Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Geldend van 01-01-2013 t/m 18-12-2013

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid)

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor verstrekking van jaarlijkse instellingssubsidies en vierjaarlijkse instellingssubsidies

§ 2.1. Algemeen

Artikel 2.1. Reikwijdte

  • 1 De artikelen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op de verstrekking van jaarlijkse instellingssubsidies en vierjaarlijkse instellingssubsidies, tenzij in een artikel anders is bepaald.

  • 2 Jaarlijkse instellingssubsidies worden niet verstrekt voor een subsidiebedrag dat minder dan € 25.000 bedraagt.

  • 3 Vierjaarlijkse instellingssubsidies worden niet verstrekt voor een subsidiebedrag dat minder dan € 125.000 bedraagt.

§ 2.2. Subsidieaanvraag

Artikel 2.2. Aanvraagtermijnen

  • 1 Om in aanmerking te komen voor een jaarlijkse instellingssubsidie, dient de instelling uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het betreffende kalenderjaar een subsidieaanvraag in.

  • 2 Om in aanmerking te komen voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie, dient de instelling overeenkomstig de aanvraagtermijn in hoofdstuk 3 een subsidieaanvraag in.

  • 3 De minister kan in bijzondere gevallen een te laat ingediende aanvraag voor een jaarlijkse instellingssubsidie in behandeling nemen.

Artikel 2.3. In te dienen documenten

De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

  • a. een activiteitenplan; en

  • b. een begroting.

Artikel 2.4. Activiteitenplan

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven doelstellingen.

Artikel 2.5. Begroting

  • 1 De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar onderscheidenlijk de kalenderjaren geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2 De begroting bevat een postgewijze toelichting.

  • 3 De begroting bij de aanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie omvat tevens een prestatieoverzicht dat in kort bestek een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de te verrichten activiteiten in ieder van de vier jaren van de periode waarvoor de subsidie wordt gevraagd.

  • 4 De minister kan aangeven dat de begroting uitgaat van een prijspeil van een door hem bepaald jaar.

Artikel 2.6. Aanvullende bescheiden

  • 1 De aanvraag gaat voorts vergezeld van een document waaruit de financiële positie van de aanvrager blijkt, tenzij de subsidieaanvraag wordt ingediend door een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon.

  • 2 Een document als bedoeld in het eerste lid is de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of, indien geen jaarrekening voor handen is, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.

  • 3 Indien de minister hierom verzoekt, verstrekt de aanvrager tevens een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd.

  • 4 Een document als bedoeld in het eerste lid gaat niet bij de aanvraag voor zover de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat dit document al in het bezit is van de minister.

Artikel 2.7. Melden gelijke subsidieaanvragen

Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote lasten tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, maakt hij dat inzichtelijk in de aanvraag.

§ 2.3. Subsidieverlening

Artikel 2.8. beslistermijn

  • 1 De minister beslist op de aanvraag voor een jaarlijkse instellingssubsidie binnen 13 weken na de ontvangst van die aanvraag.

  • 2 De termijn, genoemd in het eerste lid bedraagt 22 weken, indien de minister over de aanvraag advies inwint of een nader onderzoek naar de aanvraag instelt. Indien toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, doet de minister hiervan mededeling aan de aanvrager.

  • 3 De minister beslist op de aanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie binnen 40 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend en uiterlijk dertien weken voor de periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Artikel 2.9. Weigeringsgronden

  • 1 De subsidieverlening wordt geweigerd voor zover de minister van oordeel is dat het verstrekken daarvan het door hem openbaar gemaakte cultuurbeleid, mede gelet op de beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt.

  • 2 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening voorts in ieder geval geweigerd voor zover:

    • a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de met subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden bereikt; of

    • b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is.

Artikel 2.10. Voorschotten

  • 1 De minister betaalt als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag dat aan een instelling is verleend.

  • 2 Een kwartaal als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan de periode van de eerste drie maanden, de tweede drie maanden, de derde drie maanden of de vierde drie maanden van een kalenderjaar.

  • 3 Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kan de minister in afwijking van het eerste lid een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hem te bepalen termijnen.

  • 4 De liquiditeitsbehoefte, bedoeld in het derde lid, volgt uit documenten van de aanvrager, dan wel wordt ambtshalve vastgesteld door de minister.

Artikel 2.11. Bijstelling subsidiebedrag vierjaarlijkse instellingssubsidie

  • 1 Bij de verlening van een vierjaarlijkse instellingssubsidie kan de minister bepalen dat het subsidiebedrag jaarlijks door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden.

  • 2 Jaarlijks kan de minister een vierjaarlijkse instellingssubsidie tevens bijstellen, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil.

  • 3 Met het oog op de toepassing van het eerste en tweede lid bepaalt de minister jaarlijks welk deel van de subsidie in aanmerking zal worden genomen voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden en, voor zover van toepassing, van de ontwikkeling van het prijspeil.

  • 4 Als de subsidie met toepassing van het eerste of tweede lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig die bijstelling worden gewijzigd.

§ 2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 2.12. Besteding van de subsidie

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden uitgevoerd dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Artikel 2.13. Te voeren administratie

  • 1 De subsidieontvanger stelt het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2 De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen evenals de baten en lasten kunnen worden nagegaan.

  • 3 De administratie en de daartoe behorende documenten worden gedurende zeven jaren bewaard.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op een ontvanger van een subsidie die minder dan € 125.000 bedraagt.

Artikel 2.14. Meldingsplicht

  • 1 Indien gedurende de subsidieperiode aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke baten en lasten en de begrote baten en lasten doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

  • 2 De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan de minister van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidieverstrekking. Bij de melding worden de stukken overgelegd die betrekking hebben op de gemelde feiten en omstandigheden en wordt de oorzaak van de gemelde feiten en omstandigheden toegelicht.

  • 3 Aan het tweede lid wordt in ieder geval toepassing gegeven indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat:

    • a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of

    • b. niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing op de ontvanger van een subsidie die minder dan € 125.000 bedraagt.

Artikel 2.15. Periodieke verslaglegging bij vierjaarlijkse instellingssubsidie

  • 1 De ontvanger van een vierjaarlijkse instellingssubsidie dient na het eerste, tweede en derde jaar van de vierjaarlijkse periode waarvoor subsidie is verleend, over het betreffende jaar, binnen dertien weken een bestuursverslag en een jaarrekening in.

  • 2 Het bestuursverslag geeft in ieder geval toelichting op:

    • a. het exploitatieresultaat van de subsidieontvanger;

    • b. de financiële positie van de subsidieontvanger;

    • c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten;

    • d. de zaken die nu en in de toekomst van invloed kunnen zijn op het functioneren van de subsidieontvanger;

    • e. de specifieke aandachtspunten die in de beschikking tot subsidieverlening zijn vermeld;

    • f. de samenstelling van het bestuur, de directie en, indien van toepassing, van de Raad van Toezicht, inclusief data van aan- en aftreden;

    • g. de wijze waarop het bestuur de regels van goed bestuur (code cultural governance) heeft nageleefd;

    • h. de uitvoering van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens, dan wel de Wet normering topinkomens in geval die wet in werking is getreden;

    • i. een reflectie op de educatieve activiteiten, waarbij wordt ingegaan op de wijze van evalueren en de samenwerking met scholen;

    • j. een reflectie op de samenstelling en omvang van het publiek van de instelling, onderbouwd met publieksonderzoek;

    • k. een reflectie op ondernemerschap en in het bijzonder de samenstelling van de eigen inkomsten en de strategie bij tegenvallende inkomsten;

    • l. indien van toepassing de activiteiten op het gebied van talentontwikkeling, internationaal belang en wetenschappelijke functie; en

    • m. indien van toepassing een reflectie op het museale veiligheidsplan en collectieplan.

  • 3 Voorts bevat het bestuursverslag een inzichtelijke kwalitatieve beschrijving in kort bestek van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar.

  • 4 Op het bestuursverslag is artikel 2.28 van toepassing. Het bestuur van de subsidieontvanger ondertekent het bestuursverslag.

Artikel 2.16. Bestemmingsfonds OCW

  • 1 Voor zover na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig deze regeling, het verleendesubsidiebedrag van een subsidie die € 125.000 of meer bedraagt, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor de subsidie is verstrekt, wordt het gereserveerd in een bestemmingsfonds OCW.

  • 2 Zonder toestemming van de minister kan een instelling slechts middelen onttrekken aan het bestemmingsfonds OCW indien het exploitatieresultaat in het desbetreffende jaar negatief is en de instelling heeft gehandeld overeenkomstig deze regeling en de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3 Het toevoegen en onttrekken aan het bestemmingsfonds OCW, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats naar rato van de subsidie ten opzichte van de totale baten van de instelling.

Artikel 2.17. Vergoeding voor vermogensvorming

  • 2 Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van goederenop het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.

  • 3 Toepassing van het eerste lid blijft achterwege als de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

Artikel 2.18. Vergoeding derden

  • 1 De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer instellingen die op grond van de wet subsidie ontvangen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de subsidieontvanger ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de historische kostprijs berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.

  • 2 De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie als bedoeld in het eerste lid voor door die organisatie aan de subsidieontvanger geleverde diensten, is als het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen als de subsidieontvanger in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de subsidieontvanger zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.

  • 3 De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie als bedoeld in het eerste lid voor door die organisatie aan de subsidieontvanger geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.

Artikel 2.19. Vergoeding van derden

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

Artikel 2.20. Onderzoeken

  • 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van zijn beleid.

  • 2 Als bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 2.18 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie te overleggen.

Artikel 2.21. Code

  • 1 Indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten op een terrein van cultuur waarvoor een code is vastgesteld, kan de minister bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger zich dient aan te sluiten bij de betreffende code.

  • 2 Onder een code als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een samenstel van afspraken opgesteld door of in samenwerking met vertegenwoordigers van instellingen op het betreffende terrein van cultuur.

§ 2.5. Subsidievaststelling

Artikel 2.22. Termijn aanvraag voor vaststelling

  • 1 Tussen acht en dertien weken na afloop van de subsidieperiode dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2 Aanvragen die worden ingediend voorafgaand aan de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden geacht ontvangen te zijn op de eerste dag van die termijn.

Artikel 2.23. Aanvraag voor vaststelling van subsidie vanaf € 125.000

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie die € 125.000 of meer bedraagt, gaat vergezeld van een activiteitenverslag en een jaarrekening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid gaat de aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie in plaats van een activiteitenverslag vergezeld van een bestuursverslag als bedoeld in artikel 2.15. Het bestuursverslag geeft een toelichting op het vierde jaar van de subsidie.

Artikel 2.24. Aanvraag voor vaststelling van subsidie onder € 125.000

De aanvraag tot vaststelling van een subsidie die minder dan € 125.000 bedraagt, gaat vergezeld van een activiteitenverslag.

Artikel 2.25. Activiteitenverslag

Het activiteitenverslag beschrijft de aard, duur en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend.

Artikel 2.26. Jaarrekening

  • 1 Titel 9, met uitzondering van de afdelingen 1 en 11 tot en met 16, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekening met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening; op deze exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

  • 2 De minister kan bepalen dat bepalingen van titel 9 of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde subsidieontvangers of categorieën van subsidieontvangers.

  • 3 De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening, en gaat vergezeld van een toelichting op beide.

  • 4 In de jaarrekening van een ontvanger van vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt tevens een prestatieverantwoording opgenomen die een inzichtelijk kwantitatief overzicht in kort bestek bevat van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.

  • 5 Een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is opgericht behoeft geen jaarrekening in te zenden.

  • 6 De jaarrekening van een ontvanger van vierjaarlijkse instellingssubsidie gaat vergezeld van de jaarrekeningen van dochtermaatschappijen van de instelling als bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of andere rechtspersonen waarop zij een overheersende zeggenschap kan uitoefenen of waarover zij de centrale leiding heeft.

Artikel 2.27. Accountantsverklaring en rapport van feitelijke bevindingen

  • 2 De jaarrekening van een ontvanger van vierjaarlijkse instellingssubsidie is tevens voorzien van een rapport van feitelijke bevindingen over de prestatieverantwoording.

  • 3 In de verklaring, bedoeld in het eerste lid, doet de accountant een uitspraak over de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger overeenkomstig de controleprotocollen opgenomen in de bij deze regeling gevoegde bijlagen IIA onderscheidenlijk IIB met gebruikmaking van de bij die bijlagen opgenomen modellen voor accountantsverklaringen.

  • 4 De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op een in de jaarrekening opgenomen prestatieverantwoording.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op vierjaarlijkse instellingssubsidies die zijn verleend voor de jaren 2009 tot en met 2012 en die minder dan € 125.000 per jaar bedragen.

Artikel 2.28. Modellen voor in te dienen documenten

De minister kan op de website www.cultuursubsidie.nl modellen vaststellen voor het bestuursverslag, het activiteitenverslag en de jaarrekening, waaronder de prestatieverantwoording.

Artikel 2.29. Vaststelling

  • 1 Na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie stelt de minister de subsidie binnen 22 weken vast.

  • 2 Tegelijkertijd met de vaststelling van de subsidie neemt de minister een besluit over de besteding van het bedrag van het bestemmingsfonds OCW, bedoeld in artikel 2.16.

Artikel 2.30. Terugvordering

  • 1 Onverminderd artikel 2.29, tweede lid, is de subsidieontvanger na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze heeft besloten.

  • 2 Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten is de subsidieontvanger verplicht de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan de minister in dat geval de verschuldigde wettelijke rente vorderen.

Hoofdstuk 3. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies op grond van artikel 4a van de wet voor de periode 2013–2016

Afdeling 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. Definities

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • Brabantstad: gemeente Den Bosch, gemeente Eindhoven of gemeente Tilburg;

    • grote gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Rotterdam of gemeente Den Haag;

    • kernpunt: gemeente Groningen, gemeente Arnhem, gemeente Utrecht, gemeente Maastricht, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam, gemeente Amsterdam of Brabantstad;

    • podium: voorziening in een gebouw die bestemd of geschikt is voor de presentatie van podiumkunsten;

      • 1°. Noord: provincies Groningen, Friesland en Drenthe;

      • 2°. Oost: provincies Overijssel en Gelderland;

      • 3°. Midden: provincies Flevoland en Utrecht; of

      • 4°. Zuid: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;

    • standplaats: gemeente waar de instelling haar huisvesting heeft en in de lokale culturele infrastructuur is ingebed.

  • 2 Onder eigen inkomsten worden in dit hoofdstuk de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:

    • a. publieksinkomsten; en

    • b. overige inkomsten zijnde:

      • directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten;

      • indirecte opbrengsten; en

      • overige bijdragen.

  • 3 Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:

    • a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;

    • b. overige bijdragen uit publieke middelen;

    • c. rentebaten;

    • d. bijdragen in natura; en

    • e. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.

Artikel 3.2. Indieningstermijn aanvraag en in te dienen bescheiden

  • 1 Een aanvraag voor vierjaarlijkse instellingssubsidie voor de jaren 2013 tot en met 2016 op grond van dit hoofdstuk wordt ontvangen na 30 november 2011 en uiterlijk ontvangen op 1 februari 2012 om 17:00 uur.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt de jaarrekening over het jaar 2011 voor 1 april 2012 door de minister ontvangen.

  • 4 De jaarrekening over het jaar 2010 gaat niet bij de aanvraag voor zover de instelling er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze al in het bezit van de minister is.

Artikel 3.3. Wijze van indiening

  • 1 Voor de indiening van een aanvraag voor vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt gebruik gemaakt van het hiervoor bestemde aanvraagformulier dat wordt bekend gemaakt op de website www.cultuursubsidie.nl.

  • 2 Een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt bij voorkeur elektronisch ingediend. De elektronische indiening geschiedt via de website www.cultuursubsidie.nl. Bij verzending van de aanvraag per post wordt de aanvraag gestuurd naar postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.

  • 3 Bij elektronische indiening van de aanvraag wordt een ondertekende afdruk van de laatste pagina van het formulier per post gezonden naar het adres, bedoeld in het tweede lid. Als tijdstip van indiening van de aanvraag geldt de datum waarop de ondertekende pagina is ontvangen.

Artikel 3.4. Wijze verdeling beschikbare middelen

  • 1 De minister beslist gelijktijdig op alle aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde regels.

  • 2 Indien na beoordeling van alle aanvragen een bepaald beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan een ander subsidieplafond binnen die paragraaf onderscheidenlijk afdeling.

Artikel 3.5. Weigeringsgronden

  • 1 Aan een instelling als bedoeld in afdeling 3.2, met uitzondering van artikel 3.16, en de artikelen 3.23, 3.29 en 3.32 wordt geen subsidie op grond van dit hoofdstuk verleend indien de eigen inkomsten van de instelling gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 minder dan 17,5 procent bedragen van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die instelling, met uitzondering van

  • 2 Indien een instelling die subsidie aanvraagt de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van een instelling die in de jaren 2010 en 2011 subsidie van bestuursorganen ontving ten behoeve van de exploitatie van die instelling, wordt het percentage eigen inkomsten van de aanvrager vastgesteld aan de hand van de gegevens van die verdwenen onderscheidenlijk aanvankelijk gesubsidieerde instelling.

  • 3 Indien bij een instelling die subsidie aanvraagt sprake is van fusie van twee of meer instellingen die in de jaren 2010 en 2011 subsidie voor de exploitatie van bestuursorganen ontvingen, wordt het percentage eigen inkomsten van de aanvrager vastgesteld aan de hand van het totaal van eigen inkomsten in verhouding tot het totaal van ontvangen subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die gefuseerde instellingen in 2010 en 2011.

  • 4 Van fusie als bedoeld in het derde lid is sprake indien de te fuseren instellingen bij de aanvraag om subsidie een voorstel tot fusie als bedoeld in artikel 312 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overleggen en de fusie voor 1 september 2012 tot stand is gekomen en uiterlijk van kracht wordt met ingang van 1 januari 2013.

  • 5 De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten:

    • a. bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling; of

    • b. bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 6 Indien een instelling in het jaar 2010 of 2011 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid grotendeels niet in staat is geweest publieksactiviteiten te ontplooien, kan de minister in ieder geval het eerste lid buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 6.1.

  • 7 Aan een instelling wordt tevens geen subsidie verleend op grond van dit hoofdstuk, indien aan de instelling voor het jaar 2011 subsidie is verstrekt voor de exploitatie van die instelling en subsidie uitsluitend is verstrekt afkomstig uit middelen van de begrotingsstaat, met uitzondering van artikel 14, behorende bij de Wet van 3 februari 2011, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2011 (Stb. 78).

Artikel 3.6. Algemene beoordelingscriteria

Bij de beoordeling van aanvragen voor subsidie houdt de minister onder meer rekening met:

  • a. artistieke kwaliteit;

  • b. ondernemerschap;

  • c. publieksbereik van de instelling;

  • d. het voeren van een beleid dat educatie en participatie van de jeugd bevordert;

  • e. aanbod of collectie van nationaal of internationaal belang;

  • f. geografische spreiding.

Artikel 3.7. Afwijking in verband met geografische spreiding

  • 1 Indien in de navolgende afdelingen een maximum is gesteld aan het aantal instellingen waaraan per regio of kernpunt subsidie kan worden verstrekt, en geen van de subsidieaanvragen ingediend voor die regio of dat kernpunt voldoet aan alle daarvoor in deze regeling gestelde vereisten, kan de minister niettemin aan ten hoogste het voor de betreffende regio of kernpunt gestelde aantal instellingen subsidie verstrekken, voor zover het met deze regeling te dienen doel van geografische spreiding naar zijn oordeel in onvoldoende mate zou worden bereikt ingeval van het niet verstrekken van subsidie.

  • 2 Het eerste lid vindt in ieder geval geen toepassing, voor zover een aanvraag naar het oordeel van de minister in onvoldoende mate beantwoordt aan het criterium, bedoeld in artikel 3.6, onderdeel a.

Artikel 3.8. Subsidieverplichting

  • 1 Een instelling die op grond van afdeling 3.2, met uitzondering van de artikelen 3.10 en 3.16, of artikel 3.32 subsidie ontvangt, behaalt gedurende de subsidieperiode ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die instelling, met uitzondering van:

  • 3 Een instelling maakt bij de aanvraag om subsidie in het activiteitenplan aannemelijk dat zij aan de subsidieverplichting in het eerste onderscheidenlijk tweede lid zal voldoen.

  • 4 Onverminderd artikel 2.15, tweede tot en met vierde lid, maakt een instelling als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, in het bestuursverslag dat wordt ingediend over het eerste, tweede en derde jaar van de vierjaarlijkse periode waarvoor subsidie is verleend, inzichtelijk hoe de instelling gedurende die periode een jaarlijkse groei zal behalen van gemiddeld één procentpunt eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die instelling, met uitzondering van:

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op een instelling, indien die instelling over de jaren van de subsidieperiode waarover de periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15, is afgelegd, gemiddeld ten minste vier procent meer eigen inkomsten behaalt dan op die instelling van toepassing is op grond van het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

Afdeling 3.2. Podiumkunsten

§ 3.2.1. Theater

Artikel 3.9. Algemeen theater

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van theatervoorstellingen, indien de instelling:

    • a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 400 zitplaatsen heeft in haar standplaats;

    • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;

    • c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van theater; en

    • d. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert.

  • 2 De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier grote instellingen in de kernpunten subsidie verstrekken, waarvan ten hoogste twee instellingen hun standplaats hebben in de grote gemeenten, voor zover de instelling:

    • a. per jaar ten minste drie producties bestemd voor een podium met ten minste 400 zitplaatsen uitvoert; en

    • b. een beleid voert dat doorstroming van talent naar de grote zaal bevordert.

  • 3 De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier middelgrote instellingen in de kernpunten subsidie verstrekken, waarvan niet meer dan één instelling haar standplaats heeft in de grote gemeenten, voor zover de instelling ten minste per jaar één productie bestemd voor een podium met ten minste 400 zitplaatsen uitvoert.

  • 4 De minister kan op grond van het eerste lid subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Noord en haar theatervoorstellingen in de Friese taal verzorgt.

  • 5 Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.

Artikel 3.10. Jeugdtheater

  • 1 De minister kan aan een instelling een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een aanvullend bedrag naast subsidie op grond van artikel 3.9 verstrekken voor het verzorgen van repertoire op het terrein van de podiumkunsten voor de jeugd tot 18 jaar, indien de instelling:

    • a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium; en

    • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.

  • 2 Voor subsidie op grond van dit artikel komen ten hoogste acht instellingen in aanmerking, met dien verstande dat per gemeente aan ten hoogste één instelling subsidie wordt verstrekt.

  • 3 Indien een instelling een subsidieaanvraag indient voor zowel subsidie op grond van artikel 3.9 als op grond van dit artikel dan wordt dit duidelijk in de aanvraag vermeld.

Artikel 3.11. Subsidieplafonds

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.

§ 3.2.2. Dans

Artikel 3.12. Dans

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:

    • a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;

    • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;

    • c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en

    • d. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert.

  • 2 Aan ten hoogste vier instellingen wordt subsidie verstrekt, waarvan:

    • a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;

    • b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;

    • c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en

    • d. één instelling die voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.

  • 3 Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.

Artikel 3.13. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.12 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

§ 3.2.3. Muziek en muziektheater

Artikel 3.14. Symfonieorkesten

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

    • a. een breed repertoire aanbiedt;

    • b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt in de regio of het verzorgingsgebied waarin zij haar standplaats heeft;

    • c. ten minste eenmaal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.18 of 3.19; en

    • d. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert.

  • 2 De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen subsidie verstrekken, waarvan er:

    • a. steeds één haar standplaats heeft in de regio Noord, de regio Oost, de regio Zuid, de gemeente Amsterdam; en

    • b. één het verzorgingsgebied van de gemeenten Rotterdam en Den Haag bestrijkt.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de minister aan meer dan vijf instellingen subsidie verstrekken indien in de regio Oost, de regio Zuid of het verzorgingsgebied van de gemeenten Den Haag en Rotterdam twee instellingen in die regio onderscheidenlijk dat verzorgingsgebied een volwaardig symfonisch aanbod verzorgen en beide instellingen voldoende aanvullende financiering realiseren.

Artikel 3.15. Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten primair voor opera

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteiten het begeleiden van operaproducties en het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

  • a. voldoet aan artikel 3.14, eerste lid, onderdelen a en d;

  • b. in aanvulling op haar activiteiten een relevante seizoensprogrammering aanbiedt van ten minste twaalf symfonische concerten in het verzorgingsgebied van de gemeente Haarlem;

  • c. ten minste zes maal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.18; en

  • d. ten minste twee maal in de subsidieperiode om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder a.

