Besluit energieprestatie gebouwen

Geldend van 01-07-2014 t/m 31-12-2014

Besluit van 24 november 2006 tot implementatie van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (Besluit energieprestatie gebouwen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 2006, nr. DJZ2006283878, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 120 van de Woningwet en op richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L1);

De Raad van State gehoord (advies van 8 september 2006, nr. W08.06.0310/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2006, nr. DJZ2006327879, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

    airconditioningsysteem: koelsysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012;

    energieprestatie: berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting;

    energieprestatiecertificaat: op een gebouw betrekking hebbende schriftelijke verklaring:

    • 1°. waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de energieprestatie;

    • 2°. waarin referentiewaarden zijn vermeld waarmee de energieprestatie kan worden vergeleken en beoordeeld en

    • 3°. die aanbevelingen voor een kostenoptimale verbetering van de energieprestatie bevat, tenzij een dergelijke verbetering redelijkerwijs niet mogelijk is;

    wet: Woningwet.

  • 2 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt onder gebouw mede verstaan delen van een gebouw die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt.

Afdeling 2. Energieprestatiecertificaat

Artikel 2.1

  • 1 Bij de oplevering van een gebouw heeft de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw.

  • 2 Bij de verhuur van een gebouw verstrekt de eigenaar afschrift van een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de huurder.

  • 3 Bij de verkoop van een gebouw verstrekt de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de koper.

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de verkoop van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van een gebouw.

  • 5 Een energieprestatiecertificaat is geldig gedurende tien jaar na de datum van afgifte ervan.

Artikel 2.2

  • 2 In afwijking van het eerste lid is artikel 2.1 niet van toepassing op beschermde monumenten als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988, monumenten als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, op gebouwen die worden gebruikt voor eredienst en religieuze activiteiten en op alleenstaande gebouwen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2.

Artikel 2.3

Voor een gebouw dat meerdere voor afzonderlijk gebruik ontwikkelde gedeelten bevat:

  • a. volstaat een energieprestatiecertificaat dat is afgegeven voor het gehele gebouw indien dat gebouw een gemeenschappelijk verwarmingssysteem heeft, en

  • b. kan een energieprestatiecertificaat voor een afzonderlijk gedeelte van het gebouw worden afgegeven op basis van het energieprestatiecertificaat voor een ander representatief gedeelte van het gebouw.

Artikel 2.4

  • 1 De eigenaar van een gebouw brengt een daarvoor afgegeven geldig energieprestatiecertificaat aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw, indien:

    • a. van dat gebouw een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en veelvuldig door het publiek wordt bezocht, of

    • b. het gebouw wordt verkocht of aan een nieuwe huurder wordt verhuurd, een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft en veelvuldig door het publiek wordt bezocht.

  • 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid van toepassing is op een of meer bij die regeling aan te wijzen onderdelen van het energieprestatiecertificaat.

Afdeling 3a. Keuring van airconditioningsystemen

Artikel 3a.1

  • 1 De toegankelijke delen van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden ten minste eenmaal per vijf jaar gekeurd.

  • 2 De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw.

  • 3 De beoordeling van de dimensionering, bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven zolang er tussen de eerste keuring en opvolgende keuringen geen veranderingen plaatsvinden aan het verwarmingssysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.

  • 4 Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring alsmede aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem bevat.

  • 5 Aan een keuring als bedoeld in deze paragraaf staat gelijk een keuring, verricht door een keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die een kwaliteitsniveau waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen, bedoeld in dit artikel, wordt nagestreefd.

Artikel 3a.2

  • 1 De keuring wordt op onafhankelijke wijze uitgevoerd door een gekwalificeerde deskundige die voldoet aan de bij ministeriële regeling bepaalde of aangewezen beroeps- en kwaliteitseisen.

  • 2 Aan een deskundige als bedoeld in dit artikel staat gelijk een deskundige die voldoet aan eisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die een beroeps- en kwaliteitsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen, bedoeld in dit artikel, wordt nagestreefd.

Afdeling 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1

Voor een gebouw waarvoor tussen 1 juli 2002 en het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een Energie Prestatie Advies is uitgebracht dat voldoet aan de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 zoals deze laatstelijk luidde voor haar intrekking, kan aan de in artikel 2.1 gestelde verplichtingen worden voldaan door het verstrekken van dit advies, mits dit niet ouder is dan tien jaar.

Artikel 4.2

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 november 2006

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

,

P. Winsemius

Uitgegeven de vijfde december 2006

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina