Waterschapsbesluit

Geldend van 01-04-2009 t/m 21-12-2009

Besluit van 29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de waterschappen (Waterschapsbesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2007, nr. HDJZ/I&O/2007-904, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 18, vierde lid, 19, tweede en derde lid, 20, tweede en vierde lid, 21, eerste en vijfde lid, 24, tweede en derde lid, 25, 29, eerste lid, 32a, 44, eerste lid, 49, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 109, zesde lid, 120, vierde lid, 122g, 122k, tweede lid, en 126a van de Waterschapswet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2007, nr. W09.07.0306/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2007, nr. HDJZ/WAT/2007-1514, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. De verkiezing van leden van het algemeen bestuur

§ 1. Het stembureau

Artikel 2.1

  • 1 Het stembureau is gevestigd in de plaats van vestiging van het waterschap.

  • 2 Het dagelijks bestuur stelt de vergoeding vast van de leden van stembureau, niet zijnde leden van het dagelijks bestuur of medewerkers van het waterschap.

  • 3 Het tijdstip en de plaats van de openbare zittingen van het stembureau worden tijdig door de voorzitter van het stembureau ter openbare kennis gebracht.

Artikel 2.2

  • 1 Gedurende een zitting van het stembureau zijn steeds de voorzitter en tenminste twee leden van het stembureau aanwezig.

  • 2 Bij ontstentenis van de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter treedt het oudste lid naar benoeming als voorzitter op, dan wel, indien verscheidene leden even oud naar benoeming zijn, het oudste lid.

  • 3 Bij ontstentenis van een lid treedt een plaatsvervangend lid op. De leden die verhinderd zijn een zitting bij te wonen, geven hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter. Deze zorgt voor de oproeping van de plaatsvervangende leden.

  • 4 Van de wisselingen in de samenstelling van het stembureau wordt in het proces-verbaal aantekening gehouden met opgave van de tijd van de vervanging.

  • 5 De voorzitter is belast met de handhaving van de orde tijdens de zitting.

Artikel 2.3

Het stembureau neemt zijn beslissingen bij meerderheid van stemmen. Indien bij het nemen van een beslissing door het stembureau de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.

Artikel 2.4

De leden van het stembureau geven tijdens de uitoefening van hun functie geen blijk van hun gezindheid ten aanzien van de aan de verkiezing deelnemende belangengroeperingen.

Artikel 2.5

  • 1 Het stembureau kan zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden laten bijstaan door daartoe door hem aangewezen personen.

  • 2 Het stembureau wijst tenminste twee gekwalificeerde personen aan die gedurende de stemopneming aanwezig zijn om de voorziening briefstemmen als bedoeld in artikel 2.44 te bedienen, om in opdracht van het stembureau handelingen te verrichten aan de voorziening en om te controleren of de voorziening functioneert. Van de wisseling van de personen en van alle handelingen en controles wordt aantekening gehouden in een logboek.

Artikel 2.6

  • 1 Van de zittingen van het stembureau wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van een openbare zitting wordt voor een ieder ter inzage gelegd op het kantoor van het waterschap.

  • 2 De bij de openbare zittingen aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren inbrengen. Van deze bezwaren wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.

  • 3 Het proces-verbaal wordt door alle aanwezige leden van het stembureau ondertekend.

  • 4 De terinzagelegging van de processen-verbaal wordt beëindigd zodra over de toelating van de gekozen leden onherroepelijk is beslist.

Artikel 2.7

  • 1 Indien de mogelijkheid wordt geboden de stem uit te brengen met toepassing van paragraaf 12 is gedurende de stemperiode artikel 2.5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien de voorziening om met behulp van internet te stemmen wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, wordt het stembureau zo spoedig mogelijk in zitting bijeengeroepen. Indien de omstandigheden geen voorafgaande bijeenroeping van het stembureau toelaten, kan een daartoe bij toerbeurt aangewezen lid of plaatsvervangend lid namens het stembureau besluiten de stemming met behulp van internet te schorsen.

§ 3. De registratie van de aanduiding van een belangengroepering

Artikel 2.9

  • 1 Een belangengroepering verzoekt het stembureau schriftelijk de aanduiding waarmee zij voor die verkiezing op de kandidatenlijst wenst te worden vermeld, in te schrijven in een register dat door het stembureau wordt bijgehouden. Verzoeken ingediend na de drieënveertigste dag voor de kandidaatstelling, blijven voor de daaropvolgende verkiezing buiten behandeling.

  • 2 Vóór het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoek om registratie wordt een waarborgsom van € 225,– betaald aan het waterschap. Deze waarborgsom dient te worden overgemaakt naar de door het dagelijks bestuur aangewezen rekening van het waterschap bij een kredietinstelling, onder vermelding van de woorden «waarborgsom registratie» en met vermelding van de naam van de belangengroepering. Na inlevering van een geldige kandidatenlijst voor de eerstkomende verkiezing na de beslissing op het verzoek wordt hem de waarborgsom zo spoedig mogelijk teruggegeven. Over de terug te betalen waarborgsommen wordt geen rente vergoed.

  • 3 Bij het verzoek worden overgelegd:

    • a. een afschrift van de notariële akte waarin de statuten van de belangengroepering zijn opgenomen en een uiterlijk zes maanden voor de indiening van het verzoek afgegeven bewijs van inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996;

    • b. een bewijs van betaling;

    • c. een verklaring van de belangengroepering, houdende aanwijzing van haar gemachtigde en ten hoogste drie plaatsvervangend gemachtigden bij het stembureau, welke geldt zolang zij niet door een andere is vervangen.

Artikel 2.10

Het stembureau beslist slechts afwijzend op het verzoek, indien:

  • a. de belangengroepering geen aanwijsbaar belang heeft bij de taakuitoefening van het waterschap;

  • b. de aanduiding strijdig is met de openbare orde;

  • c. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een reeds op de voet van dit artikel geregistreerde aanduiding van een andere belangengroepering of met een aanduiding waarvoor reeds eerder op grond van dit artikel een registratieverzoek is ingediend, en daardoor verwarring te duchten is;

  • d. de aanduiding anderszins misleidend is voor de kiezers;

  • e. de aanduiding meer dan 35 letters of andere tekens, dan wel meer dan 40 posities bevat;

  • f. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met die van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en ontbonden; of

  • g. het verzoek op dezelfde dag bij het stembureau is ingekomen als een ander verzoek, strekkende tot inschrijving van een geheel of in hoofdzaak gelijkluidende aanduiding, tenzij dat andere verzoek reeds wordt afgewezen op een van de gronden, genoemd in de onderdelen a tot en met f.

Artikel 2.11

  • 1 De beslissing van het stembureau op het verzoek wordt aan de gemachtigde bekendgemaakt. Van de beslissing wordt mededeling gedaan in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad.

Artikel 2.12

Het stembureau schrapt de aanduiding in het register en doet hiervan mededeling in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad, wanneer:

  • a. de belangengroepering heeft opgehouden te bestaan;

  • b. de belangengroepering een verzoek daartoe heeft gedaan;

  • c. de belangengroepering als vereniging of stichting bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en ontbonden;

  • d. voor de laatstgehouden verkiezing van de leden van het algemeen bestuur geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.16.

Artikel 2.13

Uiterlijk op de veertiende dag voor de kandidaatstelling brengt het stembureau de door hem geregistreerde aanduidingen van belangengroeperingen, voor zover de registratie daarvan onherroepelijk is, alsmede de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers ter openbare kennis.

Artikel 2.14

  • 1 Tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 2.10, 2.11 of 2.12, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • 2 In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beroepschrift ingevolge die wet tegen een beschikking als bedoeld in het eerste lid ingediend uiterlijk op de zesde dag na de dagtekening van het dag- of nieuwsblad waarin de beschikking is opgenomen.

Artikel 2.15

Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor de registers waarin de aanduidingen voor belangengroeperingen worden vermeld, de openbare kennisgevingen inzake de geregistreerde aanduidingen en de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers.

§ 4. De inlevering van de kandidatenlijsten

Artikel 2.16

  • 1 Op de dag van de kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van het stembureau of bij een van de door deze aan te wijzen leden van dat bureau, op het kantoor van het waterschap, van negen tot negentien uur, kandidatenlijsten worden ingeleverd. Ten minste drie weken voor de kandidaatstelling brengt de voorzitter van het waterschap dit ter openbare kennis. Het dagelijks bestuur stelt een formulier voor de kandidaatstelling vast.

  • 2 Het dagelijks bestuur kan een of meer tijdvakken voorafgaande aan de dag van kandidaatstelling aanwijzen binnen welke de kandidatenlijsten eveneens bij de voorzitter van het stembureau, of bij een van de door deze aan te wijzen leden van het stembureau, op het kantoor van het waterschap kunnen worden ingeleverd. Van de aanwijzing van een of meer tijdvakken wordt melding gemaakt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.

  • 3 De formulieren voor de kandidatenlijsten en voor de verklaringen bedoeld in de artikelen 2.19 en 2.25 worden uiterlijk drie weken vóór de dag van kandidaatstelling toegezonden aan de geregistreerde belangengroeperingen, en zijn ook kosteloos verkrijgbaar bij het kantoor van het waterschap.

Artikel 2.17

  • 1 Een kandidaat wordt op de kandidatenlijst vermeld met naam, voorletters, geboortedatum, adres en woonplaats. Achter de voorletters kan tussen haakjes de roepnaam van de kandidaat worden vermeld.

  • 2 Nadere aanduidingen van de naam, mits op de gebruikelijke wijze afgekort, mogen aan de naam worden toegevoegd.

  • 3 Een persoon die gehuwd is of gehuwd is geweest, dan wel wiens partnerschap geregistreerd is of geregistreerd is geweest, wordt op de lijst vermeld hetzij met de eigen geslachtsnaam, hetzij, voor zover hij daartoe op grond van artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd is, met de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner, dan wel met de eigen geslachtsnaam door middel van een liggend streepje gevolgd door of voorafgegaan door de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner.

  • 4 Achter de voorletters of, indien vermeld, de roepnaam, mag ter aanduiding van het geslacht van de kandidaat de toevoeging «(m)» of «(v)» worden geplaatst.

  • 5 Indien het betreft de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van een waterschap geheel of gedeeltelijk in de provincie Friesland gelegen, mogen aanduidingen op de kandidatenlijst in de Friese taal worden vermeld.

Artikel 2.18

  • 1 De inlevering van de lijst geschiedt persoonlijk door een gemachtigde van de belangengroepering. De voorzitter van het stembureau of een van de door deze aangewezen leden van dat bureau kan verlangen dat deze van zijn identiteit doet blijken. De kandidaten kunnen bij de inlevering aanwezig zijn.

  • 2 De gemachtigde die de lijst inlevert, plaatst daarboven een aanduiding, gevormd door samenvoeging van voor de desbetreffende verkiezing geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan, indien hem daartoe de bevoegdheid is verleend door de gemachtigden van de onderscheidene belangengroeperingen. Verklaringen van de gemachtigden waaruit deze bevoegdheid blijkt, worden bij de lijst overgelegd. Een aldus gevormde aanduiding voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.10.

  • 3 De gemachtigde die de lijst heeft ingeleverd, ontvangt van de voorzitter van het stembureau of van een van de door deze aangewezen leden van dat bureau een bewijs daarvan.

Artikel 2.19

  • 1 Bij de lijst worden overgelegd schriftelijke verklaringen van ten minste twintig kiezers dat zij de lijst ondersteunen. Op deze verklaringen worden de kandidaten op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde vermeld als op de lijst. Het dagelijks bestuur stelt een formulier voor deze verklaringen vast.

  • 2 Verklaringen van ondersteuning kunnen slechts worden afgelegd door personen die kiesgerechtigd zijn.

  • 3 De kiezer die een verklaring van ondersteuning wenst af te leggen, ondertekent deze verklaring en voegt daarbij een kopie van een geldig legitimatiebewijs waaruit zijn identiteit blijkt.

  • 4 Een kiezer ondertekent niet meer dan één verklaring van ondersteuning.

  • 5 Een overgelegde verklaring van ondersteuning kan niet worden ingetrokken.

Artikel 2.20

De in het eerste lid van artikel 2.19 bedoelde verplichting geldt niet voor een kandidatenlijst van een belangengroepering aan wier kandidatenlijst bij de laatstgehouden verkiezing een of meer zetels zijn toegekend. De vorige volzin is mede van toepassing ten aanzien van:

  • a. samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen, indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke belangengroeperingen, hetzij aan tenminste één daarvan, één of meer zetels zijn toegekend;

  • b. een nieuwe aanduiding indien twee of meer belangengroeperingen als één belangengroepering onder een nieuwe naam samen aan de verkiezingen deelnemen en bij de laatstgehouden verkiezingen, aan ieder van de afzonderlijke groeperingen één of meer zetels zijn toegekend.

Artikel 2.21

Op de lijst kunnen een gemachtigde en desgewenst diens plaatsvervangers worden aangewezen, die bevoegd zijn tot het verbinden van de lijst met andere lijsten tot een lijstencombinatie. Voorts worden op de lijst een of meer personen vermeld die bij verhindering van de gemachtigde die de lijst heeft ingeleverd bevoegd zijn tot het herstel van verzuimen, bedoeld in artikel 2.29.

Artikel 2.22

  • 1 De namen van de kandidaten worden op de lijsten geplaatst in de volgorde waarin aan hen de voorkeur wordt gegeven.

  • 2 Op een lijst mogen de namen van ten hoogste twintig kandidaten worden geplaatst.

Artikel 2.23

Op dezelfde lijst van een belangengroepering aan wier kandidatenlijst bij de laatst gehouden verkiezing van de leden van het algemeen bestuur meer dan tien zetels zijn toegekend, mag een aantal namen worden geplaatst dat ten hoogste twee maal het aantal zetels bedraagt, doch nimmer meer dan veertig. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen.

Artikel 2.24

  • 1 De naam van een kandidaat mag niet voorkomen op een lijst, indien de kandidaat tijdens de zittingsperiode van het algemeen bestuur, niet de voor het zitting nemen in dat bestuur vereiste leeftijd zal bereiken.

  • 2 De naam van een kandidaat mag niet voorkomen op meer dan één van de lijsten welke bij een stembureau zijn ingeleverd.

  • 3 Indien op een lijst de naam voorkomt van een kandidaat die geen ingezetene is van het waterschap, dient bij de lijst te worden overgelegd een door die kandidaat ondertekende verklaring, waaruit blijkt, dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het gebied van het waterschap.

Artikel 2.25

  • 1 Bij de lijst wordt overgelegd een schriftelijke verklaring van iedere daarop voorkomende kandidaat dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op deze lijst. Het dagelijks bestuur stelt een formulier voor deze verklaring vast.

  • 2 Een overgelegde verklaring van instemming kan niet worden ingetrokken.

  • 3 Bij de lijst wordt van iedere kandidaat die geen zitting heeft in het algemeen bestuur een kopie van een geldig legitimatiebewijs overgelegd. Indien van een dergelijke kandidaat een kopie van een geldig legitimatiebewijs ontbreekt, is de verklaring van instemming van de betreffende kandidaat niet geldig.

Artikel 2.26

  • 1 Voor elke lijst wordt een waarborgsom van € 225,– betaald aan het waterschap. Deze waarborgsom dient uiterlijk op de veertiende dag voor de kandidaatstelling te zijn ontvangen op de rekening van het waterschap bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onder vermelding van «waarborgsom kandidaatstelling» en met vermelding van de naam van de belangengroepering.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting tot betaling geldt niet voor een kandidatenlijst van een belangengroepering aan wier kandidatenlijst bij de laatstgehouden verkiezing een of meer zetels zijn toegekend. De vorige volzin is mede van toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen, indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke groeperingen, hetzij aan ten minste één daarvan, één of meer zetels zijn toegekend.

  • 3 Degene die de in het eerste lid bedoelde betaling heeft verricht, ontvangt een bewijs daarvan. Dit bewijs wordt bij de indiening van de lijst ingeleverd.

  • 4 Indien geen lijst wordt ingeleverd, wordt na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing door het stembureau de waarborgsom teruggegeven aan degene die de betaling heeft verricht.

  • 5 Na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing door het stembureau wordt de waarborgsom zo spoedig mogelijk teruggegeven aan degene die de betaling heeft verricht, tenzij het stemcijfer van de lijst lager is dan 75 procent van de kiesdeler, bedoeld in artikel 2.77. In dat geval vervalt de waarborgsom aan het waterschap. Over de terug te geven waarborgsommen wordt geen rente vergoed.

§ 5. Het onderzoek van de kandidatenlijsten

Artikel 2.27

Op de tweede dag na de kandidaatstelling, om tien uur, houdt het stembureau een zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten. Kandidatenlijsten waarvoor de verplichting tot het betalen van een waarborgsom geldt, blijven buiten behandeling indien bij de aanvang van de zitting een bewijs dat deze betaling is verricht, ontbreekt.

Artikel 2.28

Indien bij het onderzoek blijkt van een of meer van de volgende verzuimen, geeft het stembureau onverwijld bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs kennis aan degene die de lijst heeft ingeleverd:

  • a. dat, indien bij de lijst verklaringen van ondersteuning moeten worden overgelegd, niet ten minste het aantal verklaringen, genoemd in artikel 2.19 is overgelegd, waarbij niet meetellen de verklaringen die niet aan artikel 2.19, tweede lid, voldoen en de verklaringen van een kiezer die meer dan één verklaring heeft ondertekend;

  • b. dat, indien zich het geval voordoet, bedoeld in artikel 2.24, derde lid, de verklaring dat de kandidaat voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het gebied van het waterschap ontbreekt;

  • c. dat een kandidaat niet is vermeld overeenkomstig artikel 2.17;

  • d. dat ten aanzien van een kandidaat ontbreekt de verklaring dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst;

  • e. dat de lijst niet persoonlijk is ingeleverd door een gemachtigde van de belangengroepering;

  • f. dat verklaringen als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, ontbreken.

Artikel 2.29

  • 1 Uiterlijk tot op de zevende dag na de kandidaatstelling kan degene die de lijst heeft ingeleverd, het verzuim of de verzuimen, in de kennisgeving aangeduid, herstellen bij de voorzitter van het stembureau of bij een van de door deze aan te wijzen leden van dat bureau op het kantoor van het waterschap, op werkdagen van negen tot zeventien uur.

  • 2 In het geval, bedoeld in artikel 2.28, onderdeel e, kan een gemachtigde die tot het inleveren van de lijst bevoegd zou zijn geweest, door persoonlijke verschijning op het kantoor van het waterschap zich alsnog in de plaats van de onbevoegde inleveraar stellen en aldus het verzuim herstellen.

  • 3 Bij verhindering of ontstentenis van de gemachtigde die de lijst heeft ingeleverd, treedt in diens plaats een op de lijst vermelde vervanger.

Artikel 2.30

Onmiddellijk nadat de lijsten door het stembureau zijn onderzocht, worden deze en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, tesamen met het proces-verbaal van de zitting door de voorzitter van het stembureau op het kantoor van het waterschap voor een ieder ter inzage gelegd.

Artikel 2.31

Op de achtste dag na de kandidaatstelling beslist het stembureau in een openbare zitting die om tien uur aanvangt, over de geldigheid van de lijsten en over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten.

Artikel 2.32

Ongeldig is de lijst:

  • a. die niet op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en negentien uur, dan wel binnen de tijdvakken bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, bij de voorzitter van het stembureau of een van de door deze aangewezen leden is ingeleverd;

  • b. waarbij, indien bij de lijst verklaringen van ondersteuningen moeten worden overgelegd, niet ten minste het aantal geldige verklaringen, genoemd in artikel 2.19, is overgelegd;

  • c. die niet voldoet aan het vastgestelde model;

  • d. die niet persoonlijk is ingeleverd door een gemachtigde;

  • e. waarop door toepassing van artikel 2.33 alle kandidaten zijn geschrapt.

Artikel 2.33

  • 1 Het stembureau schrapt, in de volgorde in dit lid aangewezen, van de lijst de naam van de kandidaat:

    • a. die niet is vermeld overeenkomstig artikel 2.17;

    • b. van wie niet is overgelegd de verklaring dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst;

    • c. die tijdens de zittingsperiode van het algemeen bestuur, niet de voor het zitting nemen in dat orgaan vereiste leeftijd bereikt;

    • d. die geen ingezetene is van het waterschap en ten aanzien van wie de verklaring dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het gebied van het waterschap, ontbreekt;

    • e. die heeft verklaard dat hij voornemens is zich bij benoeming te vestigen in het gebied van het waterschap en die tevens een zodanige verklaring heeft afgelegd voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van een ander waterschap;

    • f. die voorkomt op meer dan één van de bij een stembureau ingeleverde lijsten;

    • g. van wie een uittreksel uit het register van overlijden dan wel een afschrift van de akte van overlijden is overgelegd;

    • h. die op de lijst voorkomt na het ten hoogste toegelaten aantal.

  • 2 Het stembureau schrapt de aanduiding gevormd door samenvoeging van voor de desbetreffende verkiezingen geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan, indien een daarop betrekking hebbende verklaring als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, ontbreekt.

Artikel 2.34

Indien de aanduiding van een belangengroepering niet in overeenstemming is met die waaronder zij is geregistreerd, brengt het stembureau deze ambtshalve daarmee in overeenstemming.

Artikel 2.35

  • 1 Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 2.31 kan een belanghebbende en iedere kiezer beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • 3 De Afdeling doet uitspraak uiterlijk op de zesde dag nadat het beroepschrift is ontvangen.

  • 4 Indien de uitspraak van de Afdeling strekt tot gegrondverklaring van het beroep, bepaalt zij dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.

  • 5 De voorzitter van de Afdeling stelt partijen en de voorzitter van het stembureau onverwijld in kennis van de uitspraak.

Artikel 2.36

  • 1 Indien beroep is ingesteld tegen een beschikking waarbij het stembureau een lijst ongeldig heeft verklaard of de naam van een kandidaat dan wel de aanduiding als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, heeft geschrapt op grond van een of meer van de verzuimen, vermeld in artikel 2.28, zonder dat het stembureau tevoren overeenkomstig het in dat artikel bepaalde kennis heeft gegeven van het bestaan daarvan aan degene die de lijst heeft ingeleverd, kan deze het verzuim of de verzuimen alsnog herstellen ter secretarie van de Raad van State. Artikel 2.29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien een verzuim overeenkomstig het eerste lid is hersteld, houdt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij haar uitspraak daarmee rekening.

§ 6. De verbinding van kandidatenlijsten tot een lijstencombinatie

Artikel 2.37

  • 1 Op de dag van de kandidaatstelling, tussen negen en negentien uur, kunnen kandidatenlijsten van verschillende belangengroeperingen tot een lijstencombinatie worden verbonden door inlevering bij het stembureau van een daartoe strekkende schriftelijke gemeenschappelijke verklaring van de op de lijsten vermelde gemachtigden.

  • 2 Het dagelijks bestuur stelt voor de in het eerste lid bedoelde verklaring een model vast.

§ 7. De nummering van de kandidatenlijsten

Artikel 2.39

In de zitting, bedoeld in artikel 2.31, nummert het stembureau de ingediende kandidatenlijsten, waarbij de kandidatenlijsten die kennelijk ongeldig zijn, buiten beschouwing blijven.

Artikel 2.40

  • 1 Eerst worden genummerd de lijsten van de belangengroeperingen waaraan bij de laatstgehouden verkiezingen een of meer zetels zijn toegekend. Aan deze lijsten worden de nummers 1 en volgende toegekend in de volgorde van de op de desbetreffende lijsten uitgebrachte aantallen stemmen, met dien verstande dat aan de lijst van de belangengroepering met het hoogste aantal stemmen het nummer 1 wordt toegekend. Bij gelijkheid van het aantal beslist het lot.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer belangengroeperingen, indien bij de laatstgehouden verkiezing, hetzij aan de gezamenlijke belangengroeperingen, hetzij aan tenminste één daarvan, één of meer zetels zijn toegekend. In het geval waarbij aan tenminste één van de betrokken belangengroeperingen één of meer zetels zijn toegekend, worden voor de toepassing van de tweede volzin van het eerste lid, de op de lijsten uitgebrachte aantallen stemmen van de belangengroeperingen waaraan zetels zijn toegekend, bij elkaar opgeteld.

  • 3 Vervolgens worden, met de nummers volgende op het laatste krachtens het tweede lid toegekende nummer, genummerd de overige lijsten in de volgorde door het lot aangewezen.

  • 4 Het dagelijks bestuur bepaalt de wijze van loting.

Artikel 2.41

Onmiddellijk nadat de nummering heeft plaatsgevonden, brengt de voorzitter van het stembureau ter openbare kennis welk nummer aan de onderscheidene lijsten is toegekend.

Artikel 2.42

Een beslissing tot het ongeldig verklaren van een kandidatenlijst heeft geen gevolg ten aanzien van de nummers, toegekend aan de overige kandidatenlijsten.

§ 8. De openbaarmaking van de kandidatenlijsten

Artikel 2.43

  • 1 De voorzitter van het stembureau maakt de lijsten zo spoedig mogelijk openbaar. Daarbij vermeldt hij tevens welke lijsten tot een lijstencombinatie zijn verbonden.

  • 2 De openbaarmaking geschiedt door de van de nummers en de aanduidingen van de belangengroeperingen voorziene lijsten op het kantoor van het waterschap voor een ieder ter inzage te leggen. Van de terinzagelegging geschiedt tegelijk openbare kennisgeving door de voorzitter van het stembureau.

§ 9. Algemene bepalingen omtrent de stemming

Artikel 2.44

In de paragrafen 9 tot en met 16 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

de voorziening briefstemmen: de voorziening die het stembureau in staat stelt de per brief uitgebrachte stemmen te verwerken en de uitslag van de verkiezing vast te stellen.

de voorziening internetstemmen: de voorziening die de kiesgerechtigde in staat stelt om zijn stem uit te brengen met behulp van internet en die het stembureau in staat stelt de uitslag van de verkiezing vast te stellen.

Artikel 2.45

  • 1 Een voorziening als bedoeld in artikel 2.44, voldoet aan de volgende vereisten:

    • a. het geheime karakter van de stemming is voldoende gewaarborgd;

    • b. de betrouwbaarheid van de voorziening is voldoende gewaarborgd;

    • c. de voorziening is zodanig ingericht, dat het stembureau in staat wordt gesteld de stemopneming, alsmede de hertelling van de stemmen overeenkomstig de voor die stemming geldende regels te verrichten;

    • d. de voorziening is zodanig ingericht, dat de telling of hertelling van de uitgebrachte stemmen desgewenst kan plaatsvinden met behulp van een systeem dat geen onderdeel is van de voorziening;

    • e. de voorziening is beveiligd tegen inbreuken, zowel van buitenaf als van binnenuit, die de integriteit van de voorziening in gevaar brengen of kunnen brengen.

  • 2 Ten aanzien van de voorziening zijn technische en organisatorische maatregelen getroffen om de integriteit en de betrouwbaarheid van de stemming te waarborgen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toe te passen voorziening. Daarbij kan tevens de eis worden gesteld dat de voorziening wordt goedgekeurd door een daartoe door Onze Minister aangewezen instantie.

  • 4 Teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan de in de vorige leden bedoelde eisen en voorschriften stelt het dagelijks bestuur een protocol op. In dit protocol wordt tevens beschreven:

    • a. de procedure van het vervaardigen van de stembescheiden;

    • b. de wijze waarop de code, bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, wordt vastgesteld.

  • 5 Het protocol, bedoeld in het vierde lid, wordt tenminste twee weken voor het begin van de stemming ter inzage gelegd op het kantoor van het waterschap en wordt toegezonden aan gedeputeerde staten.

Artikel 2.45a

  • 1 Tegen een beschikking die is genomen op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.45, derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 2.46

De stemming vangt aan op de dag na de verzending van de stembescheiden om acht uur en eindigt op de zeventigste dag na de kandidaatstelling om twaalf uur.

Artikel 2.47

De stemming geschiedt over de kandidaten wier namen voorkomen op de geldig verklaarde kandidatenlijsten. Bij de stemming wordt de mogelijkheid geboden een blanco stem uit te brengen.

Artikel 2.48

  • 1 Het stembureau voorziet elke kiesgerechtigde van een unieke, geanonimiseerde en vertrouwelijke code.

  • 2 Het stembureau stelt een referentiebestand op van alle mogelijk uit te brengen stemmen en maakt dit ten minste vierentwintig uur voor de aanvang van de stemming openbaar door plaatsing van het bestand op internet. Om de kiezer in staat te stellen de integriteit van het referentiebestand vast te stellen wordt een controlewaarde berekend. Het stembureau maakt deze controlewaarde bekend.

§ 10. De oproeping voor de stemming

Artikel 2.49

Ten minste zeven dagen, maar niet eerder dan veertien dagen, voor het einde van de stemming ontvangt elke kiezer die bevoegd is aan de stemming deel te nemen van de voorzitter van het waterschap waar hij op de dag van de kandidaatstelling kiesgerechtigd is, de stembescheiden.

Artikel 2.50

  • 1 Aan de tot deelneming aan de stemming bevoegde kiezer wiens stembescheiden in het ongerede zijn geraakt of die geen stembescheiden heeft ontvangen, worden op zijn aanvraag door of vanwege de voorzitter van het stembureau vervangende stembescheiden uitgereikt, mits de aanvraag uiterlijk op de vierde dag voorafgaande aan het einde van de stemming om twaalf uur is ontvangen en de aanvrager bij zijn aanvraag van zijn identiteit doet blijken. Daarnaast kan de kiesgerechtigde tot op de laatste dag van de stemming tot elf uur dertig, zich met zijn aanvraag in persoon vervoegen op het kantoor van het waterschap en de aanvrager doet bij deze aanvraag van zijn identiteit blijken.

  • 2 Het stembureau houdt aantekening van de verstrekte vervangende stembescheiden. De oorspronkelijke stembescheiden worden door deze verstrekking ongeldig.

  • 3 Per kiesgerechtigde worden slechts eenmaal vervangende stembescheiden verstrekt.

Artikel 2.51

  • 1 De stembescheiden omvatten het stembiljet met retourenveloppe, de kandidatenlijsten en instructies voor de kiezer. Indien de mogelijkheid wordt geboden de stem uit te brengen overeenkomstig paragraaf 12 van dit hoofdstuk, omvatten de stembescheiden tevens een stemkaart met stemcode en het internetadres.

  • 2 Op de kandidatenlijsten, zoals deze ter kennis van de kiezers worden gebracht, worden vermeld de nummers van de lijsten en de aanduidingen van de belangengroeperingen en, in voorkomend geval, de nummers van de lijsten waarmee die lijsten tot een lijstencombinatie zijn verbonden. Voorts worden daarop de kandidaten kolomsgewijs vermeld zoals ze op de kandidatenlijst voorkomen, met weglating van het adres en de geboortedatum. De kandidatenlijsten worden weergegeven in de volgorde van de toegekende nummers. De kandidaten worden per lijst doorlopend genummerd.

  • 3 Het dagelijks bestuur stelt voor de kandidatenlijsten een model vast.

Artikel 2.52

  • 1 De voorzitter van het waterschap brengt de periode waarbinnen de stembescheiden worden toegezonden en de dag en het tijdstip waarop de stemming eindigt, ten minste eenentwintig dagen voor deze dag ter openbare kennis. Hij maakt daarbij melding van dag, tijdstip en plaats van de in artikelen 2.64, 2.66, 2.69 en 2.74 bedoelde zittingen van het stembureau en van de terinzagelegging van het in artikel 2.45, vierde lid, bedoelde protocol.

  • 2 Bij een ernstige externe verstoring van de stemming kan het dagelijks bestuur het tijdstip waarop de stemming eindigt met maximaal twee dagen verlengen. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.

§ 11. Stemmen per brief

Artikel 2.53

  • 1 Op het bij de verkiezing te bezigen stembiljet zijn eenzijdig geprint de lijstnummers en de aanduiding van de belangengroeperingen die aan de verkiezingen deelnemen, zoals deze ter kennis van de kiezers worden gebracht, alsmede zoveel vakjes als er ten hoogste kandidaten op een kandidatenlijst mogen worden geplaatst. Aan deze zijde wordt ook een vakje opgenomen voor het kunnen uitbrengen van een blanco stem. Aan deze zijde kunnen voorts worden vermeld de naam van het waterschap en het jaartal van de verkiezing, alsmede, indien van toepassing, een aanduiding van het kiesdistrict.

  • 2 Op het stembiljet worden ten behoeve van de stemopneming een of meer machineleesbare codes geprint om te waarborgen dat de kiesgerechtigde ten hoogste één geldige stem kan uitbrengen. De code of codes bevatten de code als bedoeld in artikel 2.48 in versleutelde vorm, aangevuld met een cijfermatige weergave van de naam van het waterschap, van het jaar van de verkiezingen en, indien van toepassing, van het desbetreffende kiesdistrict.

  • 3 Het stembiljet kan worden voorzien van een korte instructie. Op het stembiljet kan voorts worden voorzien in de mogelijkheid om een niet-identificeerbaar gegeven van de kiesgerechtigde in te vullen, ten behoeve van het gebruik van een verdergaand beveiligingssysteem om misbruik van stembiljetten tegen te gaan.

  • 4 Bij ministeriële regeling wordt voor het stembiljet een model vastgesteld.

Artikel 2.54

  • 1 De kiesgerechtigde brengt zijn stem uit door op het stembiljet het stemvak, geplaatst voor het nummer van de belangengroepering van zijn keuze aan te kruisen of anderszins te markeren en vervolgens door het nummer van de kandidaat dat correspondeert met het nummer van de kandidaat van voorkeur zoals vermeld op de kandidatenlijst, aan te kruisen of anderszins te markeren. Indien het waterschap heeft gekozen voor een beveiligingssysteem als bedoeld in artikel 2.53, derde lid, dient de stemgerechtigde het bedoelde gegeven in te vullen.

  • 2 De kiesgerechtigde verzendt het stembiljet met gebruikmaking van de daarvoor bestemde retourenvelop.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de kiesgerechtigde het stembiljet deponeren in de brievenbus van het waterschap of tijdens kantooruren in een daartoe in het kantoor van het waterschap geplaatste stembus, die is voorzien van een slot en van een sleuf waardoor de stembiljetten in de bus kunnen worden gestoken.

  • 4 De in de stembus of brievenbus van het waterschap gedeponeerde stembiljetten worden door of vanwege het stembureau onmiddellijk na het tijdstip waarop de stemming eindigt, overgebracht naar de ruimte waar de stemopneming plaatsvindt. Zonodig kunnen bedoelde stembiljetten tussentijds worden overgebracht naar de ruimte waar de stemopneming plaatsvindt

Artikel 2.55

Stembiljetten die na het tijdstip waarop de stemming eindigt zijn ontvangen, worden bij de stemopneming buiten beschouwing gelaten.

Artikel 2.56

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de gang van zaken bij de stemming per brief.

§ 12. Stemmen per internet

Artikel 2.57

Deze paragraaf is van toepassing indien het waterschap de kiesgerechtigde in de gelegenheid stelt de stem uit te brengen met behulp van internet.

Artikel 2.58

  • 1 Onverminderd artikel 2.45, eerste lid, voldoet de voorziening internetstemmen aan de volgende vereisten:

    • a. indien de voorziening de vermelding van kandidatenlijsten omvat, dienen deze lijsten, het aan elke lijst toegekende nummer en de aanduiding van de belangengroepering, alsmede de mogelijkheid een blanco stem uit te brengen, op duidelijke wijze te kunnen worden vermeld;

    • b. een voorziening is zodanig ingericht dat de kiezer in staat wordt gesteld zijn stem op de wijze als bedoeld in deze paragraaf uit te brengen;

    • c. de voorziening is toegankelijk en gebruikersvriendelijk voor de kiezers;

    • d. de voorziening is zodanig ingericht, dat het stembureau in staat wordt gesteld op het verloop van de stemming toe te zien;

    • e. de identiteit van de kiezer wordt door de voorziening geanonimiseerd geregistreerd;

    • f. de voorziening stelt de kiezer mede in de gelegenheid een blanco stem uit te brengen.

  • 2 Er worden maatregelen getroffen om te kunnen controleren of de voorziening tot en met het einde van de stemperiode functioneert.

Artikel 2.59

Alvorens de mogelijkheid om te stemmen te openen voert het stembureau de handelingen uit die nodig zijn om vast te stellen dat de voorziening gereed is voor de stemming en dat er geen stemmen in het geheugen van de voorziening zijn opgeslagen. Indien het stembureau de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, opdraagt aan de in artikel 2.7, eerste lid, bedoelde personen, gaat het stembureau na of deze handelingen met goed gevolg zijn verricht.

Artikel 2.60

  • 1 Het stembureau en de in artikel 2.7, eerste lid, bedoelde personen zijn bevoegd zich, op te houden in de ruimte waar de voorziening zich bevindt, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak.

  • 2 Het bedienen van de voorziening geschiedt te allen tijde door ten minste twee personen gezamenlijk.

Artikel 2.61

Bij ministeriële regeling worden de opmaak en functionaliteit vastgesteld van de stembiljetten die worden gebruikt bij het stemmen per internet. Hierbij wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het stembiljet, bedoeld in artikel 2.53.

Artikel 2.62

  • 1 De kiezer brengt zijn stem als volgt uit:

    • a. nadat de kiezer verbinding heeft gekregen met de voorziening, voert hij zijn stemcode, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, in;

    • b. nadat aan de hand van de stemcode de kiesgerechtigdheid is vastgesteld, maakt de kiezer zijn keuze, door:

      • 1°. eerst te kiezen voor een kandidatenlijst uit het getoonde overzicht van alle nummers en aanduidingen van de lijsten van de belangengroeperingen, en vervolgens een kandidaat te kiezen uit de getoonde geselecteerde kandidatenlijst; of

      • 2°. het uitbrengen van een blanco stem;

    • c. indien het waterschap gebruik maakt van een beveiligingssysteem als bedoeld in artikel 2.53, derde lid, dient de kiezer het bedoelde gegeven in te vullen;

    • d. nadat de inhoud van zijn keuze aan de kiezer is getoond brengt de kiezer zijn stem uit, die wordt verzonden naar de voorziening;

    • e. nadat de stem is ontvangen door de voorziening wordt deze stem opgeslagen in het geheugen van de voorziening en ontvangt de kiezer digitaal een ontvangstbevestiging.

  • 2 Tot de kiezer zijn stem heeft uitgebracht, biedt de voorziening de kiezer de gelegenheid:

    • a. een gemaakte keuze te wijzigen;

    • b. de verbinding te verbreken en op een later tijdstip alsnog te stemmen.

  • 3 De kiezer die voor de sluiting van de stemperiode verbinding heeft gekregen met de voorziening en zijn stemcode heeft ingevoerd, heeft nog tot vijf minuten na de sluiting van de stemperiode de mogelijkheid zijn stem uit te brengen.

Artikel 2.63

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de gang van zaken bij het stemmen per internet.

§ 13. De stemopneming

Artikel 2.64

  • 1 Onmiddellijk na de sluiting van de stemperiode gaat het stembureau over tot vaststelling van de uitslag van de verkiezing.

  • 2 Het stembureau verricht, indien van toepassing, onverwijld de handelingen die nodig zijn om de stemming met behulp van internet te beëindigen. De tweede volzin van artikel 2.59 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Alvorens met de stemopneming van de per brief uitgebrachte stemmen een aanvang te nemen stelt het stembureau vast dat de voorziening gereed is voor de stemopneming en dat er geen stemmen in het geheugen van de voorziening zijn opgeslagen. Indien het stembureau de handelingen bedoeld in de eerste volzin opdraagt aan de in artikel 2.5, tweede lid bedoelde personen, gaat het stembureau na of deze handelingen met goed gevolg zijn verricht.

Artikel 2.65

Onverminderd artikel 2.64, eerste lid, kan met de stemopneming worden aangevangen voordat de stemming is beëindigd onder de voorwaarden dat:

  • a. de handelingen, bedoeld in artikel 2.64, derde lid, zijn uitgevoerd;

  • b. de beslissingen omtrent de geldigheid van de uitgebrachte stemmen worden genomen in een openbare zitting van het stembureau.

Artikel 2.66

  • 1 Het stembureau komt de dag na de sluiting van de stemming om veertien uur in openbare zitting bijeen om aan de hand van de gegevens die de voorziening weergeeft het aantal stemmen vast te stellen dat per brief en, indien van toepassing, met behulp van internet is uitgebracht.

  • 2 De voorzitter maakt deze aantallen, alsmede het aantal kiesgerechtigden bekend.

  • 3 Het stembureau beslist over de geldigheid van de stembiljetten die door de voorziening niet als overeenkomstig dit besluit ingevulde stembiljetten worden aangemerkt.

Artikel 2.67

  • 1 Als ongeldige stem wordt aangemerkt:

    • a. een stem uitgebracht met stembescheiden waarvoor vervangende stembescheiden als bedoeld in artikel 2.50 zijn verstrekt;

    • b. een stem waarbij de kiezer niet op ondubbelzinnige wijze heeft kenbaar gemaakt op welke kandidaat hij zijn stem uitbrengt, onverminderd het bepaalde in het tweede lid;

    • c. een stem waaraan gegevens zijn toegevoegd waardoor de kiezer kan worden geïdentificeerd;

    • d. een stem waarbij een ander stembiljet is gebruikt dan het verstrekte stembiljet;

    • e. op één na alle stemmen waarvan een stembiljet in de voorziening is opgeslagen met een code die identiek is aan die op een of meer andere stembiljetten;

    • f. een stem waarbij op het stembiljet de code gewijzigd is of onleesbaar is gemaakt;

    • g. een stem waarbij op het stembiljet het gevraagde gegeven niet of niet juist is ingevuld, indien het waterschap heeft besloten tot toepassing van het beveiligingssysteem, bedoeld in artikel 2.53, derde lid.

  • 2 Indien op een overigens geldig stembiljet alleen het nummer van de belangengroepering is aangekruist of gemarkeerd, wordt de stem geacht te zijn uitgebracht op kandidaat nummer één van de lijst van die belangengroepering;

Artikel 2.68

Indien de mogelijkheid is geboden de stem uit te brengen met toepassing van paragraaf 12 van dit hoofdstuk, wordt voorts als ongeldige stem aangemerkt:

  • a. op één na alle stemmen van een kiezer die in de voorziening zijn opgeslagen en die zijn uitgebracht op dezelfde kandidaat;

  • b. de stemmen van een kiezer die stemmen heeft uitgebracht op verschillende kandidaten;

  • c. een stem waarvan de stemcode ongeldig is;

  • d. een per brief ontvangen stem, indien de kiezer per internet een geldige stem heeft uitgebracht op dezelfde kandidaat.

Artikel 2.69

  • 1 Het stembureau komt de tweede dag na de sluiting van de stemming om negentien uur in openbare zitting bijeen om de voorlopige uitslag van de stemming vast te stellen. Daartoe verricht het stembureau de handelingen die nodig zijn om een afdruk te verkrijgen van de in het tweede lid bedoelde gegevens.

  • 2 Het stembureau stelt vervolgens aan de hand van de gegevens die de voorziening weergeeft vast:

    • a. ten aanzien van iedere lijst het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte stemmen en de som van deze aantallen;

    • b. het aantal kiezers dat door middel van de daartoe bestemde optie heeft aangegeven een blanco stem uit te brengen;

    • c. het aantal ongeldige stemmen.

Artikel 2.70

De voorzitter deelt de uitkomsten genoemd in artikel 2.69, tweede lid, mede. Door de aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren worden ingebracht.

Artikel 2.71

Het stembureau verricht vervolgens de handelingen die nodig zijn om het geheugen van de voorziening internetstemmen veilig te stellen. De tweede volzin van artikel 2.59 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.72

  • 1 Het stembureau stelt iedere kiezer na de stemopneming in de gelegenheid om na te gaan of zijn per internet uitgebrachte stem correct is meegeteld. Het stembureau maakt na de sluiting van de stemming de daarvoor benodigde referentiebestanden zo spoedig mogelijk openbaar door plaatsing op de in artikel 2.48, tweede lid, bedoelde internetpagina. Bij ministeriële regeling kunnen hierover regels worden gesteld.

  • 2 De kiesgerechtigde die van oordeel is dat zijn per internet uitgebrachte stem niet correct is meegeteld, kan tot twaalf uur op de zesde dag na het einde van de stemming aan het stembureau bezwaren hierover kenbaar maken.

Artikel 2.73

Nadat alle werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 2.64 tot en met 2.72, zijn beëindigd, wordt onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van de stemming en de stemopneming. Alle ingebrachte bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld. De in artikel 2.69, eerste lid, bedoelde afdruk wordt aan het proces-verbaal gehecht.

§ 14. De vaststelling van de verkiezingsuitslag

Artikel 2.74

Het stembureau houdt zeven dagen na het einde van de stemming, om tien uur een openbare zitting. Het stembureau beoordeelt de ingebrachte bezwaren, bedoeld in artikel 2.72, tweede lid.

Artikel 2.75

  • 1 Het stembureau stelt ten aanzien van iedere lijst vast het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte geldige stemmen en de som van deze aantallen. Deze som wordt stemcijfer genoemd.

  • 2 De voorzitter maakt de aldus verkregen uitkomsten bekend.

Artikel 2.76

  • 1 Een lijstencombinatie als bedoeld in artikel 2.21 geldt voor het bepalen van het aantal daaraan toe te wijzen zetels als één lijst, met een stemcijfer gelijk aan de som van de stemcijfers van de lijsten waaruit die combinatie bestaat.

  • 2 Een lijstencombinatie wordt slechts in aanmerking genomen, indien aan ten minste twee van de verbonden lijsten een zetel zou zijn toegewezen, indien geen lijstencombinaties zouden zijn gevormd. Verbonden lijsten die zelfstandig geen zetel zouden hebben verworven, worden buiten beschouwing gelaten.

Artikel 2.77

  • 1 Het stembureau deelt de som van de stemcijfers van alle lijsten door het aantal te verdelen zetels.

  • 2 Het aldus verkregen quotiënt wordt kiesdeler genoemd.

Artikel 2.78

Zoveel maal als de kiesdeler is begrepen in het stemcijfer van een lijst wordt aan die lijst een zetel toegewezen.

