Besluit energieprestatie gebouwen

Geldend van 01-01-2009 t/m 28-04-2009

Besluit van 24 november 2006 tot implementatie van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (Besluit energieprestatie gebouwen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 2006, nr. DJZ2006283878, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 120 van de Woningwet en op richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L1);

De Raad van State gehoord (advies van 8 september 2006, nr. W08.06.0310/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2006, nr. DJZ2006327879, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

    certificaat: door een door Onze Minister aangewezen rechtspersoon erkende schriftelijke verklaring, afgegeven door een erkende deskundige;

    energieprestatiecertificaat: op een gebouw toegesneden certificaat dat niet ouder is dan tien jaar 1) waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van dat gebouw, waaronder verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting, 2) waarin referentie-waarden zijn vermeld waarmee de energieprestatie van het gebouw kan worden vergeleken en beoordeeld, en 3) dat vergezeld gaat van aanbevelingen voor kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie;

    wet: Woningwet.

  • 2 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt onder gebouw mede verstaan delen van een gebouw die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt.

Afdeling 2. Energieprestatiecertificaat

Artikel 2.1

  • 1 Bij de bouw van een gebouw heeft de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw.

  • 2 Bij de verhuur van een gebouw verstrekt de eigenaar afschrift van een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de huurder.

  • 3 Bij de verkoop van een gebouw verstrekt de eigenaar een energieprestatiecertificaat voor dat gebouw aan de koper.

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de verkoop van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van een gebouw.

Artikel 2.2

  • 2 In afwijking van het eerste lid is artikel 2.1 niet van toepassing op monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, op gebouwen die worden gebruikt voor eredienst en religieuze activiteiten en op alleenstaande gebouwen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2.

Artikel 2.3

Voor een gebouw dat meerdere voor afzonderlijk gebruik ontwikkelde gedeelten bevat:

  • a. volstaat een energieprestatiecertificaat dat is afgegeven voor het gehele gebouw indien dat gebouw een gemeenschappelijk verwarmingssysteem heeft, en

  • b. kan een energieprestatiecertificaat voor een afzonderlijk gedeelte van het gebouw worden afgegeven op basis van het energieprestatiecertificaat voor een ander representatief gedeelte van het gebouw.

Artikel 2.4

De eigenaar van een gebouw met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2, waarin door een overheidsdienst of overheidsinstelling diensten aan het publiek worden verleend en dat met het oog daarop door een groot aantal personen wordt bezocht, heeft een energieprestatiecertificaat. De eigenaar brengt dit aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in het gebouw. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de tweede zin van toepassing is op een of meer bij die regeling aan te wijzen onderdelen van het energieprestatiecertificaat.

Afdeling 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1

Voor een gebouw waarvoor tussen 1 juli 2002 en het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een Energie Prestatie Advies is uitgebracht dat voldoet aan de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 zoals deze laatstelijk luidde voor haar intrekking, kan aan de in artikel 2.1 gestelde verplichtingen worden voldaan door het verstrekken van dit advies, mits dit niet ouder is dan tien jaar.

Artikel 4.2

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 november 2006

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

,

P. Winsemius

Uitgegeven de vijfde december 2006

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina