Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009

Geldend van 01-07-2011 t/m 31-12-2015

Besluit van 30 november 2009, houdende regels ter uitvoering van de milieudoelstellingen van de kaderrichtlijn water (Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2009, nr. BJZ2009022292, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op:

De Raad van State gehoord (advies van 3 september 2009, no. W08.09.0109/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 november 2009, nr. BJZ2009063271, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • beheerplan voor de rijkswateren: plan als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Waterwet dat op rijkswateren betrekking heeft;

    • beheerplan voor de regionale wateren: plan als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Waterwet dat op regionale wateren betrekking heeft;

    • grondwaterlichaam: grondwaterlichaam als bedoeld in artikel 2 van de kaderrichtlijn water, dat krachtens artikel 4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het regionale waterplan;

    • grondwaterrichtlijn: richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU L 372);

    • kunstmatig oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig krachtens artikel 4.5 of 4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het nationale waterplan of het regionale waterplan;

    • milieukwaliteitseis: milieudoelstelling, vastgesteld als eis als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet;

    • monitoringsprogramma: monitoringsprogramma als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de wet;

    • nationaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Waterwet;

    • oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2 van de kaderrichtlijn water, dat krachtens artikel 4.5 of 4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het nationale waterplan of het regionale waterplan;

    • Onze Ministers: Onze Minister tezamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft, die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren;

    • regionale wateren: regionale wateren als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;

    • regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet;

    • richtlijn prioritaire stoffen: Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG;

    • richtwaarde: als richtwaarde aangemerkte milieukwaliteitseis als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de wet;

    • rijkswateren: rijkswateren als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;

    • sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig krachtens artikel 4.5 of 4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het nationale waterplan of het regionale waterplan;

    • stroomgebieddistrict: stroomgebieddistrict als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, gevormd door een of meer stroomgebieden en daarvan deel uitmakende deelstroomgebieden;

    • typen natuurlijk oppervlaktewaterlichaam: rivieren, meren, overgangswateren of kustwateren als omschreven in bijlage II, punt 1.2 bij de kaderrichtlijn water, waarvoor de typespecifieke referentieomstandigheden voor Nederland zijn uitgewerkt in de ministeriële regeling op grond van artikel 15 en in het monitoringsprogramma overeenkomstig bijlage II, punt 1.3, bij de kaderrichtlijn water;

    • verontreinigende stof: verontreinigende stof als bedoeld in artikel 1, onder 31, van de kaderrichtlijn water, met name de stoffen, bedoeld in bijlage VIII bij die richtlijn;

    • waterlichaam: oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam;

    • waterwinlocatie: onttrekkingspunt van oppervlaktewater of grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, of een samenstel van dergelijke onttrekkingspunten;

    • wet: Wet milieubeheer.

  • 2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de volgende begrippen verstaan wat daaronder in artikel 2 van de kaderrichtlijn water wordt verstaan: beschikbare grondwatervoorraad, binnenwateren, deelstroomgebied, ecologische toestand, gevaarlijke stoffen, goede ecologische toestand, goed ecologisch potentieel, goede chemische toestand van oppervlaktewater, goede chemische toestand van grondwater, goede grondwatertoestand, goede kwantitatieve grondwatertoestand, goede oppervlaktewatertoestand, grondwater, grondwatertoestand, kustwateren, kwantitatieve grondwatertoestand, meer, milieudoelstelling, milieukwaliteitsnorm, oppervlaktewater, oppervlaktewatertoestand, overgangswater, prioritaire stoffen, rivier, stroomgebied, verontreiniging, voor menselijke consumptie bestemd water.

  • 3 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de volgende begrippen verstaan wat daaronder in artikel 2 van de grondwaterrichtlijn wordt verstaan: drempelwaarde, significante en aanhoudend stijgende trend.

Artikel 2

  • 1 Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan uitsluitend worden afgeweken in de gevallen waarin en volgens de voorwaarden waaronder dit is toegestaan volgens de bepalingen van de kaderrichtlijn water, waarnaar in dit besluit wordt verwezen.

  • 2 Indien voor een waterlichaam ingevolge dit besluit of andere regelgeving meer dan een milieudoelstelling geldt, is de strengste van toepassing.

  • 3 Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan met betrekking tot de daarbij behorende termijn worden afgeweken indien:

    • a. de toestand van het waterlichaam niet achteruitgaat overeenkomstig artikel 16,

    • b. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, vierde en achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en

    • c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.

  • 4 Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan worden afgeweken indien:

    • a. de toestand van het waterlichaam niet achteruitgaat overeenkomstig artikel 16,

    • b. het desbetreffende waterlichaam in een zodanige mate door menselijke activiteiten is aangetast of zijn natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van de richtwaarde niet haalbaar of onevenredig kostbaar is,

    • c. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, vijfde en achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en

    • d. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.

  • 5 Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan met betrekking tot een goede ecologische toestand of een goede grondwatertoestand voorts worden afgeweken indien:

    • a. het niet bereiken daarvan het gevolg is van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlakterwaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam,

    • b. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, zevende en achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en

    • c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren betreft.

  • 6 Voor een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam zijn het tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het goede ecologische potentieel dat voor een oppervlaktewaterlichaam is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, tweede lid.

  • 7 Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan worden afgeweken indien:

    • a. de afwijking te wijten is aan een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron,

    • b. naleving van de richtwaarde ten gevolge van de grensoverschrijdende verontreiniging niet mogelijk is, en

    • c. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de richtlijn prioritaire stoffen.

Artikel 3

  • 1 Voor de toepassing van artikel 5.2b, vierde lid, van de wet geldt dat een tijdelijke achteruitgang van de toestand van een waterlichaam is toegelaten indien:

    • a. deze het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen en die uitzonderlijk zijn of niet redelijkerwijze waren te voorzien, met name extreme overstromingen en lange droogteperioden, of het gevolg zijn van omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen,

    • b. aan alle voorwaarden van artikel 4, zesde en achtste lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan, en

    • c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam wordt vermeld in het eerstvolgende beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het eerstvolgende regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 5.2b, vierde lid, van de wet geldt dat een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam is toegelaten indien:

    • a. het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen, dan wel het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling,

    • b. aan alle voorwaarden van artikel 4, zevende en achtste lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan, en

    • c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.

§ 2. Oppervlaktewater

Artikel 4

  • 1 Bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor de regionale wateren houdt het bevoegd gezag voor elk daarin opgenomen oppervlaktewaterlichaam rekening met de volgende richtwaarde: met ingang van 22 december 2015 is een goede oppervlaktewatertoestand bereikt.

  • 2 Een goede oppervlaktewatertoestand als bedoeld in het eerste lid houdt in dat zowel de chemische toestand, bedoeld in artikel 5, als de ecologische toestand, bedoeld in artikel 6, vastgesteld overeenkomstig die artikelen goed zijn.

Artikel 5

Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat is voldaan aan alle ingevolge bijlage I bij dit besluit daarvoor geldende richtwaarden.

Artikel 6

  • 1 Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede ecologische toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat voor de kwaliteitselementen die voor het type natuurlijk oppervlaktewaterlichaam waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort, zijn genoemd in bijlage V, paragraaf 1.1, bij de kaderrichtlijn water, is voldaan aan de volgende richtwaarden:

    de algemene definities van de goede ecologische toestand die voor het desbetreffende type zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water.

  • 2 Van de in het eerste lid bedoelde richtwaarden kan worden afgeweken indien:

    • a. het een kunstmatig waterlichaam of sterk veranderd waterlichaam betreft, en

    • b. voor dat waterlichaam, onder vermelding van de reden van de afwijking, een goed ecologisch potentieel is vastgesteld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren betreft.

  • 3 Een goed ecologisch potentieel als bedoeld in het tweede lid komt, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het oppervlaktewaterlichaam, zoveel mogelijk overeen met de richtwaarden voor de biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen van de goede ecologische toestand van de meest vergelijkbare typen natuurlijk oppervlaktewaterlichaam. Het wordt vastgesteld met inachtneming van de algemene definities van een goed ecologisch potentieel die zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water.

§ 3. Grondwater

Artikel 7

  • 1 Bij de vaststelling van een regionaal waterplan houden provinciale staten voor elk daarin opgenomen grondwaterlichaam rekening met de volgende richtwaarde: met ingang van 22 december 2015 is een goede grondwatertoestand bereikt.

  • 2 Een goede toestand als bedoeld in het eerste lid houdt in dat zowel de kwantitatieve toestand, bedoeld in artikel 8, als de chemische toestand, bedoeld in artikel 9, vastgesteld overeenkomstig die artikelen goed zijn.

Artikel 8

Een grondwaterlichaam verkeert in een goede kwantitatieve toestand indien is voldaan aan alle voorwaarden van bijlage V, punt 2.1.2, bij de kaderrichtlijn water.

Artikel 9

Een grondwaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat:

  • a. is voldaan aan alle voorwaarden van bijlage V, punt 2.3.2, bij de kaderrichtlijn water en de richtwaarden, genoemd in bijlage II, tabellen 1 en 2, bij dit besluit;

  • b. in een of meer monitoringspunten niet is voldaan aan een richtwaarde als bedoeld in onderdeel a, maar gedeputeerde staten door een passend onderzoek overeenkomstig bijlage III bij de grondwaterrichtlijn hebben bevestigd dat is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, tweede lid, onderdeel c, en vijfde lid, van die richtlijn.

Artikel 10

  • 1 Bij de vaststelling van een regionaal waterplan houden provinciale staten rekening met de volgende richtwaarde: in een grondwaterlichaam vinden met ingang van 22 december 2009 geen significante en aanhoudend stijgende trends plaats in de concentraties van verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, die een significant schaderisico opleveren voor de kwaliteit van een aquatisch of terrestrisch ecosysteem, de menselijke gezondheid of voor het rechtmatig gebruik, feitelijk of potentieel, van het watermilieu.

  • 2 Een significante en aanhoudend stijgende trend levert een significant schaderisico als bedoeld in het eerste lid, op, indien het beginpunt voor een trendomkering wordt of dreigt te worden overschreden, en niet de overeenkomstig artikel 5, tweede lid, van de grondwaterrichtlijn vereiste maatregelen worden genomen.

  • 3 Het beginpunt voor een trendomkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt 75 procent van de richtwaarden die in bijlage III, tabellen 1 en 2, bij dit besluit zijn opgenomen.

  • 4 Van de ingevolge het eerste lid geldende richtwaarde kan met betrekking tot het in het derde lid vermelde percentage worden afgeweken indien:

    • a. sprake is van een situatie als bedoeld in bijlage IV, deel B, punt 1, onder c, van de grondwaterrichtlijn,

    • b. in het regionale waterplan voor een grondwaterlichaam een hoger percentage is vermeld,

    • c. is voldaan aan alle voorwaarden van de in onderdeel a genoemde bepaling, en

    • d. de reden van de afwijking is vermeld in het in onderdeel b bedoelde plan.

§ 4. Waterwinlocaties

Artikel 11

Voor de toepassing van artikel 12 wordt onder een waterwinlocatie verstaan een locatie die als zodanig is opgenomen in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.

Artikel 12

  • 1 Bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor de regionale wateren houdt het bevoegd gezag voor elke waterwinlocatie waar oppervlaktewater wordt onttrokken, rekening met de richtwaarden die voor het onttrokken water zijn opgenomen in bijlage III, tabel 1, bij dit besluit.

  • 2 Aan de richtwaarde wordt met ingang van 22 december 2009 voldaan.

  • 3 Bij de vaststelling van een plan als bedoeld in het eerste lid worden de volgende streefwaarden betrokken:

    • a. de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen waarin een waterwinlocatie is gelegen, verbetert zodanig dat het niveau van zuivering van het onttrokken water kan worden verlaagd totdat het onttrokken water voldoet aan alle ingevolge bijlage III, tabel 2, bij dit besluit geldende streefwaarden;

    • b. de kwaliteit van grondwaterlichamen waarin een waterinlocatie is gelegen, verbetert zodanig dat het niveau van zuivering van het onttrokken water kan worden verlaagd;

    • c. de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen waaruit na oeverinfiltratie op een waterwinlocatie water wordt onttrokken, verbetert zodanig dat het niveau van zuivering van het onttrokken water kan worden verlaagd.