Artikel 2.79

  • 1 De overblijvende zetels, die restzetels worden genoemd, worden toegewezen aan de lijsten waarvan de stemcijfers bij deling door de kiesdeler de grootste overschotten hebben. Hierbij worden lijsten die geen overschot hebben, geacht lijsten te zijn met het kleinste overschot. Indien overschotten gelijk zijn, beslist het lot.

  • 2 Bij deze toewijzing komen niet in aanmerking lijsten met een stemcijfer dat lager is dan 75% van de kiesdeler.

  • 3 Wanneer alle lijsten die daarvoor in aanmerking komen een restzetel hebben ontvangen en er nog zetels te verdelen blijven, worden deze zetels toegewezen aan de lijsten die het grootste gemiddelde aantal stemmen per toegewezen zetel hebben, met dien verstande, dat bij deze toewijzing aan geen van de lijsten meer dan één zetel wordt toegewezen.

Artikel 2.80

Indien aan een lijst die de volstrekte meerderheid van de uitgebrachte geldige stemmen heeft verkregen, een aantal zetels is toegewezen, minder dan de helft van het aantal toe te wijzen zetels, wordt aan die lijst alsnog één zetel toegewezen en vervalt daartegenover één zetel, toegewezen aan de lijst die voor het kleinste gemiddelde of het kleinste overschot een zetel heeft verworven. Indien twee of meer lijsten voor hetzelfde kleinste gemiddelde of hetzelfde kleinste overschot een zetel hebben verworven, beslist het lot.

Artikel 2.81

Indien bij de toepassing van de vorige bepalingen aan een lijst meer zetels worden toegewezen dan er kandidaten zijn, gaan de overblijvende zetel of zetels door voortgezette toepassing van die bepalingen over op één of meer van de overige lijsten, waarop kandidaten voorkomen aan wie geen zetel is toegewezen.

Artikel 2.82

  • 1 De verdeling van de aan een lijstencombinatie toegewezen zetels over de lijsten welke zijn gecombineerd, geschiedt als volgt.

  • 2 Het stembureau deelt het stemcijfer van de lijstencombinatie door het aantal aan de lijstencombinatie toegewezen zetels.

  • 3 Het aldus verkregen quotiënt wordt combinatiekiesdeler genoemd.

  • 4 Zoveel maal als de combinatiekiesdeler is begrepen in het stemcijfer van elk van de lijsten waaruit de combinatie bestaat, wordt aan die lijst een van de aan de combinatie toegewezen zetels toegewezen.

  • 5 De restzetels worden achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten van de combinatie waarvan de stemcijfers bij deling door de combinatiekiesdeler de grootste overschotten hebben. Hierbij worden lijsten die geen overschot hebben, geacht lijsten te zijn met het kleinste overschot. Indien overschotten gelijk zijn, beslist het lot.

Artikel 2.83

  • 1 Indien bij de toepassing van de artikelen 2.81 en 2.82 aan een lijst meer zetels zouden moeten worden toegewezen dan er kandidaten zijn, gaan de overblijvende zetel of zetels door voortgezette toepassing van dat artikel over op een van de andere lijsten van de combinatie, onderscheidenlijk van de belangengroepering, waarop kandidaten voorkomen aan wie geen zetel is toegewezen.

  • 2 Zijn er na toepassing van het eerste lid nog zetels toe te wijzen, dan worden deze toegewezen volgens het stelsel van de grootste gemiddelden als bedoeld in artikel 2.79, derde lid.

Artikel 2.84

De in de voorgaande artikelen bedoelde lotingen vinden plaats in de in artikel 2.89 bedoelde zitting van het stembureau. De lotingen geschieden op de wijze, bepaald krachtens artikel 2.40, vierde lid.

Artikel 2.85

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van het stembureau inzake de vaststelling van de verkiezingsuitslag.

§ 15. De toewijzing van de zetels aan de kandidaten

Artikel 2.86

  • 1 In de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen zijn gekozen die kandidaten die op de lijst waarop zij voorkomen, een aantal stemmen hebben verkregen, groter dan 25% van de kiesdeler, voor zover aan de lijst voldoende zetels zijn toegewezen. Indien aantallen gelijk zijn, beslist zo nodig het lot.

  • 2 De zetels, toegewezen aan de lijsten, die na toepassing van het eerste lid nog niet aan een kandidaat zijn toegewezen, worden aan de nog niet gekozen kandidaten van de desbetreffende lijsten toegewezen in de volgorde van de lijst.

Artikel 2.87

  • 1 Het stembureau rangschikt ten aanzien van iedere lijst de daarop voorkomende kandidaten zodanig, dat bovenaan komen te staan de kandidaten aan wie een zetel is toegewezen met toepassing van artikel 2.86, in de volgorde waarin de zetels zijn toegewezen.

  • 2 Vervolgens worden, in de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen, gerangschikt de op de lijst voorkomende kandidaten die een aantal stemmen hebben verkregen groter dan 25% van de kiesdeler, doch die niet met toepassing van artikel 2.86 zijn gekozen verklaard. Indien aantallen gelijk zijn, beslist de volgorde van de lijst.

  • 3 Tenslotte worden, in de volgorde van de lijst, gerangschikt de overige op de lijst voorkomende kandidaten.

  • 4 De rangschikking blijft achterwege voor zover het lijsten betreft waarop geen kandidaten gekozen zijn verklaard en die niet deel uitmaken van een lijstencombinatie waaraan één of meer zetels zijn toegekend.

Artikel 2.88

Indien een gekozen kandidaat is overleden, wordt deze bij de toepassing van deze paragraaf buiten beschouwing gelaten.

§ 16. De bekendmaking van de verkiezingsuitslag

Artikel 2.89

De voorzitter van het stembureau maakt de uitslag van de verkiezing zo spoedig mogelijk bekend. De bekendmaking geschiedt in de openbare zitting van het stembureau, bedoeld in artikel 2.74.

Artikel 2.90

Het stembureau kan op de in artikel 2.89 bedoelde zitting, voordat de uitslag van de verkiezing bekend wordt gemaakt, hetzij ambtshalve, hetzij naar aanleiding van een met opgave van redenen gedaan verzoek van een of meer kiezers, tot een nieuwe opneming van stembiljetten of elektronisch uitgebrachte stemmen besluiten, indien een ernstig vermoeden bestaat dat bij de stemopneming zodanige fouten zijn gemaakt dat zij van invloed op de zetelverdeling kunnen zijn.

Artikel 2.91

Nadat alle werkzaamheden zijn beëindigd, wordt daarvan aanstonds proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal worden de uitslag van de verkiezing, alsmede alle ingebrachte bezwaren vermeld.

Artikel 2.92

De voorzitter van het stembureau maakt de uitslag van de verkiezing zo spoedig mogelijk openbaar door een afschrift van het proces-verbaal voor een ieder ter inzage te leggen op het kantoor van het waterschap. Van de terinzagelegging wordt tegelijk openbare kennisgeving gedaan door de voorzitter van het waterschap.

Artikel 2.93

De voorzitter van het stembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan het algemeen bestuur.

Artikel 2.94

  • 1 De voorzitter van het waterschap draagt zorg voor de bewaring van de verzegelde pakken met stembiljetten en indien van toepassing de gegevensbestanden met de internetstemmen. Hij vernietigt deze na drie maanden nadat over de toelating van de benoemden onherroepelijk is beslist. Van deze vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

  • 2 De voorzitter van het waterschap is bevoegd de verzegelde pakken met de stembiljetten en indien van toepassing de gegevensbestanden met de internetstemmen, nadat onherroepelijk is beslist over de toelating van de gekozen leden, ten dienste van een onderzoek naar enig strafbaar feit aan de officier van justitie over te dragen.

  • 3 Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, vernietigt de voorzitter van het waterschap de stembiljetten en gegevensbestanden onmiddellijk na teruggave door de officier van justitie.

§ 17. Het lidmaatschap

Artikel 2.95

  • 1 De voorzitter van het stembureau geeft de benoemde schriftelijk kennis van zijn benoeming. De brief, houdende deze kennisgeving, wordt uiterlijk de dag na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing of na de benoemdverklaring uitgereikt. Indien de benoemde daartoe een gemachtigde heeft aangewezen, geschiedt de kennisgeving aan deze gemachtigde.

  • 2 De voorzitter van het stembureau geeft tegelijkertijd schriftelijk kennis van de benoeming aan het algemeen bestuur. Deze kennisgeving strekt de benoemde tot geloofsbrief.

Artikel 2.96

  • 1 De benoemde of zijn gemachtigde deelt het algemeen bestuur uiterlijk op de tiende dag na de dagtekening van de kennisgeving van benoeming, bij brief mede dat hij de benoeming aanneemt. Bij benoeming in een plaats die na de eerste samenkomst van het algemeen bestuur is opengevallen doet hij deze mededeling uiterlijk op de achtentwintigste dag na de dagtekening.

  • 2 Is binnen die tijd de mededeling niet ontvangen, dan wordt hij geacht de benoeming niet aan te nemen.

  • 3 De voorzitter van het waterschap deelt aan de voorzitter van het stembureau onverwijld mede, dat de benoemde de benoeming heeft aangenomen, dan wel dat hij geacht wordt de benoeming niet aan te nemen.

  • 4 Indien de benoemde de benoeming niet aanneemt, doet hij of zijn gemachtigde daarvan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bij brief mededeling aan de voorzitter van het stembureau. Deze geeft hiervan kennis aan het algemeen bestuur.

  • 5 Zolang nog niet, of nog niet onherroepelijk, tot toelating van de benoemde is besloten, kan deze, onderscheidenlijk zijn gemachtigde, schriftelijk aan het algemeen bestuur mededelen dat hij op de aanneming van de benoeming terugkomt. Hij wordt dan geacht de benoeming niet te hebben aangenomen. De voorzitter van het algemeen bestuur geeft van de ontvangst van deze mededeling onverwijld kennis aan de voorzitter van het stembureau.

Artikel 2.97

  • 1 Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, legt de benoemde aan het algemeen bestuur een door hem ondertekende verklaring over, vermeldende welke andere functies dan het lidmaatschap van het algemeen bestuur hij vervult.

  • 2 Tenzij de benoemde op het tijdstip van benoeming reeds lid was, legt hij tevens een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven over, waaruit zijn woonplaats, datum en plaats van de geboorte blijken.

Artikel 2.98

  • 1 Het algemeen bestuur onderzoekt de geloofsbrief en beslist of de benoemde als lid wordt toegelaten. Daarbij gaat het na, of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, alsmede of er gebleken is van ernstige onregelmatigheden bij de verkiezing of benoeming, en beslist het de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen. Indien de benoemde voor de eerste samenkomst van het nieuw gekozen algemeen bestuur de voor het lidmaatschap vereiste leeftijd zal hebben bereikt, wordt daarmee bij het nemen van de beslissing rekening gehouden. De wijze waarop het onderzoek van de geloofsbrieven geschiedt, wordt geregeld in het reglement van orde van het algemeen bestuur.

  • 2 Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.

  • 3 Betreft het de toelating van degene die is benoemd in een tussentijds opengevallen plaats, dan strekt het onderzoek zich niet uit tot punten die het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag betreffen.

  • 4 Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan het algemeen bestuur tot een nieuwe opneming van stembiljetten of per internet uitgebrachte stemmen besluiten. De voorzitter van het waterschap die de desbetreffende stembiljetten of gegevensbestanden met internetstemmen onder zich heeft, doet deze op verzoek van het algemeen bestuur onverwijld naar het stembureau overbrengen. Na ontvangst van de stembiljetten of gegevensbestanden gaat het stembureau onmiddellijk tot de opneming over.

Artikel 2.99

De ongeldigheid van de stemming in één of meer kiesdistricten of een onjuistheid in de vaststelling van de uitslag van de verkiezing staat niet in de weg aan de toelating van de leden, op wier verkiezing de ongeldigheid of onjuistheid geen invloed kan hebben gehad, en, in geval van ongeldigheid van de stemming, de nieuwe stemming geen invloed kan hebben.

Artikel 2.100

  • 1 Indien het algemeen bestuur besluit tot niet-toelating van één of meer leden wegens de ongeldigheid van de stemming geeft de voorzitter daarvan onverwijld kennis aan het dagelijks bestuur.

  • 2 Uiterlijk op de zestigste dag nadat deze kennisgeving is ontvangen, vindt een nieuwe stemming plaats en wordt de uitslag van de verkiezing opnieuw vastgesteld. De periode van de stemming wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.

  • 3 Aan de in het tweede lid bedoelde stemming zijn de kiezers bevoegd deel te nemen die kiesgerechtigd waren op de oorspronkelijke dag van kandidaatstelling.

  • 4 Bij deze vaststelling blijft degene die reeds als lid is toegelaten, gekozen verklaard, ook indien mocht blijken dat dit ten onrechte is geschied. Tegenover hem valt dan af de kandidaat die, indien de toegelatene niet gekozen was verklaard, gekozen zou zijn.

Artikel 2.101

Indien het algemeen bestuur heeft besloten om één of meer van de benoemde leden wegens de onjuistheid van de vaststelling van de uitslag van de verkiezing niet toe te laten, wordt daarvan door de voorzitter onverwijld kennis gegeven aan het stembureau.

Artikel 2.102

  • 1 Uiterlijk op de veertiende dag nadat de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.101 is ontvangen, houdt het stembureau een openbare zitting en stelt het met inachtneming van de in dat artikel bedoelde beslissing de uitslag van de verkiezing voor zover nodig opnieuw vast.

  • 3 Het onderzoek van de geloofsbrief van de aldus nieuw gekozen verklaarde strekt zich niet uit tot punten, die het verloop van de verkiezing raken.

Artikel 2.103

Indien het algemeen bestuur heeft besloten de benoemde niet als lid toe te laten op de grond dat hij niet voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap, dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult of dat de benoemdverklaring van de voorzitter van het stembureau in strijd is met paragraaf 18, geeft de voorzitter van het algemeen bestuur daarvan onverwijld kennis aan de voorzitter van het stembureau.

Artikel 2.104

Het lidmaatschap van een tot lid van het algemeen bestuur benoemde vangt aan zodra zijn toelating onherroepelijk is geworden.

Artikel 2.105

De beslissing betreffende de toelating van de tot lid van het algemeen bestuur benoemden wordt onverwijld genomen.

Artikel 2.106

  • 1 Elke beslissing betreffende de toelating van de tot lid van het algemeen bestuur benoemden wordt door het dagelijks bestuur terstond aan de benoemde bekendgemaakt.

  • 2 Aan de niet-toegelatene worden de redenen van de beslissing meegedeeld.

  • 3 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien door het algemeen bestuur, wegens staking van stemmen over een voorstel omtrent toelating geen beslissing is genomen.

Artikel 2.107

  • 1 Indien op het tijdstip van periodieke aftreding van de leden de goedkeuring van de geloofsbrieven van meer dan de helft van het bij reglement voorgeschreven aantal leden niet onherroepelijk is geworden, houden de leden zitting, totdat zulks is geschied. Gedurende deze tijd oefenen de bij de verkiezing gekozen leden hun functie niet uit.

  • 2 Een plaats die openvalt na het tijdstip van periodieke aftreding, wordt vervuld op dezelfde wijze, als zou zijn geschied, indien zij voor dat tijdstip zou zijn opengevallen.

§ 18. De opvolging

Artikel 2.108

Wanneer, anders dan bij de vaststelling van de uitslag van een verkiezing, in een opengevallen plaats moet worden voorzien, verklaart de voorzitter van het stembureau bij een met redenen omkleed besluit benoemd, uiterlijk op de veertiende dag nadat dit te zijner kennis is gekomen, de daarvoor in aanmerking komende kandidaat die in de volgorde, bedoeld in artikel 2.87, het hoogst is geplaatst op de lijst waarop degene die moet worden opgevolgd, is gekozen. Indien het lid in wiens plaats moet worden voorzien, ontslag heeft genomen met ingang van een bepaald tijdstip, vangt de termijn, bedoeld in de eerste volzin, aan op dat tijdstip.

Artikel 2.109

  • 1 Bij de toepassing van artikel 2.108 wordt buiten beschouwing gelaten de kandidaat:

    • a. die is overleden;

    • b. aan wie tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of wegens ziekte;

    • c. wiens vacature vervuld wordt;

    • d. die in de vacature benoemd is verklaard, maar schriftelijk verklaard heeft of geacht wordt de benoeming niet aan te nemen, de in artikel 2.97 genoemde stukken niet tijdig heeft ingezonden of bij onherroepelijk besluit niet tot het algemeen bestuur is toegelaten;

    • e. die lid is van het algemeen bestuur of als zodanig benoemd is verklaard, terwijl over zijn toelating als lid nog niet onherroepelijk is beslist, tenzij hij is benoemd tot vervanger voor de plaats die is opengevallen als gevolg van een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel 2.118;

    • f. van wie door de voorzitter van het stembureau een schriftelijke verklaring is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen;

    • g. die niet benoembaar is ingevolge artikel 31 van de wet.

  • 2 Een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden ingetrokken.

Artikel 2.110

  • 1 Indien bij de toepassing van deze paragraaf geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt op de lijst waarop degene is gekozen die moet worden opgevolgd, en deze lijst tezamen met één of meer andere lijsten een lijstencombinatie vormt, gaat de zetel door toepassing van artikel 2.81 over op één van die andere lijsten. De kandidaat van deze lijst die naar de volgorde, vastgesteld overeenkomstig artikel 2.87, voor benoeming in aanmerking komt, wordt benoemd verklaard. Komt ook op deze lijst geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking, dan wordt de plaats aan een andere van de combinatie deel uitmakende lijst toegekend door verdere toepassing van het in dit artikel bepaalde, en zo vervolgens.

  • 2 Indien bij de toepassing van het eerste lid op geen van de lijsten een kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt, beslist de voorzitter van het stembureau dat geen opvolger kan worden benoemd.

Artikel 2.111

  • 1 Indien de toepassing van artikel 2.110 tot een beslissing door het lot aanleiding geeft, zal de loting plaats hebben in een zitting van het stembureau.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde zitting vinden de artikelen 2.89 en 2.91 overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.112

De voorzitter van het stembureau doet een afschrift van het benoemingsbesluit toekomen aan het algemeen bestuur.

Artikel 2.113

Iedere benoeming die met toepassing van deze paragraaf geschiedt, wordt terstond bekendgemaakt.

§ 19. Einde van het lidmaatschap

Artikel 2.114

  • 2 Een overeenkomstige kennisgeving vindt plaats, indien door overlijden van een lid een plaats in het algemeen bestuur is opengevallen.

Artikel 2.115

  • 1 Een lid, tot wiens toelating onherroepelijk is besloten, kan te allen tijde zijn ontslag nemen. Ontslagneming met terugwerkende kracht is niet mogelijk.

  • 2 Hij bericht dit schriftelijk aan de voorzitter van het waterschap. Deze geeft hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van het stembureau.

  • 3 Op een ingediend ontslag kan niet worden teruggekomen.

Artikel 2.116

Het lid dat zijn ontslag heeft ingezonden, houdt op lid te zijn met ingang van de datum van zijn ontslagname.

§ 20. Tijdelijk ontslag en vervanging wegens zwangerschap en bevalling of ziekte

Artikel 2.118

  • 1 De voorzitter van het waterschap verleent aan een lid van het algemeen bestuur dat is toegelaten op diens verzoek tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling op de in het verzoek vermelde dag die ligt tussen ten hoogste zes en ten minste vier weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling die blijkt uit een door het lid overgelegde verklaring van een arts of verloskundige. Aan het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, wordt niet voldaan indien het tijdstip waarop het verzoek wordt gedaan, ligt binnen een periode van zestien weken voor het einde van de zittingsduur van het algemeen bestuur.

  • 2 De voorzitter van het waterschap verleent aan een lid van het algemeen bestuur op diens verzoek tijdelijk ontslag, indien het lid wegens ziekte niet in staat is het lidmaatschap uit te oefenen en blijkens de verklaring van een arts aannemelijk is dat hij de uitoefening van het lidmaatschap niet binnen acht weken zal kunnen hervatten. Het tijdelijk ontslag gaat in op de dag na de bekendmaking van de beslissing op het verzoek. Aan het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, wordt niet voldaan indien het tijdstip waarop het verzoek wordt gedaan ligt binnen een periode van zestien weken voor het einde van de zittingsduur van het algemeen bestuur.

  • 3 Het lidmaatschap van het lid aan wie tijdelijk ontslag als bedoeld in het eerste of het tweede lid is verleend, herleeft van rechtswege met ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag van ingang van het tijdelijk ontslag.

  • 4 Aan het lid van het algemeen bestuur wordt ten hoogste drie maal per zittingsperiode tijdelijk ontslag als bedoeld in het eerste of het tweede lid verleend.

Artikel 2.119

  • 1 De voorzitter van het waterschap beslist op een verzoek tot tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel 2.118, eerste of tweede lid, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het verzoek.

  • 2 De beslissing op het verzoek tot tijdelijk ontslag geschiedt in overeenstemming met de verklaring van de arts of verloskundige, bedoeld in artikel 2.118, eerste of tweede lid.

  • 3 Een beslissing tot tijdelijk ontslag bevat de dag van ingang van het ontslag.

  • 4 De voorzitter van het waterschap geeft van een beslissing tot tijdelijk ontslag onverwijld kennis aan de voorzitter van het stembureau.

Artikel 2.120

  • 1 De voorzitter van het stembureau benoemt een vervanger voor de plaats die is opengevallen als gevolg van een tijdelijk ontslag als bedoeld in deze paragraaf. Op deze benoeming zijn de paragrafen 17 tot en met 19 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van artikel 2.96, eerste lid, de benoeming uiterlijk op de tiende dag na de dagtekening van de kennisgeving van benoeming wordt aangenomen.

  • 2 Degene die als vervanger is benoemd, houdt op lid te zijn met ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag van ingang van het tijdelijk ontslag, onverminderd de mogelijkheid dat het vervangend lidmaatschap ingevolge dit besluit op een eerder tijdstip eindigt.

  • 3 Indien de vervanger van een lid van het algemeen bestuur aan wie tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, voortijdig ontslag neemt, dan wel wordt benoemd tot lid van het algemeen bestuur voor een plaats die is opengevallen anders dan als gevolg van een tijdelijk ontslag, benoemt de voorzitter van het stembureau een nieuwe tijdelijke vervanger voor de resterende periode van het tijdelijk ontslag.

§ 21. Overige bepalingen

Artikel 2.122

Een besluit als bedoeld in de artikelen 2.10, 2.11, 2.12, 2.31, 2.117, alsmede een besluit dat is genomen op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.45, derde lid, is een besluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.

Artikel 2.123

De paragrafen 17 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van het algemeen bestuur die zijn benoemd door de organisaties, bedoeld in artikel 14 van de wet.

Artikel 2.124

Bij de instelling van een waterschap kan bij reglement worden bepaald dat wordt afgeweken van de in dit besluit gestelde termijnen en stemmingsperiode.

