Mediawet 2008

Geraadpleegd op 02-07-2022.
Geldend van 02-03-2022 t/m 30-06-2022

Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie, distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte

Artikel 1.1

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • aanbieder van een omroepnetwerk: natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit door middel van een omroepnetwerk ter beschikking stelt;

    • aanbieder van een omroepzender: natuurlijke persoon of rechtspersoon die transmissiecapaciteit door middel van een omroepzender ter beschikking stelt;

    • aanbodkanaal: geordende geheel van media-aanbod dat onder een herkenbare naam via een elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet wordt aangeboden;

    • alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • audiovisueel media-aanbod: media-aanbod van een mediadienst dat betrekking heeft op producten met bewegende beeldinhoud al dan niet mede met geluidsinhoud;

    • Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;

    • catch-up: afname als mediadienst op aanvraag van media-aanbod gedurende een beperkte periode die begint tijdens of kort na de verspreiding van dat media-aanbod op een programmakanaal;

    • commerciële mediadienst: mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 3;

    • commerciële media-instelling: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële mediadienst verzorgt en die voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt;

    • Commissariaat: Commissariaat voor de Media, genoemd in artikel 7.1;

    • concessiebeleidsplan: concessiebeleidsplan als bedoeld in artikel 2.20;

    • concessiebeleidsplan RPO: concessiebeleidsplan RPO als bedoeld in artikel 2.60l;

    • dagbladmarkt: door het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, genoemd in artikel 8.1, vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste zes keer per week verschijnen;

    • erkenningperiode: periode als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid;

    • Europese richtlijn: Richtlijn 2010/13/EU van 10 maart 2010 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten);

    • evenement: georganiseerde voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op het terrein van sport of cultuur;

    • landelijke publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.2 media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst verzorgt;

    • lokale publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.3 is aangewezen voor de verzorging van een lokale publieke mediadienst;

    • media-aanbod: één of meer elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud die bestemd zijn voor afname door het algemene publiek of een deel daarvan;

    • mediadienst: dienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod door middel van openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, waarvoor de verzorger redactionele verantwoordelijkheid draagt;

    • mediadienst op aanvraag: mediadienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod dat op individueel verzoek en op een moment naar keuze kan worden afgenomen;

    • NOS: Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 2.34a;

    • NPO: Stichting Nederlandse Publieke Omroep, genoemd in artikel 2.2;

    • NTR: Stichting NTR, genoemd in artikel 2.35;

    • omroepdienst: mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen van media-aanbod dat op basis van een chronologisch schema dat is vastgesteld door de instelling die verantwoordelijk is voor het media-aanbod, al dan niet gecodeerd door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan;

    • omroepnetwerk: openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma’s te verspreiden;

    • omroeporganisatie: omroeporganisatie als bedoeld in artikel 2.23;

    • omroepzender: radiozendapparaat als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet dat wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor het verspreiden van programma’s;

    • Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    • open televisieprogrammakanaal: televisieprogrammakanaal dat ontvangen kan worden door ten minste vijfenzeventig procent van alle huishoudens in Nederland, waarvoor geen andere kosten verschuldigd zijn dan:

      • 1°. het tarief dat een pakketaanbieder als bedoeld in artikel 6.9a aan zijn abonnees in rekening brengt voor de ontvangst van het programma-aanbod van een door die aanbieder met inachtneming van de artikelen 6.13 tot en met 6.14b vast te stellen aantal programmakanalen; of

      • 2°. de kosten van aankoop of gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma’s mogelijk maken;

    • overlay: toevoeging aan het audiovisueel media-aanbod die niet afkomstig is van de media-instelling die de mediadienst verzorgt;

    • politieke partij: vereniging waarvan de aanduiding op grond van artikel G 1, Q 6 of Y 10 van de Kieswet is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer of het Europees Parlement;

    • productplaatsing: het tegen betaling of soortgelijke vergoeding opnemen van of het verwijzen naar een product, dienst of (beeld)merk binnen het kader van een programma, of met een programma overeenkomend onderdeel van het media-aanbod;

    • programma: elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk afgebakend is en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel via een omroepdienst wordt verspreid;

    • programma-aanbod: geheel van media-aanbod dat wordt verspreid via een omroepdienst;

    • programmakanaal: geordende geheel van programma-aanbod dat onder een herkenbare naam wordt verspreid via een omroepzender of omroepnetwerk;

    • publieke mediadienst: mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 2;

    • publieke media-instelling: instelling die op grond van hoofdstuk 2 media-aanbod verzorgt;

    • publieke mediaopdracht: mediaopdracht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid;

    • raad van bestuur: raad van bestuur van de NPO;

    • radio-omroep: omroepdienst die betrekking heeft op radioprogramma-aanbod;

    • radioprogramma: programma met uitsluitend geluidsinhoud;

    • reclameboodschap: uiting in welke vorm dan ook, niet zijnde een telewinkelboodschap, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen;

    • redactionele verantwoordelijkheid: het uitoefenen van effectieve controle over:

      • a. de keuze van het media-aanbod; en

      • b. de ordening van het media-aanbod in een chronologisch schema voor wat betreft programma’s, of in een catalogus voor wat betreft het media-aanbod van mediadiensten op aanvraag;

    • regionale publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.3 is aangewezen voor de verzorging van een regionale publieke mediadienst;

    • RPO: Stichting Regionale Publieke Omroep;

    • sluikreclame: het anders dan op grond van deze wet vermelden of tonen van namen, (beeld)merken, producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daarmee wordt beoogd of mede wordt beoogd reclame te maken, met dien verstande dat het oogmerk in elk geval aanwezig is als de vertoning of vermelding tegen betaling of soortgelijke vergoeding geschiedt;

    • sponsoring: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod, teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken;

    • sportwedstrijd: wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd, georganiseerd door of onder auspiciën van de door het NOC*NSF erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare internationale, al dan niet overkoepelende sportorganisaties, dan wel een andere wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd van een sport die door het NOC*NSF als sport is aangemerkt;

    • Ster: Stichting Etherreclame, genoemd in artikel 2.99;

    • teletekst: televisieprogramma dat uitsluitend bestaat uit stilstaande tekstbeelden die door de kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt verspreid via dezelfde transmissieruimte van een omroepzender of omroepnetwerk als die welke wordt gebruikt voor de verspreiding van andere televisieprogramma’s;

    • televisieomroep: omroepdienst die betrekking heeft op televisieprogramma-aanbod;

    • televisieprogramma: programma met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud;

    • telewinkelboodschap: uiting in een televisieprogramma-aanbod die bestaat uit een rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op de levering tegen betaling van producten of diensten;

    • uitgever van een persorgaan: rechtspersoon die een persorgaan uitgeeft.

  • 2 Onder reclameboodschap als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor zover dat geen betrekking heeft op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst die in de handel verkrijgbaar is.

Artikel 1.2

  • 1 Onder de bevoegdheid van Nederland vallen publieke of commerciële media-instellingen die krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid vallen.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een instelling die radioprogramma’s verzorgt, met dien verstande dat in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland valt een instelling die radioprogramma’s verzorgt die in Nederland door middel van een omroepzender, satelliet daaronder niet begrepen, worden verspreid.

Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten

Titel 2.1. Publieke mediaopdracht

Artikel 2.1

  • 1 Er is een publieke mediaopdracht die bestaat uit:

    • a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van publieke mediadiensten door het aanbieden van media-aanbod dat tot doel heeft een breed en divers publiek te voorzien van informatie, waaronder journalistieke inhoud, cultuur en educatie, via alle beschikbare aanbodkanalen;

    • a1. het kunnen inzetten van amusement als middel om een informatief, cultureel of educatief doel te bereiken of een breed en divers publiek te trekken en te binden zodat deze doelen onder de aandacht worden gebracht;

    • b. het verzorgen van publieke mediadiensten waarvan het media-aanbod bestemd is voor Nederlanders die buiten de landsgrenzen verblijven; en

    • c. het stimuleren van innovatie ten aanzien van media-aanbod, het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.

  • 2 Publieke mediadiensten zijn in overeenstemming met publieke waarden, waarbij zij voorzien in democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving. Zij verzorgen daartoe media-aanbod dat:

    • a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;

    • b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;

    • c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen;

    • d. onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden;

    • e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen, die binnen deze sector gehanteerd worden; en

    • f. voor iedereen toegankelijk is.

  • 3 Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken.

Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst

Afdeling 2.2.1. Stichting Nederlandse Publieke Omroep

Paragraaf 2.2.1.1. Taken

Artikel 2.2

  • 1 De Stichting Nederlandse Publieke Omroep is het sturings- en samenwerkingsorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel 2.1.

  • 2 Naast de andere taken die de NPO heeft op grond van deze wet, is zij belast met:

    • a. het geven van sturing en het bevorderen van samenwerking met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • b. de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;

    • b1. het zorgdragen voor de publieksbetrokkenheid bij de invulling van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;

    • c. de vertegenwoordiging van de landelijke publieke media-instellingen in internationale organisaties op het gebied van media en de medewerking aan de oprichting van dergelijke organisaties;

    • d. het in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen meewerken aan Europees media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht;

    • e. het beschikbaar stellen van media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst aan het buitenland;

    • f. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen, waaronder de coördinatie van het verwerven, beheren en gebruiken van rechten op media-aanbod en de daaraan verbonden namen en merken;

    • g. het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de landelijke publieke media-instellingen;

    • h. de bekostiging van de landelijke publieke media-instellingen, op basis van de door Onze Minister beschikbaar gestelde gelden;

    • i. het zorgdragen voor een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het zorgdragen voor geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording;

    • j. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • k. het verspreiden van media-aanbod voor Nederlandstaligen in het buitenland; en

    • l. het in samenwerking met publieke media-instellingen bevorderen van talentontwikkeling.

  • 3 Bij de uitvoering van haar taken stuurt de NPO en bevordert zij de samenwerking vanuit de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147, en neemt zij bij de verzorging van het media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen artikel 2.88 in acht.

Artikel 2.3

  • 1 De NPO kan in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, in naam van de gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met derden aangaan.

  • 2 De NPO stelt in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, een gedragscode op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster.

  • 3 De gedragscode omvat in elk geval:

    • a. aanbevelingen voor de bestuurlijke organisatie, waaronder bestuurlijk toezicht;

    • b. een beloningskader;

    • c. gedragsregels voor integer handelen van bestuurders en medewerkers;

    • d. gedragsregels voor publieke en transparante verantwoording en verslaglegging; en

    • e. procedures voor de behandeling van meldingen en vermoedens over mogelijke misstanden.

  • 4 Het beloningskader, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, voor zover dat betrekking heeft op medewerkers die buiten de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst een beloning ontvangen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Voor zover Onze Minister goedkeuring daaraan onthoudt of als de NPO nalatig blijft bij het vaststellen van een beloningskader, bepaalt hij de inhoud van het beloningskader. De NPO stelt vervolgens het beloningskader vast overeenkomstig de inhoud, bedoeld in de vorige volzin.

  • 5 De gedragscode wordt nageleefd door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen.

Paragraaf 2.2.1.2. Organisatie

Artikel 2.5

  • 1 De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval de raad van bestuur, het college van omroepen, de representatieve maatschappelijke adviesraad, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel i, en de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.

  • 3 Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.

  • 4 Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.

  • 5 De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.

  • 6 Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.

  • 7 Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:

    • a. deze wet;

    • b. eisen van zorgvuldigheid; of

    • c. andere zwaarwegende belangen.

  • 8 Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.

  • 9 Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.

  • 10 Voor een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, personen voor benoeming aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.

  • 11 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.6

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met:

    • a. het lidmaatschap van het college van omroepen;

    • b. het lidmaatschap van de raad van bestuur;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • e. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

    • f. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister;

    • g. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en

    • h. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.7

  • 1 De raad van toezicht is belast met het toezicht op:

    • a. de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • b. de werkzaamheden van de raad van bestuur; en

    • c. de algemene gang van zaken in de organisatie van de NPO.

  • 2 De raad van toezicht staat de raad van bestuur met advies ter zijde.

  • 3 De raad van toezicht is verder belast met:

    • a. het vaststellen van de jaarrekening van de NPO; en

    • b. het wijzigen van de statuten van de NPO, op voorstel van de raad van bestuur;

  • 4 Bij de uitvoering van zijn taak neemt de raad van toezicht het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst in acht, werkt de raad met gevoel voor het krachtenveld waarin de landelijke publieke mediadienst functioneert en houdt de raad rekening met de belangen van de landelijke publieke media-instellingen.

  • 5 De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de informatie die de raad van toezicht nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak.

  • 6 De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.

Artikel 2.8

  • 1 De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste twee andere leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 2 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.9

  • 1 Op het lidmaatschap van de raad van bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met h, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster.

  • 2 De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de NPO. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

  • 4 Een lid van de raad van bestuur kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht.

Artikel 2.10

  • 1 De raad van bestuur bestuurt de NPO.

  • 2 Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

    • a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de NPO;

    • b. de dagelijkse coördinatie en samenhangende ordening van het media-aanbod op en tussen de diverse aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;

    • c. het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de NPO, waaronder in ieder geval een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;

    • d. het vaststellen van de profielen van de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst, inhoudende de uitgangspunten voor een herkenbaar media-aanbod op die kanalen;

    • e. het vaststellen van het concessiebeleidsplan;

    • f. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22;

    • g. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 2.147;

    • h. het vaststellen van het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.17; en

    • i. het organiseren van representatieve publieksvertegenwoordiging, waaronder een representatieve maatschappelijke adviesraad, ter bevordering van de publieksbetrokkenheid bij de invulling van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

  • 3 De raad van bestuur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.11

  • 1 De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:

    • a. de besluiten, bedoeld in het artikel 2.10, tweede lid, onderdelen e tot en met h;

    • b. het doen van investeringen die een in de statuten van de NPO vastgesteld bedrag te boven gaan;

    • c. het door de NPO aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de NPO of de landelijke publieke media-instellingen;

    • d. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers; en

    • e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.

  • 2 De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de NPO.

Artikel 2.12

  • 1 Het college van omroepen adviseert de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

  • 2 Het college van omroepen is zodanig samengesteld dat de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR daarin elk één lid benoemen.

Artikel 2.13

  • 1 Het lidmaatschap van het college van omroepen is onverenigbaar met het lidmaatschap van een redactie als bedoeld in artikel 2.56.

  • 2 Het college wijst uit zijn midden de voorzitter aan en regelt zijn eigen werkwijze.

Artikel 2.14

  • 2 De raad van bestuur stelt het college van omroepen een redelijke termijn voor het geven van het advies. Het uitblijven van het advies van het college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van een besluit door de raad van bestuur niet in de weg.

  • 3 Als uit het advies blijkt dat het college niet instemt met een voorgenomen overeenkomst of een voorgenomen besluit dan wel belangrijke onderdelen daarvan en de raad van bestuur wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, kan de raad van bestuur het college in de gelegenheid stellen daarover te worden gehoord binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn. De raad van bestuur doet dat in ieder geval indien het een voorgenomen besluit of een voorgenomen overeenkomst betreft als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel e, respectievelijk f.

  • 4 Indien de raad van bestuur na toepassing van het derde lid zijn voornemen ongewijzigd heeft gehandhaafd, legt hij de voorgenomen overeenkomst of het vastgestelde besluit ter instemming voor aan de raad van toezicht. De raad van bestuur motiveert daarbij waarom hij de voorgenomen overeenkomst ongewijzigd wil handhaven, respectievelijk het voorgenomen besluit ongewijzigd heeft vastgesteld.

  • 5 Alvorens de raad van toezicht besluit over instemming met een voorgenomen overeenkomst of vastgesteld besluit kan hij het college in de gelegenheid stellen daarover te worden gehoord binnen een door de raad van toezicht te stellen redelijke termijn. De raad van toezicht doet dat in ieder geval indien het een vastgesteld besluit of een voorgenomen overeenkomst betreft als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel e, respectievelijk f.

Artikel 2.14a

  • 1 De raad van bestuur benoemt, op voordracht van het college van omroepen, een ombudsman voor de publieke omroep voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.

  • 2 De raad van bestuur kan de ombudsman tussentijds ontslaan indien deze, ondanks een voorafgaande waarschuwing van het college van omroepen, naar het oordeel van dit college structureel in gebreke blijft.

  • 3 De raad van bestuur kan voorzien in tijdelijke vervanging van de ombudsman indien deze wegens ziekte of verlof langdurig niet in staat is zijn functie te vervullen.

  • 4 De ombudsman heeft geen financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en vervult geen nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van de ombudsman of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 5 De ombudsman beoordeelt na een klacht of uit eigen beweging het journalistieke handelen van de landelijke publieke media-instellingen bij de verzorging van media-aanbod op het gebied van nieuws, informatie en educatie. Dit oordeel is niet bindend en de ombudsman kan geen rectificatie afdwingen.

Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten

Artikel 2.15

  • 1 De NPO verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NPO.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPO voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.16

  • 1 Als de NPO naar de mening van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de NPO de noodzakelijke voorzieningen treffen.

