Waterregeling

Geraadpleegd op 17-05-2022.
Geldend van 01-01-2020 t/m 30-06-2020

Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • besluit: Waterbesluit;

  • minister: minister van Infrastructuur en Milieu;

  • SPF: Seasonal Performance Factor, waarmee het rendement van een bodemenergiesysteem wordt weergegeven, uitgedrukt als de door het systeem geleverde hoeveelheden warmte en koude per jaar in MWh, gedeeld door het gemeten of berekende energieverbruik van het systeem per jaar in MWh.

Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer

§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

Artikel 3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • waterkwaliteitsbeheer: uitvoeren en handhaven van bij of krachtens de wet gestelde regels met betrekking tot lozen als bedoeld in artikel 6.1 of 7.1 van de wet of de verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

  • waterkwantiteitsbeheer: uitvoeren en handhaven van bij of krachtens de wet gestelde regels ten aanzien van peilbesluiten of het brengen van water in of het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen;

  • waterstaatkundig beheer: beheer van oppervlaktewaterlichamen, anders dan waterkwaliteitsbeheer of waterkwantiteitsbeheer.

Artikel 3.2

  • 1 Het waterkwaliteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze gelegen zijn binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage II bij deze regeling.

  • 2 Het waterkwantiteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage III bij deze regeling.

  • 3 Het waterstaatkundig beheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage IV bij deze regeling.

Artikel 3.2a

Het waterstaatkundig beheer van rijkswateren berust, voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage IV bij deze regeling, bij het in de legenda bij de kaart genoemde niet tot het Rijk behorende overheidslichaam.

Artikel 3.3

  • 2 Tot de drogere oevergebieden, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

    • a. de binnen de in bijlage II bij deze regeling opgenomen begrenzing van drogere oevergebieden vallende oppervlaktewaterlichamen;

    • b. de kunstwerken die deel uitmaken van die oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 3.4

  • 1 In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van het oppervlaktewaterlichaam Noordzee aan de zeezijde gevormd door de grenzen van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone en de grenzen van de Nederlandse territoriale wateren.

  • 2 In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en de Waddenzee aan de landzijde gevormd door de duinvoet, voor zover zij niet overgaan in andere oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Indien geen duinvoet aanwezig is, worden de grenzen van deze oppervlaktewaterlichamen gevormd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering. Het gebied tussen de duinvoet en de grenzen als aangegeven op de kaarten in de bijlagen II, III en IV bij deze regeling is in beheer bij het Rijk.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid worden op en rond de Waddeneilanden de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en Waddenzee gevormd door de op de kaarten in de bijlagen II, III, en IV bij deze regeling opgenomen grenzen.

  • 4 Het beheer van de Noordzee, de Waddenzee, de Eems en de Dollard in de gebieden die zijn aangewezen op de kaarten in de bijlagen II, III en IV van deze regeling, berust bij het Rijk voor zover de Staat der Nederlanden bevoegdheden heeft op grond van het Eems-Dollard Verdrag.

Artikel 3.5

  • 1 De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee op Terschelling zijn niet in beheer bij het Rijk:

    • a. de voormalige rijkshaven bij West-Terschelling, inclusief de keermuur langs de Willem Barentszkade, de glooiingen Dellewal en Groene Strand, de Westhavendam, hoofd P, de Oosthavendam, de kaden, de loskade Dellewal, het opslagterrein, de houten steigers en de Plaat, het openbare deel van het veerhaventerrein en de hiervoor niet met name genoemde dammen;

    • b. de binnen de gemeente Terschelling gelegen zeven strandovergangen met bijbehorende werken en voorzieningen en het parkeerterrein bij de strandovergang paal 18 (Oosterend).

  • 2 De damwand en aanleginrichtingen van de veerdam op Schiermonnikoog en de terreingedeelten, die bij de veermaatschappij in pacht zijn, met uitzondering van het weglichaam op de veerdam en de verhardingen en taluds daarvan, maken onderdeel uit van het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee en zijn in beheer bij het Rijk.

  • 3 De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Harlingen zijn niet in beheer bij het Rijk:

    • a. de voormalige rijkshavenwerken te Harlingen, bestaande uit de Voorhaven, de Willemshaven en de Nieuwe Willemshaven;

    • b. de tot deze havens behorende kunstwerken, te weten de havendammen, wegen, kaden, waterkering, steigers en kompaspaal en alle overige tot de haven behorende werken, met uitzondering van het kantonniersverblijf nabij de visafslag, de aanleginrichting voor de veerdiensten van Harlingen naar Terschelling en Vlieland, de aanlegsteiger aan de Zuiderhavendam en de drijvende steiger in de vluchthaven met de daarbij behorende opstal.

  • 4 De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Ameland zijn niet in beheer bij het Rijk:

    • a. het openbare deel van de veerdam bij Nes Ameland;

    • b. de losstoep in de Ballumerbocht;

    • c. het fietspad door de duinen lopend vanaf de zuidzijde van het Hollumerbos tot de Oerderduinen;

    • d. de binnen de gemeente Ameland gelegen 36 strandovergangen, met bijbehorende werken en voorzieningen.

  • 5 De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Vlieland zijn niet in beheer bij het Rijk:

    • a. de voormalige rijkswerkhaven, inclusief de havendijk met coupure, de kaden aan de noord-, oost-, zuidoost- en zuidwestzijde van de haven, het haventerrein, het noordelijk en zuidelijk havenhoofd en de remmingwerken en steigers langs de beide havenhoofden;

    • b. de Waddenglooiing Oosterveld met voorliggende dammen;

    • c. de Waddenglooiing Westerveld met voorliggende dammen.

Artikel 3.6

In afwijking van artikel 3.2, is de begrenzing van het beheergebied van het Rijk voor waterkwaliteitsbeheer, waterkwantiteitsbeheer en waterstaatkundig beheer in het oppervlaktewaterlichaam Grensmaas gelijk aan de landsgrens tussen Nederland en België.

§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

Artikel 3.8

Hoofdstuk 4. Plannen

Artikel 4.1

Een regionaal waterplan omvat mede een overzicht van de toestandsklasse per stof en kwaliteitselement van elk waterlichaam waarop het plan betrekking heeft, bepaald over de voorgaande planperiode overeenkomstig het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009.

Artikel 4.2

Als organisaties en overlegstructuren als bedoeld in de artikelen 4.4, tweede lid, en 4.15, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:

  • a. de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee, bedoeld in de in op 12 september 1964 te Kopenhagen totstandgekomen overeenkomst betreffende de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (Trb. 1968, 43),

  • b. het Overlegorgaan Water en Noordzee, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit overleg verkeer en waterstaat 2004,

  • c. het Productschap voor Vis en Visproducten (Productschap Vis), bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten, en

  • d. de Regionale adviesraad Noordzee, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het besluit nr. 2004, 2004/585/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juli tot oprichting van regionale adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEU L 256/17).

Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.1

In een vergunning krachtens artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat de vergunning geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste tien jaar, indien zij wordt afgegeven voor het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van een of meer stoffen, behorende tot lijst I van bijlage I van richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld in:

  • a. richtlijn nr. 82/176/EEG van de Raad van 22 maart 1982, betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden (PbEG L 81);

  • b. richtlijn 83/513/EEG van de Raad van 26 september 1983 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium (PbEG L 291);

  • c. richtlijn nr. 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984, betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden (PbEG L 74);

  • d. richtlijn nr. 84/491/EEG van de Raad van 9 oktober 1984 betreffende de grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan (PbEG L 274); of

  • e. richtlijn nr. 86/280/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG L 181).

Artikel 6.2

Het bevoegd gezag beziet vier jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 6.1 is verleend, en vervolgens ten minste elke vier jaar, of die vergunning nog toereikend is, gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

Artikel 6.3a

Artikel 6.10a, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van:

  • a. een bronbemaling of proefbemaling, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 100 m3 per uur en in totaal niet meer bedraagt dan 100.000 m3;

  • b. beregening, bevloeiing of veedrenking, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur;

  • c. andere handelingen dan bedoeld onder a of b, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 10 m3 per uur.

Artikel 6.4

Artikel 6.5

  • 1 Degene die water infiltreert, meet de kwaliteit van het te infiltreren water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in bijlage VII bij deze regeling opgenomen parameters met de in die bijlage genoemde frequentie.

§ 4. Het gebruik van rijkswaterstaatswerken

Artikel 6.7

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.8

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt in ieder geval zodanig uitgevoerd dat:

  • a. de tot stand gebrachte werken door de gebruiker in goede staat worden onderhouden;

  • b. van calamiteiten of gebreken en andere onvolkomenheden door de gebruiker onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan de minister;

  • c. de gebruiker alle maatregelen treft die, zowel in het belang van een vlotte en veilige verkeersregulering als in het belang van de instandhouding van het betreffende oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk noodzakelijk zijn;

  • d. de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht;

  • e. na beëindiging van tijdelijke activiteiten het gebruikte deel van het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk, wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is, weer in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;

  • f. tijdens de activiteit of werkzaamheden het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk bereikbaar blijft voor de beheerder en voor hulpdiensten;

  • g. bestaand gebruik op de desbetreffende locatie redelijkerwijs zo min mogelijk hinder ondervindt, en

  • h. het gebruikte materiaal en materieel tijdig wordt verwijderd bij zodanig hoog water dat overstroming of wegslag hiervan dreigt.

Artikel 6.9

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt wanneer het vaarwegen betreft onverminderd het bepaalde in artikel 6.8, zodanig uitgevoerd dat:

  • a. de doorvaart van de scheepvaart, zowel in de breedte als in de hoogte, niet wordt belemmerd;

  • b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd;

  • c. de zichtlijnen voor de bedienings- en begeleidingsobjecten niet worden gehinderd;

  • d. geen hinder voor radar wordt veroorzaakt;

  • e. geen hinderlijke uitstraling van verlichting voor het scheepvaartverkeer wordt veroorzaakt;

  • f. geen open vuur of vuurwerk boven de vaarweg wordt aangestoken, en

  • g. geen werken of onderdelen daarvan, materiaal of materieel uit de damwand steken.

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

Artikel 6.11

  • 1 Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

    • a. het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk;

    • b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden;

    • c. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt;

    • d. het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik;

    • e. het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten, vlaggenmasten, tuin- en straatmeubilair of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is;

    • f. terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel;

    • g. het plaatsen van visfuiken of visnetten;

    • h. het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie;

    • i. het gelijkvloers op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk;

    • j. het plaatsen van kabels en leidingen mits:

      • 1°. deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren;

      • 2°. deze niet liggen, parallel of als kruising, in de veiligheidszone van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg, of

      • 3°. deze niet aangelegd worden middels boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist;

    • k. onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden, en

    • l. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen d, e en g, is niet van toepassing op kanalen.

Artikel 6.12

  • 1 Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

    • a. het in de periode van 1 april tot 1 oktober plaatsen van bouwborden en het opslaan van materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder de Noordzee;

    • b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden;

    • c. het maken van zandbanketten op het strand ten behoeve van niet-permanente bebouwing mits deze maximaal 6 meter +NAP hoog zijn en niet breder zijn dan 25 meter kustdwars, gemeten boven op het banket vanaf het duinfront met inachtneming van het gestelde in het tweede lid;

    • d. het oprichten en in stand houden van niet-permanente bebouwing in de periode van 1 april tot 1 oktober;

    • e. het verplaatsen van zand op het strand, anders dan bedoeld in onderdeel c, tot een hoeveelheid van maximaal 20m3 per strekkende meter, en

    • f. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer.

  • 2 Zandverplaatsingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, worden binnen één kalenderjaar niet gecombineerd uitgevoerd.

  • 3 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, worden uitgevoerd in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn.

Artikel 6.12a

Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.14, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundig beheer.

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

Artikel 6.14

  • 1 Degene die een werk of een activiteit gaat uitvoeren waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister.

  • 2 Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van degene die voornemens is de activiteit of werkzaamheden te gaan uitvoeren;

    • b. het tijdstip waarop met de activiteit of het werk wordt begonnen en de duur daarvan;

    • c. de aard en omvang van de activiteit of het werk, en

    • d. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die voorzien is van een noordpijl.

  • 3 De minister kan degene die een melding doet verzoeken om nadere informatie te verstrekken over de uit te voeren activiteit of het werk, om te kunnen bepalen of maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld.

  • 4 Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

Artikel 6.15

  • 1 Ten aanzien van werken of activiteiten waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, kan de minister met het oog op de bescherming van de belangen die het gestelde in artikel 6.15 van het besluit en de artikelen 6.8 en 6.9 beoogt te waarborgen, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

    • a. de locatie;

    • b. de diepte van het werk;

    • c. de hoogte van het werk;

    • d. de periode van uitvoering;

    • e. de mogelijkheden van het verplaatsen van het werk in verband met hoogwater, of

    • f. de waterdoorlatendheid van het werk in verband met wateropstuwende effecten.

  • 2 De overeenkomstig het eerste lid te stellen maatwerkvoorschriften leiden er niet toe dat de activiteit of het werk grotendeels of in het geheel geen doorgang kan vinden, tenzij die activiteit naar het oordeel van de beheerder ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het betrokken waterstaatswerk.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

§ 4a. Windparken op zee

Artikel 6.15a

  • 1 Bij de toepassing van de artikelen 6.16h, tweede en vierde lid, en 6.16i, tweede lid, van het besluit worden ten aanzien dan de in die artikelen opgenomen niet-publiekrechtelijke regelingen de volgende teksten in acht genomen:

    • a. IALA-aanbeveling O-139 (markering van kunstmatige offshore constructies): uitgave 2 van december 2013;

    • b. door de Britse luchtvaartautoriteit uitgegeven richtlijn CAP 764 (beleid en richtlijnen voor windturbines): uitgave 5 van juni 2013;

    • c. NEN 1010: uitgave NEN 1010:2007+C1:2008 – Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties van oktober 2008, inclusief correctie- en wijzigingsblad A1:2011+C1:2011 en wijzigingsblad A2:2014;

    • d. NEN-EN-IEC 61936-1: uitgave NEN-EN-IEC 61936-1:2010 – Sterkstroominstallaties met meer dan 1 kV wisselspanning – Deel 1: Algemene bepalingen van mei 2014, inclusief correctiebladen C1:2011, C11:2011, C12:2012 en C13:2013 en wijzigingsblad A1:2014;

    • e. NEN-EN 50522: uitgave NEN-EN 50522:2010 – Aarding van hoogspanningsinstallaties van meer dan 1 kV wisselspanning van november 2010;

    • f. NEN 3840: uitgave NEN 3840:2011 – Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Hoogspanning van mei 2011; en

    • g. NEN 3140: uitgave NEN 3140:2011 – Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning van maart 2011.

  • 2 In afwijking van het eerste lid gelden voor windparken waarvoor voor 1 juli 2015 een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of op grond van artikel 6.13 van het besluit is verleend de teksten van de niet-publiekrechtelijke regelingen zoals die in acht zijn genomen bij het verlenen van de vergunning.

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.16

  • 1 Het is verboden om zonder vergunning van de minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet meer dan 5000 m3 water per uur te brengen in, of meer dan 100 m3 water per uur te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, indien:

    • a. de instroomsnelheid meer bedraagt dan 0,3 m/s, of

    • b. de handeling plaatsvindt in samenhang met een activiteit waarvoor op grond van artikel 6.2 van de wet een vergunning is vereist.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam;

    • b. handelingen die door of vanwege de beheerder worden verricht.

Artikel 6.17

  • 1 Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.16, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister indien op de voorgenomen wijze meer dan 5000 m3 water per uur wordt ingebracht of meer dan 100 m3 water per uur wordt onttrokken.

  • 2 Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van degene die voornemens is het water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk;

    • b. het tijdstip waarop met het inbrengen of onttrekken van water wordt begonnen en de duur daarvan;

    • c. het doel, de in- of uitstroomsnelheid en omvang van het inbrengen of het onttrekken van water, en

    • d. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van het inbrengen of het onttrekken van water is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl.

  • 3 Ten aanzien van het brengen dan wel onttrekken van water, bedoeld in het eerste lid, kan de minister maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de locatie en de periode, mits deze er niet toe leiden dat het brengen of onttrekken van water geen doorgang kan vinden.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op:

    • a. baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam;

    • b. handelingen die door of vanwege de beheerder worden verricht.

§ 6. Indieningsvereisten voor de watervergunning

Artikel 6.18

  • 1 Indien een aanvraag voor een watervergunning niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een door Onze Minister vastgesteld formulier dat wordt gepubliceerd op en kan worden gedownload van www.omgevingsloket.nl. Het bevoegd gezag stelt op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking.

  • 2 Een aanvraag voor een watervergunning langs elektronische wijze wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 3 Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens die zijn opgenomen in het deel van de landelijke voorziening dat hem ter beschikking staat. Dit beheer omvat in elk geval de verlening en beperking van toegang tot de gegevens omtrent een aanvraag en de zorg voor de archiefbescheiden.

  • 4 Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening is het bevoegd gezag verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 6.19

In de aanvraag voor een watervergunning wordt vermeld:

  • a. de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van de aanvrager, alsmede het e-mailadres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;

  • b. de geografische aanduiding van de locatie waar de handeling wordt verricht, met behulp van:

    • 1°. een situatietekening,

    • 2°. een kaart met een functionele schaal die is voorzien van een noordpijl en waarop de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven,

    • 3°. foto’s, of

    • 4°. andere geschikte middelen;

  • c. een omschrijving van de aard, de omvang, de reden en het doel van de voorgenomen handeling;

  • d. een beschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van de handeling, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

  • e. de periode waarvoor vergunning wordt gevraagd;

  • f. indien de handeling wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede zijn e-mailadres;

  • g. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede het e-mailadres van de gemachtigde indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend.

Artikel 6.20

  • 1 Gegevens en bescheiden die langs elektronische weg bij de aanvraag worden verstrekt, worden aangeleverd in een van de volgende archiefwaardige bestandsformaten:

    • a. foto’s: PNG en JPG;

    • b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a, PDF/A-1b en PDF 1.4;

    • c. officedocumenten: PDF/A-1a en PDF 1.4;

    • d. tekeningen: PDF/X en PDF 1.4.

  • 2 Indien de bestanden langs elektronische weg worden aangeleverd, worden deze uitsluitend als ‘read-only’ (alleen lezen) gekenmerkt.

Artikel 6.21

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een omschrijving van de lozing, waarbij in ieder geval worden vermeld de zuurgraad (pH), temperatuur en debiet en wordt vermeld of de lozing continu dan wel discontinu plaatsvindt, met welke regelmaat lozingen of deellozingen plaatsvinden, de wijze waarop de lozing plaatsvindt en de activiteiten waaruit de lozing voortkomt;

  • b. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de stoffen;

  • c. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen of te beperken, met toelichtende tekening, alsmede de maatregelen die voor dat doel worden getroffen bij definitieve stopzetting van de activiteiten;

  • d. een omschrijving van de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten;

  • e. een processchema van de opzet en een beschrijving van de capaciteit van elke installatie waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van stoffen, waarbij wordt aangegeven welke van die stoffen waar en in welke mate vrijkomen;

  • f. een rioleringstekening;

  • g. een beschrijving van de aard, de samenstelling, de eigenschappen, de hoeveelheid en de locatie binnen het bedrijf van de grondstoffen, hulpstoffen, tussenproducten en eindproducten die naar redelijke verwachting binnen het bedrijf aanwezig kunnen zijn, voor zover deze in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken;

  • h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen betreffende het voorkomen of beperken van lozing van afvalstoffen door het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van zodanige afvalstoffen;

  • i. een opgave van de redelijkerwijs mogelijk te achten hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die ten gevolge van een ongewoon voorval in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken, alsmede een beschrijving van de maatregelen om dit zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken;

  • j. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd;

  • k. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn, en

  • l. een niet-technische samenvatting van de in dit artikel bedoelde gegevens.