§ 5. Monitoring

Artikel 13

  • 1 Onze Ministers stellen met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn en de richtlijn prioritaire stoffen voor elk stroomgebieddistrict een monitoringsprogramma vast. Het programma omvat een aanduiding van de monitoringspunten, en een beschrijving van de wijze van:

    • a. monitoring van de toestand van een waterlichaam, voor zover het stoffen en kwaliteitselementen betreft, die relevant zijn voor de toestand van het waterlichaam,

    • b. monitoring van tendensen met betrekking tot de concentraties van stoffen,

    • c. monitoring van de kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam, met inbegrip van een beoordeling van de beschikbare grondwatervoorraad,

    • d. interpretatie en presentatie van de monitoringsresultaten,

    • e. indeling van een waterlichaam in een toestandsklasse,

    • f. verslaglegging over de monitoringsresultaten, en

    • g. vaststelling van de toestandsklasse waarin een waterlichaam zich bevindt, per stof en kwaliteitselement, ten behoeve van de toepassing van artikel 16,

    teneinde representatieve monitoringsgegevens te verkrijgen, die een samenhangend totaalbeeld van de toestand van de waterlichamen binnen het stroomgebieddistrict geven.

  • 2 In het monitoringsprogramma kan overeenkomstig punt 1.3.4 van bijlage V bij de kaderrichtlijn water worden bepaald dat statistische methoden worden toegepast, waaronder een percentielberekening, zodat een aanvaardbaar niveau van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid wordt gewaarborgd wanneer wordt bepaald of is voldaan aan een richtwaarde die in dit besluit is vastgesteld. De statistische methoden voldoen aan overeenkomstig de procedure van artikel 21, tweede lid, van de kaderrichtlijn water vastgestelde regels.

  • 3 Het programma wordt getoetst en bijgesteld in gevallen waarin dat vereist wordt door de kaderrichtlijn water.

  • 4 In afwijking van het eerste lid wordt een onderdeel van het monitoringsprogramma dat betrekking heeft op monitoring voor nader onderzoek, in gevallen als bedoeld in bijlage V, onder 1.3.3, bij de kaderrichtlijn water, of op monitoring voor aanvullende trendbeoordeling, in gevallen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de grondwaterrichtlijn, met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in die richtlijnen, vastgesteld door het bestuursorgaan dat krachtens artikel 14 verantwoordelijk is voor de monitoring van het desbetreffende waterlichaam.

  • 5 Van een monitoringsprogramma of een onderdeel daarvan als bedoeld in het vierde lid en een bijstelling van dat programma of onderdeel geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat openbaar kennis.

Artikel 14

Voor de uitvoering van het monitoringsprogramma zijn, ieder voor zover hun bevoegdheid strekt, verantwoordelijk:

Artikel 15

Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in de kaderrichtlijn water, in het bijzonder bijlage V, paragraaf 1.2.6, bij die richtlijn, de grondwaterrichtlijn en de richtlijn prioritaire stoffen regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen van het monitoringsprogramma die zijn vermeld in artikel 13, eerste lid.

Artikel 16

  • 1 In het monitoringsprogramma wordt, met inachtneming van het tweede lid, aangegeven op welke wijze aan het eind van de planperiode voor elk waterlichaam wordt vastgesteld of gedurende de planperiode is voldaan aan artikel 5.2b, vierde lid, van de wet.

  • 2 Er is niet aan artikel 5.2b, vierde lid, van de wet voldaan indien voor een stof of kwaliteitselement waarvoor ingevolge dit besluit een richtwaarde geldt:

    • a. de toestand van een waterlichaam in een lagere toestandklasse terecht is gekomen,

    • b. de kwaliteit van het waterlichaam in de laagste toestandklasse, bepaald overeenkomstig het monitoringsprogramma, is verslechterd, of

    • c. de kwaliteit van een waterlichaam waarin een waterwinlocatie is gelegen, zodanig is verslechterd dat een verhoging van het niveau van zuivering voor de bereiding van drinkwater is vereist, met dien verstande dat artikel 12, vierde lid, van overeenkomstige toepassing is indien de waterwinlocatie in een oppervlaktewaterlichaam voor de bereiding van drinkwater is gelegen.

  • 3 De indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een toestandklasse komt overeen met de laagste toestandklasse waarin de chemische toestand, de ecologische toestand, onderscheidenlijk het ecologische potentieel, verkeert.

  • 4 De indeling van een grondwaterlichaam in een toestandklasse komt overeen met de laagste toestand waarin de kwantitatieve toestand, onderscheidenlijk de chemische toestand, verkeert.

  • 5 Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende toestandklassen onderscheiden:

    • a. voor oppervlaktewaterlichamen:

      • 1°. wat betreft de chemische toestand: de toestandklasse goed als bedoeld in artikel 5, of niet goed;

      • 2°. wat betreft de ecologische toestand: de toestandklasse zeer goed, goed als bedoeld in artikel 6, eerste lid, matig, ontoereikend of slecht, bepaald voor het type natuurlijk oppervlaktewater waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort, zoals omschreven in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water;

      • 3°. wat betreft het ecologisch potentieel, indien van toepassing: de toestandklasse goed als bedoeld in artikel 6, derde lid, matig, ontoereikend of slecht, zoals omschreven in paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water, overeenkomstig hetgeen daaromtrent is aangegeven in het plan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b;

    • b. voor grondwaterlichamen:

      • 1°. wat betreft de kwantitatieve toestand: goed als bedoeld in artikel 8, en ontoereikend;

      • 2°. wat betreft de chemische toestand: goed als bedoeld in artikel 9, en ontoereikend.

  • 6 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van dit artikel.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 17

  • 1 De termijn, bedoeld in artikel 5.1, vijfde lid, van de wet, bedraagt zes jaar, tenzij een bij dit besluit gestelde milieukwaliteitseis eerder herziening behoeft ter implementatie van artikel 11, vijfde lid, vierde streepje van de kaderrichtlijn water.

Artikel 18

Een wijziging van de kaderrichtlijn water krachtens artikel 20 van de richtlijn, een wijziging van de grondwaterrichtlijn krachtens artikel 8 van de richtlijn of een wijziging van de richtlijn prioritaire stoffen krachtens artikel 3 van de richtlijn gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 19

Artikel 20

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 november 2009

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de negentiende januari 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage I. bij het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009

Tabel 1. Milieukwaliteitsnormen voor de goede chemische toestand van oppervlaktewaterlichamen (prioritaire stoffen)

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn richtwaarden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen.

Prioritaire stoffen

Milieukwaliteitsnormen

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

Nr.

Naam van de stof

CAS-nummer

JG-MKN1, 3

Landoppervlaktewateren2 (μg/l)

JG-MKN1, 3

Andere oppervlaktewateren2 (μg/l)

MAC-MKN3, 4

Landoppervlaktewateren2(μg/l)

MAC-MKN3, 4

Andere oppervlaktewateren2 (μg/l)

(1)

Alachloor

15972-60-8

0,3

0,3

0,7

0,7

(2)

Antraceen

120-12-7

0,1

0,1

0,4

0,4

(3)

Atrazine

1912-24-9

0,6

0,6

2,0

2,0

(4)

Benzeen

71-43-2

10

8

50

50

(5)

Gebromeerde Difenylethers5

32534-81-9

0,0005

0,0002

niet van toepassing

niet van toepassing

(6)

Cadmium en zijn verbindingen (afhankelijk van de waterhardheidsklasse)6

7440-43-9

≤ 0,08 (klasse 1)

0,08 (klasse 2)

0,09 (klasse 3)

0,15 (klasse 4)

0,25 (klasse 5)

0,2

≤ 0,45 (klasse 1)

0,45 (klasse 2)

0,6 (klasse 3)

0,9 (klasse 4)

1,5 (klasse 5)

≤ 0,45 (klasse 1)

0,45 (klasse 2)

0,6  (klasse 3)

0,9  (klasse 4)

1,5  (klasse 5)

(6 bis)

Tetrachloor-Koolstof

56-23-5

12

12

niet van toepassing

niet van toepassing

(7)

C10-13-chlooralkanen

85535-84-8

0,4

0,4

1,4

1,4

(8)

Chloorfenvinfos

470-90-6

0,1

0,1

0,3

0,3

(9)

Chloorpyrifos (ethyl-chlorpyriphos)

2921-88-2

0,03

0,03

0,1

0,1

9 bis)

Cyclodieenbestrijdingsmiddelen:

 

Σ=0,01

Σ=0,005

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Aldrin

309-00-2

       
 

Dieldrin

60-57-1

       
 

Endrin

72-20-8

       
 

Isodrin

465-73-6

       

9 ter)

DDT totaal7

niet van toepassing

0,025

0,025

niet van toepassing

niet van toepassing

para-para-DDT

50-29-3

0,01

0,01

niet van toepassing

niet van toepassing

(10)

1,2-Dichloorethaan

107-06-2

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

(11)

Dichloormethaan

75-09-2

20

20

niet van toepassing

niet van toepassing

(12)

Di(2-ethyl-hexyl)ftalaat (DEHP)

117-81-7

1,3

1,3

niet van toepassing

niet van toepassing

(13)

Diuron

330-54-1

0,2

0,2

1,8

1,8

(14)

Endosulfan

115-29-7

0,005

0,0005

0,01

0,004

(15)

Fluorantheen

206-44-0

0,1

0,1

1

1

(16)

Hexachloor-Benzeen

118-74-1

0,018

0,018

0,05

0,05

(17)

Hexachloorbuta-Dieen

87-68-3

0,18

0,18

0,6

0,6

(18)

Hexachloor-cyclohexaan

608-73-1

0,02

0,002

0,04

0,02

(19)

Isoproturon

34123-59-6

0,3

0,3

1,0

1,0

(20)

Lood en zijn verbindingen

7439-92-1

7,2

7,2

niet van toepassing

niet van toepassing

(21)

Kwik en zijn verbindingen

7439-97-6

0,058

0,058

0,07

0,07

(22)

Naftaleen

91-20-3

2,4

1,2

niet van toepassing

niet van toepassing

(23)

Nikkel en zijn verbindingen

7440-02-0

20

20

niet van toepassing

niet van toepassing

(24)

Nonylfenolen (4-(para)-nonylfenol)

104-40-5

0,3

0,3

2,0

2,0

(25)

Octylfenolen

((4-(1,1’,3,3’-tetramethylbutyl)-fenol))

140-66-9

0,1

0,01

niet van toepassing

niet van toepassing

(26)

Pentachloor-Benzeen

608-93-5

0,007

0,0007

niet van toepassing

niet van toepassing

(27)

Pentachloorfenol

87-86-5

0,4

0,4

1

1

(28)

Polyaromatische koolwaterstoffen (PAK)9

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Benzo(a)pyreen

50-32-8

0,05

0,05

0,1

0,1

 

Benzo(b)fluorantheen

205-99-2

Σ=0,03

Σ=0,03

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Benzo(k)fluorantheen

207-08-9

 

Benzo(g,h,i)-peryleen

191-24-2

Σ=0,002

Σ=0,002

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

193-39-5

(29)

Simazine

122-34-9

1

1

4

4

(29 bis)

Tetrachloor-ethyleen

127-18-4

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

(29 ter)

Trichloor-ethyleen

79-01-6

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

(30)

Tributyltinverbindingen (Tributyl-tinkation)

36643-28-4

0,0002

0,0002

0,0015

0,0015

(31)

Trichloorbenzenen

12002-48-1

0,4

0,4

niet van toepassing

niet van toepassing

(32)

Trichloormethaan

67-66-3

2,5

2,5

niet van toepassing

niet van toepassing

(33)

Trifluraline

1582-09-8

0,03

0,03

niet van toepassing

niet van toepassing

Tabel 2. Milieukwaliteitsnormen voor goede chemische toestand oppervlaktewaterlichamen (biota)

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn richtwaarden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen. Zij hebben betrekking op biota en gelden voor de volgende stoffen in aanvulling op de milieukwaliteitsnormen die hiervoor in tabel 1 zijn opgenomen.

Verontreinigende stoffen

Milieukwaliteitsnormen

(1)

(2)

(3)

(4)

Nr.

Naam van de stof

CAS-nummer

MKN (μg/kg)1

(16)

Hexachloor-benzeen

118-74-1

10

(17)

Hexachloorbutadieen

87-68-3

55

(21)

Kwik en zijn verbindingen

7439-97-6

20

Bijlage II. bij het Besluit kwaliteitseisen monitoring water 2009

Tabel 1. Europees vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn richtwaarden die betrekking hebben op grondwaterlichamen. Zij zijn door Nederland als drempelwaarden ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder b, en zesde lid, van de grondwaterrichtlijn vastgesteld.

Verontreinigende stof

Richtwaarde

Nitraten

50 mg/l

Werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan1

0,1 μg/l

0,5 μg/l (totaal)2

Tabel 2. Nationaal vastgestelde milieukwaliteitsnormen (drempelwaarden) voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn richtwaarden die betrekking hebben op grondwaterlichamen. Zij zijn door Nederland als drempelwaarden ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder b, en zesde lid, van de grondwaterrichtlijn vastgesteld, rekening houdend met bijlage VIII bij de kaderrichtlijn water.

Grondwaterlichamen

 

Richtwaarden voor verontreinigende stoffen

   

Cl

Ni

As

Cd

Pb

P-tot

Code

Omschrijving

mg/l

μg/l

μg/l

μg/l

μg/l

mg/l

NLGW0001

Zand Eems

140

30

15,0

0,5

11

1,0

NLGW0008

Zout Eems

n.r.

30

19,5

0,5

11

8,2

NLGW0002

Zand Rijn-Noord

140

30

15,0

0,5

11

0,6

NLGW0007

Zout Rijn-Noord

n.r.

30

15,0

0,5

11

1,2

NLGW0009

Deklaag Rijn-Noord

140

30

15,0

0,5

11

0,3

NLGW0015

Wadden Rijn-Noord

240

30

15,0

0,5

11

5,4

NLGW0004

Zand Rijn-Midden

1990

30

15,0

0,5

11

0,8

NLGW0003

Zand Rijn-Oost

140

30

15,0

0,5

11

0,6

NLGW0010

Deklaag Rijn-Oost

160

30

15,0

0,5

11

1,6

NLGW0005

Zand Rijn-West

140

30

15,0

0,5

11

0,1

NLGW0011

Zout Rijn-West

n.r.

30

15,0

0,5

11

9,0

NLGW0012

Deklaag Rijn-West

200

30

15,0

0,5

11

4,5

NLGW0016

Duin Rijn-West

240

30

15,0

0,5

11

6,0

NLGW0006

Zand Maas

140

30

15,0

0,5

11

0,4

NLGW0013

Zout Maas

n.r.

30

19,5

0,5

11

8,2

NLGW0017

Duin Maas

240

30

15,0

0,5

11

5,4

NLGW0018

Maas-Slenk-diep

140

30

15,0

0,5

11

n.r.

NLGW0019

Krijt Maas

140

30

15,0

0,5

11

0,2

NLGWSC0001

Zoet grondwater in duingebieden

140

30

15,0

0,5

11

5,4

NLGWSC0002

Zoet grondwater in dekzand

140

30

15,0

0,5

11

0,2

NLGWSC0003

Zoet grondwater in kreekgebieden

1000

30

25,5

0,5

11

1,5

NLGWSC0004

Zout grondwater in ondiepe zandlagen

n.r.

30

21,0

0,5

11

5,4

NLGWSC0005

Grondwater in diepe zandlagen

1500

30

15,0

0,5

11

n.r.