Artikel 3.16. Subsidie symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten voor dans

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het begeleiden van dansproducties, indien de instelling:

  • a. beschikbaar is voor de begeleiding van de producties van een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder a; en

  • b. ten minste eenmaal per jaar beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder b;

voor zover de begeleiding in de basisbezetting van haar orkest om niet plaatsvindt, en niet meer dan een redelijke prijs in rekening wordt gebracht voor de kosten die verband houden met een aanvullende bezetting bij repertoire waarbij een basisbezetting naar algemeen gangbare artistieke maatstaven niet volstaat.

Artikel 3.17. Subsidieplafonds symfonieorkesten

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich:

    • a. internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau; en

    • b. profileert op de relevante internationale concertpodia.

  • 3 Indien twee instellingen voldoen aan artikel 3.14, derde lid, is voor die instellingen gezamenlijk jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 6 miljoen beschikbaar.

  • 4 Het bedrag, bedoeld in het derde lid, bedraagt jaarlijks voor de twee instellingen gezamenlijk ten hoogste € 7 miljoen, indien die instellingen:

    • a. gericht zijn op structurele samenwerking tijdens en na de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd; en

    • b. gezamenlijk een plan indienen voor de verzorging van een volwaardig symfonisch aanbod in die regio of dat verzorgingsgebied.

Artikel 3.18. Grootschalig opera-aanbod

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van grootschalig opera-aanbod, indien de instelling:

  • a. een breed repertoire aanbiedt;

  • b. zich richt op een groot landelijk publieksbereik;

  • c. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert en coördinerende activiteiten op dit gebied uitvoert; en

  • d. zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.

Artikel 3.19. Overig opera-aanbod

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Oost en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:

    • a. voldoet aan artikel 3.18, onderdelen a en b;

    • b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt; en

    • c. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert.

  • 2 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Zuid en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:

    • a. voldoet aan artikel 3.18, onderdeel a;

    • b. haar activiteiten geografisch in ieder geval in haar regio op een geconcentreerde wijze spreidt;

    • c. samenwerkt met andere instellingen die opera-aanbod verzorgen; en

    • d. een beleid voert dat, bij voorkeur in samenwerking met derden, talentontwikkeling bevordert.

Artikel 3.20. Subsidieplafonds opera

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.18 en 3.19 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

§ 3.2.4. Festival

Artikel 3.21. Festival

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend, grootschalig aanbod in een internationale context op het terrein van theater, dans, opera en muziek, waaronder symfonisch repertoire, indien de activiteiten van de instelling:

  • a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;

  • b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en

  • c. niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere organisatie die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.

Artikel 3.22. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 2.99 miljoen beschikbaar.

Afdeling 3.3. Musea

Artikel 3.23. Musea

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed, indien de instelling:

    • a. in de subsidieperiode ten minste een gelijk aantal bezoeken behaalt ten opzichte van de jaren 2009 tot en met 2012;

    • b. in de subsidieperiode ten minste een gelijk aantal bezoeken van scholieren in het primair en voortgezet onderwijs in schoolverband behaalt ten opzichte van de jaren 2009–2012;

    • c. een beleid voert om het aantal unieke bezoekers van de website van de instelling in de subsidieperiode te verhogen ten opzichte van de jaren 2009–2012; en

    • d. indien van toepassing, een beleid voert om de registratieachterstand van de collectie weg te werken.

Artikel 3.24. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit kunsthistorische documentatie.

Artikel 3.25. Subsidieplafonds

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.23 en 3.24 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. voor de instellingen, bedoeld in artikel 3.23, gezamenlijk: € 142 miljoen;

    • b. voor de instelling, bedoeld in artikel 3.24: € 5,09 miljoen.

  • 2 Aan een instelling aan welke de minister tevens een vierjaarlijkse instellingssubsidie heeft verleend voor de jaren 2009 tot en met 2012 verleent de minister op grond van deze afdeling niet meer subsidie dan in die periode, tenzij de minister het wenselijk acht dat de instelling specifieke nieuwe activiteiten ontplooit.

Artikel 3.26. Specifieke weigeringsgrond

  • 1 Een instelling komt niet voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie op grond van deze afdeling in aanmerking indien de instelling in de vier jaar voorafgaand aan de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, subsidie voor het beheer en behoud van haar collectie van cultureel erfgoed ontvangt of heeft ontvangen en subsidie uitsluitend verstrekt is door een ander bestuursorgaan dan de minister.

  • 2 Onder subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan subsidie voor een afgerond geheel van activiteiten, dat beperkt is in de tijd.

Artikel 3.27. Rangorde

  • 1 Ten behoeve van de beslissing aan welke instellingen vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt verleend, maakt de minister een rangorde van de instellingen die voor subsidie in aanmerking komen op grond van artikel 3.23.

  • 2 In de rangorde hebben instellingen waarmee de Staat der Nederlanden gedurende de looptijd van de vierjaarlijkse instellingssubsidie een overeenkomst heeft voor het beheer van museale voorwerpen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen, die aan het Rijk toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, voorrang op andere instellingen.

Artikel 3.28. Subsidieverplichting

  • 1 Onverminderd artikel 2.15, tweede tot en met vierde lid, geeft een instelling waaraan op grond van artikel 3.23 subsidie is verleend jaarlijks in het bestuursverslag, bedoeld in de artikelen 2.15 en 2.23, tweede lid, inzicht in:

    • a. het aantal objecten van de collectie dat is geregistreerd, gedigitaliseerd en ontsloten;

    • b. het aantal geconserveerde en gerestaureerde objecten van de collectie;

    • c. het aantal objecten uit legaten en schenkingen dat door de instelling is aanvaard op eigen naam of namens de Staat der Nederlanden; en

    • d. het aantal objecten dat zichtbaar is voor het algemene publiek.

  • 2 Indien een instelling voor een wetenschappelijke functie subsidie ontvangt, geeft de instelling tevens in het bestuursverslag inzicht over het desbetreffende jaar in:

    • a. het aantal wetenschappelijke publicaties van de instelling;

    • b. het aantal verrichte wetenschappelijke onderzoeken al dan niet in samenwerking met een onderzoeksinstelling; en

    • c. behaalde wetenschappelijke prijzen, citaten van wetenschappelijk onderzoek van de instelling en de onderzoeksallianties die zijn aangegaan met universiteiten.

Afdeling 3.4. Beeldende kunst

Artikel 3.29. Presentatie-instellingen

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een grote gemeente of een regio heeft en als kernactiviteit de presentatie van een vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context, indien de instelling:

    • a. beschikt over een ruimte die geschikt is voor het tonen van de presentaties;

    • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;

    • c. een toonaangevende programmering verzorgt;

    • d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en

    • e. niet overwegend gericht is op het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed.

  • 2 De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste twee instellingen subsidie.

  • 3 Tevens kan de minister op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier andere instellingen subsidie verstrekken, waarvan ten hoogste twee instellingen hun standplaats in de grote gemeenten hebben, indien die instellingen eveneens over een groot internationaal netwerk beschikken.

  • 4 Op grond van dit artikel wordt aan ten hoogste één instelling per grote gemeente subsidie verstrekt.

Artikel 3.30. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van een begeleidingsprogramma op het terrein van beeldende kunst, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, indien de instelling een internationaal toonaangevend programma verzorgt en ten minste tien deelnemers begeleidt.

Artikel 3.31. Subsidieplafonds

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.29 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. voor een instelling als bedoeld in het tweede lid: € 200.000;

    • b. voor een instelling als bedoeld in het derde lid: € 500.000.

  • 2 Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.30 is jaarlijks voor een instelling per deelnemer ten hoogste € 50.000 beschikbaar en is in totaal jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 2,5 miljoen beschikbaar.

Afdeling 3.5. Film

Artikel 3.32. Festivals

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van art housefilms en aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van documentaires, indien de activiteiten van de instelling:

    • a. een groot publiek bereiken;

    • b. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;

    • c. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en

    • d. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.

  • 2 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film, indien de activiteiten van de instelling:

    • a. een groot publiek bereiken;

    • b. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en

    • c. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.

Artikel 3.33. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de film, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. behoud, beheer en ontsluiting van collecties;

  • b. ontwikkeling en verspreiding van leermateriaal voor het onderwijs en verzorging van klassenvoorstellingen; en

  • c. internationale promotie en versterking van de internationale marktpositie van de Nederlandse filmsector.

