van het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, kan de kennisneming nochtans wel aan de raadsman worden toegestaan.

Vijfde Afdeling. Behandeling binnen een redelijke termijn

Artikel 55

  • 1 De verdachte heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

  • 2 De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte had verwacht en redelijkerwijze had kunnen verwachten, dat zijn zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd.

  • 3 Een termijn, waardoor de verdachte langer dan in het algemeen wenselijk is onder de dreiging van een strafvervolging of van de voortzetting daarvan heeft moeten leven, wordt als onredelijk aangemerkt, tenzij bijzondere omstandigheden het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.

  • 4 Indien de verdachte de bevoegdheid, hem bij artikel 56 toegekend, onbenut heeft gelaten, kan hij zich later niet meer op de onredelijkheid van een termijn beroepen, tenzij door het tijdsverloop de kwaliteit van de strafrechtspleging zodanig is aangetast, dat de rechter ook ambtshalve gronden aanwezig acht om het tijdsverloop te beoordelen en daaraan gevolgen te verbinden.

Artikel 56

  • 1 De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het voorbereidend onderzoek. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, draagt hij in het bijzonder ervoor zorg, dat de zaak met de meest mogelijke spoed wordt voortgezet.

  • 2 Wanneer het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, wordt het toezicht op nodeloze vertraging uitgeoefend door de rechter, die over de zaak ter terechtzitting oordeelt, of door het Hof van Justitie, nadat hoger beroep is ingesteld.

  • 3 De bevoegde rechter kan, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd. Hij kan zich daartoe de nodige processtukken doen overleggen. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komen deze bevoegdheden de rechter ook ambtshalve toe.

  • 4 Indien een eenmaal aangevangen vervolging niet wordt voortgezet, kan de rechter tevens verklaren dat de zaak geëindigd is.

  • 5 De verdachte wordt gehoord.

  • 6 Een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid, kan tot een uiterste termijn worden aangehouden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt, dat het onderzoek alsnog zal worden voortgezet dan wel verdere vervolging zal plaatsvinden.

  • 7 Wanneer de zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig is gemaakt, vindt ten aanzien van het Hof van Justitie artikel 38, derde lid, geen toepassing.

Titel II. De raadsman

Eerste Afdeling. Algemene bepalingen

Artikel 57

  • 1 Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten, die bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven.

  • 2 In bijzondere gevallen kan het Hof van Justitie op verzoek van de verdachte aan advocaten, die niet bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven, toestaan als raadsman op te treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat.

  • 3 Medeverdachten, die geen tegenstrijdige belangen hebben, kunnen door dezelfde raadsman worden bijgestaan.

Artikel 58

  • 1 Bevoegdheden die bij of krachtens dit wetboek uitdrukkelijk aan de verdachte zijn toegekend, kunnen door diens raadsman worden uitgeoefend, indien deze door de verdachte is gemachtigd en de aard van de bevoegdheid zich daartegen niet verzet.

  • 2 Machtiging door de verdachte zal worden aangenomen, wanneer de raadsman verklaart dat dit het geval is.

  • 3 Toezending van processtukken aan de verdachte geschiedt tevens aan diens raadsman, voor zover dat uitdrukkelijk is bepaald.

Tweede Afdeling. Keuze van de raadsman

Artikel 59

  • 1 De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.

  • 2 Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.

  • 3 Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettige vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.

  • 4 De ingevolge het tweede of derde lid gekozen of de ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadsman treedt af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, op welke wijze van een keuze ingevolge het eerste, tweede of derde lid dient te blijken.

Artikel 60

  • 1 De gekozen raadsman geeft, zolang het opsporingsonderzoek duurt, van zijn optreden als zodanig schriftelijk kennis aan de officier van justitie en aan de in de zaak betrokken hulpofficier. Gelijke kennisgeving geschiedt als de raadsman niet meer voor een bepaalde verdachte optreedt.

  • 2 Indien hij een gekozen of toegevoegde raadsman vervangt, geeft hij ook daarvan overeenkomstig het eerste lid kennis aan de daar bedoelde personen en aan de vervangen raadsman. Door deze mededeling neemt de werkzaamheid van de vervangen toegevoegde of vroeger gekozen raadsman een einde.

Derde Afdeling. Toevoeging van een raadsman

Par. 1. Algemene bepalingen

Artikel 61

  • 1 Tenzij in dit wetboek anders is bepaald, geschiedt toevoeging van een raadsman door een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instantie. Bij of krachtens deze maatregel worden regels gesteld omtrent de taakuitoefening van deze instantie.

  • 2 De toevoeging geschiedt zoveel mogelijk in overeenstemming met de voorkeur van de verdachte.

  • 3 De toevoeging heeft plaats zonder kosten voor de verdachte, behoudens het in de tweede volzin van dit artikellid bepaalde.Wanneer zich in de omstandigheden van de verdachte zodanige wijzigingen mochten voordoen dat op grond daarvan, naar het oordeel van de instantie die met de toevoeging is belast, aannemelijk kan worden geacht dat de verdachte in staat is de kosten van een raadsman zelf te dragen, wordt de kosteloze toevoeging beëindigd.

Artikel 62

  • 1 Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld, wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die het bevel heeft verleend, licht onverwijld de instantie die met de toevoeging is belast, omtrent de inverzekeringstelling in.

  • 2 Een toevoeging ingevolge het eerste lid blijft tijdens de voorlopige hechtenis van kracht, tenzij de verdachte niet on- of minvermogend is in de zin van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden zoveel mogelijk in overeenstemming met de situatie op de eilanden nadere regels gesteld omtrent de toevoeging aan in verzekering gestelde verdachten.

Artikel 63

  • 1 Indien het bevel, bedoeld in artikel 62, eerste lid, niet is verleend, wordt een verdachte van een misdrijf, van wiens onvermogen voldoende is gebleken, op diens verzoek een raadsman toegevoegd, zodra de vervolging tegen hem is aangevangen. De verdachte kan aan het verzoek niet het recht ontlenen de zaak op te houden.

  • 2 Het eerste lid is tevens van toepassing in hoger beroep.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop het onvermogen moet worden gestaafd.

  • 4 Omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken wordt de verdachte van misdrijf ingelicht op de voet van artikel 82. Echter geschiedt de mededeling in geval van aantekening van hoger beroep door de griffier van het gerecht, dat vonnis heeft gewezen. Indien de verdachte, anders dan krachtens een bevel tot inverzekeringstelling, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt het verzoek onverwijld door de officier van justitie ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.

  • 5 Indien het vermoeden bestaat dat bij de verdachte van misdrijf gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens aanwezig is en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, wordt hem, indien hij nog geen raadsman heeft en een vervolging ter zake van het misdrijf tegen hem is aangevangen, tijdens het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris ambtshalve een raadsman toegevoegd.

  • 6 De in het vierde lid bedoelde inlichtingen en kennisgevingen geschieden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bepalingen. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het verzoek om toevoeging behoort te worden gedaan.

Artikel 64

  • 1 Een toevoeging heeft slechts plaats, indien de verdachte geen raadsman heeft.

  • 2 Elke toevoeging geldt zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep. Hierbij wordt het voorbereidend onderzoek geacht deel uit te maken van de eerste aanleg.

Par. 2. Vervanging van de toegevoegde raadsman

Artikel 65

  • 1 Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast.

  • 2 Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd. Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt diens verzoek door de officier van justitie zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.

Artikel 66

De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde rechter.

Par. 3. Beroep inzake toevoeging

Artikel 67

  • 1 De verdachte kan tijdens het voorbereidend onderzoek de rechter-commissaris of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, de bevoegde rechter om toevoeging van een raadsman verzoeken:

    • a. indien hij binnen vierentwintig uren na het tijdstip waarop ingevolge artikel 62 toevoeging had moeten plaatshebben, nog geen raadsman heeft;

    • b. indien zijn verzoek als bedoeld in de artikelen 63, eerste en tweede lid, en 65, tweede lid, niet is ingewilligd;

    • c. indien hem bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman geen andere raadsman is toegevoegd;

    • d. indien de toevoeging op grond van artikel 61, derde lid, is beëindigd.

  • 2 Op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt, tenzij het verzoek aanstonds wordt ingewilligd, op het verzoek gehoord.

Par. 4. Kennisgeving van de toevoeging

Artikel 68

Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt onverwijld, op de wijze bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, kennis gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting.

Vierde Afdeling. Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken

Artikel 70

  • 1 De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan hem buiten aanwezigheid van anderen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, zulks onverminderd hetgeen door de wettelijke bepalingen wordt gevorderd, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.