Bijlage 246170.png

Bijlage III. bij het Besluit kwaliteitseisen monitoring water 2009

Tabel 1. Milieukwaliteitsnormen met betrekking tot oppervlaktewater gebruikt voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn richtwaarden die betrekking hebben op oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Parameter

Eenheid

Norm

Zuurgraad

pH

7,0 – 9,0

Kleurintensiteit

mg/l

50

Gesuspendeerde stoffen

mg/l

50

Temperatuur

°C

25 (O)

Geleidingsvermogen voor elektriciteit

mS/m bij 20°C

100

Geurverdunningsfactor bij 20°C

20

Chloride

mg/l Cl

200

Sulfaat

mg/l SO4

100

Fluoride

mg/l F

1

Ammonium

mg/l N

1,2

Organisch gebonden stikstof

mg/l N

2,5

Nitraat

mg/l NO3

50

Fosfaat

mg/l P

0,3

Zuurstof opgelost

mg/l O2

≥ 5

Chemisch zuurstofverbruik

mg/l O2

40

Biochemisch zuurstofverbruik

mg/l O2

6

Natrium

mg/l Na

120

IJzer opgelost

mg/l Fe

0,3

Mangaan

μg/l Mn

500

Koper

μg/l Cu

50 (O)

Zink

μg/l Zn

200

Boor

μg/l B

1000

Arseen

μg/l As

20

Cadmium

μg/l Cd

1,5

Chroom (totaal)

μg/l Cr

20

Lood

μg/l Pb

30

Seleen

μg/l Se

10

Kwik

μg/l Hg

0,3

Barium

μg/l Ba

200

Cyanide

μg/l CN

50

Oppervlakte-actieve stoffen die reageren met methyleenblauw

μg/l

200

Met waterdamp vluchtige fenolen

μg/l C6H5OH

5

Minerale olie

μg/l

200

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

μg/l

1

Humaan toxicologisch relevante gewasbeschermingsmiddelen, biociden, en hun relevante afbraakprodukten (som)

μg/l

0,5

Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en hun relevante afbraakprodukten per afzonderlijke stof

μg/l

0,1

Choline-esterase remmers

μg/l

1

Bacteriën van de coligroep (totaal)

aantal per 100 ml

2000

Thermotolerante bacteriën van de coligroep

aantal per 100 ml

2000

Faecale streptococcen

Aantal per 100 ml

1000

Algenbiomassa

μg/l chlorofyl-a

100

Tabel 2. Milieukwaliteitsnormen met betrekking tot oppervlaktewater gebruikt voor de bereiding van drinkwater

De volgende milieukwaliteitsnormen zijn streefwaarden die betrekking hebben op oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de bereiding van drinkwater.

Parameter

Eenheid

Norm

Zuurgraad

pH

7,0 – 8,5

Gesuspendeerde stoffen

mg/l

25

Geleidingsvermogen voor electriciteit

mS/m bij 20°C

100

Geurverdunningsfactor bij 20°C

 

3

Chloride

mg/l Cl

150

Sulfaat

mg/l SO4

100

Fluoride

mg/l F

0,7

Ammonium

mg/l N

0,2

Organisch gebonden stikstof

mg/l N

1

Nitraat

mg/l NO3

25

Zuurstof opgelost

mg/l O2

> 6

Chemisch zuurstofverbruik

mg/l O2

30

Biochemisch zuurstofverbruik

mg/l O2

3

Natrium

mg/l Na

90

IJzer opgelost

mg/l Fe

0,1

Mangaan

μg/l Mn

50

Koper

μg/l Cu

20

Zink

μg/l Zn

200

Boor

μg/l B

1000

Arseen

μg/l As

10

Cadmium

μg/l Cd

1

Chroom (totaal)

μg/l Cr

20

Lood

μg/l Pb

30

Seleen

μg/l Se

10

Kwik

μg/l Hg

0,3

Barium

μg/l Ba

100

Cyanide

μg/l CN

50

Oppervlakte-actieve stoffen die reageren met methyleenblau

μg/l

200

Met waterdamp vluchtige fenolen

μg/l C6H5OH

5

Minerale olie

μg/l

50

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

μg/l

0,2

Humaan toxicologisch relevante gewasbeschermingsmiddelen, biociden, en hun relevante afbraakprodukten (som)

μg/l

0,5

Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en hun relevante afbraakprodukten per afzonderlijke stof

μg/l

0,1

Choline-esterase remmers

μg/l

1,0

Bacteriën van de coligroep (totaal)

aantal per 100 ml

50

Thermotolerante bacteriën van de coligroep

aantal per 100 ml

20

Faecale streptococce

aantal per 100 ml

20

Algenbiomassa

μg/l chlorofyl-a

100

Terug naar begin van de pagina