Artikel 3.34. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.32 en 3.33 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor de instellingen, bedoeld in artikel 3.32, gezamenlijk: € 2,42 miljoen;

  • b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.33: € 6,68 miljoen.

Afdeling 3.6. Letteren

Artikel 3.35. Ondersteunende instellingen

  • 1 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke coördinatie van de leesbevordering en literatuureducatie.

  • 2 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke bemiddeling tussen schrijvers, scholen en bibliotheken voor het geven van lezingen over en rond het werk van die schrijvers ter bevordering van het lezen.

  • 3 De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke ondersteuning van bijzondere journalistieke projecten die leiden tot journalistieke producten of andere non-fictie werken.

Artikel 3.36. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.35 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor een instelling als bedoeld in het eerste lid: € 1,83 miljoen;

  • b. voor een instelling als bedoeld in het tweede lid: € 640.000;

  • c. voor een instelling als bedoeld in het derde lid: € 390.000.

Afdeling 3.7. Creatieve industrie (architectuur, vormgeving en nieuwe media)

Artikel 3.37. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van architectuur, vormgeving en nieuwe media, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. behoud, beheer en ontsluiting van collecties op het terrein van architectuur;

  • b. internationale promotie en versterking van de internationale marktpositie van de Nederlandse architectuur-, vormgeving- en nieuwe mediasector;

  • c. kennisontwikkeling en kennisspreiding;

  • d. volgen en stimuleren van multidisciplinaire ontwikkelingen; en

  • e. bevorderen van culturele, maatschappelijke en economische meerwaarde van de architectuur-, vormgeving- en nieuwe mediasector.

Artikel 3.38. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze afdeling is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 7,81 miljoen beschikbaar.

Afdeling 3.8. Bibliotheken

Artikel 3.39. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de openbare bibliotheken, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. afstemming en coördinatie;

  • b. informatie en reflectie;

  • c. vertegenwoordiging en promotie; en

  • d. instandhouding van een bibliotheekvoorziening voor zowel leesgehandicapten als varenden.

Artikel 3.40. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze afdeling is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 14,44 miljoen beschikbaar.

Afdeling 3.9. Amateurkunst en cultuureducatie

Artikel 3.41. Ondersteunende instelling

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van amateurkunst en cultuureducatie, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. professionalisering van de educatiefunctie in de culturele sector;

  • b. landelijke informatie- en netwerkfunctie voor zowel amateurkunst als cultuureducatie; en

  • c. onderzoek en monitoring voor zowel amateurkunst als cultuureducatie.

Artikel 3.42. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze afdeling is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 4,76 miljoen beschikbaar.

Afdeling 3.10. Bovensectorale ondersteunende instellingen

Artikel 3.43. Internationaal cultuurbeleid

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de coördinatie van de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. de coördinatie van internationale sectoroverschrijdende activiteiten;

  • b. het stimuleren van de mobiliteit van kunstenaars en instellingen; en

  • c. voorlichting over en ondersteuning van subsidieprogramma’s van de Europese Unie.

Artikel 3.44. Digitalisering erfgoed

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de digitalisering van erfgoed, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op een duurzame nationale infrastructuur voor digitaal erfgoed.

Artikel 3.45. Onderzoek en statistiek

De minister kan een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over kunst en cultuur in beleid en praktijk, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. het bevorderen en faciliteren van onderzoek over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid; en

  • b. het bevorderen en faciliteren van meningsvorming over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid.

Artikel 3.46. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.43 tot en met 3.45 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.43: € 880.000;

  • b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.44: € 570.000;

  • c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.45: € 710.000.

Afdeling 3.11. Aanvullende aanvraagronde

Artikel 3.47. Indieningstermijn en reikwijdte

In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, kunnen aanvragen om subsidie op grond van de volgende artikelen tevens tussen het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling aanvullende aanvraagronde culturele basisinfrastructuur 2013–2016 en voor 16 juli 2012 om 16:00 uur worden ontvangen:

  • a. artikel 3.10, voor zover de instelling:

    • 1°. het verzorgingsgebied van de gemeente Den Haag bestrijkt; of

    • 2°. de regio Noord bestrijkt;

  • b. artikel 3.14, voor zover de instelling haar standplaats in de regio Zuid heeft;

  • c. artikel 3.16.

Artikel 3.48. Bijzondere bepaling jeugdtheater

  • 1 In afwijking van artikel 3.10, tweede lid, kan de minister aan twee instellingen in een gemeente subsidie verstrekken voor zover aan een van die instellingen subsidie wordt verstrekt op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.47, onderdeel a.

Artikel 3.49. Bijzondere bepaling symfonieorkest regio Zuid

In afwijking van artikel 3.17, eerste lid, onder a, is voor een aanvraag als bedoeld in artikel 3.47, onder b, ten hoogste € 7 miljoen beschikbaar indien de instelling de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van twee of meer instellingen die ieder afzonderlijk in de jaren 2009 tot en met 2012 een kwalitatief en breed repertoire aan symfonisch aanbod verzorgen.

Artikel 3.50. Bijzondere bepaling symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten voor dans

In afwijking van artikel 3.16 kan subsidieverstrekking op grond van dat artikel tevens plaatsvinden aan meer dan één instelling die een aanvraag indient als bedoeld in artikel 3.47, onderdeel c, voor zover naar het oordeel van de minister sprake is van een geschikte verdeling van het totaal van de subsidiabele activiteiten over de aanvragen.

Artikel 3.51. Specifieke weigeringsgrond

Onverminderd artikel 3.5 komen aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 3.47, slechts voor subsidie in aanmerking voor zover na beoordeling van de aanvragen ingediend in de eerdere periode, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, het beschikbare bedrag voor de desbetreffende activiteiten niet geheel wordt verleend.

Afdeling 3.12. Bijzondere bijstelling bedragen

Artikel 3.52. Aanvullend bedrag loon-/prijspeil 2011–2012

Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan bij de verlening, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een bedrag worden toegevoegd, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden in het jaar 2011 onderscheidenlijk 2012.

Artikel 3.53. Aanvullend bedrag specifieke arbeidsvoorwaarden

Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van de artikelen 3.9, 3.10, 3.12, 3.21, 3.29, 3.32, 3.33, 3.37, 3.41 en 3.43 kunnen bij de verlening, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een of meer bedragen worden toegevoegd als tegemoetkoming in de kosten van een of meer door de minister te bepalen specifieke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 3.54. Aanvullend bedrag vervanging en verbetering huisvesting

Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan aan de volgende instellingen, al dan niet in afwijking van het desbetreffende subsidieplafond, bij de verlening een bedrag worden toegevoegd in verband met vervangingen en verbeteringen aan de huisvesting:

  • a. een instelling waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft voor de huur van een gebouw en de Staat als verhuurder de urgentie van de vervanging of verbetering heeft erkend en de door de verhuurder en instelling opgestelde offerte door de minister is goedgekeurd; of

  • b. een instelling waaraan op grond van afdeling 3.3 subsidie wordt verleend en waaraan in de periode daaraan voorafgaand op grond van artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie is verleend en voor zover die vervangingen of verbeteringen voortbouwen op vervangingen of verbeteringen waarvoor ook in de voorafgaande periode subsidie is verleend.

Artikel 3.55. Tussentijds aanvullend bedrag vervanging en verbetering huisvesting

Het bedrag van een vierjaarlijkse instellingssubsidie die is verleend aan een instelling waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft voor de huur van een gebouw kan tussentijds worden bijgesteld in verband met vervangingen of verbeteringen aan de huisvesting, al dan niet in afwijking van het desbetreffende subsidieplafond, voor zover de Staat der Nederlanden als verhuurder de urgentie van de vervanging of verbetering heeft erkend en de door de verhuurder en instelling opgestelde offerte door de minister is goedgekeurd.

Artikel 3.56. Hoogte aanvullende bedragen

  • 1 Een op grond van artikel 3.53 toe te voegen bedrag wordt berekend aan de hand van een door de minister vast te stellen percentage van het na de beoordeling van de aanvraag te verlenen subsidiebedrag.

  • 2 Een op grond van de artikelen 3.54 en 3.55 toe te voegen bedrag is gelijk aan de daadwerkelijke kosten die voor de vervanging of verbetering van de huisvesting door de instelling worden gemaakt.

