Waterschapsbesluit

Geraadpleegd op 20-08-2022.
Geldend van 01-01-2017 t/m 31-12-2017

Besluit van 29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de waterschappen (Waterschapsbesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2007, nr. HDJZ/I&O/2007-904, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 18, vierde lid, 19, tweede en derde lid, 20, tweede en vierde lid, 21, eerste en vijfde lid, 24, tweede en derde lid, 25, 29, eerste lid, 32a, 44, eerste lid, 49, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 109, zesde lid, 120, vierde lid, 122g, 122k, tweede lid, en 126a van de Waterschapswet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2007, nr. W09.07.0306/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2007, nr. HDJZ/WAT/2007-1514, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. De verkiezing van leden van het algemeen bestuur

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 1. Het stembureau

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 3. De registratie van de aanduiding van een belangengroepering

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 4. De inlevering van de kandidatenlijsten

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 5. Het onderzoek van de kandidatenlijsten

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 7. De nummering van de kandidatenlijsten

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 9. Algemene bepalingen omtrent de stemming

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 10. De oproeping voor de stemming

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 11. Stemmen per brief

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 12. Stemmen per internet

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 13. De stemopneming

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 14. De vaststelling van de verkiezingsuitslag

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 15. De toewijzing van de zetels aan de kandidaten

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 16. De bekendmaking van de verkiezingsuitslag

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 17. Het lidmaatschap

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 18. De opvolging

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 19. Einde van het lidmaatschap

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 20. Tijdelijk ontslag en vervanging wegens zwangerschap en bevalling of ziekte

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 21. Overige bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Hoofdstuk 3. De rechtspositie van de leden van het waterschapsbestuur

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 3.1

  • 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    bezoldiging: bedrag per maand waarop een voorzitter of een lid van het dagelijks bestuur aanspraak kan maken;

    FPU-uitkering: de uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP, waarbij onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en onder het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;

    lid van het algemeen bestuur: lid van het algemeen bestuur van een waterschap, dat niet tevens lid van het dagelijks bestuur van dat waterschap is;

    lid van het dagelijks bestuur: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, dat niet tevens voorzitter is van dat waterschap;

    plaatsvervangend voorzitter: het lid van het dagelijks bestuur dat tot plaatsvervanger van de voorzitter is aangewezen;

    salarisschaal: een als zodanig in bijlage B van Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermelde reeks van genummerde salarissen;

    tijdsbestedingsnorm: het deel van de werkweek dat de voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur in staat dienen te worden gesteld aan hun ambt te besteden, uitgedrukt in een percentage van een voltijdsfunctie;

    tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur: tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap, bedoeld in de artikelen C 4, tweede lid, artikel X 7a, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet, juncto artikel 33, vierde lid, van de wet en de artikelen 20, eerste, tweede en zesde lid;

    tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur: tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur en het tijdstip van beëindiging, bedoeld in artikel 41, vierde en vijfde lid, van de wet;

    vergoeding: maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden verbonden aan het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder het provinciaal bestuur onderscheidenlijk (het college van) gedeputeerde staten verstaan het provinciaal bestuur onderscheidenlijk (het college of de colleges van) gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het waterschap is gelegen.

§ 2. Vergoedingen en tegemoetkoming leden algemeen bestuur

Artikel 3.2

  • 1 Aan een lid van het algemeen bestuur wordt een vergoeding toegekend van € 477,42.

  • 2 Het bedrag van de vergoeding wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.

Artikel 3.3

  • 1 Naast de vergoeding, bedoeld in artikel 3.2, ontvangen fractievoorzitters voor de duur van hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van de vergoeding op jaarbasis voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter vast:

    • a. hoeveel leden een fractie telt;

    • b. de duur van het fractievoorzitterschap.

Artikel 3.4

Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 50% van de vergoeding wordt uitgekeerd, berekend naar rato van het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van het algemeen bestuur op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.

Artikel 3.6

Op de leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing de regelingen ten behoeve van ambtenaren van het waterschap ten aanzien van reis- en verblijfkosten en vergoeding van telefoonkosten.

Artikel 3.7

Het algemeen bestuur kan nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computerapparatuur, over een tegemoetkoming voor de belastingheffing als gevolg hiervan, en over een vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor deze apparatuur.

Artikel 3.8

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een lid van het algemeen bestuur ontvangt ten laste van het waterschap een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 102,54 per jaar.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen die de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk ondergaat.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2017, 75504, datum inwerkingtreding 01-01-2018, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2017.

1 Een lid van het algemeen bestuur ontvangt ten laste van het waterschap een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 103,98 per jaar.

Artikel 3.8aa

Ten aanzien van individuele gevallen kan het dagelijks bestuur artikel 3.8, eerste lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van de in het Correctiebesluit in verband met het schrappen van de tegemoetkoming ziektekostenverzekering commissieleden (Stb. 2014, 431) aan dit artikellid verleende terugwerkende kracht, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.8a

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a. een ziekte: een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan de functie verbonden werkzaamheden;

    • b. een dienstongeval: een ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan de functie verbonden werkzaamheden.

  • 2 Een lid van het algemeen bestuur ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met een geneeskundige behandeling of verzorging of overige kosten, indien deze in overwegende mate hun oorzaak vinden in een ziekte of een dienstongeval:

    • a. voor zover deze kosten ten laste van een lid van het algemeen bestuur blijven en

    • b. voor zover de ziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de ziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid en gehoord de vergadering van de fractievoorzitters van alle partijen in het algemeen bestuur.

  • 4 Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen.

  • 5 Als de schade van de ziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn functie en voortduurt na zijn aftreden is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen lid van het algemeen bestuur.

Artikel 3.9

  • 1 Een lid van het algemeen bestuur ontvangt een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van de functie verbonden kosten van € 167,65 per maand.

  • 2 De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van lid van het algemeen bestuur komen ten laste van het waterschap.

  • 3 Het algemeen bestuur kan over de in het tweede lid bedoelde scholing nadere regels stellen.

  • 4 Indien een lid van het algemeen bestuur in verband met de uitoefening van de functie lid is van een beroepsvereniging vergoedt het waterschap de contributie van die beroepsvereniging.

  • 5 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 3.9a

Artikel 3.10

  • 1 De artikelen van deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van het algemeen bestuur aan wie ingevolge artikel 21 van de wet of X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat, indien toepassing is gegeven aan artikel 3.4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

Artikel 3.10a

  • 1 In het geval een lid van het algemeen bestuur een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van de functie meer bedraagt dan de vergoeding, bedoeld in artikel 3.2, wordt deze vergoeding ten laste van het waterschap verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

  • 3 In het geval een lid van het algemeen bestuur een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding, bedoeld in artikel 3.2, op verzoek van het desbetreffende lid worden verlaagd.

Artikel 3.10c

Indien het dagelijks bestuur ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een lid van het algemeen bestuur kosten maakt, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van het waterschap.

§ 3. Bezoldiging en tegemoetkoming in kosten leden dagelijks bestuur waterschap

Artikel 3.11

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De bezoldiging van een lid van het dagelijks bestuur bedraagt € 1.495,92 per maand bij een tijdsbestedingsnorm van 20%.

  • 2 Het totaal van de bezoldiging van de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, is gesteld op ten hoogste 300% van een voltijds bezoldigingsbedrag.

  • 3 Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag overeenkomstig gewijzigd.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2017, 75504, datum inwerkingtreding 01-01-2018, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2017.

1 De bezoldiging van een lid van het dagelijks bestuur bedraagt € 1.516,86 per maand bij een tijdsbestedingsnorm van 20%.

Artikel 3.11a

  • 1 Een lid van het dagelijks bestuur ontvangt een onkostenvergoeding ten bedrage van € 350,54 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm.

  • 2 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 3.12

De aanspraak op de bezoldiging door het lid van het dagelijks bestuur begint op de dag van de benoeming en eindigt op het tijdstip van de beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur.

Artikel 3.12a

  • 1 Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt een lid van het dagelijks bestuur aan Onze Minister dan wel aan een door hem aangewezen instantie:

    • a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel

    • b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij het ambt van lid van het dagelijks bestuur vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel

    • c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, vermindert het dagelijks bestuur op verzoek van het lid zijn bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.