  • 2 Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 2.17

  • 1 De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

  • 2 In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NPO, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

  • 3 De NPO zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.18

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de NPO behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht en de raad van bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NPO.

Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst

Artikel 2.19

  • 1 Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk besluit aan de NPO een concessie verleend.

  • 2 De concessie geldt voor tien jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 3 Voor de toepassing van de artikelen 2.20 en 2.29 bestaat de concessieperiode uit twee perioden van vijf jaar.

Artikel 2.20

  • 1 Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de NPO een concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

  • 2 Het concessiebeleidsplan bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt uitgevoerd, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, de publieksbetrokkenheid en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst;

    • b. aard en aantal van de programmakanalen en de daarvoor gewenste frequentieruimte;

    • c. aard en aantal van de overige aanbodkanalen, alsmede voor de aanbodkanalen die zijn bestemd of mede zijn bestemd voor het verzorgen van een mediadienst op aanvraag de technische kwaliteit van beeld of geluid en de periode waarin het media-aanbod beschikbaar is voor afname;

    • d. een onderbouwd overzicht van de naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en

    • e. een beschrijving van de samenwerking met de regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan en het tijdstip van indiening.

  • 4 De raad van bestuur stelt het concessiebeleidsplan vast na overleg met in elk geval de landelijke publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken regionale en lokale publieke media-instellingen.

Artikel 2.21

  • 1 De NPO maakt het concessiebeleidsplan openbaar.

  • 2 Over het concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a. Het advies heeft in elk geval betrekking op de wijze waarop in het concessiebeleidsplan vorm wordt gegeven aan de pluriformiteit van het media-aanbod.

  • 4 Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:

    • a. kunnen belanghebbenden gedurende vier weken na openbaarmaking van het concessiebeleidsplan mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren brengen bij Onze Minister; en

    • b. verzoekt Onze Minister de Autoriteit Consument en Markt na afloop van de termijn, genoemd onder a, een rapportage uit te brengen met een analyse van de mogelijke effecten van het aanbodkanaal op de daarvoor relevante markten.

  • 5 Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.

  • 6 Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.

  • 8 Als de NPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.21a

  • 1 Artikel 2.21, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.

Artikel 2.22

  • 1 Mede op basis van het concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de NPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.

  • 2 De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

    • a. kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, de publieksbetrokkenheid en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst;

    • b. maatregelen bij niet naleving, voor zover mogelijk binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet; en

    • c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandigheden.

  • 3 De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties

Artikel 2.23

  • 1 Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan ten hoogste zes omroeporganisaties erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. Een omroeporganisatie is een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24 of een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a.

  • 2 Onze Minister kan eens in de vijf jaar voorlopige erkenningen verlenen aan omroepverenigingen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 2.24

  • 1 Een omroepvereniging is een vereniging die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;

    • c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;

    • d. haar leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en

    • e. een jaarlijkse contributie heft van ten minste € 8,50, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.

  • 2 Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 2.24a

  • 1 Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;

    • c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stromingen te vertegenwoordigen, overeenkomstig de statuten van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;

    • d. als de samenwerkingsomroep een vereniging is, zijn leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en

    • e. ervoor zorg draagt dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, een jaarlijkse contributie heffen van ten minste € 8,50, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.

  • 2 Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 2.25

  • 1 Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een omroeporganisatie:

    • a.

      • 1°. die in de voorafgaande erkenningperiode een erkenning had;

      • 2°. die is gevormd uit omroepverenigingen die in de voorafgaande periode een erkenning hadden;

      • 3°. die is gevormd uit alle omroepverenigingen die waren vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep die in de voorafgaande periode een erkenning had; of

      • 4°. die is gevormd uit omroepverenigingen als bedoeld onder 2° en 3°;

    • b.

      • 1°. die voor zover het een omroepvereniging betreft, ten minste 100.000 leden heeft; of

      • 2°. waarvan voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, samen ten minste 100.000 leden hebben en afzonderlijk niet minder dan 50.000 leden;

    • c. die op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is en voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, ook elke omroepvereniging die hij vertegenwoordigt, op die datum een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, tweede lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is; en

    • d. die de beschikbaarheid van het media-aanbod op de aanbodkanalen, bedoeld in artikel 2.55, derde lid, heeft zeker gesteld en voldoet aan de artikelen 2.142a en 2.178, eerste, tweede en derde lid.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan ook in aanmerking komen voor een erkenning een samenwerkingsomroep waarin zijn vertegenwoordigd:

    • a. een of meer omroepverenigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en

    • b. een of meer omroepverenigingen die in de voorafgaande erkenningperiode een voorlopige erkenning hadden, waarbij voor elk van deze omroepverenigingen geldt dat:

      • 1°. die omroepvereniging ten minste 50.000 leden heeft; en

      • 2°. van die omroepvereniging niet tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 2.26

  • 1 Voor een voorlopige erkenning komt slechts in aanmerking een omroepvereniging die:

    • a. in de voorafgaande erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning had en niet vertegenwoordigd was in een samenwerkingsomroep die in die periode een erkenning had;

    • b. ten minste 50.000 leden heeft;

    • c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is;

    • d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheidt van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • e. de voorschriften met betrekking tot ledenwerving, bedoeld in artikel 2.137, in acht heeft genomen;

    • f. de verzorging van haar media-aanbod opdraagt aan de NTR of een omroeporganisatie die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen en waarmee zij overeenstemming heeft bereikt; en

    • g. voldoet aan de artikelen 2.142a, eerste en tweede lid, en 2.178, eerste en tweede lid.

Artikel 2.27

  • 1 Het Commissariaat stelt het aantal leden per omroeporganisatie die een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning heeft ingediend vast op een peildatum die door Onze Minister wordt bepaald. Bij een samenwerkingsomroep wordt het aantal leden bepaald door het totaal aantal leden van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt.