  • 3 Ingeval van toepassing van artikel 3.52 kan de minister bepalen welk deel van de subsidie in aanmerking wordt genomen voor toevoeging in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet

§ 4.1. Indiening van bescheiden

Artikel 4.1. Toepassing

Paragraaf 2.2 is niet van toepassing op de verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen.

Artikel 4.2. Indiening van de begroting

  • 1 De fondsen dienen uiterlijk op 1 februari in het jaar voorafgaand aan de aanvang van de subsidieperiode van vier kalenderjaren een begroting en een beleidsplan in.

  • 2 Op de begroting is artikel 2.5 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien de minister hier om verzoekt, verstrekt de aanvrager tevens een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd.

  • 4 Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing op de fondsen bij de indiening van de begroting.

  • 5 Een fonds stelt zijn beleidsplan op aan de hand van het voor het desbetreffende fonds door de minister bekendgemaakte beleidskader.

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies

§ 5.2. Subsidie op aanvraag en ambtshalve

Artikel 5.2. Subsidieverstrekking

  • 1 De minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken.

  • 2 De minister kan ambtshalve aan een fonds een projectsubsidie verstrekken.

Artikel 5.3. In te dienen documenten

  • 1 Een aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan en een begroting.

  • 2 Op het activiteitenplan is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De begroting behelst een overzicht van de geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 4 De begroting bevat een postgewijze toelichting.

  • 5 Indien de minister hierom verzoekt, verstrekt de aanvrager tevens een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd.

  • 7 In afwijking van het eerste lid gaat een subsidieaanvraag voor reeds verrichte activiteiten vergezeld van een verslag van de aard, duur en omvang van de gerealiseerde activiteiten en een jaarrekening of financieel verslag. Op de jaarrekening of het financieel verslag zijn de artikelen 2.26, met uitzondering van het vierde lid, en 2.27, eerste en derde lid, onderscheidenlijk artikel 5.12 van overeenkomstige toepassing.

§ 5.3. Subsidieverlening

Artikel 5.4. Beslistermijn en de beschikking

  • 1 De minister beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 De termijn, genoemd in het eerste lid, bedraagt 22 weken, indien de minister over de aanvraag advies inwint of een nader onderzoek naar de aanvraag instelt. Indien toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, doet de minister hiervan mededeling aan de aanvrager.

  • 3 Een beschikking tot subsidieverlening vermeldt de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, het subsidiebedrag en de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn afgerond.

  • 4 Indien de minister op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.3, zevende lid, beslist tot subsidieverstrekking, stelt hij de subsidie zonder voorafgaande verlening vast.

  • 5 In gevallen waarbij de minister besluit tot subsidieverstrekking zonder daarvoor een financiële of inhoudelijke verantwoording noodzakelijk te achten, kan hij, onverminderd het vierde lid, de subsidie zonder voorafgaande verlening vaststellen.

Artikel 5.6. Voorschotten en betaling

  • 1 Artikel 2.10 is van overeenkomstige toepassing op de bevoorschotting van projectsubsidies.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt een verleend subsidiebedrag dat minder dan € 25.000 bedraagt bij de subsidieverlening in één keer als voorschot betaald.

§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 5.7. Overeenkomstige verplichtingen

  • 2 De minister kan bij de verlening van een projectsubsidie die € 25.000 of meer bedraagt, artikel 2.21 toepassen.

Artikel 5.8. Publicaties en auteursrecht

  • 1 Indien een gesubsidieerd project leidt tot een publicatie, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en de subsidieverstrekker van het project zijn geweest.

  • 2 Indien de subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.

  • 3 De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.

Artikel 5.9. Verplichtingen bij subsidies van minder dan € 25.000

  • 1 Dit artikel is slechts van toepassing op een ontvanger van een subsidie die minder dan € 25.000 bedraagt.

  • 2 Op verzoek van de minister toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De subsidieontvanger toont dit zoveel mogelijk aan de hand van concrete en meetbare eenheden aan.

  • 3 De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan de minister, indien aannemelijk is dat:

    • a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet voor de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, zijn verricht; of

    • b. voor de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

§ 5.5. Subsidievaststelling

Artikel 5.10. Aanvraag

  • 1 De ontvanger van een subsidie die € 25.000 of meer bedraagt, dient binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag tot vaststelling door een subsidieontvanger die tevens een jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangt, geschieden door verantwoording van de subsidie met de:

    • a. bescheiden die vergezeld gaan van de aanvraag tot vaststelling van de jaarlijkse instellingssubsidie of vierjaarlijkse instellingssubsidie, of

    • b. periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15,

    voor zover de verantwoording van de subsidie daarin voldoende inzichtelijk is.

  • 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid en de activiteiten van de projectsubsidie zijn afgerond in het eerste, tweede of derde jaar van de subsidieperiode van de vierjaarlijkse instellingssubsidie, geschiedt de aanvraag tot vaststelling uiterlijk met de periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15, over het jaar waarin de activiteiten waarvoor de projectsubsidie is verleend, zijn afgerond.

  • 4 In afwijking van het eerste lid en onverminderd het tweede en derde lid, kan de minister bij de subsidieverlening bepalen dat de ontvanger van een subsidie die twee of meer jaren bestrijkt, jaarlijks voor een in de beschikking tot verlening van de subsidie op te nemen datum een aanvraag tot vaststelling indient.

Artikel 5.11. In te dienen bescheiden

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een activiteitenverslag of bestuursverslag.

  • 2 Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie tevens vergezeld van een jaarrekening of financieel verslag.

  • 3 Op het activiteitenverslag is artikel 2.25 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.12. Financieel verslag

  • 1 Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de besteding van de subsidie door de subsidieontvanger. Het financieel verslag sluit aan op de indeling van de begroting, die voorafgaand aan de subsidieverlening is overgelegd. Belangrijke verschillen tussen financieel verslag en begroting worden toegelicht.

Artikel 5.13. Vaststelling

  • 1 Na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie stelt de minister de subsidie binnen 22 weken vast.

  • 2 Indien het verleende subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt, stelt de minister de subsidie binnen 22 weken na de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, ambtshalve vast.

  • 3 Met betrekking tot terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten is artikel 2.30 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

§ 6.1. Algemeen

Artikel 6.1. Hardheidsclausule

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen of onderdelen daarvan buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

§ 6.2. Overgangsbepalingen

Artikel 6.2. Overgangsrecht

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 2 De bepalingen krachtens deze regeling die betrekking hebben op de vaststelling en de daarmee verbonden wettelijke verplichtingen zijn van toepassing op de subsidies verleend krachtens de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen, met dien verstande dat de minister binnen zes maanden beslist op de aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie die in 2008 is verleend. In afwijking van de artikelen 2.15, eerste lid, en 5.10, tweede lid, bedraagt de termijn, genoemd in die artikelen, vier maanden voor subsidies die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. In afwijking van artikel 2.22, eerste lid, dient de ontvanger van een subsidie die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling binnen 4 maanden na afloop van de subsidieperiode een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2013, 35319, datum inwerkingtreding 19-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2010.

2 De bepalingen krachtens deze regeling die betrekking hebben op de vaststelling en de daarmee verbonden wettelijke verplichtingen zijn van toepassing op de subsidies verleend krachtens de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen, met dien verstande dat de minister binnen zes maanden beslist op de aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie die is verleend voor de inwerkingtreding van deze regeling. De beslistermijn van zes maanden is eveneens van toepassing op een projectsubsidie die tegelijkertijd met een vierjaarlijkse instellingssubsidie als bedoeld in de eerste volzin wordt verantwoord. In afwijking van de artikelen 2.15, eerste lid, en 5.10, tweede lid, bedraagt de termijn, genoemd in die artikelen, vier maanden voor subsidies die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. In afwijking van artikel 2.22, eerste lid, dient de ontvanger van een subsidie die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling binnen 4 maanden na afloop van de subsidieperiode een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

Artikel 6.2a. Overgangsrecht vierjaarlijkse instellingssubsidies onder € 125.000

  • 1 Bij de periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15, kan de ontvanger van een vierjaarlijkse instellingssubsidie, waarvan het verleende subsidiebedrag minder dan € 125.000 bedraagt, in plaats van een jaarrekening een financieel verslag als bedoeld in artikel 5.12 indienen.