  • 3 Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan het lid van het dagelijks bestuur.

  • 4 Het dagelijks bestuur vordert, indien Onze Minister dan wel een door hem aangewezen instantie constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van het lid van het dagelijks bestuur.

  • 5 Indien het lid van het dagelijks bestuur geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. Het lid van het dagelijks bestuur meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.

  • 6 In het geval genoemd in het eerste lid, onderdeel c, alsmede indien het lid van het dagelijks bestuur binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave of verklaring, als bedoeld in het eerste lid, heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het vijfde lid, stelt het dagelijks bestuur de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij het uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend zou moeten worden.

  • 7 Op verzoek van het lid van het dagelijks bestuur kan het dagelijks bestuur besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.

Artikel 3.13

  • 1 Het lid van het dagelijks bestuur heeft aanspraak op een vakantie-uitkering en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de regels die te dien aanzien voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld.

  • 2 Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangt het lid van het dagelijks bestuur een uitkering op gelijke voet.

Artikel 3.14

Op het lid van het dagelijks bestuur zijn van overeenkomstige toepassing de regelingen ten behoeve van de ambtenaren van het waterschap ten aanzien van verhuiskosten, reis- en verblijfkosten en telefoonkosten.

Artikel 3.15

  • 1 Op aanvraag wordt ten laste van het waterschap aan het lid van het dagelijks bestuur voor de uitoefening van het ambt, een computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.

  • 2 Indien geen computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur ter beschikking is gesteld wordt door het algemeen bestuur aan het lid van het dagelijks bestuur op aanvraag, voor de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend voor aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur.

  • 3 Op aanvraag wordt door het algemeen bestuur een vergoeding aan het lid van het dagelijks bestuur verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.

  • 4 Het algemeen bestuur kan bij verordening nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.16

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a. een ziekte: een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden;

    • b. een dienstongeval: een ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden.

  • 2 Een lid van het dagelijks bestuur ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met een geneeskundige behandeling of verzorging of overige kosten, indien deze in overwegende mate hun oorzaak vinden in een ziekte of een dienstongeval:

    • a. voor zover deze kosten ten laste van het lid van het dagelijks bestuur blijven en

    • b. voor zover de ziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de ziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid en gehoord de vergadering van de fractievoorzitters van alle partijen in het algemeen bestuur.

  • 4 Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen.

  • 5 Als de schade van de ziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen lid van het dagelijks bestuur.

Artikel 3.17

De artikelen 3.9, tweede tot en met vierde lid, 3.9a, 3.10b, 3.10c en 3.40 zijn van overeenkomstige toepassing op een lid van het dagelijks bestuur, met dien verstande dat voor een lid van het algemeen bestuur respectievelijk de voorzitter wordt gelezen: het lid van het dagelijks bestuur.

§ 4. Rechtspositie voorzitters waterschappen

Artikel 3.18

De voorzitter kan op verzoek van het waterschapsbestuur of van het college van gedeputeerde staten bij koninklijk besluit worden geschorst in het belang van een goede uitoefening van het ambt. Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

  • a. het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

  • b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 3.19

  • 1 De voorzitter wordt op zijn aanvraag ontslagen of wordt op zijn verzoek na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd.

  • 2 Aan de voorzitter die ontslag vraagt met het oog op een FPU-uitkering, wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig uittreden overheidspersoneel en het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na het ontslag recht bestaat op de FPU-uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de FPU-uitkering ontstaat. Met een aanvraag tot ontslag wordt gelijkgesteld een verzoek om niet te worden herbenoemd.

  • 3 Het ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 3.20

Aan de voorzitter wordt bij koninklijk besluit met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin hij de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend.

Artikel 3.21

  • 1 Anders dan op eigen aanvraag kan aan de voorzitter ontslag worden verleend op grond van:

    • a. ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte;

    • b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekte;

    • c. opheffing van het waterschap;

    • d. een aanbeveling van het algemeen bestuur tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur;

    • e. andere gronden.

  • 2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden indien:

    • a. er sprake is van ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes maanden,

    • b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van zes maanden te verwachten is, en

    • c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de voorzitter binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de voorzitter geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.

  • 3 Het ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en c, van dit artikel wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen d en e, van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

  • 4 Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen, en indien de voorzitter dit wenst een door de voorzitter aangewezen geneeskundige. De voorzitter is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid. Indien de voorzitter geen medewerking verleent, zijn de in het tweede lid, onder b en c, genoemde voorwaarden niet van toepassing.

Artikel 3.24

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De bezoldiging van de voorzitter bedraagt € 9.159,50 per maand, naar een evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm.

  • 2 Op verzoek van het algemeen bestuur kan Onze Minister, gedeputeerde staten gehoord, een tijdsbestedingsnorm vaststellen.

  • 3 Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag overeenkomstig gewijzigd.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2017, 75504, datum inwerkingtreding 01-01-2018, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2017.

1 De bezoldiging van de voorzitter bedraagt € 9.287,73 per maand, naar een evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm.

Artikel 3.25

De aanspraak op de bezoldiging begint op de dag dat de benoeming ingaat en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met ingang van de dag, volgende op die van het overlijden.

Artikel 3.26

  • 1 De voorzitter ontvangt een ambtstoelage van € 381,03 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingnorm.

  • 2 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 3.27

  • 1 Een voorzitter die wegens geoorloofde afwezigheid verhinderd is zijn ambt te vervullen, behoudt gedurende deze verhindering zijn bezoldiging.

  • 2 Wanneer een voorzitter buitengewoon verlof verzoekt en de duur daarvan een aaneengesloten periode van zes weken te boven gaat, kan het algemeen bestuur bij het verlenen van het verlof bepalen, dat gedurende die langere periode de bezoldiging en de ambtstoelage geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden.

Artikel 3.29

Bij de toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:

Artikel 3.34

Degene die op grond van artikel 51a van de wet, gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast geweest, geniet voor die tijd, ten laste van het waterschap, een vergoeding ten bedrage van de voor dat ambt vastgestelde bezoldiging. Indien de waarneming geschiedt door een lid van het dagelijks bestuur wordt de vergoeding verminderd met hetgeen als lid van het dagelijks bestuur aan bezoldiging wordt ontvangen.

Artikel 3.35

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a. een ziekte: een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden;

    • b. een dienstongeval: een ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden.

  • 2 De voorzitter ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met een geneeskundige behandeling of verzorging of overige kosten, indien deze in overwegende mate hun oorzaak vinden in een ziekte of een dienstongeval:

    • a. voor zover deze kosten ten laste van de voorzitter blijven en

    • b. voor zover de ziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de ziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid en gehoord de vergadering van de fractievoorzitters van alle partijen in het algemeen bestuur.

  • 4 Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen.

  • 5 Als de schade van de ziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de gewezen voorzitter.

Artikel 3.37

  • 1 Indien een voorzitter die in het buitenland verblijft, overweegt om wegens dringende redenen van dienstbelang terug te keren naar zijn waterschap, legt hij dit voor aan commissaris van de Koning.

  • 2 Indien de commissaris het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan de voorzitter ten laste van het waterschap een schadeloosstelling toegekend.

  • 3 De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de voorzitter en in voorkomend geval die van zijn meereizende gezinsleden. Het dagelijks bestuur stelt de hoogte van de schadeloosstelling vast.

Artikel 3.40

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde ten laste van het waterschap een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, over drie maanden, berekend naar het tijdstip van overlijden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of gedeeltelijk afhankelijk waren van de bezoldiging van de voorzitter.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden voorzitter ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.