Hoofdstuk 3. De rechtspositie van de leden van het waterschapsbestuur

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 3.1

  • 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    bezoldiging: bedrag per maand waarop een voorzitter of een lid van het dagelijks bestuur aanspraak kan maken;

    FPU-uitkering: de uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP, waarbij onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en onder het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;

    lid van het algemeen bestuur: lid van het algemeen bestuur van een waterschap, dat niet tevens lid van het dagelijks bestuur van dat waterschap is;

    lid van het dagelijks bestuur: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, dat niet tevens voorzitter is van dat waterschap;

    plaatsvervangend voorzitter: het lid van het dagelijks bestuur dat tot plaatsvervanger van de voorzitter is aangewezen;

    salarisschaal: een als zodanig in bijlage B van Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermelde reeks van genummerde salarissen;

    tijdsbestedingsnorm: het deel van de werkweek dat de voorzitter in staat dient te worden gesteld aan het voorzitterschap te besteden, uitgedrukt in een percentage van een voltijdsfunctie;

    tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur: tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap, bedoeld in de artikelen 23, tweede lid, van de wet, artikel 33, vierde lid, van de wet juncto artikel X 8, eerste tot en met vijfde lid, van de Kieswet, en de artikelen 2.114 en 2.116;

    tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur: tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur en het tijdstip van beëindiging, bedoeld in artikel 41, vierde en vijfde lid, van de wet;

    vergoeding: maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden verbonden aan het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder het provinciaal bestuur onderscheidenlijk (het college van) gedeputeerde staten verstaan het provinciaal bestuur onderscheidenlijk (het college of de colleges van) gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het waterschap is gelegen.

§ 2. Vergoedingen en tegemoetkoming leden algemeen bestuur

Artikel 3.2

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Aan een lid van het algemeen bestuur wordt een vergoeding toegekend van € 402,53.

  • 2 Het bedrag van de vergoeding wordt per 1 januari van elk jaar door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties herzien aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, en bekend gemaakt in de Staatscourant.

Terugwerkende kracht

Stb. 2009, 549, datum inwerkingtreding 22-12-2009, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-01-2009.

1 Aan een lid van het algemeen bestuur wordt een vergoeding toegekend van € 425,07.

Artikel 3.3

Het algemeen bestuur kan bij verordening tot ten hoogste 20% naar beneden afwijken van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid.

Artikel 3.4

Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 50% van de vergoeding wordt uitgekeerd, berekend naar rato van het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van het algemeen bestuur op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.

Artikel 3.5

  • 1 De vergoeding gaat in op de dag van de beëdiging.

  • 2 De vergoeding eindigt op het tijdstip van de beëindiging van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

Artikel 3.6

Op de leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing de regelingen ten behoeve van ambtenaren van het waterschap ten aanzien van reis- en verblijfkosten en vergoeding van telefoonkosten.

Artikel 3.7

Het algemeen bestuur kan nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computerapparatuur, over een tegemoetkoming voor de belastingheffing als gevolg hiervan, en over een vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor deze apparatuur.

Artikel 3.8

Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat een lid van het algemeen bestuur ten laste van het waterschap een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering ontvangt van € 175,– per jaar.

Artikel 3.9

Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat een lid van het algemeen bestuur, naar in de verordening te stellen regels, ten laste van het waterschap een tegemoetkoming ontvangt ter zake van kosten voor scholing in verband met de vervulling van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

Artikel 3.10

  • 1 De artikelen van deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van het algemeen bestuur aan wie ingevolge artikel 2.118 tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat, indien toepassing is gegeven aan artikel 3.4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

§ 3. Bezoldiging en tegemoetkoming in kosten leden dagelijks bestuur waterschap

Artikel 3.11

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een lid van het dagelijks bestuur geniet een bezoldiging van € 3.487,84, met dien verstande dat het totaal van de bezoldiging van de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, wordt gesteld op ten hoogste 500% van dit bedrag.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de bezoldiging van de individuele leden van het dagelijks bestuur op een hoger of lager bedrag worden gesteld, mits het totaal van de bezoldiging, met uitzondering van de voorzitter, niet meer bedraagt dan 500% van het in het eerste lid genoemde bedrag.

  • 3 Als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag overeenkomstig gewijzigd.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2009, 20694, datum inwerkingtreding 31-12-2009, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-04-2009.

1 Een lid van het dagelijks bestuur geniet een bezoldiging van € 3.487,84 [Red: Per 31-12-2009 en met terugwerkende kracht tot en met 1 april 2009: €3.557,60.] , met dien verstande dat het totaal van de bezoldiging van de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, wordt gesteld op ten hoogste 500% van dit bedrag.

Artikel 3.12

De aanspraak op de bezoldiging door het lid van het dagelijks bestuur begint op de dag van de benoeming en eindigt op het tijdstip van de beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur.

Artikel 3.13

  • 1 Het lid van het dagelijks bestuur heeft aanspraak op een vakantie-uitkering en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de regels die te dien aanzien voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld.

  • 2 Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangt het lid van het dagelijks bestuur een uitkering op gelijke voet.

Artikel 3.14

Op het lid van het dagelijks bestuur zijn van overeenkomstige toepassing de regelingen ten behoeve van de ambtenaren van het waterschap ten aanzien van verhuiskosten, reis- en verblijfkosten en telefoonkosten.

Artikel 3.15

  • 1 Op aanvraag wordt ten laste van het waterschap aan het lid van het dagelijks bestuur voor de uitoefening van het ambt, een computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld. Het algemeen bestuur verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming voor de belastingheffing als gevolg hiervan.

  • 2 Indien geen computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur ter beschikking is gesteld wordt door het algemeen bestuur aan het lid van het dagelijks bestuur op aanvraag, voor de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend voor aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur, software en communicatieapparatuur.

  • 3 Op aanvraag wordt door het algemeen bestuur een vergoeding aan het lid van het dagelijks bestuur verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.

  • 4 Het algemeen bestuur kan bij verordening nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.16

  • 1 In geval van ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt:

    • a. in de aard van de aan de functie van lid van het dagelijks bestuur verbonden werkzaamheden; of

    • b. in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht; en

    • c. niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid is te wijten,

    kunnen de naar het oordeel van dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging, voor zover deze kosten ten laste van het lid van het dagelijks bestuur blijven, aan dat lid voor rekening van het waterschap worden vergoed.

  • 2 Ter zake van andere schade, voortvloeiende uit de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden of omstandigheden, kunnen de nadere voorschriften, zoals deze door het dagelijks bestuur ten aanzien van haar ambtelijk personeel eventueel zijn vastgesteld, van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de leden van het dagelijks bestuur.

§ 4. Rechtspositie voorzitters waterschappen

Artikel 3.18

De voorzitter kan op verzoek van het waterschapsbestuur of van het college van gedeputeerde staten bij koninklijk besluit worden geschorst in het belang van een goede uitoefening van het ambt. Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

  • a. het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

  • b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 3.19

  • 1 De voorzitter wordt op zijn aanvraag ontslagen of wordt op zijn verzoek na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd.

  • 2 Aan de voorzitter die ontslag vraagt met het oog op een FPU-uitkering, wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig uittreden overheidspersoneel en het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na het ontslag recht bestaat op de FPU-uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de FPU-uitkering ontstaat. Met een aanvraag tot ontslag wordt gelijkgesteld een verzoek om niet te worden herbenoemd.

  • 3 Het ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 3.20

Aan de voorzitter wordt bij koninklijk besluit met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin hij de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend.

Artikel 3.21

  • 1 Anders dan op eigen aanvraag kan aan de voorzitter ontslag worden verleend op grond van:

    • a. ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte;

    • b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekte;

    • c. opheffing van het waterschap;

    • d. een aanbeveling van het algemeen bestuur tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur;

    • e. andere gronden.

  • 2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden indien:

    • a. er sprake is van ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

    • b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

    • c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de voorzitter binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de voorzitter geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.

  • 3 Het ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en c, van dit artikel wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen d en e, van dit artikel wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 3.24

  • 1 De voorzitter geniet een bezoldiging waarvan de hoogte overeenkomt met het maximum van salarisschaal 18, tenzij een tijdsbestedingsnorm is vastgesteld die lager ligt dan 100%. In dat geval is de bezoldiging gelijk aan het bedrag dat naar rato van de tijdsbestedingsnorm is bepaald.

  • 2 Op verzoek van het algemeen bestuur kan Onze Minister, gedeputeerde staten gehoord, een tijdsbestedingsnorm vaststellen.

Artikel 3.25

De aanspraak op de bezoldiging begint op de dag dat de benoeming ingaat en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met ingang van de dag, volgende op die van het overlijden.

Artikel 3.26

Bij besluit van het algemeen bestuur kan de voorzitter een ambtstoelage worden toegekend voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten, tot een bedrag dat maximaal 6,25% bedraagt van het maximum van salarisschaal 18.

Artikel 3.27

  • 1 Een voorzitter die wegens geoorloofde afwezigheid verhinderd is zijn ambt te vervullen, behoudt gedurende deze verhindering zijn bezoldiging.

  • 2 Wanneer een voorzitter buitengewoon verlof verzoekt en de duur daarvan een aaneengesloten periode van zes weken te boven gaat, kan het algemeen bestuur bij het verlenen van het verlof bepalen, dat gedurende die langere periode de bezoldiging en de ambtstoelage geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden.

Artikel 3.29

  • 1 De voorzitter die wegens ziekte ongeschikt is tot het uitoefenen van zijn ambt, geniet vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van 18 maanden zijn volledige bezoldiging en daarna tot zijn ontslag of zijn hervatting van het ambt 80% van zijn bezoldiging. Hij geniet ook na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn van 18 maanden zijn volledige bezoldiging indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn ambt uit te oefenen, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan het ambt van voorzitter verbonden werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

  • 2 Voor het vaststellen van het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn van 18 maanden verstreken is, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn ambt wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 3 Het algemeen bestuur kan bepalen dat de voorzitter die wegens ziekte ongeschikt is zijn ambt uit te oefenen, de uitoefening van zijn ambt slechts mag hervatten met zijn toestemming. Deze toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de ongeschiktheid langer dan een jaar duurt. Alvorens toepassing te geven aan de eerste volzin vraagt het algemeen bestuur advies aan een door hem aangewezen bedrijfsarts.

Artikel 3.30

  • 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing gedurende de eerste 52 weken waarin de voorzitter ongeschikt is tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte.

  • 2 Voor het berekenen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van ongeschiktheid tot het uitoefenen van zijn ambt wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 3 Op aanwijzing van het algemeen bestuur kan de doorbetaling van bezoldiging en de ambtstoelage worden gestaakt wanneer en voor zolang de voorzitter:

    • a. weigert zich te onderwerpen aan een door het algemeen bestuur noodzakelijk geacht onderzoek vanwege een door het dagelijks bestuur van het waterschap aangewezen bedrijfsarts of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • b. zich zodanig gedraagt dat zijn genezing naar het oordeel van het algemeen bestuur ernstig wordt belemmerd of vertraagd.

  • 4 In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan het algemeen bestuur op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat het bedrag van de ingehouden bezoldiging geheel of ten dele aan anderen dan aan de voorzitter zal worden uitbetaald.

  • 5 Voor zover het algemeen bestuur van zijn bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt wordt de ingevolge het derde lid ingehouden bezoldiging en ambtstoelage alsnog aan de voorzitter uitbetaald wanneer uit een verklaring van een (of meer) aangewezen arts(en) blijkt dat het geval op grond waarvan doorbetaling van bezoldiging en ambtstoelage werd gestaakt, zich niet of niet meer voordoet.

Artikel 3.31

Indien een voorzitter langer dan acht dagen wegens ziekte zijn ambt niet kan uitoefenen geeft hij daarvan kennis aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 3.32

Ten aanzien van de gewezen voorzitter vinden in geval van ziekte ten laste van het waterschap de artikelen 45 en 48 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.33

De voorzitter geniet bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig de voor het waterschapspersoneel geldende voorschriften.

Artikel 3.34

Degene die op grond van artikel 51a van de wet, gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast geweest, geniet voor die tijd, ten laste van het waterschap, een vergoeding ten bedrage van de voor dat ambt vastgestelde bezoldiging. Indien de waarneming geschiedt door een lid van het dagelijks bestuur wordt de vergoeding verminderd met hetgeen als lid van het dagelijks bestuur aan bezoldiging wordt ontvangen.