  • 2 Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens aan de bevoegde autoriteiten bevelen, dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in de voorgaande volzin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste acht dagen van kracht. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte.

  • 3 De raadsman kan tegen het bevel binnen drie dagen na die mededeling een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie. Deze wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen. Het Hof kan bij zijn beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.

  • 4 Wanneer het betreft een persoon die verdacht wordt van een van de in de artikelen 97 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht BES omschreven misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens voor het tijdvak van ten hoogste veertien dagen bevelen, dat er geen vrij verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman zal plaatsvinden, indien hij van oordeel is, dat het belang van het onderzoek zich daartegen bepaaldelijk verzet. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte. Het derde lid is van toepassing.

  • 5 Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die ingevolge een van de vier voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.

Derde Boek. Enige bijzondere dwangmiddelen

Titel I. Algemeen

Artikel 71

Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden:

  • a. dat de toepassing van het dwangmiddel, na afweging van de in het geding zijnde belangen, niet onredelijk is,

  • b. dat de bevoegdheid een dwangmiddel toe te passen niet voor een ander doel wordt aangewend dan waarvoor zij is verleend,

  • c. dat het doel van het dwangmiddel niet op andere, meer doelmatige en minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, en

  • d. dat de ernst van de door het dwangmiddel te veroorzaken inbreuk redelijkerwijze door de ernst van het strafbare feit wordt gerechtvaardigd.

Titel II. Staandehouding en aanhouding

Artikel 72

  • 1 Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd van de verdachte een opgave van zijn naam, voornamen, geboortedatum, adres en woon- of verblijfplaats te vorderen en hem daartoe staande te houden. De verdachte is verplicht aan de vordering te voldoen.

  • 2 De opsporingsambtenaar is tevens bevoegd getuigen naar de in het eerste lid bedoelde gegevens te vragen.

Artikel 73

  • 1 In geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit is ieder bevoegd de verdachte aan te houden.

  • 2 Geschiedt de aanhouding door een opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor en terstond daarna voor een officier van justitie of een hulpofficier wordt geleid.

  • 3 Geschiedt de aanhouding door de officier van justitie of een hulpofficier dan geleidt deze de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.

  • 4 Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk inbeslaggenomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid. In geval van overlevering aan de officier van justitie of de hulpofficier is het derde lid van toepassing.

Artikel 74

  • 1 Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de officier van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het strafbare feit omschreven in artikel 454, aanhef en onder ten 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES, aan te houden en zonder uitstel naar een plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.

  • 2 Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.

  • 3 Kan ook het optreden van een hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of de hulpofficier wordt geleid. Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de tweede volzin van het tweede lid van toepassing.

Artikel 75

De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.

Titel III. Betreden van plaatsen ter aanhouding

Artikel 76

  • 1 In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning tot het binnentreden waarvan de bewoner geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, en van de plaatsen in artikel 164 genoemd, op de tijden in dat artikel aangegeven.

  • 2 Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.

  • 3 Een opsporingsambtenaar die overeenkomstig het tweede lid een plaats heeft betreden, kan in afwachting van de komst van de ambtenaar die bevoegd is ter aanhouding de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen, die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen, dat de verdachte zich aan zijn aanhouding onttrekt.

Artikel 77

  • 1 In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken.

  • 2 Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan een hulpofficier van justitie deze bevoegdheid uitoefenen. Hij behoeft daartoe verlof van de officier van justitie. Dit verlof is met redenen omkleed.

  • 3 Het doorzoeken van plaatsen geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van het tweede lid, onder leiding van de hulpofficier van justitie.

Titel IV. Onderzoek aan lichaam en kleding

Artikel 78

  • 1 De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze bepalen, dat hij aan zijn lichaam of aan zijn kleding zal worden onderzocht.

  • 2 De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te onderzoeken.

  • 3 Wanneer er in geval van het eerste lid bijzondere aanwijzingen zijn dat voorwerpen of stoffen in of langs de weg van de natuurlijke openingen van het lichaam verborgen worden gehouden, kan het onderzoek aan het lichaam zich ook daartoe uitstrekken, doch slechts indien:

    • a. het onderzoek plaatsvindt door een medisch deskundige, wanneer het betreft een onderzoek van de maag, een rectaal of vaginaal onderzoek, en een meer dan oppervlakkig onderzoek van andere lichaamsholten, en

    • b. het onderzoek geschiedt op een daartoe geschikte plaats en, indien het niet door een medisch deskundige wordt verricht, door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als dat van de verdachte die aan het onderzoek wordt onderworpen.