Hoofdstuk 4. De beleidsvoorbereiding en de verantwoording

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

begroting na wijziging: de begroting zoals deze luidt na verwerking van alle door het algemeen bestuur lopende het begrotingsjaar vastgestelde begrotingswijzigingen;

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek;

deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap, waarin het waterschap aandelen heeft;

EMU: de Economische en Monetaire Unie;

EMU-saldo: het vorderingensaldo op transactiebasis van de gehele sector overheid, met inbegrip van de centrale overheid, sociale fondsen en lokale overheden;

financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt;

kosten- en opbrengstsoorten: indeling waarmee de lasten en baten naar hun aard worden gerangschikt;

kostendragers: indeling waarmee de netto-kosten worden gerangschikt naar de taken die in het reglement aan het waterschap worden opgedragen of door het algemeen bestuur worden onderscheiden en waarvoor een aparte belasting wordt geheven;

netto-kosten: kosten die aan een bepaald programma, een bepaald product of een bepaalde kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de baten (met uitzondering van de belastingopbrengsten en andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde programma of product danwel dezelfde kostendrager worden toegerekend;

openbare lichamen: openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden;

programma: een samenhangend geheel van activiteiten;

verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin het waterschap een bestuurlijk en een financieel belang heeft. Onder bestuurlijk belang wordt verstaan zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht.

Artikel 4.2

  • 1 Voor de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie wordt het stelsel van baten en lasten gehanteerd.

  • 2 De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten of uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid.

  • 3 Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente.

  • 4 De kostentoerekening die door het waterschap wordt toegepast vindt plaats op basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria.

  • 5 Het is niet geoorloofd in de begroting en in de jaarrekening lasten en baten, activa en passiva alsmede balansmutaties tegen elkaar te laten wegvallen, indien zij krachtens dit besluit in afzonderlijke posten moeten worden opgenomen.

Artikel 4.3

  • 1 De meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie geven volgens normen die voor waterschappen als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de ontwikkeling van de netto-kosten. In het bijzonder het algemeen bestuur moet in staat worden gesteld zich een zodanig oordeel te vormen.

  • 2 De meerjarenraming, de begroting, de uitvoeringsinformatie daarbij en de toelichtingen geven duidelijk en stelselmatig de omvang van de geraamde netto-kosten. De begroting geeft tevens duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie.

  • 3 De jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de toelichtingen geven getrouw, duidelijk en stelselmatig de netto-kosten, de balansmutaties en de omvang van de balansposten van het begrotingsjaar weer. De jaarrekening geeft tevens een getrouw, duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie aan het einde van het begrotingsjaar.

Artikel 4.4

  • 1 De indeling van de begroting en de jaarverslaggeving is identiek.

  • 2 Indien de indeling van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie afwijkt van die van het voorafgaande begrotingsjaar worden in de toelichting de verschillen aangegeven en worden de redenen die tot de afwijking hebben geleid uiteengezet.

  • 3 Onderdelen van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie die krachtens dit besluit worden onderscheiden, maar die voor een waterschap niet van toepassing zijn, kunnen worden weggelaten.

  • 4 Indien dit noodzakelijk is voor het in artikel 4.3 bedoelde inzicht, kan een waterschap afwijken van de krachtens de paragrafen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk gestelde eisen aan de inrichting. Deze afwijking wordt in de toelichting op het betreffende onderdeel van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie vermeld.

Artikel 4.5

  • 1 Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en jaarverslaggeving.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op rechtspersonen die zijn opgericht ten behoeve van de in artikel 4.42, eerste lid, eerste volzin, bedoelde activa en waarin het waterschap het volledige financieel belang alsmede de feitelijke zeggenschap heeft.

§ 2. De meerjarenraming en de toelichting

Artikel 4.6

  • 1 De meerjarenraming bevat het naar programma’s onderscheiden beleid dat door het waterschap zal worden gevoerd en de financiële gevolgen daarvan, waaronder de netto-kosten van het bestaande en het nieuwe beleid, voor het komende begrotingsjaar alsmede voor tenminste de drie jaren volgend op het komende begrotingsjaar.

  • 2 De meerjarenraming bevat per programma ten minste de volgende informatie:

    • a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;

    • b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te bereiken;

    • c. de geraamde netto-kosten.