Artikel 6.22

Indien de exploitatie van een installatie, van waaruit de lozing waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de exploitatie van een installatie kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan de betreffende lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel op het tijdstip waarop de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.

Artikel 6.23

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet voor het storten van baggerspecie worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een omschrijving van de locatie van herkomst en de beoogde verspreidingslocatie;

  • b. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen en hoeveelheid van de stoffen;

  • c. een omschrijving van het onderzoeksprotocol en de onderzoeksstrategie als bedoeld in NEN 5720.

Artikel 6.24

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.5, onderdeel c, van de wet voor het gebruik maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een omschrijving van de voorgenomen handeling, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het waterstaatswerk of de daartoe behorende beschermingszone;

  • b. een toelichtende tekening met het ontwerp en de afmetingen van het werk, of het tracé van de kabel of de leiding;

  • c. een boorplan in het geval een waterstaatswerk wordt gekruist door een HDD-boring, en

  • d. een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 6.25

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, worden naast de in dat artikel bedoelde gegevens, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal, en

  • b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in m2.

Artikel 6.26

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op het gebruik maken van een waterstaatswerk in de Nederlandse exclusieve economische zone, worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een beschrijving van de gevolgen voor rechtmatig gebruik van de zee door derden, en

  • b. een oprichtings- en inrichtingsplan, waarin wordt ingegaan op het onderhoud van het werk, veiligheidswaarborgen, verlichtingsmaatregelen, maatregelen ter voorkoming en beperking van calamiteiten, en de wijze waarop verwijdering van de installatie zal plaatsvinden.

Artikel 6.27

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.5, onderdeel b, van de wet voor het onttrekken van grondwater worden onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e. de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f. de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

Artikel 6.28

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, 6.5, onderdeel b, van de wet voor het infiltreren van water worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • b. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • c. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • d. de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • e. de pompcapaciteit in m3 per uur;

  • f. de maximaal te infiltreren hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar;

  • g. de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd;

  • h. de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water, en

  • i. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de infiltratie te voorkomen of te beperken.

Artikel 6.29

  • 1 Indien een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het onttrekken van grondwater of het brengen van water in de bodem ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, onderdeel b, van de wet, worden onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.27 en 6.28, de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de capaciteit van de pomp waarmee het water in de bodem wordt gebracht in m3 per uur;

    • b. de maximaal in de bodem te brengen hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar;

    • c. de wijze waarop water in de bodem wordt gebracht;

    • d. de samenstelling van het in de bodem te brengen water;

    • e. een aanduiding van de hydrologische effecten van het in de bodem brengen van water;

    • f. de minimum-, gemiddelde en maximumtemperaturen van het in de bodem te brengen water;

    • g. de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het bodemenergiesysteem voorziet, en

    • h. het energierendement, uitgedrukt als de Seasonal Performance Factor (SPF), dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het bouwwerk overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen, blijkend uit een schriftelijke verklaring van de installateur.

  • 2 Bij de verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, over het energierendement dat een open bodemenergiesysteem bij de levering van warmte of koude aan een bouwwerk behaalt, wordt het energierendement bepaald overeenkomstig de volgende formule:

    Bijlage 252268.png

    waarbij wordt verstaan onder:

    Qw : de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid warmte per jaar in MWh;

    Qk: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid koude per jaar in MWh;

    E: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid elektriciteit per jaar in MWh;

    G: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid gas per jaar in MWh.

Artikel 6.30

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onderdeel a, van de wet voor het onttrekken van water aan of het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een onderbouwing van de noodzaak tot het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam;

  • b. een beschrijving en toelichtende tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen waaronder een opgave van de pompcapaciteit, de afmetingen en de ligging, en

  • c. een aanduiding van de maximaal te onttrekken of te lozen waterhoeveelheden in m3 per uur, te onderscheiden naar perioden.

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld;

  • debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal; momentaan debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende een moment van meting; etmaal: aaneengesloten periode van 24 uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;

  • kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;

  • droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;

  • nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;

  • gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;

  • open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht.

Artikel 7.2

  • 1 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.

  • 2 De gedurende een etmaal afgevoerde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

    Bijlage 245797.png

    waarbij:

    Q = het debiet in m3/etmaal;

    CZV = het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

    NKj = de som van ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof, bepaald volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l.

  • 3 Indien de CZV-waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk

    Bijlage 245798.png

    waarbij:

    T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

    T wordt berekend bij:

    • a. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam of het brengen van zuurstofbindende stoffen met biochemisch zuurstofverbruik van niet meer dan 20 mg/l vanuit een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van de wet, met behulp van de methode van het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen, volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

    • b. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen in andere dan de onder a bedoelde gevallen met behulp van een andere toereikende bepalingsmethode.

Artikel 7.4

Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse als bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de wet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

Bijlage 245800.png

waarbij:

n = het berekende aantal meetdagen

tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =

35/e ^0,000175*VeO, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.

N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd;

σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de afgevoerde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.

Artikel 7.5

  • 1 De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de wet geschiedt zodanig dat:

    • a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;

    • b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode in oppervlaktewaterlichamen wordt geloosd;

    • c. de in deze regeling opgenomen voorschriften of de door de heffingsambtenaar gestelde voorschriften in acht genomen worden.

  • 2 De heffingsambtenaar:

    • a. kan, voor zover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat debietmeting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven;

    • b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften kan worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.

  • 3 De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:

    • a. de voorschriften uit deze regeling waarvan wordt afgeweken;

    • b. de voorgeschreven afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;

    • c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.

  • 4 De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

    • a. de voorschriften van deze regeling waarvan mag worden afgeweken;

    • b. de toegestane afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;

    • c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.

  • 5 De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.

  • 6 In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

    • a. de afvalwaterstromen en de stoffen waarop het besluit betrekking heeft;

    • b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

    • c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;

    • d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan dat besluit van toepassing is.

  • 7 De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:

    • a. de besluiten, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste lid;

    • b. het besluit, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen indien toepassing van het berekeningsvoorschrift uit artikel 7.4 leidt tot een ander aantal etmalen, bedoeld het zesde lid, onderdeel b, dan in dat besluit is opgenomen.

Artikel 7.6

  • 1 De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:

    • a. verkeren in een goede staat;

    • b. zijn overeenkomstig de voorschriften van de leverancier geïnstalleerd en onderhouden;

    • c. worden regelmatig schoongemaakt, en

    • d. zijn altijd veilig toegankelijk.

  • 2 De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.

  • 3 De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.

Artikel 7.7

  • 1 Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

Artikel 7.8

  • 1 Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

  • 2 Bij toepassing van een meetput geldt dat:

    • a. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, gesommeerd minder bedragen dan 5% van het gemeten debiet;

    • b. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, gesommeerd minder bedragen dan 10% van het gemeten debiet.

  • 3 Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

  • 4 De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.

  • 5 In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.

  • 6 Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

Artikel 7.9

  • 1 De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

  • 2 Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.

  • 3 Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:

    • a. het controleren van de meetversterker en het registeren en corrigeren van afwijkingen waarbij de meetversterker wordt gecontroleerd op lineariteit, versterkingsfactor en nulpuntsinstelling, en

    • b. het uitbouwen van de flowmeter en het controleren van de binnenkant van de meetbuis op vervuiling waarbij de in de meetbuis aanwezige vervuiling wordt daarbij verwijderd.

  • 4 De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal voor 1 januari 2014 nat gekalibreerd in ingebouwde toestand en daarna ten minste éénmaal per vijf jaar.

  • 5 Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie in ingebouwde toestand plaats op een door het Nederlands Meetinstituut of een daarmee vergelijkbare instelling gecertificeerde installatie.

  • 6 Van een debietmeter wordt het meest recente kalibratierapport overgelegd.

Artikel 7.10

  • 1 De bemonstering vindt plaats met behulp van automatische monstername-apparatuur.

  • 2 Het bemonsteringsinterval wordt zodanig ingesteld dat een etmaalverzamelmonster wordt verkregen dat bestaat uit ten minste 100 deelmonsters.

  • 3 Het volume per deelmonster wordt zodanig ingesteld dat de herhaalbaarheid maximaal 5% van het ingestelde volume bedraagt. Bij vacuümmonstername-apparatuur bedraagt het volume per deelmonster minimaal 50 milliliter. Bij ‘in-line’-bemonstering bedraagt het volume per deelmonster minimaal 20 milliliter en wordt een etmaalverzamelmonster verkregen dat bestaat uit ten minste 250 deelmonsters.

  • 4 Het monsterverzamelvat heeft een zodanige inhoud dat het vat gedurende het etmaal niet overloopt.

  • 5 Zowel het monsterverzamelvat als andere onderdelen van de monstername-apparatuur die met het afvalwater in aanraking komen, zijn gemaakt van gemakkelijk te reinigen, inert materiaal, dat de uit te voeren analyse niet beïnvloedt. Het monsterverzamelvat kan gemakkelijk uitgenomen worden en is uitgevoerd als emmer of als vat met een wijde hals zodat met een monsterschep gemakkelijk kan worden geroerd en geschept. Tijdens het etmaal is het monsterverzamelvat afgesloten met een goed afsluitende deksel.

Artikel 7.11

  • 1 Het aanzuigpunt van een open meetsysteem bevindt zich zo dicht mogelijk stroomafwaarts van de obstructie. Op het aanzuigpunt stroomt het afvalwater turbulent.

  • 2 Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur is de aanzuigleiding zo kort mogelijk en onder afschot gelegd. De aanzuigleiding is beschermd tegen bevriezing en direct zonlicht. In de aanzuigleiding bevinden zich geen knikken of overbodige bochten. Het aanzuigpunt bevindt zich onder het vloeistofoppervlak.

  • 3 De diameter van alle doorstroomde delen van de monstername-apparatuur van het aanzuigpunt tot het punt waar het monster wordt afgeleverd in het monsterverzamelvat bedraagt minimaal 13 millimeter. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur bedraagt de gemiddelde aanzuigsnelheid minimaal 0,3 meter per seconde.

  • 4 Bij het afvoeren van het deelmonster naar het monsterverzamelvat wordt voorkomen dat het monster wordt belucht.

Artikel 7.12

  • 1 Bij bemonstering met behulp van ‘in-line’-monstername-apparatuur bevindt het bemonsteringspunt zich niet in een bocht of een vernauwing in de leiding. Indien het te bemonsteren afvalwater wordt afgevoerd met behulp van een pomp dan bevindt het bemonsteringspunt zich aan de perszijde van deze pomp.

  • 2 Als een gesloten meetsysteem wordt gecombineerd met vacuümmonstername-apparatuur bevindt het aanzuigpunt zich op het punt waar de gesloten leiding uitmondt in een open afvoersysteem of er is vanuit de gesloten leiding een aftakking gemaakt, uitmondend in een doorstroomd buffervat waaruit wordt bemonsterd. De stroomsnelheid van het afvalwater in de aftakking is in dat geval ten minste gelijk aan die in de hoofdleiding.

Artikel 7.13

  • 1 De deelmonsters in het monsterverzamelvat worden bewaard bij een temperatuur hoger dan 0°C en lager dan of gelijk aan 4°C.

  • 2 Bemonsteringsbenodigdheden die in aanraking komen met het afvalwater zijn gemaakt van eenvoudig te reinigen inert materiaal dat de later uit te voeren analyses niet beïnvloedt.

  • 3 De monsters uit het etmaalverzamelmonster zijn binnen een uur na afloop van het etmaal genomen.

  • 4 De monsters worden met een voldoende grote monsterschep genomen. De gehele inhoud van het monsterverzamelvat wordt elke keer, voordat geschept wordt, zodanig geroerd dat al het eventueel bezonken materiaal wordt opgemengd. Daarbij wordt de monsterlepel afwisselend links- en rechtsom geroerd.

  • 5 De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar moeten om en om gevuld worden.

Artikel 7.14

  • 1 De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

  • 2 De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt zodanig uitgevoerd dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord.

  • 3 Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

    Tabel A

    Voor analyse op onderstaande parameter/stof

    Omgevingstemperatuur

    Methode conservering

    Maximale bewaartijd

     

    tijdens transport

    tot einde bewaartermijn

       

    biochemisch zuurstofverbruik

    tussen 2 en 8 °C

    tussen 1 en 5 °C

    Koelen onder uitsluiting van licht.

    1 dag

    <– 18 °C

    Invriezen binnen 12 uur

    1 mnd (indien BZV < =50 mg/l)

    6 mnd (indien BZV >50 mg/l)

    chemisch zuurstofverbruik

    tussen 2 en 8 °C

    tussen 1 en 5 °C

    Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH < 2

    6 maanden

    <– 18 °C

    Invriezen binnen 12 uur

    6 maanden

    som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof

    tussen 2 en 8 °C

    tussen 1 en 5 °C

    Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH < 2

    1 maand

    <– 18 °C

    Invriezen binnen 12 uur

    6 maanden

Artikel 7.15

  • 1 De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in dit hoofdstuk vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

  • 2 De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is aangegeven in tabel B.

  • 3 De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond worden.

    Tabel B

    Parameter/stof

    Ontsluiting volgens normblad

    Meting volgens normblad

    Aantoonbaarheidsgrens

    biochemisch zuurstofverbruik

     

    NEN-EN 1899-1

    1 mg/l

    chemisch zuurstofverbruik

     

    NEN-ISO 15705 of

    NEN 6633

    5 mg/l

    som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof

    NEN 6645

    NEN 6604 of ISO 15923

    0,5 mg/l

    NEN 6646

    NEN-EN-ISO 11732

    NEN-EN 12260

    NEN-EN 12260 en voor correctie nitriet/nitraat: NEN-EN-ISO 13395, NEN 6604 of ISO 15923-1

    NEN-ISO 5663

    NEN 6604 of ISO 15923-1

    NEN-ISO 5663

    NEN 6646

    NEN 6646

    NEN 6604 of ISO 15923

  • 4 Indien een concentratie gerapporteerd wordt als zijnde kleiner dan de aantoonbaarheidsgrens, wordt voor de aanslag van de verontreinigingsheffing een concentratie van de helft van de aantoonbaarheidsgrens aangehouden.

  • 5 De meting volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde monsters met een gehalte zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en chlorideconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l.

  • 6 In afwijking van de in tabel B opgenomen aantoonbaarheidsgrens heeft de meting volgens normblad NEN-ISO 15705 een aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600 nm en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000 mg/l.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1

  • 1 Van een vergunning als bedoeld in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.16 en 6.17 onherroepelijk is, worden voor handelingen als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften gesteld krachtens artikel 6.17, derde lid, voor zover die voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens dat artikel.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De

Staatssecretaris

van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

  • 1. Zuivelindustrie

  • 2. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit

  • 3. Bereiding en botteling van frisdranken

  • 4. Verwerking van aardappelen

  • 5. Vleesindustrie

  • 6. Brouwerijen

  • 7. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken

  • 8. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten

  • 9. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen

  • 10. Mouterijen

  • 11. Visverwerkingsindustrie

Bijlage II. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwaliteitsbeheer voert, en grenzen van drogere oevergebieden (bijlage bij artikel 3.2, eerste lid, en 3.3 van de Waterregeling)

[Red: Gepubliceerd op www.waterwet.nl.]

Bijlage IV. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterstaatkundig beheer voert en van rijkswateren waar een niet tot het Rijk behorend overheidslichaam het waterstaatkundig beheer voert (bijlage bij de artikelen 3.2, derde lid, 3.2a en 6.7 van de Waterregeling)

[Red: Gepubliceerd op www.waterwet.nl.]

Bijlage V. Formulieren voor de verstrekking van de gegevens en resultaten, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit (bijlage bij artikel 3.8 van de Waterregeling)

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Inhoud rapportage

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

  • 1. puntbronnen

  • 2. diffuse bronnen

  • 3. onttrekkingen

  • 4. regulering waterbewegingen

  • 5. morfologische aanpassingen

De informatie met betrekking tot de puntbronnen en diffuse bronnen is afkomstig van de landelijke emissieregistratie.

Informatie over belastingen in de categorieën onttrekkingen, regulering waterbewegingen en morfologische aanpassingen wordt ingevuld door de waterbeheerders op de website Inventarisatie Druk/belasting Oppervlaktewaterlichamen. De gegevens worden in 2010 geïntegreerd met andere KRW informatie op het KRW Portaal. Na integratie zal de beschikbare informatie op een andere, efficiëntere manier opgeslagen worden. Het hieronder beschreven formaat heeft dus een beperkte geldigheid.

Er worden 54 typen belasting onderscheiden, onderverdeeld in 3 hoofdgroepen:

  • 1. onttrekkingen

  • 2. regulering waterbeweging en morfologische aanpassing

  • 3. andere belastingen

Voor elk waterlichaam uit het beheergebied van de waterbeheerder wordt voor alle 54 typen belasting aangegeven of de betreffende belasting aanwezig is en of de aanwezigheid significant is. Aanwezigheid en significantie wordt door middel van een vinkje op de website aangegeven. De beheerder heeft de mogelijkheid per type belasting een nadere toelichting te geven. Per waterlichaam vult de waterbeheerder onderstaande tabel in:

Nummer

Belasting

Aanwezig

Significant

Commentaar

Onttrekkingen

1

Voor landbouw, bosbouw en visserij (o.m. irrigatie)

     

2

Voor publieke (drink)watervoorziening

     

3

Voor industrieën

     

4

Voor koelwater van elektriciteitscentrales

     

5

Voor viskwekerijen

     

6

Voor opwekken van stroom (waterkracht)

     

7

Door mijnbouw c.q. open groeves

     

8

Voor scheepvaart (waterpeil in kanalen)

     

9

Door overdracht (watervoorziening wateren)

     

10

Andere grote wateronttrekkingen

     

Regulering waterbeweging en morfologische aanpassing

11

Grondwateraanvulling

     

12

Dammen voor waterkrachtcentrales

     

13

Waterreservoirs c.q. stuwmeren

     

14

Hoogwaterbescherming: dijken, dammen, kanalen

     

15

Wateroverdracht stroomgebieden (wateraanvoer en/of waterafvoer)

     

16

Omleiden piekafvoer

     

17

Sluis (ook gemaal): verlagen waterstand (peilbeheersing)

     

18

Stuw: verschil waterstand < 30 cm: verhogen waterstand (peilbeheersing)

     

19

Stuw: verschil waterstand : verhogen waterstand (peilbeheersing)

     

20

Kanalisatie c.q. normalisatie van de waterloop

     

21

Verlies oeverzones en overstromingsvlaktes

     

22

Oeververdediging, duikers, overkluizing, kribben

     

23

Versnelde waterafvoer

     

24

Veranderingen voor de visserij

     

25

Landinfrastructuur (weg, brug e.d.)

     

26

Baggeren c.q. verdiepen (incl. zandvang)

     

27

Baggeren c.q. verdiepen in estuaria en kustzones (incl. zandvang)

     

28

Havens, scheepswerven e.d.

     

29

Landaanwinning en inpoldering

     

30

Zandsuppletie (veiligheid)

     

31

Dammen in getijdengebied (incl. veiligheid/ energie)

     

32

Barrières (niet of moeilijk (vis)passeerbare gemalen, stuwen, dammen etc.)

     

33

Ontwatering (veenoxidatie en bodemdaling)

     

34

sealing’ overstromingsvlaktes

     

Andere belastingen

35

Zwerfvuil

     

36

Dumpen ongezuiverd afvalwater/slib in zee

     

37

Intensief beheer en onderhoud (incl. oevers)

     

38

Recreatie (water en oever)

     

39

Sportvisserij

     

40

Beroepsvisserij

     

41

Uitheemse dieren/planten

     

42

Uitheemse ziekten

     

43

Klimaatverandering (zeespiegelstijging, temperatuur/droogte, hogere piekafvoer)

     

44

Verontreinigde waterbodem

     

45

Visstandsbeheer

     

46

Olie- en gaswinning (bodemdaling)

     

47

Schelpenwinning of mosselzaadwinning

     

48

Windenergie (offshore)

     

49

Delfstoffenwinning (zand, klei, grind, etc)

     

50

Warmtelozing en warmte-koudeopslag

     

51

Militair oefenterrein

     

52

Bovenstroomse aanvoer (voorbelasting buitenland)

     

53

Overige

     

54

Scheepvaart

     

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

Inhoud rapportage

De Kaderrichtlijn Water vereist het vastleggen van doelen voor biologische kwaliteitselementen en enkele algemeen fysisch-chemische parameters per waterlichaam. De betreffende fysisch-chemische parameters vormen geen onderdeel van de chemische toestand, maar zijn ondersteunend voor het bereiken van de goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP). De doelen dienen in principe in 2015 te worden gehaald. In de meeste gevallen wordt echter een beroep gedaan op de formele mogelijkheden die de KRW biedt om de doelen gefaseerd te bereiken waarbij het jaar 2027 als deadline wordt gehanteerd. De ecologische doelen hebben dan betrekking op deze eindsituatie. Om een goed beeld te krijgen van de ecologische toestand aan het einde van de planperiode worden tevens de verwachte waarden van de kwaliteitselementen in 2015 opgegeven. Tot slot wordt tevens per kwaliteitselement opgenomen wat de huidige toestand is. Uitgangspunt van de KRW is dat deze niet mag verslechteren.

Informatie over de ecologische doelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in een centrale database via de KRW-doelen website (vanaf eind 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

Verplicht en optioneel

De databank bevat waarden voor de biologische en algemeen fysisch-chemische parameters voor de huidige toestand en de situatie in 2015. De huidige toestand is in eerste instantie ingevuld als inschatting van de waterbeheerder, maar is sinds juli 2009 vervangen door de gerapporteerde toestand (formaat toestand oppervlaktewaterlichamen). De situatie 2015 wordt door de waterbeheerder ingevuld. Dat geldt eveneens voor de waarden die de grenzen tussen verschillende toestandsklassen (goed, matig, ontoereikend, slecht) markeren. Indien niets wordt ingevuld worden de landelijk vastgestelde waarden volgens de maatlatten van natuurlijke waterlichamen of de defaultwaarden van de maatlatten van sloten en kanalen aangehouden. De databank biedt de mogelijkheid om ook waarden op het niveau van deelmaatlatten toe te kennen. Deze gegevens zijn echter niet verplicht en dienen vooral voor de onderbouwing van oordelen op het niveau van maatlatten.

Achtergrond

Maatlatten

Voor rapportage van de ecologische doelen worden de volgende maatlatten onderscheiden (afhankelijk van het type waterlichaam kunnen bepaalde kwaliteitselementen of parameters achterwege blijven):

Tabel Maatlatten

Nr

Maatlat

Eenheid

Codering

Biologische Kwaliteitselementen

7

Fytoplankton

EKR

FYTOPL

19

Macrofauna

EKR

MAFAUNA

33

Macrofyten

EKR

OVWFLORA

80

Vis

EKR

VIS

Fysisch-chemische Parameters

1

Chloride (zomergemiddelde)

mg Cl/l

Cl

2

Doorzicht (zomergemiddelde)

Meter

ZICHT

38

Opgelost anorganisch stikstof (wintergemiddelde)

Mg N/l

DIN

39

Temperatuur (maximum waarde)

°C

T

40

Totaal fosfaat (zomergemiddelde)

mg P/l

P

41

Totaal stikstof (zomergemiddelde)

mg N/l

N

85

Zuurgraad (zomergemiddelde)

pH

86

Zuurstofverzadiging (zomergemiddelde)

%

O2

De basis voor beoordeling van biologische kwaliteitselementen is de zogenaamde ecologische kwaliteitsratio (EKR). De EKR is de waargenomen biologische waarde gedeeld door de referentie biologische waarde. De verkregen ratio moet in principe tussen 0 en 1 liggen, waarbij een waarde in de buurt van 1 de zeer goede toestand weerspiegelt. De ratio wordt in vijf klassen ingedeeld, overeenkomend met de normatieve beschrijving van figuur 1. Voor de sterk veranderde en kunstmatige wateren wordt de doelstelling gevormd door het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). De beoordeling op een vergelijkbare manier uitgevoerd waarbij het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) afgeleid wordt van de referentie conditie.

Bijlage 245801.png
Figuur 1 – De 5 klassen van de maatlat van natuurlijke watertypen (links) en de 4 klassen van de maatlat van sterk veranderde en kunstmatige wateren (rechts) met bijbehorende kleurcodering en normatieve beschrijving.

Voor de fysisch-chemische parameters zijn eveneens maatlatten afgeleid. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van een ratio maar worden de scores uitgedrukt in de gebruikelijke eenheden.

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Voor natuurlijke wateren wordt als doelstelling automatisch de Goede Ecologische Toestand (GET) aangehouden volgens de betreffende maatlatten van natuurlijke wateren. Voor de biologische kwaliteitselementen is deze gelijk aan 0,6. Voor sterk veranderde wateren wordt door de waterbeheerder een waarde voor het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) en het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) ingevuld. De waarde betreft een score (streepje) op de maatlat van de natuurlijke wateren. Voor kunstmatige wateren (watertypen M1 tot en met M10) zijn de GEP-waarden voorbedrukt. Deze zijn afkomstig van de default maatlatten voor sloten en kanalen. Indien er afgeweken wordt van de default maatlatten, dan kunnen de waarden gewijzigd worden.

Tabellen

Status en type voor ecologische doelen

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

De status en het typegebruikt voor het vaststellen van de maatlatten en doelen, worden aangeleverd in de tabel OWMDOEL volgens onderstaand formaat:

Tabel OWMDOEL: Doelstatus en doeltype

Veldnaam

Type

Grootte

Omschrijving

Domeintabel

OWMIDENT

Text

60

Waterlichaamcode

 

DoelStatus

Text

1

Status voor het vaststellen van de maatlatten en doelen

http://www.idsw.nl/aquo/schemas/Aquo-domein_typekrwstatus.xsd

DoelType

Text

2

Watertype voor het vaststellen van de maatlatten en doelen

http://www.idsw.nl/aquo/schemas/Aquo-domein_typekrwtypologie.xsd

Doelen en inschatting doelbereik 2015

De klassengrenzen en doelbereik 2015 worden voor de biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische parameters aangeleverd in de tabel DOELEN volgens onderstaand formaat:

Tabel Doelen: klassegrenzen doelen en doelbereik 2015

Omschrijving

Verplicht

Type

Toelichting

Domeintabel

OWMIDENT

ja

Tekst

Waterlichaamcode

 

Maatlat

ja

Numeriek

Maatlatnummer

Maatlatten

GET

conditioneel1

Tekst

Goede Ecologische Toestand

 

MEP

conditioneel1

Tekst

Maximaal Ecologisch Potentieel

 

GEP

conditioneel1

Tekst

Goed Ecologisch Potentieel

 

Matig

ja

Tekst

Klassegrens voor ‘matig’

 

Ontoereikend

ja

Tekst

Klassegrens voor ‘ontoereikend’

 

Slecht

ja

Tekst

Klassegrens voor ‘slecht’

 

Huidig

optioneel

Tekst

Inschatting huidige toestand, vanaf juli 2009 vervangen door gerapporteerde oordeel volgens format waterlichaam oordelen

 

Doel2015

ja

Tekst

Doelbereik voor het jaar 2015

 

1Voor natuurlijke wateren wordt de GET gegeven, voor kunstmatige en sterk veranderde wateren wordt het MEP en GEP ingevuld.

Alle waarden voor GET, MEP, GEP, Matig, Ontoereikend, Slecht, Huidig en Doel2015 worden aangeleverd als getal in de eenheid van de maatlat. Voor de inschatting van de huidige toestand en het doelbereik 2015 kan bij het ontbreken van numerieke waarden gekozen worden voor één van de volgende letterlijke teksten: ‘goed’, ‘matig’, ‘ontoereikend’, ‘slecht’, ‘voldoet’ of ‘voldoet niet’. De inschatting van de huidige toestand is tot juli 2009 gebruikt, maar is vanaf juli 2009 niet meer relevant. De huidige toestand wordt dan gerapporteerd via het format oppervlaktewaterlichamen oordelen.

Bij de specificatie van één enkel getal als klassengrens wordt deze geïnterpreteerd zoals aangegeven in onderstaande tabel.