  • 3 Het Commissariaat bepaalt de wijze waarop de vaststelling van het aantal leden gebeurt en de aanvrager verstrekt aan het Commissariaat alle gegevens die het daarvoor nodig acht.

Artikel 2.29

  • 1 Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode.

  • 3 Een erkenning of voorlopige erkenning geeft aanspraak op een financiële bijdrage voor de verzorging van media-aanbod volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 4 Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroeporganisatie in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger.

Artikel 2.30

  • 1 Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een beleidsplan.

  • 2 Het beleidsplan is afgestemd op het concessiebeleidsplan voor dezelfde periode en bevat in elk geval:

    • a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst, waarbij wordt aangegeven waaruit binding in de samenleving met de missie en identiteit van de omroeporganisatie blijkt anders dan uit het ledenaantal;

    • b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NTR; en

    • c. voor zover het betreft het beleidsplan van een aanvrager van een voorlopige erkenning, de voornemens en afspraken over de wijze waarop zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 2.88, eerste lid, in de samenwerking met de NTR of een omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, is gewaarborgd.

  • 3 Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag;

    • b. de inrichting van een aanvraag en het beleidsplan; en

    • c. de termijn en wijze waarop een besluit op een aanvraag wordt genomen.

  • 5 Aangaande eenzelfde omroepvereniging kan slechts een aanvraag worden toegewezen.

Artikel 2.31

  • 1 Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.

  • 2 Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg.

  • 3 Als een aanvraag is ingediend door een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, onderdeel b, bevat het advies een concreet voorstel voor het samengaan van deze aanvrager met een of meer andere aanvragers, gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsomroep. De mate waarin aanvragers kunnen bijdragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau met inachtneming van hun in het media-aanbod te weerspiegelen identiteit, is bepalend voor de inhoud van het voorstel.

  • 4 Als het advies een voorstel als bedoeld in het derde lid bevat, stelt Onze Minister na overweging van het advies, de betreffende aanvragers in de gelegenheid als samenwerkingsomroep gezamenlijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 2.30 en het eerste lid zijn van toepassing.

Artikel 2.32

  • 2 Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als:

    • a. de aanvrager blijkens de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b;

    • b. de aanvrager niet voldoet aan artikel 2.30, eerste tot en met derde en vijfde lid, of de krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;

    • c. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of

    • d. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:

      • 1°. in het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de aanvrager tot uitdrukking komt;

      • 2°. het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen; of

      • 3°. de aanvrager bereid is tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst en zijn verantwoordelijkheid gewaarborgd is als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c.

  • 3 Onze Minister kan daarnaast een aanvraag afwijzen als de aanvraag niet uitgaat van een voorstel als bedoeld in artikel 2.31, derde lid.

Artikel 2.33

  • 3 Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning daarnaast intrekken als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b. Artikel 2.31, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin.

  • 4 Onze Minister kan op verzoek van de raad van bestuur een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als:

    • a. de raad van bestuur aan de instelling binnen de erkenningperiode twee maal een sanctie als bedoeld in artikel 2.154 heeft opgelegd; of

    • b. de instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst.

Artikel 2.34

  • 1 De omroeporganisaties zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

  • 2 Het media-aanbod van een omroeporganisatie weerspiegelt de identiteit en missie van die organisatie zoals die in de statuten zijn omschreven. Een omroeporganisatie rapporteert hierover jaarlijks in haar bestuursverslag.

Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting

Artikel 2.34a

  • 1 De Nederlandse Omroep Stichting heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen op het gebied van nieuws, sport en evenementen dat zich bij uitstek leent voor gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod dat:

    • a. een hoge frequentie en vaste regelmaat van verspreiding vereist;

    • b. een algemeen dienstverlenend karakter draagt; of

    • c. met een doelmatiger inzet van middelen beter gezamenlijk tot stand kan worden gebracht.

  • 2 De NOS verzorgt teletekst voor de landelijke publieke mediadienst.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NOS wordt verzorgd.

Artikel 2.34c

  • 1 De raad van toezicht van de NOS bestaat uit vijf of zeven leden die op zwaarwegende voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

  • 2 De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 3 Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 4 De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NOS verzorgt, aanwezig zijn.

  • 5 Bij een vacature draagt de raad van toezicht zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het eerste lid. In elk geval het opstellen en het openbaar maken van profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel zijn onderdeel van die procedure.

  • 6 De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

  • 7 Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

    • a. deze wet;

    • b. eisen van zorgvuldigheid; of

    • c. andere zwaarwegende belangen.

Artikel 2.34d

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NOS is onverenigbaar met:

    • a. de functie van lid van de directie van de NOS;

    • b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

    • e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister;

    • f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en

    • g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NOS onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.34a. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

  • 5 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NOS een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.34e

  • 1 De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen de NOS en de pluriformiteit van het media-aanbod van de NOS en staat de directie met advies terzijde.

  • 2 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NOS.

Artikel 2.34f

  • 1 De directie van de NOS bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 3 De directieleden zijn in dienst van de NOS. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.34g

  • 1 De directie bestuurt de NOS.

  • 2 De directie is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NOS.

  • 3 De directie is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.34h

  • 1 De NOS verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de stichting.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NOS voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.34i

  • 1 De NOS stelt jaarlijks vóór 1 mei een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

  • 2 In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NOS, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

  • 3 De NOS zendt het bestuursverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.34j

  • 1 Wijziging in de statuten van de NOS behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht en de directie kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NOS.

Afdeling 2.2.3. Stichting NTR

Artikel 2.35

  • 1 De Stichting NTR heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NTR wordt verzorgd.

  • 3 De NTR heeft eveneens tot taak het voor de landelijke publieke mediadienst verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming.

Artikel 2.36

  • 1 De raad van toezicht van de NTR bestaat uit vijf of zeven leden die op zwaarwegende voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

  • 2 De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 3 Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

  • 4 De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NTR verzorgt, aanwezig zijn.

  • 5 Bij een vacature draagt de raad van toezicht zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het eerste lid. In elk geval het opstellen en het openbaar maken van profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel zijn onderdeel van die procedure.

  • 6 De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

  • 7 Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

    • a. deze wet;

    • b. eisen van zorgvuldigheid; of

    • c. andere zwaarwegende belangen.

Artikel 2.37

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NTR is onverenigbaar met:

    • a. de functie van algemeen directeur van de NTR;

    • b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal;

    • e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister;

    • f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en

    • g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NTR onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

  • 5 De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NTR een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.37a

  • 1 De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur, op de algemene gang van zaken binnen de NTR en op de pluriformiteit van het media-aanbod van de NTR en staat de algemeen directeur met advies terzijde.

  • 2 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NTR.

Artikel 2.37b

  • 1 De algemeen directeur van de NTR wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.

  • 3 De algemeen directeur is in dienst van de NTR. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.37c

  • 1 De algemeen directeur bestuurt de NTR.

  • 2 De algemeen directeur is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NTR.

  • 3 De algemeen directeur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.

Artikel 2.39

  • 1 De NTR verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NTR.

  • 2 Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NTR voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.40

  • 1 De NTR stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag vast over het afgelopen kalenderjaar.

  • 2 In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NTR, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

  • 3 De NTR zendt het bestuursverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.41

  • 1 Wijzigingen in de statuten van de NTR behoeven de instemming van Onze Minister.

  • 2 De raad van toezicht en de algemeen directeur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NTR.

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

[Vervallen per 01-01-2014]

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Artikel 2.50

Gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 2.19, wordt:

  • a. op ten minste twee algemene televisieprogrammakanalen en op ten minste vijf algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst programma-aanbod verzorgd; en

  • b. op ten minste een aanbodkanaal een kosteloze mediadienst op aanvraag verzorgd die is bestemd voor de catch-up van de programma’s op de algemene programmakanalen.

Artikel 2.51

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.21a.

Artikel 2.52

Bij de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen kan de raad van bestuur voorstellen voor programma’s toetsen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147, en neemt zij artikel 2.88 in acht.

Artikel 2.53

  • 1 De raad van bestuur verzorgt de plaatsing van het media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen en de Ster op de aanbodkanalen.

  • 2 De raad van bestuur kan de plaatsing op de aanbodkanalen herzien:

    • a. als een erkenning of een voorlopige erkenning wordt ingetrokken;

    • b. in het belang van de coördinatie en ordening op en tussen de verschillende aanbodkanalen; of

    • c. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de indeling.

Artikel 2.54

  • 1 De raad van bestuur zorgt er in het kader van de coördinatie voor dat het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst past binnen de kaders van artikel 2.1, het concessiebeleidsplan en de profielen van de aanbodkanalen en voldoet aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.119 tot en met 2.123, alsmede dat de landelijke publieke media-instellingen beschikken over ruimte op de aanbodkanalen die nodig is om media-aanbod dat is vervaardigd met de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder a tot en met d, te kunnen plaatsen.

  • 2 De raad van bestuur kan het initiatief nemen tot het verzorgen van media-aanbod door een landelijke publieke media-instelling op basis van een voorstel dat niet afkomstig is van de NPO of een landelijke publieke media-instelling.

  • 3 Bij het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in het tweede lid neemt de landelijke publieke media-instelling de afspraken in acht die de raad van bestuur over het media-aanbod heeft gemaakt met de partij van wie het voorstel afkomstig is.

Artikel 2.55

  • 1 De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, de publieksbetrokkenheid en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.

  • 2 De instellingen:

    • a. stellen het media-aanbod dat zij ter uitvoering van hun publieke taak verzorgen ter beschikking voor verspreiding op de aanbodkanalen;

    • b. zorgen voor voldoende gebruiksrechten op dat media-aanbod voor verspreiding, hergebruik en ontsluiting op de aanbodkanalen; en

    • c. verlenen medewerking in het kader van de taak van de NPO om voor de landelijke publieke mediadienst het verwerven, beheren en gebruiken van rechten op media-aanbod en de daaraan verbonden namen en merken te coördineren.

  • 3 Het tweede lid is ook van toepassing op het media-aanbod dat omroepverenigingen die vertegenwoordigd zijn in een samenwerkingsomroep in eerdere erkenningperiodes hebben verzorgd.

Artikel 2.56

  • 1 Voor de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie, die als volgt is samengesteld:

    • a. de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR benoemen elk een lid; en

    • b. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen worden vertegenwoordigd door het voor de NTR benoemde lid of het voor de omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onder f, benoemde lid.

  • 2 Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van de NPO, een landelijke publieke media-instelling of een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

Artikel 2.57

Een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, regelt in elk geval:

  • a. de wijze waarop de coördinatie en ordening van het media-aanbod op en tussen de verschillende aanbodkanalen plaatsvindt;

  • b. de wijze waarop de raad van bestuur zijn bevoegdheid om het beoogde moment van verspreiding van media-aanbod te wijzigen of media-aanbod niet te verspreiden, gebruikt;

  • c. de wijze waarop de raad van bestuur de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.54, tweede lid, gebruikt; en

  • d. de wijze waarop de raad van bestuur het tot stand komen van afspraken als bedoeld in artikel 2.55, eerste lid, bevordert.

Artikel 2.58

  • 1 De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 juni aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen op de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht;

    • b. de samenstelling van het media-aanbod van de publieke mediadienst op de programmakanalen en voor zover mogelijk op de overige aanbodkanalen, waaronder de uren die besteed zijn aan media-aanbod op de terreinen genoemd in artikel 2.1, eerste lid;

    • c. een rapportage over de realisering van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, en een verantwoording over de doelmatigheid en doeltreffendheid van die realisering;

    • d. de naleving van de artikelen 2.115 tot en met 2.123;

    • e. de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; en

    • f. de maatregelen die de NPO treft om de toegankelijkheid van het audiovisueel media-aanbod voor personen met een handicap verder te ontwikkelen.

  • 2 Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid, onderdeel f.

Artikel 2.59

  • 1 De landelijke publieke media-instellingen en de Ster verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

  • 2 De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de landelijke publieke media-instellingen, de Ster en de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

Artikel 2.60

  • 1 Onverminderd artikel 2.88, eerste lid, zijn de regelingen, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, en de overige besluiten die de raad van bestuur of de door hem gemandateerden nemen in de uitoefening van hun taken, bindend voor de landelijke publieke media-instellingen en de Ster, voor zover die regelingen en besluiten hen aangaan.

  • 2 De raad van bestuur ziet er op toe dat de regelingen en besluiten worden nageleefd.

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep

Artikel 2.60a

  • 1 Onze Minister wijst een stichting aan als het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau, bedoeld in artikel 2.1.

  • 2 De stichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als de RPO.

  • 3 De RPO wordt belast met de volgende taken:

    • a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau;

    • b. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de regionale publieke mediadienst en de regionale publieke media-instellingen;

    • c. het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de regionale publieke media-instellingen;

    • d. het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording;

    • e. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau; en

    • f. andere taken waarmee zij bij de wet wordt belast.

Artikel 2.60c

  • 1 De raad van toezicht van de RPO bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval het bestuur van de RPO en de gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.

  • 3 Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.

  • 4 Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.

  • 5 De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.

  • 6 Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.

  • 7 Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:

    • a. deze wet;

    • b. eisen van zorgvuldigheid; of

    • c. andere zwaarwegende belangen.

  • 8 Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.

  • 9 Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.

  • 10 De gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen kunnen voor benoeming van een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid, personen aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.

  • 11 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60d

  • 1 Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de RPO is onverenigbaar met:

    • a. het lidmaatschap van het bestuur van de RPO;

    • b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling;

    • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;

    • d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

    • e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister; en

    • f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

  • 2 Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

    • a. ongeschiktheid;

    • b. disfunctioneren; en

    • c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

  • 4 De leden van de raad van toezicht van de RPO ontvangen van de RPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.60e

  • 1 De raad van toezicht van de RPO houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de RPO, de algemene gang van zaken bij de RPO en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau en staat het bestuur van de RPO met advies terzijde.

  • 2 De raad van toezicht van de RPO is verder belast met:

    • a. het vaststellen van de jaarrekening van de RPO; en

    • b. het wijzigen van de statuten van de RPO, op voorstel van het bestuur van de RPO.

  • 3 Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht van de RPO zich naar het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst.

  • 4 De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.

Artikel 2.60f

  • 1 Het bestuur van de RPO bestaat uit ten hoogste zes leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de RPO.

  • 2 Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60g

  • 2 Het lidmaatschap van het bestuur van de RPO is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, de regionale publieke media-instellingen uitgezonderd.

  • 3 De leden van het bestuur van de RPO zijn in dienst van de RPO. De raad van toezicht van de RPO stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

  • 5 Een lid van het bestuur van de RPO kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht van de RPO.

Artikel 2.60h

  • 1 Het bestuur van de RPO is belast met de uitvoering van de taken van de RPO.

  • 2 Naast de andere taken en bevoegdheden die het bestuur van de RPO heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

    • a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de RPO;

    • b. het vaststellen van de regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de RPO;

    • c. het vaststellen van het concessiebeleidsplan RPO;

    • d. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.60n;

    • e. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 2.169a; en

    • f. het vaststellen van het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.17, in samenhang met artikel 2.60j, eerste lid.

Artikel 2.60i

  • 1 De volgende besluiten van het bestuur van de RPO behoeven de instemming van de raad van toezicht van de RPO:

    • a. de besluiten, bedoeld in het artikel 2.60h, tweede lid, onder c tot en met f;

    • b. het doen van investeringen die een in de statuten van de RPO vastgesteld bedrag te boven gaan;

    • c. het door de RPO aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de RPO of de regionale publieke media-instellingen;

    • d. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers; en

    • e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.

  • 2 De verdere werkwijze van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO wordt geregeld in de statuten en reglementen van de RPO.

  • 3 In de statuten wordt in ieder geval geregeld op welke wijze de regionale publieke media-instellingen worden betrokken bij de besluitvorming van het bestuur van de RPO.

Artikel 2.60k

Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt bij koninklijk besluit aan de RPO een concessie verleend die geldt voor tien jaar en in werking treedt met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 2.60l

  • 1 Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de RPO een concessiebeleidsplan RPO voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

  • 2 Het concessiebeleidsplan RPO bevat in elk geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt uitgevoerd, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de regionale publieke mediadienst;

    • b. aard en aantal van de programmakanalen en de daarvoor gewenste frequentieruimte;

    • c. aard en aantal van de overige aanbodkanalen;

    • d. een onderbouwd overzicht van de naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en

    • e. een beschrijving van de samenwerking met de landelijke en lokale publieke media-instellingen en anderen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan RPO en het tijdstip van indiening.

  • 4 Het bestuur van de RPO stelt het concessiebeleidsplan RPO vast na overleg met in elk geval de regionale publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken landelijke en lokale publieke media-instellingen.

Artikel 2.60m

  • 1 De RPO maakt het concessiebeleidsplan RPO openbaar.

  • 2 Over het concessiebeleidsplan RPO vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a.

  • 4 Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:

    • a. kunnen belanghebbenden gedurende vier weken na openbaarmaking van het concessiebeleidsplan mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren brengen bij Onze Minister; en

    • b. kan Onze Minister de Autoriteit Consument en Markt na afloop van de termijn, genoemd onder a, verzoeken een rapportage uit te brengen met een analyse van de mogelijke effecten van het aanbodkanaal op de daarvoor relevante markten.

  • 5 Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.

  • 6 Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.

  • 8 Als de RPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan RPO, dan neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.60m1

  • 1 Artikel 2.60m, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.

Artikel 2.60n

  • 1 Mede op basis van het concessiebeleidsplan RPO sluiten Onze Minister en de RPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan RPO.

  • 2 De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

    • a. kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de regionale publieke mediadienst;

    • b. maatregelen bij niet naleving, voor zover mogelijk binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet; en

    • c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandigheden.

  • 3 De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de regionale publieke mediadienst.

Artikel 2.60o

De regionale publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de RPO, het bestuur van de RPO en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de RPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO redelijkerwijs nodig is.

Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling

Artikel 2.61

  • 1 Voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf.

  • 2 Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking instellingen die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen het op regionaal respectievelijk lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in een provincie, een gemeente of een deel van de provincie waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen; en

    • c. volgens de statuten een orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor de belangrijkste in de desbetreffende provincie of gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen.

  • 3 Aanwijzing geschiedt nadat provinciale staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoet.

Artikel 2.62

  • 1 Er kan per provincie één regionale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kunnen in de provincie Zuid-Holland twee regionale publieke media-instellingen worden aangewezen.

Artikel 2.63

  • 1 Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het college van burgemeester en wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen.

  • 2 Er kan per gemeente slechts één lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

Artikel 2.64

  • 1 Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als provinciale staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.61, derde lid bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.

  • 2 Het Commissariaat stelt provinciale staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.65

  • 1 Een aanwijzing geschiedt op aanvraag, geldt voor de duur van vijf jaar, die begint met ingang van de concessie, bedoeld in artikel 2.60k, dan wel met ingang van het zesde jaar van die concessie, en daarna van rechtswege vervalt.

  • 2 Zonodig wijst het Commissariaat de dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender.

Artikel 2.66

  • 1 Provinciale staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

  • 2 Als tijdens de aanwijzingsperiode bij het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen.

Artikel 2.67

  • 1 Het Commissariaat trekt een aanwijzing in, als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

  • 2 Het Commissariaat trekt de aanwijzing van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.

Artikel 2.68

  • 1 Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als:

    • a. de regionale of lokale publieke media-instelling in een periode van een jaar geen media-aanbod dat voldoet aan de eisen van deze wet heeft verzorgd en dat aanbod gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is verspreid; of

    • b. het Commissariaat aan de regionale of lokale publieke media-instelling binnen een periode van een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd voor overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2 Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven.

  • 3 Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg.

Artikel 2.69

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de wijze waarop en de termijn waarbinnen aanvragen voor een aanwijzing worden ingediend;

  • b. de termijn waarbinnen beslissingen op de aanvragen worden genomen;

  • c. de termijn waarop adviezen als bedoeld in artikel 2.61, derde lid worden uitgebracht; en

  • d. de termijn waarop beslissingen over aanwijzing of intrekking van een aanwijzing in werking treden.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Artikel 2.70

Het programma-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal:

  • a. voor ten minste vijftig procent van de duur uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard dat in het bijzonder betrekking heeft op de provincie respectievelijk gemeente waarvoor het aanbod bestemd is; en

  • b. voor ten minste uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage aanbod als bedoeld in onderdeel a dat door de regionale respectievelijk lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.

Artikel 2.71

  • 1 Een lokale publieke media-instelling kan met de regionale publieke media-instelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst sluiten.

  • 2 De overeenkomst wordt overgelegd aan het Commissariaat.

  • 3 Bij een samenwerkingsovereenkomst voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel 2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst:

    • a. voor ten minste vijftig procent van de duur bestaan uit aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod bestemd is, of op de provincie waarbinnen die gemeente ligt; en

    • b. voor ten minste het percentage, bedoeld in artikel 2.70, onderdeel b, bestaan uit aanbod dat:

      • 1°. geproduceerd is door de lokale publieke media-instelling zelf;

      • 2°. geproduceerd is door de regionale publieke media-instelling waarmee zij de samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten; of

      • 3°. uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen beiden, is geproduceerd.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:

    • a. dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod is bestemd; en

    • b. dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, door de lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.

Artikel 2.72

  • 1 Het media-aanbod van de regionale publieke media-instellingen wordt uitsluitend verspreid via:

  • 2 Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.60m1.

Artikel 2.73

  • 1 De raad van bestuur kan media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat daarvoor door die media-instelling met voldoende gebruiksrechten beschikbaar is gesteld plaatsen op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst.

  • 3 Op media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat is geplaatst op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst zijn de regels over reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.74

  • 1 Het aanbodkanaal, bedoeld in artikel 2.50, aanhef en onder b, is mede bestemd voor de catch-up van de programma’s op de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst.

  • 2 Een regionale publieke media-instelling kan voor plaatsing op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar stellen een programma als bedoeld in het eerste lid:

    • a. met voldoende gebruiksrechten;

    • b. conform de technische specificaties van de NPO; en

    • c. in overeenstemming met de regels over reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst.

  • 3 In afwijking van artikel 2.73, eerste lid, plaatst de raad van bestuur een programma dat tijdig beschikbaar is gesteld met toepassing van het tweede lid op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid.

Titel 2.4. Wereldomroep

[Vervallen per 01-01-2013]

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

[Vervallen per 01-01-2013]

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

[Vervallen per 01-01-2013]

Paragraaf 2.4.4. Beleidsplan en prestatieovereenkomst

[Vervallen per 01-01-2013]