Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Geldend van 23-07-2019 t/m heden

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 december 2007, nr. TRCJZ/2007/3737, houdende regels ter uitvoering van het Besluit gebruik meststoffen (Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 64 van de Wet bodembescherming en gelet op de artikelen 1c, tweede lid, 2a, vierde lid, 4b, eerste lid en 8a, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. besluit: Besluit gebruik meststoffen;

  • b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • c. Raad: Raad voor Accreditatie te Utrecht;

  • d. landbouwer: landbouwer als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

  • e. bemester: apparaat in een mestaanwendsysteem waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib op of in de grond wordt gebracht;

  • f. mestaanwendsysteem: het geheel van apparatuur en verbindingsonderdelen, uitgezonderd een tractor als deze niet onlosmakelijk deel uitmaakt van dit systeem, waarmee mest of zuiveringsslib vanuit een kelder of opslag op of in de grond wordt gebracht.

Artikel 2

  • 1 De in artikel 1c van het besluit bedoelde bemonstering en analyse van de bodem waarop zuiveringsslib wordt gebruikt, wordt verricht in een frequentie van ten minste eenmaal per tien jaar, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

  • 2 Het laboratorium verricht de bemonstering en de analyse van de bodem, overeenkomstig het in bijlage A opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.

  • 3 Het analyserapport heeft een geldigheidsduur van ten hoogste tien jaar en bevat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. de naam en het adres van de landbouwer wiens percelen zijn bemonsterd;

    • b. een kadastrale of topografische aanduiding van het perceel waarop de bemonstering werd verricht;

    • c. de hoedanigheid en samenstelling van de bodem van het desbetreffende perceel;

    • d. de naam van het onderzoekslaboratorium dat de analyse heeft verricht;

    • e. de extractiedatum en analysedatum van het monster; en

    • f. de resultaten van de analyses alsmede de daarop gebaseerde vaststelling dat de geanalyseerde stoffen de in bijlage III bij het besluit opgenomen toetsingswaarden al dan niet overschrijden.

  • 4 De landbouwer tot wiens bedrijf het desbetreffende perceel behoort, bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende tien jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de bemonstering en analyse van de bodem is verricht als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Artikel 2a

Het representatieve grondmonster, bedoeld in artikel 4b, vierde lid, van het besluit, wordt genomen, bemonsterd en geanalyseerd door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 3

De in artikel 2a van het besluit bedoelde melding inzake het gebruik van compost bij wijze van eenmalige gift wordt gedaan bij de minister.

Artikel 4a

  • 2 De gewassen, genoemd in het eerste lid, worden niet vernietigd in de periode tussen het moment van inzaaien in een jaar en 23 oktober van hetzelfde jaar.

  • 3 Het gewas Japanse haver mag worden gemaaid ter voorkoming van zaadvorming.

Artikel 4b

Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op grasland gelegen op zand- of lössgrond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in sleufjes in de grond wordt gebracht en indien:

  • a. de mest niet over de rand van de sleufjes komt, en

  • b. de sleufjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben.

Artikel 4c

  • 1 Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op grasland gelegen op klei- of veengrond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een:

    • a. bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in sleufjes of kuiltjes in de grond wordt gebracht en indien:

      • i. de mest niet over de rand van de sleufjes of kuiltjes komt;

      • ii. de sleufjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben; en

      • iii. de kuiltjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben en de afstand van het midden van de rij met kuiltjes tot de naastliggende rij met kuiltjes minimaal 15 centimeter is;

    • b. mestaanwendsysteem met een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee met water verdunde drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in een verhouding van minimaal één volume-eenheid water op twee volume-eenheden drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in strookjes tussen het gras op de grond wordt gebracht en indien:

      • i. het gras voordat de meststof op de grond wordt gebracht wordt opgetild of zijdelings weggedrukt,

      • ii. de strookjes maximaal vijf centimeter breed zijn, en

      • iii. de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje minimaal 15 centimeter is.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, is het gebruik van een mestaanwendsysteem als bedoeld in dat onderdeel alleen toegestaan indien de gebruiker van het perceel waarop het mestaanwendsysteem wordt toegepast:

    • a. het gebruik van dat systeem jaarlijks voorafgaand aan het eerste gebruik op een perceel van zijn bedrijf meldt aan de Minister, en

    • b. desgevraagd bij controle door een toezichthouder aannemelijk kan maken dat bemesting telkens geschiedt overeenkomstig de in dat onderdeel voorgeschreven verhouding van water en drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib.

Artikel 4d

Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op bouwland of niet-beteelde grond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib in één werkgang en met dezelfde machine op of in de grond wordt gebracht en indien:

  • a. bij aanwenden in de grond:

    • i. drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib uitsluitend in sleufjes in de grond wordt gebracht, waarbij de sleufjes niet breder zijn dan 5 centimeter en op niet-beteelde grond minimaal 5 centimeter diep zijn, of

    • ii. drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib na in de grond te zijn gebracht zodanig door de grond wordt gemengd, dat de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

  • b. bij aanwenden op de grond de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib direct na op de grond te zijn gebracht en ondergewerkt zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt gemengd, dat de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

Artikel 4e

Het aanwenden van vaste mest of steekvast zuiveringsslib op bouwland of niet-beteelde grond is slechts toegestaan indien dit in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen op de grond wordt gebracht en ondergewerkt, op zodanige wijze dat de vaste mest of het steekvaste slib direct na op de grond te zijn gebracht zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt vermengd, dat de vaste mest of het steekvaste zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

Artikel 5

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 december 2007

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Bijlage A. behorend bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

1. Bemonstering van de bodem

Het te bemonsteren perceel bestaat uitsluitend uit bouwland of uit grasland. Van een perceel met een grootte tot één hectare wordt ten minste één inzendmonster genomen. Van percelen met een grootte tussen één en drie hectare kan worden volstaan met één inzendmonster, mits dat perceel, blijkens een uniform gehalte aan organische stof en lutum, homogeen is. Niet homogene percelen worden voordat de bemonstering plaatsvindt onderverdeeld in twee of meer eenheden die elk wel homogeen van samenstelling zijn.

Percelen groter dan drie hectare worden voor de bemonstering ingedeeld in meerdere eenheden met een grootte van ten hoogste drie hectare elk. Elke eenheid moet blijkens een uniform gehalte aan organische stof en lutum, homogeen van samenstelling zijn. Van een uniform gehalte aan organische stof en lutum is sprake indien de natuurlijke variatie van 5 procent niet te boven wordt gegaan.

De monsters worden verzameld met een schone gutsboor, waarvan de diameter 22 mm bedraagt.

De voorgeschreven bemonsteringsdiepte is 25 cm. De gutsboor dient volledig met grond gevuld te zijn.

De gutsboor moet vervaardigd zijn van koolstofstaal of een andere ongelegeerde staalsoort. Het oppervlak mag niet behandeld (‘veredeld’) zijn met zware metalen of arseen of met verf, lak of olie.

De monsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone opvangvaten of -zakken vervaardigd uit dan wel bekleed met polyethyleen.

Een inzendmonster bestaat uit 40 steken met de gutsboor. Deze worden systematisch genomen door in zig-zag gangen over het perceel(sgedeelte) te gaan, zodanig dat elk gedeelte van de te bemonsteren oppervlakte een gelijke kans heeft om in het inzendmonster te worden opgenomen. De kanten van het perceel en grove onregelmatigheden in het perceel (slootwallen, diepe greppels, melkplaatsen) worden van bemonstering uitgesloten. Bij het nemen van de steken dient rekening gehouden te worden met de aanwijzingen volgens NEN 5742.

De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 500 gram.

2. Analyse van de bodemmonsters

Het inzendmonster dient voorbehandeld te worden volgens NEN 5709.

De monsterontsluiting voor de analyse op cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink en arseen wordt uitgevoerd volgens NEN 6961; en de monsteranalyse wordt uitgevoerd volgens NEN 6965.

De monsterontsluiting en de monsteranalyse op kwik wordt uitgevoerd volgens NEN-ISO 16772.

De bepaling van het droge stof-gehalte wordt uitgevoerd volgens NEN/ISO 11465.

De bepaling van het organische stof-gehalte wordt uitgevoerd in het analysemonster volgens NEN 5754.

De bepaling van het lutum-gehalte wordt uitgevoerd in het laboratoriummonster volgens NEN 5753.

Bijlage B. behorende bij artikel 4 van de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Relatief stikstofbehoeftige gewassen:

Aardbei

Aardappelen

Acidanthera

Andijvie

Anemone coronaria

Augurk

Bleek- en groenselderij

Bloemkool

Boerenkool

Broccoli

Buitenbloemen

Chinese kool

Courgette

Fritillaria imperialis

Gladiool

Gras

Graszaad

Graszoden

Iris

Japanse haver

Hyacint

Karwij

Knolbegonia

Knolselderij

Knolvenkel

Koolraap

Koolrabi

Koolzaad

Krokus

Kroten

Kruiden

Laanbomen: opzetters

Landbouwstambonen

Lelie

Maïs

Meloen

Muscari

Narcis

Paksoi

Plantui, 2e jaars

Pompoen

Prei

Raapstelen

Rabarber

Rode kool

Savooiekool

Schorseneren

Sla

Spinazie

Spitskool

Spruitkool

Stam- en stokbonen

Suikerbiet

Suikermaïs

Tagetes, mits geteeld uiterlijk 16 juli

Triticale

Tulp

Vaste planten

Venkel

Voederbiet

Wintergerst

Winterrogge

Wintertarwe

Winterui

Witte kool

Zaaiui

Zomertarwe

Bijlage C. behorende bij artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Gewassen die op zand- en lössgronden direct aansluitend na de teelt van maïs en uiterlijk op 1 oktober worden geteeld:

gras

winterrogge

bladkool

bladrammenas

wintertarwe

wintergerst

triticale

Japanse haver

Terug naar begin van de pagina