Maatlat

Klassegrens

Fytoplankton

Ondergrens

Macrofauna

Ondergrens

Macrofyten

Ondergrens

Vis

Ondergrens

Chloride (zomergemiddelde)

Bovengrens

Doorzicht (zomergemiddelde)

Ondergrens

Opgelost anorganisch stikstof (nitraat, nitriet en ammonium) (wintergemiddelde)

Bovengrens

Temperatuur (maximum waarde)

Bovengrens

Totaal fosfaat (zomergemiddelde)

Bovengrens

Totaal stikstof (zomergemiddelde)

Bovengrens

Zuurgraad (zomergemiddelde)

Ondergrens

Zuurstofverzadiging (zomergemiddelde)

Ondergrens

Klassengrenzen kunnen gespecificeerd worden met de tekens <=, <, >, of >= gevolgd door een getal.

Een boven- en ondergrens wordt gespecificeerd als twee grenzen, verbonden met een min teken.

Er kunnen maximaal twee sets grenzen per klassengrens opgegeven worden. De sets dienen van elkaar gescheiden te zijn door een/teken.

Enkele voorbeelden van klassengrenzen:

Maatlat

Grens

Betekenis

Vis

0,6

Groter of gelijk aan 0,6

Fosfaat

0,6

Kleiner of gelijk aan 0,6 mg/l

Zuurgraad

5,5 – 8,5

Tussen 5,5 en 8,5

Zuurgraad

8,5 – 9,0/< 5,5

Tussen 8,5 en 9,0 of kleiner dan 5,5

Zuurgraad

8,5 – 9,0/5,0 – 5,5

Tussen 8,5 en 9,0 of tussen 5,0 en 5,5

Zuurgraad

>= 9,0/< 5

Groter of gelijk aan 9,0 of kleiner dan 5

Chloride

150

Kleiner of gelijk aan 150 mg/l

Chloride

<150/> 3000

Kleiner dan 150 of groter dan 3000

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Inhoud rapportage

Voor de KRW rapportages wordt de informatie met betrekking tot grondwaterlichamen en oordelen uitgewisseld in drie tabellen:

  • Tabel met de geografische ligging en algemene kenmerken van de grondwaterlichamen (GWB)

  • Tabel met de oordelen met betrekking tot de grondwaterkwaliteit (GWBKWAL)

  • Tabel met oordelen met betrekking tot de kwantitatieve status van de grondwaterlichamen (GWBKWAN)

Tabellen

Tabel GWB – grondwaterlichamen

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Omschrijving

Verplicht

Type

Domeintabel

Toelichting

GWBGIDENT

ja

Tekst

 

Unieke code van het vlak

GAFIDENT

ja

Tekst

GAF15NL

Code van het (deel)stroomgebied district waar het vlak in ligt

GWBIDENT

ja

Tekst

 

Identificatie van het grondwaterlichaam

GWBNAAM

ja

Tekst

 

Naam van het grondwaterlichaam

GWBHORIZ

ja

Numeriek

 

Horizon

GWBSUBST

ja

Tekst

GWSUBST

Substraat

GWBOPPV

ja

Numeriek

 

Oppervlakte in m2

GWBOPME

nee

Tekst

 

Opmerkingen

Toelichting

Gwbgident

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gafident

De code van het deelstroomgebied waar het grondwaterlichaam in ligt. Voor mogelijke codes wordt verwezen naar de domeintabel GAF15NL.

Gwbident

Identificatie van het grondwaterlichaam. De eerste 4 letters zijn altijd NLGW. Een grondwaterlichaam kan uit meerdere vlakken bestaan. In dat geval hebben alle vlakken dezelfde GWBIDENT maar de GWBGIDENT kan verschillen.

Voorbeeld: het grondwaterlichaam met GWBIDENT = NLGW0016 (Duin Rijn-West) bestaat uit 7 vlakjes met GWBGIDENT = NLGW001601 t/m NLGW001607. De 7 vlakken representeren 7 afzonderlijke duingebieden.

Gwbnaam

Naam van het grondwaterlichaam

Gwbhoriz

Horizon van het grondwaterlichaam. Bij overlappende grondwaterlichamen wordt GWBHORIZ gebruikt om de verticale positie aan te geven. GWBHORIZ = 1 is het ondiepste, GWBHORIZ=3 is het diepste niveau.

Gwbsubst

Substraat van het grondwaterlichaam. Voor mogelijke keuzes wordt verwezen naar de domeintabel GWSUBST.

Gwboppv

Oppervlakte van het grondwaterlichaam in vierkante meter

Gwbopme

Opmerking over ligging, begrenzing grondwaterlichaam

Tabel GWBKWAL – Oordelen grondwaterkwaliteit

In de tabel GWBKWAL worden de oordelen met betrekking tot de waterkwaliteit van de grondwaterlichamen gegeven. Voor elk grondwaterlichaam worden twee oordelen gegeven: een oordeel voor het diepe grondwater (25 meter) en een oordeel voor het ondiepe grondwater (10 meter). Afwijkende dieptes kunnen in het veld diepte_m opgegeven worden in meters beneden maaiveld.

Omschrijving

Verplicht

Type

Domeintabel

Toelichting

GWBIDENT

ja

Tekst

GWB

Identificatie van het grondwaterlichaam

Diepte

ja

Tekst

GWDIEPTE

diepteclassificatie

Diepte_m

ja

Numeriek

 

Diepte meetpunt (m)

OrdKwlJaar

ja

Numeriek

 

Jaar van beoordeling

Cl

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Cloride als percentage

Ni

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Nikkel als percentage

As

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Arseen als percentage

Cd

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Cadmium als percentage

Pb

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Lood als percentage

Ptot

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor Fosfaat totaal als percentage

Nitraat

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor nitraten als percentage (Annex I GWD, status assessment procedure in Art 4 GWD)

Bestrijd01

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor bestrijdingsmiddelen als percentage (Annex I GWD, status assessment procedure in Art 4 GWD) 0,1 µg/l

Bestrijd05

ja

Numeriek

 

Kwantitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor bestrijdingsmiddelen als percentage (Annex I GWD, status assessment procedure in Art 4 GWD) 0,5 µg/l som

OrdBestrijd

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel m.b.t. goede chemische toestand voor bestrijdingsmiddelen (Annex I GWD, status assessment procedure in Art 4 GWD)

OrdDrem

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief totaal oordeel drempelwaarden volgens one out, think about principe, inclusief oordeel Arseen.

OrdKwlAlg

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel mbt de algemene chemische toestand (20% regel), inclusief oordeel Arseen.

OrdKwlIntr

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel mbt zoutintrusies en andere intrusies.

OrdKwlAqua

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel of de chemische en ecologisch toestand van oppervlaktewater significant achteruitgaat als gevolg van de kwaliteit van het grondwaterlichaam.

OrdKwlTerr

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel of er significante schade optreedt aan grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen als gevolg van de kwaliteit van het grondwaterlichaam.

OrdKwlRuww

ja

Tekst

GWOORDEEL

Kwalitatief oordeel of voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 7.3 van de KRW (kwaliteit ruwwater in ontrekkingsputten).

UpTrend

ja

Tekst

GWTREND

Is er voor de relevante verontreinigende stoffen een significante en aanhoudende opwaardse trend zichtbaar?

UpTrendTyp

ja

Tekst

DOMGWCOD

Indien er een significante en aanhoudende opwaardse trend zichtbaar is voor welke stof?

OordKwal

ja

Tekst

GWOORDEEL

Totaal oordeel van de chemische toestand van het grondwater inclusief Arseen (one out, all out)

Tabel GWBKWAN – Oordelen kwantiteit grondwaterlichamen

In de tabel GWBKWAN wordt per grondwaterlichaam één regel met oordelen opgenomen. Behalve het totaal oordeel wordt tevens een oordeel gegeven over de invloed op terrestrische ecosystemen, de relatie met het oppervlaktewater en een oordeel met betrekking tot het evenwicht onttrekking/aanvulling.

Omschrijving

Verplicht

Type

Toelichting

Domeintabel

GWBIDENT

ja

Tekst

Identificatie grondwaterlichaam

 

Jaar

ja

Tekst

Jaar van beoordeling

 

Evenwicht

ja

Tekst

Oordeel m.b.t. verstoring evenwicht grondwateronttrekking en -aanvulling

GWOORDEEL

Antropogeen

ja

Tekst

Oordeel m.b.t door antropogene invloed op grondwaterstand voor behalen van milieudoelstellingen (art 4.) voor bijbehorende opervlaktewateren

GWOORDEEL

Ecosysteem

ja

Tekst

Oordeel m.b.t door antropogene invloed op grondwaterstand op afhankelijke terrestrische ecosystemen

GWOORDEEL

Toestand

ja

Tekst

Totaal oordeel van de kwantitatieve toestand van het grondwater (one out, all out)

GWOORDEEL

Domeintabel GWSUBST

Domeintabel GWDIEPTE

Substraat

Diepte

Duin

Diep

Klei

Ondiep

Krijt

Bronnen

Zand

 

Domeintabel GWOORDEEL

Domeintabel GWTREND

Oordeel

Trend

Goed

Ja

Onbekend

Nee

Ontoereikend

Onbekend

Formulier IV:. Rapportage format monitorinsprogramma grondwater

Inhoud Rapportage

Het grondwater monitoringprogramma bevat locaties voor het monitoring van de kwantiteit en locaties voor het monitoren van de kwaliteit, de chemie. Binnen het onderdeel kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen Toestand en Trend monitoring en Operationele monitoring.

Naast een samenvatting van het monitoringprogramma moet informatie per grondwatermonitoringlocatie aangeleverd worden door de provincies volgens onderstaand format.

Het monitoringprogramma grondwater is qua gegevensstructuur afgeleid van het programma voor oppervlaktewater en bevat 3 tabellen:

  • 1. MLCGWB, de hoofdtabel met de unieke locaties en kenmerken daarvan

  • 2. MLCGWB_DOEL, een tabel met de doelen van monitoring per locatie

  • 3. MLCGWB_PAR, een tabel met de parameters die gemeten worden op een locatie

Tabel 1 en 2 worden gebruikt voor de kaarten en teksten van het SGBP en de elektronische rapportage naar de EU. Tabel 3 wordt alleen gebruikt voor de elektronische rapportage.

Tabellen

Tabel MLCGWB – Monitoringlocaties grondwatermeetnet

Omschrijving

Verplicht

Type

Toelichting

MLCIDENT

Ja

Tekst

Identificatie (unieke code) van locatie

MLCNAAM

Ja

Tekst

Naam van de locatie

GWBIDENT

Ja

Tekst

Grondwaterlichaam waar locatie in ligt

X

Ja

Numeriek

X-coördinaat

Y

Ja

Numeriek

Y-coördinaat

FILTER

Nee

Numeriek

Filternummer

MLCSOORT

Ja

Tekst

Soort meetlocatie: Toestand en Trend, Operationeel of Beide

MLCTYPE

Ja

Tekst

Type meetlocatie: Kwaliteit, Kwantiteit of Beide

CONSTRUCTION

Ja

Tekst

Type meetstation. Bestaande domeinen uit DINO, code kan zijn P voor peilbuis, B voor brandput, W voor wel, L voor landbouwbuis

TOP_DEPTH

Conditioneel

Numeriek

Bovenkant filter onder maaiveld (cm)

BOTTOM_DEPTH

Conditioneel

Numeriek

Onderkant filter onder maaiveld (cm)

DIEPTE

Conditioneel

Numeriek

Diepte onder maaiveld (cm)

OWNER

Nee

Tekst

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

MLCOPME

Nee

Tekst

Toelichting

GAFIDENT

Ja

Tekst

Code van het deelstroomgebied

DRINKWATER

Ja

Ja/Nee

Drinkwaterwinning

Toelichting

Mlcident

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

  • 1. De code van de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen) gevolgd door een vrij te kiezen identificatie (analoog aan de identificatie van monitoring locaties in het oppervlaktewater monitoringprogramma)

  • 2. Voor de koppeling met DINO wordt voor identificatie gebruik gemaakt van het TNO-nummer gevolgd door het nummer van het filter.

Een grondwatermonitoringlocatie is dus eigenlijk een 3D locatie. Op één x,y coordinaat kunnen dus meerdere locaties voorkomen als er meerdere filters opgevoerd worden voor de KRW.

Mlcnaam

Dit is de naam van de monitoringlocatie. De naam is vrij te kiezen en dient als herkenning voor de waterbeheerder.

Gwbident

De code van het grondwaterlichaam waar de monitoringlocatie in ligt. Voor de lijst met coderingen wordt verwezen naar de tabel met grondwaterlichamen (GWB)

X en Y

De coördinaten van de monitoringlocatie in het stelsel van Rijksdriehoekmeting. Als meerdere monitoringlocaties gedefinieerd worden met dezelfde coördinatenparen (meerdere filters in één winning) dient voor elke locatie een nieuwe, unieke code gegeven te worden.

Filter

Nummer van het filter. Dit veld is niet verplicht. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Mlcsoort

Het veld MLCSOORT geeft het soort meetlocatie: Toestand en Trend, Operationeel of beide. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCSOORT in de bijlagen.

Mlctype

Het type locatie wordt bij MLCTYPE ingevuld. Hier wordt aangegeven of het een locatie in het Kwaliteits- of het Kwantiteitsmeetnet betreft. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCTYPE in de bijlagen.

Construction

De naam CONSTRUCTION verwijst naar het EU rapportageformaat waarin aangegeven wordt of de locatie een ‘well’ (put) of een ‘spring’ (bron) betreft. In dit veld wordt de DINO codering gebruikt voor het locatietype. Voor mogelijke coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDINO.

Top_depth

Bovenkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Bottom_depth

Onderkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Diepte

De diepte van de locatie in cm onder maaiveld.

Owner

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

Mlcopme

In dit veld kunnen opmerkingen geplaatst worden

Gafident

Code van het deelstroomgebied waarin de locatie ligt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

Drinkwater

Hier aangeven of de locatie een winning is en het water gebruikt wordt voor menselijke consumptie

Tabel MLCGWB_DOEL – Meetdoelen van het grondwatermeetnet

Omschrijving

Verplicht

Type

Omschrijving

MLCIDENT

Ja

Tekst

Code van de monitoringlocatie

MLCDOEL

Ja

Tekst

Doel van de monitoringlocatie

In de tabel MLCGWB_DOEL wordt per locatie aangegeven welke meetdoelen van toepassing zijn. Voor elk doel wordt een aparte regel in de tabel opgenomen. Voor mogelijke meetdoelen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDOEL.

Tabel MLCDOEL – Domeintabel met meetdoelen

MLCDOEL

Omschrijving

GRENS

Grensoverschrijdende monitoring

KWALIT_DRINKW

Kwaliteit drinkwater

KWALIT_REGION

Kwaliteit regionaal

KWANT_DRINKW

Kwantiteit drinkwater

KWANT_REGION

Kwantiteit regionaal

VHR

Natura 2000 gebieden

ZOUT

Zout water intrusie

Tabel MLCGWB_PAR – Parameters en kwaliteitselementen in het grondwatermeetnet

Omschrijving

Verplicht

Type

Toelichting

MLCIDENT

Ja

Tekst

Identificatie (unieke code) van locatie

DOMGWCOD

Ja

Tekst

Bemeten parameter of kwaliteitselement

MONFREQ

Ja

Numeriek

Monitoringfrequentie

MONCYCLUS

Ja

Numeriek

Monitoringcyclus

MLCSOORT

Ja

Tekst

Soort monitoringnetwerk (TT of OM)

Toelichting

In de tabel MLCGWB_PAR wordt aangegeven welke parameters en/of kwaliteitselementen per locatie gerapporteerd worden. Tevens wordt per kwaliteitselement/parameter aangegeven hoe vaak de monitoring plaatsvindt en voor welk meetnet, Toestand en Trend of Operationeel, de parameter gemeten wordt.

Mlcident

Unieke code van de monitoringlocatie. Elke monitoringlocatie in de tabel MLCGWB dient ook voor te komen in de tabel MLCGWB_PAR. Dat wil zeggen dat voor elke locatie tenminste één parameter/kwaliteitselement gerapporteerd wordt.

Domgwcod

Code van de te rapporteren parameter of kwaliteitselement. Voor elke parameter of kwaliteitselement wordt één regel opgenomen. Voor mogelijke codes van parameters of kwaliteitselementen wordt verwezen naar de domeintabellen op www.idsw.nl. Voor het grondwatermonitoringprogramma kan de specifieke codering ‘STANDAARD’ gebruikt worden. Voor een locatie in het kwantiteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Kwantiteit’) betekent dit dat de stijghoogte gemeten wordt, voor een locatie in het kwaliteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Chemie’) betekent ‘STANDAARD’ dat de volgende parameters gerapporteerd worden:

Standaard parameters van het Kwaliteitsmeetnet

Code

Omschrijving

O2

Zuurstofgehalte

pH

pH

GELDHD

Geleidbaarheid

NO3

Nitraat

NH4

Ammonium

Cl

Chloride

Ni

Nikkel

As

Arseen

Cd

Cadmium

Pb

Lood

P

Fosfaat

IWSR12

Bestrijdingsmiddelen

Monfreq

De monitoringsfrequentie in het aantal metingen in één jaar. MONFREQ=12 betekent dat er 12 maal in één jaar gemeten wordt. en MONCYCLUS=6 betekent dat één maal per 6 jaar gerapporteerd wordt.

Moncyclus

Monitoringcyclus in jaren. Dus om de hoeveel jaar vindt de monitoring plaats (bijvoorbeeld: één keer per 6 jaar, MONCYCLUS = 6 invullen; elk jaar MONCYCLUS = 1 )

Mlcsoort

Soort meetnet waar deze parameter in opgenomen wordt. Er kan gekozen worden uit TT (Toestand en Trens) of OM (Operationeel), maar niet beide. Voor een parameter in een TT meetnet geldt standaard MONCYCLUS=6 en voor het OM meetnet MONCYCLUS=1.

Formulier V:. Rapportage format maatregelen

Inhoud Rapportage

Voor het realiseren van de KRW-doelen die zijn opgesteld voor grond- en oppervlaktewaterlichamen worden maatregelen uitgevoerd. De maatregelen met bijbehorende kenmerken zoals omvang, initiatiefnemerkosten, kosten en uitvoeringsperiode zijn opgenomen in een landelijke database. De maatregelen die worden opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) en waarvan de uitvoering uiterlijk 2015 is voorzien zijn resultaatsverplicht.

Verplicht en optioneel

Informatie over de maatregelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in de centrale database via de KRWmaatregelen website (vanaf dec 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal) De website bevat een verplicht en een optioneel deel. Het verplichte deel bevat informatie die benodigd is voor het opstellen van het SGBP en andere landelijke plannen. Het optionele deel is herkenbaar door een grijze arcering en kan worden gebruikt voor het opslaan van aanvullende (niet-verplichte) informatie die van belang kan zijn voor het opstellen van regionale plannen.

De maatregelen die moeten worden opgenomen in het SGBP moeten altijd worden gekoppeld aan waterlichamen. In enkele gevallen kan daarvoor gebruik worden gemaakt van een één op meer koppeling (koppeling aan cluster waterlichamen of hele beheergebied). In het eerste geval moeten de betreffende waterlichaamcodes wel onder ‘Locatie’ worden vermeld.

Tabellen

Maatregelen tabel

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

Tabel 1 Beschrijving van de Tabel Maatregelen

Volgnummer

Veldnaam

Verplicht

Type

Omschrijving

Domeintabel

1

GAFIDENT

ja

Tekst

Code deelstroomgebied

GAF15

2

WBHCODE

ja

Numeriek

Code waterbeheerder

WBH

3

MATIDENT

ja

Tekst

Unieke code van de maatregel

 

4

MATNAAM

ja

Tekst

Naam van de maatregel

 

5

MATCODE

ja

Tekst

Code van de maatregel

MATSTD

6

MATEENH

ja

Tekst

Eenheid van de maatregel

MATSTD

7

MATOMV

ja

Numeriek

Omvang van de maatregel

 

8

Toelichting

nee

Memo

Toelichting op de maatregel

 

9

LocatieType

ja

Tekst

Locatie type

Locaties

10

Locatie

ja

Tekst

Naam van de locatie

(Afhankelijk van locatietype)

11

Uitvoerder

ja

Tekst

Uitvoerder

Uitvoerders

12

Tijdvak

ja

Tekst

Tijdvak

Tijdvakken

13

Status

nee

Tekst

Status

Status

14

Document

nee

Tekst

Achterliggend document

Plannen

15

Rapporteren

ja

Ja/Nee

Opnemen in SGBP?

 

16

InvestKosten

ja

Numeriek

Investeringskosten

 

17

ExploitKosten

ja

Numeriek

Exploitatiekosten

 

18

GrondAantal

nee

Numeriek

Aantal hectaren grondverwerving

 

19

GrondKosten

ja

Numeriek

Kosten van grondverwerving

 

20

WB21

nee

Ja/Nee

Is dit een WB21 maatregel?

 

21

Kostendrager1

nee

Tekst

Eerste kostendrager

Kostendragers

22

KostenPercent1

nee

Numeriek

Percentage deelname 1e kostendrager

 

23

Kostendrager2

nee

Tekst

Tweede kostendrager

Kostendragers

24

KostenPercent2

nee

Numeriek

Percentage deelname 2e kostendrager

 

25

Kostendrager3

nee

Tekst

Derde kostendrager

Kostendragers

26

KostenPercent3

nee

Numeriek

Percentage deelname 3e kostendrager

 

27

Thema

nee

Tekst

Waterthema

Themas

28

N2000

nee

Ja/Nee

Ligt de maatregel in een N2000 gebied?

 

29

N2000Naam

nee

Tekst

Naam van het N2000 gebied

 

30

GWB

nee

Ja/Nee

Ligt de maatregel in een Grondwaterbeschermingsgebied?

 

31

GWBNaam

nee

Tekst

Naam van het grondwaterbeschermingsgebied

 

32

Datum

nee

Datum

Datum van laatste wijziging

 

Toelichting

1. Gafident

Code van het deelstroomgebied waar de maatregel genomen wordt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

2. Wbhcode

Code van de verantwoordelijke waterbeheerder. Voor de codes wordt verwezen naar het veld WBHCODE in de domeintabel met waterbeheerders (WBH).

3. Matident

Unieke code van de maatregel. Het verdient aanbeveling de maatregel te coderen zoals gebruikelijk is voor oppervlaktewaterlichamen: De eerste vier karakters zijn gereserveerd voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). De overige karakters zijn vrij te kiezen.

4. Matnaam

Naam van de maatregel zoals die door de waterbeheerder is opgegeven

5. Matcode

Maatregel codering volgens SGBP. Hierbij wordt verwezen naar het veld CODE in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD).

6. Mateenh

Eenheid van de maatregel. Welke eenheden toegestaan zijn is afhankelijk van maatregelcodering (MATCODE). Hierbij wordt verwezen naar het veld Eenheid in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD). Dit is alleen van belang voor maatregelen die worden opgenomen in het SGBP

7. Matomv

Omvang van de betreffende maatregel. Deze waarde moet altijd groter zijn dan nul

8. Toelichting

Uitgebreidere beschrijving van de maatregel

9. LocatieType

Het type locatie waar de maatregel van toepassing is. Voor een overzicht van mogelijke locaties wordt verwezen naar de domeintabel Locaties. Maatregelen die worden opgenomen in het SGBP moeten altijd aan één of meerdere waterlichamen worden gekoppeld

10. Locatie

De locatie waar de maatregel van toepassing is. De beschikbare keuzes zijn afhankelijk van het locatietype. Als het locatietype ‘oppervlaktewaterlichaam’ gekozen is dan verwijst de locatie naar de code van het oppervlaktewaterlichaam (het veld OWMIDENT uit de tabel met waterlichamen). Voor een overzicht van mogelijke combinaties van locatie en locatietype wordt verwezen naar de bijlagen.

11. Uitvoerder of initiatiefnemer)

De partij die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een maatregel. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Uitvoerders.

12. Tijdvak

Periode waarin de betreffende maatregel wordt uitgevoerd. Voor maatregelen die in het SGBP worden opgenomen moet worden gekozen uit de voorgedefinieerde tijdvakken. De optie ‘onbekend’ mag dan niet worden gebruikt. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Tijdvakken

13. Status

Status waarin de maatregel verkeerd in de huidige situatie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen: uitgevoerd (bestaat reeds), in uitvoering (wordt momenteel gerealiseerd), begroot (opgenomen in vastgestelde uitvoeringsplannen), gepland (is opgenomen in plannen maar nog niet begroot), concept (is meegenomen in voorlopige uitwerkingen), nieuw (niet eerder benoemd, volgt uit gebiedsproces) en onbekend. Voor een compleet overzicht van mogelijke statussen wordt verwezen naar de domeintabel Status.

14. Document

Naam van de planvorm waarin de maatregel wordt vastgelegd. Voorbeelden zijn: WBP, BHP, BPRW, grondwaterplan, raadsbesluit.

15. Rapporteren

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel in het SGBP moet worden opgenomen. In principe worden alle voorgenomen maatregelen die bijdragen aan KRW-doelen aangevinkt.

16. InvestKosten

Investeringskosten van de maatregel inclusief BTW en exclusief grondverwerving.

17. ExploitKosten

Kosten voor beheer en onderhoud (inclusief BTW), berekend als extra kosten ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan bij een verminderde inspanning dus ook negatief zijn.

18. GrondAantal

Aantal hectaren dat moet worden verworven voor het realiseren van de maatregel

19. GrondKosten

Kosten voor grondverwerving (inclusief BTW) die samenhangen met de uitvoering van KRW-maatregel

20. Wb21

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel ook een bijdrage levert aan het behalen van WB21-doelen

21, 23 en 25. Kostendrager

Naam van de partij die (een deel van) de kosten van de maatregel voor zijn rekening neemt

22, 24 en 26. Kostenpercent

Aandeel van de totale kosten dat door de betreffende kostendrager wordt betaald

27. Thema

Naam van het water- of beleidsthema waaraan de maatregel een bijdrage levert. Mogelijke waterthema’s zijn opgenomen in de domeintabel Thema.

Domeintabellen

De volgende domeintabellen zijn van toepassing:

  • MATSTD: standaard maatregelen met codes en eenheden

  • Locatie: mogelijke locaties waar een maatregel aan gekoppeld kan worden

  • Tijdvak: tijdvak van een maatregel

  • Status: status van een maatregel

  • Uitvoerder: de uitvoerder van een maatregel

  • Kostendrager: de kostendrager van een maatregel

  • Thema: waterthema

MATSTD

Code

Categorie

Omschrijving

Eenheid

BE01

Beheermaatregelen

uitvoeren actief visstands- of schelpdierstandsbeheer

ha, stuks

BE02

Beheermaatregelen

uitvoeren actief vegetatiebeheer (enten, zaaien, planten)

ha, km

BE03

Beheermaatregelen

uitvoeren op waterkwaliteit gericht onderhouds-/maaibeheer (water & natte oever)

ha, km

BE04

Beheermaatregelen

Verwijderen eutrofe bagger

m3, ha

BE05

Beheermaatregelen

verwijderen vervuilde bagger (m.u.v. eutrofe bagger)

m3, ha

BE06

Beheermaatregelen

aanpassen begroeiing langs water

km, ha

BE07

Beheermaatregelen

Beheren van grootschalige grondwaterverontreinigingen

ha

BE08

Beheermaatregelen

overige beheermaatregelen

stuks, km, ha

BR01

Bronmaatregelen

verminderen emissie nutriënten landbouw

stuks, ha

BR02

Bronmaatregelen

verminderen emissie zware metalen en overige microverontreinigingen landbouw

stuks, ha

BR03

Bronmaatregelen

verminderen emissie gewasbeschermingsmiddelen landbouw

stuks, ha

BR04

Bronmaatregelen

verminderen emissie scheepvaart

stuks, ha

BR05

Bronmaatregelen

verminderen emissie verkeer

stuks, ha

BR06

Bronmaatregelen

verminderen diffuse emissie industrie

stuks, ha

BR07

Bronmaatregelen

saneren uitlogende oeverbescherming

km

BR08

Bronmaatregelen

verminderen emissies bouwmaterialen

stuks, ha

BR09

Bronmaatregelen

verminderen emissie gewasbeschermingsmiddelen stad

stuks, ha

BR10

Bronmaatregelen

overige bronmaatregelen

stuks, ha

GGOR

Overige maatregelen

GGOR maatregelen

stuks, km, ha, m3

IM01

Immissiemaatregelen

verminderen belasting RWZI – nutriënten

stuks

IM02

Immissiemaatregelen

verminderen belasting RWZI – overige stoffen

stuks

IM03

Immissiemaatregelen

aanpakken overstorten gemengde stelsels

stuks, ha

IM04

Immissiemaatregelen

zuiveren + afkoppelen verhard oppervlak

ha

IM05

Immissiemaatregelen

herstellen lekke riolen

stuks, km

IM06

Immissiemaatregelen

opheffen ongezuiverde lozingen