  • 4 Indien bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid, instrumenten of kunstmatige middelen worden aangewend met het doel de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam te bewerkstelligen, dient voor het gebruik daarvan door de rechter-commissaris machtiging te worden verleend. In die machtiging kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze van uitvoering.

Artikel 79

  • 1 De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman een deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.

  • 2 De rechter-commissaris geeft de verdachte, indien deze bekend is, steeds en zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de aan de deskundige verleende opdracht, van de tijd waarop en van het laboratorium alwaar het onderzoek plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en van de uitslag daarvan. Hij wijst de verdachte op artikel 79b.

  • 3 De rechter-commissaris doet het celmateriaal vernietigen overeenkomstig de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Van de vernietiging wordt onverwijld proces-verbaal opgemaakt.

  • 4 Kenmerken van celmateriaal kunnen worden opgenomen in een register. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting en raadpleging van het register, alsmede omtrent de gevallen waarin de opname van gegevens in dit register is toegestaan en de wijze waarop daartegen bij het Hof beroep kan worden ingesteld.

  • 5 Het register, bedoeld in het vierde lid, kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, worden geraadpleegd ten behoeve van opsporingsonderzoek waarop het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft.

Artikel 79a

  • 1 De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie bevelen dat van de verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bloed zal worden afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid.

  • 2 Het bevel kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en indien het onderzoek redelijkerwijze nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Het bevel is met redenen omkleed en wordt betekend aan de verdachte.

  • 3 De rechter-commissaris geeft het bevel niet, dan nadat de verdachte is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd vrijwillig bloed ten behoeve van het onderzoek af te staan. De verdachte is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan.

  • 4 Het bevel tot afname van bloed wordt niet ten uitvoer gelegd, indien aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  • 5 De verdachte ten aanzien van wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, is gegeven, wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek en een tegenonderzoek noodzakelijk is.

  • 6 Bij toepassing van het vierde lid of indien de deskundige als bedoeld in artikel 79, eerste lid, oordeelt dat het bloed van de verdachte geen geschikt materiaal voor het daar bedoelde onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat van de verdachte wangslijmvlies, haarwortels of ander bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid. De laatste volzin van het tweede lid en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7 De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of zesde lid gegeven bevel binnen zeven dagen na betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie, dat zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt gehoord. Het bevel wordt in afwachting van de beslissing van het Hof niet ten uitvoer gelegd.

Artikel 79b

  • 1 De verdachte kan, indien geen verzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, is gedaan, binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door de verdachte aangewezen deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Artikel 79, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In geval van toepassing van het eerste lid wordt de verdachte een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de kosten van het onderzoek in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.

  • 3 Indien onvoldoende materiaal voor tegenonderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige als bedoeld in artikel 267 aan te wijzen. De deskundige dient verbonden te zijn aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria. Het eerste lid is niet van toepassing.

Artikel 79c

Artikel 79d

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 79, 79a, en 79b, in het bijzonder met betrekking tot de wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en het bewaren van celmateriaal.

Titel V. Ophouding voor verhoor

Artikel 80

  • 1 Als de aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor is geleid, mag hij met het oog op het verhoor niet langer dan zes uren worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen 10 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De hulpofficier van justitie kan bepalen, dat het verhoor, indien het belang van de zaak dat bepaaldelijk vordert, aaneensluitend na 10 uur wordt voortgezet. De duur van het verhoor na 10 uur wordt op de zes uren in mindering gebracht.

  • 2 De termijn vangt aan op het tijdstip dat de verdachte op de plaats van verhoor is aangekomen.

  • 3 Is de verdachte niet in staat het verhoor te ondergaan, dan vangt de termijn aan op het tijdstip dat hij daartoe wel in staat is.

Artikel 81

  • 1 De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.

Titel VI. Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor

Artikel 82

  • 1 Iedere verdachte, die naar een plaats van verhoor is geleid, wordt terstond daarna, in ieder geval voordat het verhoor een aanvang neemt, op de hoogte gebracht van:

    • a. de aard en de reden van de vrijheidsontneming,

    • b. het recht om zich te onthouden van antwoorden, en

    • c. het recht zich door een raadsman te doen bijstaan en, bij toepasselijkheid van de artikelen 62 of 63, het recht om toevoeging van een raadsman te verzoeken.

  • 2 Behalve de mondelinge mededeling van de rechten, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de verdachte een formulier uitgereikt, waarop die rechten zijn vermeld. Het model van het formulier wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Het formulier is steeds beschikbaar in tenminste de navolgende talen: Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans.

  • 3 Na de mededeling van zijn rechten tekent de verdachte het formulier voor gezien. Weigert hij te tekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt. Een afschrift van het formulier wordt bij de processtukken gevoegd.

  • 4 De mededeling geschiedt in een taal die de verdachte verstaat. Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand van een tolk is ingeroepen.

Titel VII. Inverzekeringstelling

Artikel 83

  • 1 De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden of verhoord, kan na het verhoor, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aan te duiden plaats in verzekering zal worden gesteld.

  • 2 De verdachte wordt, door de officier van justitie of de hulpofficier voorafgaand aan het bevel, gehoord. Hem wordt tevens meegedeeld, dat hem vanaf het tijdstip waarop het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend en gedurende die periode, kosteloos een raadsman zal worden toegevoegd.

  • 3 Van het horen wordt in het proces-verbaal van verhoor melding gemaakt.

  • 4 De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste, maar in ieder geval binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.

  • 5 Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Binnen de eerste vierentwintig uren is daartoe ook bevoegd de hulpofficier, die het bevel heeft gegeven.

  • 6 Gelast de hulpofficier de invrijheidstelling niet, dan doet hij de verdachte voor de officier van justitie geleiden, voor zover deze niet anders beslist.

Artikel 85

Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.

Artikel 86

Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet meer worden verleend.

Artikel 87

  • 1 Het bevel tot inverzekeringstelling is gedurende ten hoogste twee dagen van kracht.

  • 2 Bij dringende noodzakelijkheid in het belang van het onderzoek kan de inverzekeringstelling door de officier van justitie eenmaal worden verlengd en wel met ten hoogste acht dagen. De verdachte wordt door de officier van justitie gehoord voordat hij overeenkomstig artikel 89 voor de rechter-commissaris wordt geleid.

  • 3 De termijnen gaan in op het ogenblik van de tenuitvoerlegging. Zij lopen niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken.

Artikel 88

  • 1 Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  • 2 Het bevat een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het strafbare feit, en vermeldt zoveel mogelijk de datum en de plaats van het feit, de grond van de uitvaardiging en de bepaalde omstandigheden die tot het aannemen van die grond hebben geleid. Het vermeldt tevens het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waar de inverzekeringstelling wordt ondergaan.

  • 3 De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  • 4 Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Aan het bureau van de reclassering wordt eveneens een afschrift verstrekt.

Artikel 89

  • 1 De verdachte wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de tenuitvoerlegging van het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling een aanvang heeft genomen, voor de rechter-commissaris geleid. De raadsman is bevoegd daarbij aanwezig te zijn. Hij wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

  • 2 Indien de rechter-commissaris voortzetting van de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Blijft zodanig bevel achterwege, dan behoudt het door de officier van justitie of de hulpofficier verleende bevel zijn volledige rechtskracht.

  • 3 Indien de voorgeleiding overeenkomstig het eerste lid niet heeft plaatsgevonden, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.

Artikel 90

  • 1 De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.

  • 2 Tijdens de inverzekeringstelling kunnen door de officier van justitie en, in geval van het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris in het bijzonder als maatregel in het belang van het onderzoek jegens de verdachte worden bevolen:

    • a. het maken van afbeeldingen, al dan niet in bepaalde standen;

    • b. het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding, daaronder begrepen het opzetten van een bril of het dragen van een pruik;

    • c. het vastleggen van uiterlijke lichamelijke kenmerken;

    • d. een onderzoek van schrijf- en stemkenmerken;

    • e. sorteer- en geurproeven;

    • f. een tegenoverstelling met derden;

    • g. de beperking of ontzegging van de uitreiking van kranten en lectuur;

    • h. algemeen of individueel bepaalde bezoek-, contact- en correspondentieverboden;

    • i. een verbod op het voeren van telefoongesprekken;

    • j. afzondering;

    • k. het overbrengen naar bepaalde plaatsen;

    • l. het afscheren, knippen of laten groeien van baard- en hoofdhaar;

    • m. de in artikel 78 bedoelde onderzoeken en de aldaar bedoelde verwijdering van voorwerpen en stoffen;

    • n. een onderzoek van het op grond van artikel 78 verkregen materiaal.

  • 3 De in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, alsmede f tot en met j, bedoelde maatregelen kunnen tevens worden bevolen door de hulpofficier van justitie die de inverzekeringstelling heeft gelast, indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.

  • 4 De toepassing van de in het tweede lid bedoelde maatregelen wordt schriftelijk vastgelegd.

  • 5 Voor maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen l, m, voor zover het de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam betreft, en n, voor zover het lichaamsmateriaal betreft, dient door de rechter-commissaris een machtiging te worden verleend. Artikel 78, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6 De uitvoering van de in het tweede lid bedoelde maatregelen geschiedt onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie.

  • 7 Tegen de oplegging van in het tweede lid bedoelde maatregelen kan de verdachte binnen zeven dagen een bezwaarschrift indienen bij het Hof.

  • 8 Een maatregel wordt, in afwachting van de rechterlijke beslissing op het bezwaarschrift, niet ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter-commissaris of de officier van justitie de onverwijlde tenuitvoerlegging in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.

  • 9 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 90a

Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld, voor zover daarin bij wet, houdende regels voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.

Artikel 91

  • 1 Tijdens de periode van inverzekeringstelling kan de verdachte, onverminderd het bepaalde in artikel 89, de rechter-commissaris schriftelijk om zijn invrijheidstelling verzoeken. De rechter-commissaris hoort de verdachte en de officier van justitie, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.

  • 2 Op het verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist. Indien de rechter-commissaris de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Titel VIII. Voorlopige hechtenis

Eerste Afdeling. Bewaring

Artikel 92

  • 1 De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal worden gehoord.

  • 2 Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af.

  • 3 In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel gehoord.

Artikel 93

  • 1 Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste acht dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.

  • 2 Op de vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de geldigheidsduur van het bevel eenmaal voor een termijn van ten hoogste acht dagen verlengen.

  • 3 De rechter-commissaris hoort de verdachte, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.

Artikel 94

  • 2 De uitvoering van de maatregelen die krachtens het eerste lid kunnen worden bevolen, vindt in het huis van bewaring plaats onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het huis van bewaring.

Tweede Afdeling. Gevangenhouding en gevangenneming

Artikel 95

De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.

Artikel 96

De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Artikel 97

Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.

Artikel 98

  • 1 Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn van ten hoogste zestig dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.

  • 2 Indien het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel, binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn, het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel voor onbepaalde tijd geldig en blijft van kracht totdat het is opgeheven.

  • 3 De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.

  • 4 Indien een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en dit op grond van bijzondere, op de zaak zelf betrekking hebbende omstandigheden niet binnen negentig dagen nadat het bevel tot gevangenhouding van kracht is geworden, is voltooid, kan op de vordering van de officier van justitie de rechter-commissaris in de gevallen en op de gronden, vermeld in de artikelen 100 en 101, de termijn nog eenmaal met ten hoogste dertig dagen verlengen.

  • 5 De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op elke vordering op grond van dit artikel te worden gehoord.

  • 6 Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het derde en vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Derde Afdeling. Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan

Artikel 100

  • 2 Het bevel kan voorts worden gegeven, indien de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, en hij verdacht wordt van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

Vierde Afdeling. Gronden voor voorlopige hechtenis

Artikel 101

  • 1 Een bevel, als bedoeld in artikel 100, kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat artikel vermelde misdrijven, en voorts:

    • a. indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, of

    • b. indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert.

  • 2 Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking worden genomen:

    • a. indien wegens het vermoedelijk begane feit levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van zes jaren of meer kan worden opgelegd of de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of

    • b. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan, of

    • c. indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

  • 3 Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsontneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd rechtens zijn vrijheid zou worden ontnomen dan de duur van de straf of maatregel.

Vijfde Afdeling. Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis

Artikel 102

  • 1 De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.

  • 2 Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281, dan wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend, blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98, tweede lid, van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het bezwaarschrift is beschikt.

Artikel 103

  • 1 Het bevel tot voorlopige hechtenis kan te allen tijde door de rechter-commissaris, dan wel nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, door de rechter in eerste aanleg worden opgeheven. De rechter in eerste aanleg kan dit doen ambtshalve, op het verzoek van de verdachte of op de vordering van de officier van justitie.

  • 2 De verdachte die voor de eerste maal opheffing verzoekt, wordt, tenzij de rechter reeds aanstonds tot inwilliging besluit, in de gelegenheid gesteld op het verzoek te worden gehoord.

Zesde Afdeling. Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis

Artikel 104

  • 1 Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beschikking, houdende bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen.

  • 2 Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging van de gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging.

  • 3 Alvorens het Hof beslist wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Zevende Afdeling. Voorlopige hechtenis bij einduitspraken

Artikel 105

  • 1 Bij alle einduitspraken wordt, behoudens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.

  • 2 Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan vijf maanden overtreft en geen maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 103, bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.

  • 4 Indien de einduitspraak tot invrijheidstelling van de verdachte zou moeten leiden, kan de rechter, in afwijking van het eerste lid en alle belangen in aanmerking genomen, bepalen, dat de voorlopige hechtenis gedurende een termijn van ten hoogste drie weken van kracht blijft, onverminderd het bepaalde in het vijfde en zesde lid.

  • 5 Indien de einduitspraak nietigverklaring van de dagvaarding inhoudt, de officier van justitie een nieuwe dagvaarding uitbrengt en de behandeling ter terechtzitting binnen de termijn van drie weken geen aanvang heeft genomen, wordt de verdachte bij het verstrijken van die termijn terstond in vrijheid gesteld.Vindt de behandeling ter terechtzitting wel binnen deze termijn plaats, dan duurt de voorlopige hechtenis voort, overeenkomstig artikel 98, tweede lid, ook ingeval de verdachte tegen die nieuwe dagvaarding een bezwaarschrift heeft ingediend.

  • 6 Indien de einduitspraak vrijspraak van het tenlastegelegde of ontslag van rechtsvervolging inhoudt en tegen die beslissing hoger beroep is aangetekend, dient de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep binnen drie weken na de einduitspraak te zijn aangevangen. Indien die termijn is verstreken, voordat de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen, of indien, voordat die termijn is verstreken, het openbaar ministerie van het hoger beroep heeft afgezien, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.

Artikel 107

Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.

Artikel 108

  • 1 Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de in de artikelen 96 tot en met 103 bedoelde bevelen met overeenkomstige toepassing van die artikelen gegeven door het Hof van Justitie, behoudens de volgende afwijkingen.

  • 3 Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is, na de einduitspraak in eerste aanleg, voor een termijn van ten hoogste vijf maanden van kracht. Echter toetst het Hof binnen een termijn van dertig dagen, nadat hoger beroep is aangetekend, of de gevallen en de gronden, bedoeld in de artikelen 100 en 101, nog aanwezig zijn. Het Hof hoort de verdachte, indien het daartoe gronden aanwezig acht. De termijn van vijf maanden kan, indien er gegronde redenen zijn, waarom het onderzoek op de terechtzitting niet binnen deze termijn een aanvang kan nemen, door het Hof eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.

  • 4 Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is, evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel, geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling ingevolge de artikelen 103, 105, 107 en 108, vijfde lid, totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 14 van de Cassatieregeling van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar het Hof heeft verwezen.

  • 5 Buiten de gevallen voorzien in artikel 105 heft het Hof van Justitie het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.

Achtste Afdeling. Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte

Artikel 109

  • 1 Tenzij de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor mondeling is meegedeeld dat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt hij binnen vierentwintig uren na zijn opneming in de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan, gehoord.

  • 2 Het horen geschiedt gedurende het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris; na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter in eerste aanleg; na de aantekening van beroep van de einduitspraak door het Hof van Justitie dan wel een lid van dat college.

Negende Afdeling. Inhoud van de bevelen en hun betekening

Artikel 110

  • 1 Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  • 2 Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101 gestelde voorwaarden zijn vervuld.

  • 3 De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende

    persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  • 4 Het bevel vermeldt voorts het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.

  • 5 Het wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.

Tiende Afdeling. Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis

Artikel 111

  • 1 De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.

  • 2 Onder de voorwaarden van de schorsing wordt steeds opgenomen:

    • a. dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken, en

    • b. dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.

  • 3 De zekerheidstelling voor de nakoming van de voorwaarden bestaat in de storting van geldswaarden door de verdachte of een derde.

  • 4 De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor, en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.

  • 5 De verdachte wordt op het eerste verzoek of de eerste vordering gehoord.