  • 2 In afwijking van artikel 2.24 dient een ontvanger van een vierjaarlijkse instellingssubsidie, waarvan het verleende subsidiebedrag minder dan € 125.000 bedraagt, een jaarrekening als bedoeld in artikel 2.26 of een financieel verslag als bedoeld in artikel 5.12 in, alsmede een bestuursverslag als bedoeld in artikel 2.15 dat betrekking heeft op het vierde jaar van de subsidie. Op het bestuursverslag is artikel 2.15, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Artikel 2.27 is niet van toepassing op een ontvanger van een vierjaarlijkse instellingssubsidie, waarvan het verleende subsidiebedrag minder dan € 125.000 bedraagt.

§ 6.3. Wijziging van andere regelingen

Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Controleprotocol cultuursubsidies instellingen

1. Algemene uitgangspunten

1.1. Doelstelling

Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van instellingen die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een jaarlijkse instellingssubsidie vanaf € 125.000, een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van de instelling een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van de instelling, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

1.2. Uitgangspunten

Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.

De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van de instelling verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen.

Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.

1.3. Accountantsproducten

De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een accountantsverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van de instelling worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).

De prestatieverantwoording van de instelling geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.

De instelling stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het eventueel afgegeven rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven accountantsverklaring, naar OCW. Daarbij kan worden aangegeven hoe het bestuur heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.

1.4. Procedure controleprotocol

Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.

1.5. Wet- en regelgeving

Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012 op de verantwoording van de cultuurinstellingen van toepassing is verklaard.

In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:

1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole

Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.

2. Controle op de verantwoording

2.1. Definities

2.1.1. De jaarlijkse verantwoording

De jaarlijkse verantwoording van de instelling voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een jaarlijkse instellingssubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een jaarrekening en een activiteitenverslag. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.

De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1A bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

2.1.2. Referentiekader

– De controlecriteria

De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.

– De verslaggevingscriteria

Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.

2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.

 

Onjuistheden (in de  verantwoording

Onzekerheden (in de controle)

Beperking

Afkeuring

Beperking

Oordeelonthouding

Rechtmatigheid

       

A Rechtmatigheid besteding (% van de totale subsidie van OCW)

> 1 en < 3

≥ 3

> 3 en < 10

≥ 10

Getrouwheid

       

B Balans (% van de (geconsolideerde) balanstelling)

> 5 en < 10

≥ 10

> 5 en < 10

≥ 10

C Exploitatierekening (% van de totale lasten)

> 2 en < 5

≥ 5

> 5 en < 10

≥ 10

2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)

Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fouten die wel en fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid van de baten en de lasten. Geconstateerde fouten die wel invloed hebben, moeten voor zover mogelijk door de instelling worden gecorrigeerd. Het betreft hier fouten als gevolg van onrechtmatige besteding van de subsidie. Hierbij is het niet van belang of de tolerantiegrenzen worden overschreden. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid gelden de toleranties die in het schema staan. De instelling dient deze fouten te corrigeren indien de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1 % van de totale subsidie van OCW, die niet zijn gecorrigeerd, in het rapport van bevindingen. Hij vermeldt daarbij de aard en de omvang van de geconstateerde fouten. Fouten worden in absolute zin opgevat, voor zover het de financiële rechtmatigheid betreft. Salderen van fouten is daarom niet toegestaan.

2.2. Jaarrekening per post

2.2.1. Balans

– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies

De accountant stelt vast dat een aan het eind van een jaar nog niet besteed deel van een projectsubsidie op de balans is opgenomen als vooruit ontvangen subsidie, zoals aangegeven in RJ 221 ‘onderhanden projecten in opdracht van derden’, met name 221.304.

Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

2.2.2. Exploitatierekening

Opbrengsten

– Indirecte opbrengsten

De accountant stelt vast dat de instelling een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .

Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de instelling om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.

Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

Lasten

– Activiteitenlasten

De accountant stelt vast dat de instelling geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

– Projectsubsidies vanaf € 125.000

Projectsubsidies vanaf € 125.000 worden bij voorkeur verantwoord in de jaarrekening. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Voor de toepassing van de tabel in 2.1.3 geldt hier als omvangsbasis het totaalbedrag van de geoormerkte subsidies.

Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen

– WOPT

De accountant stelt integraal vast of de opgave van de instelling op grond van de Wet openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) juist en volledig is. De accountant neemt geconstateerde fouten op in zijn rapport van bevindingen. In aanvulling hierop neemt de accountant, ongeacht de materialiteit, indien niet voldaan is aan de WOPT de standaard tekstpassage hieromtrent op in de accountantsverklaring onder de ‘Verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’.

2.3. Het bestuursverslag

De accountant stelt vast dat het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening en alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. Als de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens

Doelstelling

De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen. Zij zijn:

  • (a) op een ordelijke, controleerbare en deugdelijke wijze tot stand gekomen:

    • de verantwoordelijkheden en bevoegdheden in het proces zijn duidelijk vastgelegd;

    • het totstandkomingsproces is achteraf reconstrueerbaar;

    • de prestatiegegevens die als uitkomst van het proces worden opgeleverd stemmen overeen met die in de verantwoording zijn opgenomen.

  • (b) niet strijdig met de financiële informatie in de verantwoording.

Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.

Uit te voeren specifieke werkzaamheden

Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:

  • 1. Vaststellen dat het proces van verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van de prestatiegegevens is beschreven.

  • 2. Vaststellen dat in de beschrijving van het proces beheersingsmaatregelen, waaronder functiescheiding, zijn opgenomen om de juistheid en volledigheid van de prestatiegegevens te waarborgen.

  • 3. Vaststellen door middel van deelwaarneming, waarvan de omvang afhankelijk is van het aantal malen per jaar dat het proces wordt uitgevoerd, dat het proces en de daarin opgenomen beheersingsmaatregelen bestaan conform de beschrijving.

  • 4. Vaststellen dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot het proces zijn vastgelegd.

  • 5. Vaststellen dat de in de verantwoording opgenomen prestatiegegevens overeenstemmen met de vastlegging daarvan in de desbetreffende onderdelen van de administratie.

  • 6. Vaststellen in gevallen dat prestatiegegevens zijn geschat, dit in de verantwoording daarbij is vermeld inclusief de wijze van totstandkoming van de schatting (methodologie).

  • 7. Vaststellen in gevallen dat prestatiegegevens zijn geschat, dat de schattingen zijn bepaald overeenkomstig de methodologie zoals uiteengezet in de verantwoording.

  • 8. Vaststellen dat prestatiegegevens niet strijdig zijn met de financiële gegevens zoals opgenomen in de jaarrekening.

Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.

Rapportage

De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan: <<Naam opdrachtgever>>

Verklaring betreffende de jaarrekening

Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <<nummer>> tot en met pagina <<nummer>> opgenomenjaarrekening <<jaartal>> van <<naam entiteit>> te <<statutaire vestigingsplaats>> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <<jaartal>> en de exploitatierekening over <<jaartal>> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Het bestuur van de <<entiteit>> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <<entiteit>>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <<entiteit>> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <<naam entiteit>> per 31 december <<jaartal>> en van het resultaat over <<jaartal>> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <<jaartal>> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd.1Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag. (alleen van toepassing bij jaarlijkse instellingssubsidie)

Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)

<<Plaats>>, <<datum>>

<<Naam accountant>>

5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan: <<Naam opdrachtgever>>

Verklaring betreffende het financieel verslag

Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <<naam project>> van <<naam opdrachtgever>> te <<statutaire vestigingsplaats>> over <<tijdvak>> gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever

<<Naam opdrachtgever>> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <<Naam opdrachtgever>> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <<Naam opdrachtgever>> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over het financieel verslag op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat het financieel verslag geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <<Naam opdrachtgever>>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <<Naam opdrachtgever>> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <<naam project>> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].

Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over <jaartal> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.

Overige aangelegenheden

Het financieel verslag van <<naam opdrachtgever>> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <<naam opdrachtgever>> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

<<Plaats>>, <<datum>>

<<Naam accountant>>

Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid

Controleprotocol cultuursubsidies fondsen

1. Algemene uitgangspunten

1.1. Doelstelling

Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de cultuurfondsen (hierna te noemen ‘fonds’) die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van het fonds een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van het fonds, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

1.2. Uitgangspunten

Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.

De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen. Het rechtmatigheidsbegrip houdt bij een fonds in het bijzonder in, dat het fonds de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen juist toepast en daarover verantwoording aflegt.

Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.

1.3. Accountantsproducten

De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een accountantsverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van het fonds worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).

De prestatieverantwoording van het fonds geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.

Het fonds stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het eventueel afgegeven rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven accountantsverklaring, naar OCW. Daarbij kan worden aangegeven hoe het bestuur heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.

1.4. Procedure controleprotocol

Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.

1.5. Wet- en regelgeving

Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012 op de verantwoording van de cultuurinstellingen van toepassing is verklaard.

In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:

1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole

Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.

2. Controle op de verantwoording

2.1. Definities

2.1.1. De jaarlijkse verantwoording

De jaarlijkse verantwoording van het fonds voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.

De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1B bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

2.1.2. Referentiekader

– De controlecriteria

De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan het fonds opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.

– De verslaggevingscriteria

Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.

2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.

 

Onjuistheden (in de  verantwoording

Onzekerheden (in de controle)

Beperking

Afkeuring

Beperking

Oordeelonthouding

Rechtmatigheid

       

A Rechtmatigheid besteding (% van de totale subsidie van OCW)

> 1 en < 3

≥ 3

> 3 en < 10

≥ 10

Getrouwheid

       

B Balans (% van de (geconsolideerde) balanstelling)

> 5 en < 10

≥ 10

> 5 en < 10

≥ 10

C Exploitatierekening (% van de totale lasten)

> 2 en < 5

≥ 5

> 5 en < 10

≥ 10

2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)

Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fouten die wel en fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid van de baten en de lasten. Geconstateerde fouten die wel invloed hebben, moeten voor zover mogelijk door het fonds worden gecorrigeerd. Het betreft hier fouten als gevolg van onrechtmatige besteding van de subsidie. Hierbij is het niet van belang of de tolerantiegrenzen worden overschreden. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid gelden de toleranties die in het schema staan. Het fonds dient deze fouten te corrigeren indien de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1 % van de totale subsidie van OCW, die niet zijn gecorrigeerd, in het rapport van bevindingen. Hij vermeldt daarbij de aard en de omvang van de geconstateerde fouten. Fouten worden in absolute zin opgevat, voor zover het de financiële rechtmatigheid betreft. Salderen van fouten is daarom niet toegestaan.

2.2. Jaarrekening per post

2.2.1. Balans

– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies

De accountant stelt vast dat een aan het eind van een jaar nog niet besteed deel van een projectsubsidie op de balans is opgenomen als vooruit ontvangen subsidie, zoals aangegeven in RJ 221 ‘onderhanden projecten in opdracht van derden’, met name 221.304. Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

2.2.2. Exploitatierekening

Opbrengsten

– Indirecte opbrengsten

De accountant stelt vast dat het fonds een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .

Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het fonds om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.

Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

Lasten

– Activiteitenlasten

De accountant stelt vast dat de door het fonds verantwoorde subsidies rechtmatig zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen. De essentie is dat de subsidieontvangers van een fonds zich houden aan deze reglementen en regelingen en dat het fonds die regels consequent toepast bij het subsidiëren van de activiteiten van de subsidieontvanger. Ook stelt de accountant vast dat het fonds in voorkomende gevallen het eigen sanctiebeleid ten uitvoer brengt, indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de gestelde voorwaarden. De controle van de accountant bevat op dit onderdeel van de financiële verantwoording van een fonds minimaal de volgende toetspunten:

  • De rechtmatigheid van de subsidieaanvraag

  • De rechtmatigheid van de aangegane subsidieverplichting

  • De rechtmatigheid van de betaalde en verrekende subsidievoorschotten

  • De rechtmatigheid van de subsidievaststelling

  • De rechtmatigheid van de teruggevorderde subsidievoorschotten (lager vastgestelde en ingetrokken subsidies)

Voorts stelt de accountant vast dat indien het fonds subsidieverplichtingen voor de volgende vierjaarlijkse subsidieperiode heeft aangegaan, in de desbetreffende beschikkingen een voorbehoud is gemaakt voor het verkrijgen van subsidie van het ministerie van OCW. Daarnaast stelt hij vast dat deze subsidieverplichtingen niet ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht maar in de toelichting zijn opgenomen als ‘Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen’.

De accountant werkt deze toetspunten uit in de opzet en de uitvoering van zijn controle.

– Overige lasten

De accountant stelt vast dat het fonds geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

– Projectsubsidies vanaf € 125.000

Projectsubsidies vanaf € 125.000 worden bij voorkeur verantwoord in de jaarrekening. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Voor de toepassing van de tabel in 2.1.3 geldt hier als omvangsbasis het totaalbedrag van de geoormerkte subsidies.

Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen

– WOPT

De accountant stelt integraal vast of de opgave van het fonds op grond van de Wet openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) juist en volledig is. De accountant neemt geconstateerde fouten op in zijn rapport van bevindingen. In aanvulling hierop neemt de accountant, ongeacht de materialiteit, indien niet voldaan is aan de WOPT de standaard tekstpassage hieromtrent op in de accountantsverklaring onder de ‘Verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’.

2.3. Het bestuursverslag

De accountant stelt vast dat het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening en alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. Als de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens

Doelstelling

De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen. Zij zijn:

  • (a) op een ordelijke, controleerbare en deugdelijke wijze tot stand gekomen:

    • de verantwoordelijkheden en bevoegdheden in het proces zijn duidelijk vastgelegd;

    • het totstandkomingsproces is achteraf reconstrueerbaar;

    • de prestatiegegevens die als uitkomst van het proces worden opgeleverd stemmen overeen met die in de verantwoording zijn opgenomen.

  • (b) niet strijdig met de financiële informatie in de verantwoording.

Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.

Uit te voeren specifieke werkzaamheden

Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:

  • 1. Vaststellen dat het proces van verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van de prestatiegegevens is beschreven.

  • 2. Vaststellen dat in de beschrijving van het proces beheersingsmaatregelen, waaronder functiescheiding, zijn opgenomen om de juistheid en volledigheid van de prestatiegegevens te waarborgen.

  • 3. Vaststellen door middel van deelwaarneming, waarvan de omvang afhankelijk is van het aantal malen per jaar dat het proces wordt uitgevoerd, dat het proces en de daarin opgenomen beheersingsmaatregelen bestaan conform de beschrijving.

  • 4. Vaststellen dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot het proces zijn vastgelegd.

  • 5. Vaststellen dat de in de verantwoording opgenomen prestatiegegevens overeenstemmen met de vastlegging daarvan in de desbetreffende onderdelen van de administratie.

  • 6. Vaststellen in gevallen dat prestatiegegevens zijn geschat, dit in de verantwoording daarbij is vermeld inclusief de wijze van totstandkoming van de schatting (methodologie).

  • 7. Vaststellen in gevallen dat prestatiegegevens zijn geschat, dat de schattingen zijn bepaald overeenkomstig de methodologie zoals uiteengezet in de verantwoording.

  • 8. Vaststellen dat prestatiegegevens niet strijdig zijn met de financiële gegevens zoals opgenomen in de jaarrekening.

Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.

Rapportage

De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan: <<Naam opdrachtgever>>

Verklaring betreffende de jaarrekening

Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <<nummer>> tot en met pagina <<nummer>> opgenomenjaarrekening <<jaartal>> van <<naam entiteit>> te <<statutaire vestigingsplaats>> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <<jaartal>> en de exploitatierekening over <<jaartal>> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Het bestuur van de <<entiteit>> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <<entiteit>>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <<entiteit>> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <<naam entiteit>> per 31 december <<jaartal>> en van het resultaat over <<jaartal>> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <<jaartal>> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd.2Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag. (alleen van toepassing bij jaarlijkse instellingssubsidie)

Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)

<<Plaats>>, <<datum>>

<<Naam accountant>>

5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan: <<Naam opdrachtgever>>

Verklaring betreffende het financieel verslag

Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <<naam project>> van <<naam opdrachtgever>> te <<statutaire vestigingsplaats>> over <<tijdvak>> gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever

<<Naam opdrachtgever>> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <<Naam opdrachtgever>> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <<Naam opdrachtgever>> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over het financieel verslag op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat het financieel verslag geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <<Naam opdrachtgever>>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <<Naam opdrachtgever>> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <<naam project>> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].

Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over <jaartal> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.

Overige aangelegenheden

Het financieel verslag van <<naam opdrachtgever>> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <<naam opdrachtgever>> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

<<Plaats>>, <<datum>>

<<Naam accountant>>

  1. De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op winst gerichte rechtspersonen.

    ^ [1]
  2. De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op winst gerichte rechtspersonen.

    ^ [2]
Terug naar begin van de pagina