Artikel 4.7

In de toelichting op de meerjarenraming wordt ten minste afzonderlijke aandacht besteed aan:

  • a. de externe en interne ontwikkelingen die relevant zijn voor het beleid van het waterschap;

  • b. gehanteerde kwantitatieve uitgangspunten en normen voor lastenstijgingen, batenstijgingen dan wel lastendalingen of batendalingen die aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen;

  • c. de lopende en voorgenomen investeringen;

  • d. de financiering;

  • e. het weerstandsvermogen, waarbij wordt ingegaan op aard, stand en verloop van de algemene reserves en de voorzieningen;

  • f. de ontwikkeling van de waterschapsbelastingen in de komende jaren, mede in relatie tot de stand en het verloop van de bestemmingsreserves voor tariefsegalisatie, als bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 4.8

Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:

  • a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover het waterschap beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken;

  • b. alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

§ 3. De begroting en de toelichting

Artikel 4.9

De begroting bestaat ten minste uit:

  • a. het programmaplan;

  • b. de paragrafen;

  • c. de begroting naar programma’s;

  • d. de begroting naar kostendragers met toelichting;

  • e. de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten.

Artikel 4.10

  • 1 Het programmaplan bevat het naar programma’s onderscheiden te realiseren beleid van het waterschap voor het begrotingsjaar.

  • 2 Het programmaplan bevat per programma ten minste de volgende informatie:

    • a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;

    • b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te bereiken;

    • c. geraamde netto-kosten.

  • 3 Het programmaplan omvat alle baten en lasten van het waterschap.

Artikel 4.11

  • 1 In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen vastgelegd de uitgangspunten, de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede de financiële gevolgen van dat beleid.

  • 2 De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het desbetreffende aspect bij het waterschap niet aan de orde is:

    • a. ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar;

    • b. uitgangspunten en normen;

    • c. incidentele baten en lasten;

    • d. kostentoerekening;

    • e. onttrekkingen aan overige bestemmingsreserves en voorzieningen;

    • f. waterschapsbelastingen;

    • g. weerstandsvermogen;

    • h. financiering;

    • i. verbonden partijen;

    • j. bedrijfsvoering;

    • k. EMU-saldo.

Artikel 4.12

In de paragraaf betreffende de ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar wordt ten minste ingegaan op:

  • a. externe en interne ontwikkelingen die zich sinds het vaststellen van de vorige begroting en de behandeling van de meerjarenraming hebben voorgedaan;

  • b. afwijkingen van de uitgangspunten en grondslagen zoals deze voor de vorige begroting en de meerjarenraming zijn gehanteerd;

  • c. belangrijke afwijkingen in de cijfers van de meerjarenraming.

Artikel 4.13

In de paragraaf betreffende de uitgangspunten en normen wordt ten minste ingegaan op:

  • a. de autonome salarisontwikkeling die is verdisconteerd;

  • b. de overige autonome loonkosten waarmee rekening is gehouden;

  • c. de overige uitgangspunten en de normen die voor lastenstijgingen en lastendalingen dan wel batenstijgingen en batendalingen zijn gehanteerd en die deels aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen.

Artikel 4.14

De paragraaf betreffende de incidentele baten en lasten bevat een overzicht van de baten en lasten die als eenmalig ten opzichte van voorgaande en komende begrotingsjaren moeten worden beschouwd.

Artikel 4.15

In de paragraaf betreffende de kostentoerekening wordt ingegaan op de principes die zijn gehanteerd bij de toerekening van kosten aan de kostendragers. Deze paragraaf bevat in ieder geval:

  • a. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 4.2, vierde lid, bedoelde eis;

  • b. de kwantitatieve grondslagen die als onderdeel van de kostentoerekening zijn gehanteerd.

Artikel 4.16

In de paragraaf betreffende de onttrekkingen aan overige bestemmingsreserves en voorzieningen wordt ingegaan op de bedragen die rechtstreeks uit voorzieningen worden onttrokken alsmede op het beroep dat op de overige bestemmingsreserves, bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel c, wordt gedaan.

Artikel 4.17

De paragraaf betreffende de waterschapsbelastingen bevat ten minste:

  • a. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse belastingen;

  • b. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid;

  • c. de mate van kostendekkendheid van de diverse belastingen, waarbij wordt ingegaan op de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de bestemmingsreserves voor tariefsegalisatie, bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel b;

  • d. de geraamde opbrengsten;

  • e. de tarieven;

  • f. een aanduiding van de lastendruk die het gevolg is van de waterschapsbelastingen.

Artikel 4.19