Artikel 3.35

  • 1 In geval van ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan het ambt van voorzitter verbonden werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, worden hem voor rekening van het waterschap vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

Artikel 3.36

Aan de voorzitter wordt een ambtsjubileumgratificatie en een dienstjubileumgratificatie toegekend overeenkomstig de regeling die geldt voor de ambtenaren van het waterschap.

Artikel 3.37

  • 1 De voorzitter heeft ten laste van het waterschap recht op een uitkering bij eervol ontslag of niet herbenoeming wegens opheffing van het waterschap.

Artikel 3.39

  • 1 De voorzitter heeft ten laste van het waterschap recht op een uitkering:

    • a. bij eervol ontslag op grond van artikel 3.21, eerste lid, onder d;

    • b. bij eervol ontslag op eigen aanvraag, bij niet-herbenoeming als ook bij een eervol ontslag op grond van artikel 3.21, eerste lid, onder e, indien naar het oordeel van Onze Minister de reden van het ontslag of de niet-herbenoeming is gelegen in een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur.

  • 2 Onze Minister wint ter voorbereiding van zijn oordeel advies in van gedeputeerde staten en hij stelt vervolgens de voorzitter in kennis van zijn voornemen omtrent het oordeel.

Artikel 3.40

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde ten laste van het waterschap een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, over drie maanden, berekend naar het tijdstip van overlijden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de overleden voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of gedeeltelijk afhankelijk waren van de bezoldiging van de voorzitter.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden voorzitter ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.

Hoofdstuk 4. De beleidsvoorbereiding en de verantwoording

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

begroting na wijziging: de begroting zoals deze luidt na verwerking van alle door het algemeen bestuur lopende het begrotingsjaar vastgestelde begrotingswijzigingen;

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek;

deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap, waarin het waterschap aandelen heeft;

EMU: de Economische en Monetaire Unie;

EMU-saldo: het vorderingensaldo op transactiebasis van de gehele sector overheid, met inbegrip van de centrale overheid, sociale fondsen en lokale overheden;

financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt;

kosten- en opbrengstsoorten: indeling waarmee de lasten en baten naar hun aard worden gerangschikt;

kostendragers: indeling waarmee de netto-kosten worden gerangschikt naar de taken die in het reglement aan het waterschap worden opgedragen of door het algemeen bestuur worden onderscheiden en waarvoor een aparte belasting wordt geheven;

netto-kosten: kosten die aan een bepaald programma, een bepaald product of een bepaalde kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de baten (met uitzondering van de belastingopbrengsten en andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde programma of product danwel dezelfde kostendrager worden toegerekend;

overheden: Rijk, provincies, gemeenten, andere waterschappen, gemeenschappelijke regelingen, sociale fondsen en entiteiten die worden gefinancierd en gecontroleerd door de overheid;

programma: een samenhangend geheel van activiteiten;

verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin het waterschap een bestuurlijk en een financieel belang heeft. Onder bestuurlijk belang wordt verstaan zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht.

Artikel 4.2

  • 1 Voor de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie wordt het stelsel van baten en lasten gehanteerd.

  • 2 De baten en de lasten van het begrotingsjaar worden in de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie opgenomen, onverschillig of zij tot inkomsten of uitgaven in dat jaar leiden, onderscheidenlijk hebben geleid.

  • 3 Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente.

  • 4 De kostentoerekening die door het waterschap wordt toegepast vindt plaats op basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria.

  • 5 Het is niet geoorloofd in de begroting en in de jaarrekening lasten en baten, activa en passiva alsmede balansmutaties tegen elkaar te laten wegvallen, indien zij krachtens dit besluit in afzonderlijke posten moeten worden opgenomen.

Artikel 4.3

  • 1 De meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie geven volgens normen die voor waterschappen als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de ontwikkeling van de netto-kosten. In het bijzonder het algemeen bestuur moet in staat worden gesteld zich een zodanig oordeel te vormen.

  • 2 De meerjarenraming, de begroting, de uitvoeringsinformatie daarbij en de toelichtingen geven duidelijk en stelselmatig de omvang van de geraamde netto-kosten. De begroting geeft tevens duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie.

  • 3 De jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de toelichtingen geven getrouw, duidelijk en stelselmatig de netto-kosten, de balansmutaties en de omvang van de balansposten van het begrotingsjaar weer. De jaarrekening geeft tevens een getrouw, duidelijk en stelselmatig inzicht in de financiële positie aan het einde van het begrotingsjaar.

Artikel 4.4

  • 1 De indeling van de begroting en de jaarverslaggeving is identiek.

  • 2 Indien de indeling van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie afwijkt van die van het voorafgaande begrotingsjaar worden in de toelichting de verschillen aangegeven en worden de redenen die tot de afwijking hebben geleid uiteengezet.

  • 3 Onderdelen van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie die krachtens dit besluit worden onderscheiden, maar die voor een waterschap niet van toepassing zijn, kunnen worden weggelaten.

  • 4 Indien dit noodzakelijk is voor het in artikel 4.3 bedoelde inzicht, kan een waterschap afwijken van de krachtens de paragrafen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk gestelde eisen aan de inrichting. Deze afwijking wordt in de toelichting op het betreffende onderdeel van de meerjarenraming, de begroting, de jaarverslaggeving en de uitvoeringsinformatie vermeld.

Artikel 4.5

  • 1 Verbonden partijen worden niet geconsolideerd in de begroting en jaarverslaggeving.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op rechtspersonen die zijn opgericht ten behoeve van de in artikel 4.42, eerste lid, eerste volzin, bedoelde activa en waarin het waterschap het volledige financieel belang alsmede de feitelijke zeggenschap heeft.

§ 2. De meerjarenraming en de toelichting

Artikel 4.6

  • 1 De meerjarenraming bevat het naar programma’s onderscheiden beleid dat door het waterschap zal worden gevoerd en de financiële gevolgen daarvan, waaronder de netto-kosten van het bestaande en het nieuwe beleid, voor het komende begrotingsjaar alsmede voor tenminste de drie jaren volgend op het komende begrotingsjaar.

  • 2 De meerjarenraming bevat per programma ten minste de volgende informatie:

    • a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;

    • b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te bereiken;

    • c. de geraamde netto-kosten.

Artikel 4.7

In de toelichting op de meerjarenraming wordt ten minste afzonderlijke aandacht besteed aan:

  • a. de externe en interne ontwikkelingen die relevant zijn voor het beleid van het waterschap;

  • b. gehanteerde kwantitatieve uitgangspunten en normen voor lastenstijgingen, batenstijgingen dan wel lastendalingen of batendalingen die aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen;

  • c. de lopende en voorgenomen investeringen;

  • d. de financiering;

  • e. het weerstandsvermogen, waarbij wordt ingegaan op aard, stand en verloop van de algemene reserves en de voorzieningen;

  • f. de ontwikkeling van de waterschapsbelastingen in de komende jaren, mede in relatie tot de stand en het verloop van de bestemmingsreserves voor tariefsegalisatie, als bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 4.8

Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:

  • a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover het waterschap beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken;

  • b. alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

§ 3. De begroting en de toelichting

Artikel 4.9

De begroting bestaat ten minste uit:

  • a. het programmaplan;

  • b. de paragrafen;

  • c. de begroting naar programma’s;

  • d. de begroting naar kostendragers met toelichting;

  • e. de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten.

Artikel 4.10

  • 1 Het programmaplan bevat het naar programma’s onderscheiden te realiseren beleid van het waterschap voor het begrotingsjaar.

  • 2 Het programmaplan bevat per programma ten minste de volgende informatie:

    • a. de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde effecten;

    • b. de wijze waarop er naar gestreefd zal worden die effecten te bereiken;

    • c. geraamde netto-kosten.

  • 3 Het programmaplan omvat alle baten en lasten van het waterschap.

Artikel 4.11

  • 1 In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen vastgelegd de uitgangspunten, de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede de financiële gevolgen van dat beleid.

  • 2 De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het desbetreffende aspect bij het waterschap niet aan de orde is:

    • a. ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar;

    • b. uitgangspunten en normen;

    • c. incidentele baten en lasten;

    • d. kostentoerekening;

    • e. onttrekkingen aan overige bestemmingsreserves en voorzieningen;

    • f. waterschapsbelastingen;

    • g. weerstandsvermogen;

    • h. financiering;

    • i. verbonden partijen;

    • j. bedrijfsvoering;

    • k. EMU-saldo.

Artikel 4.12

In de paragraaf betreffende de ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar wordt ten minste ingegaan op:

  • a. externe en interne ontwikkelingen die zich sinds het vaststellen van de vorige begroting en de behandeling van de meerjarenraming hebben voorgedaan;

  • b. afwijkingen van de uitgangspunten en grondslagen zoals deze voor de vorige begroting en de meerjarenraming zijn gehanteerd;

  • c. belangrijke afwijkingen in de cijfers van de meerjarenraming.

Artikel 4.13

In de paragraaf betreffende de uitgangspunten en normen wordt ten minste ingegaan op:

  • a. de autonome salarisontwikkeling die is verdisconteerd;

  • b. de overige autonome loonkosten waarmee rekening is gehouden;

  • c. de overige uitgangspunten en de normen die voor lastenstijgingen en lastendalingen dan wel batenstijgingen en batendalingen zijn gehanteerd en die deels aan de geraamde bedragen ten grondslag liggen.

Artikel 4.14

De paragraaf betreffende de incidentele baten en lasten bevat een overzicht van de baten en lasten die als eenmalig ten opzichte van voorgaande en komende begrotingsjaren moeten worden beschouwd.

Artikel 4.15

In de paragraaf betreffende de kostentoerekening wordt ingegaan op de principes die zijn gehanteerd bij de toerekening van kosten aan de kostendragers. Deze paragraaf bevat in ieder geval:

  • a. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 4.2, vierde lid, bedoelde eis;

  • b. de kwantitatieve grondslagen die als onderdeel van de kostentoerekening zijn gehanteerd.

Artikel 4.16

In de paragraaf betreffende de onttrekkingen aan overige bestemmingsreserves en voorzieningen wordt ingegaan op de bedragen die rechtstreeks uit voorzieningen worden onttrokken alsmede op het beroep dat op de overige bestemmingsreserves, bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel c, wordt gedaan.

Artikel 4.17

De paragraaf betreffende de waterschapsbelastingen bevat ten minste:

  • a. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse belastingen;

  • b. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid;

  • c. de mate van kostendekkendheid van de diverse belastingen, waarbij wordt ingegaan op de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de bestemmingsreserves voor tariefsegalisatie, bedoeld in artikel 4.52, eerste lid, onderdeel b;

  • d. de geraamde opbrengsten;

  • e. de tarieven;

  • f. een aanduiding van de lastendruk die het gevolg is van de waterschapsbelastingen.

Artikel 4.18

De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille.

Artikel 4.19

De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen bevat ten minste:

  • a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit, met daarbij een beschouwing over de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de algemene reserves en de voorzieningen;

  • b. een inventarisatie van de risico’s;

  • c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s.

Artikel 4.20

De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:

  • a. de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;

  • b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.

Artikel 4.21

De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering.

Artikel 4.22

In de paragraaf betreffende het EMU-saldo wordt het EMU-saldo van het waterschap gespecificeerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.23

De begroting naar programma’s bevat een overzicht van de netto-kosten van de programma’s die zijn opgenomen in het programmaplan.

Artikel 4.24

  • 1 De begroting naar kostendragers bevat de volgende kostendragers, tenzij de betreffende kostendrager bij het desbetreffende waterschap niet aan de orde is:

    • a. watersysteembeheer;

    • b. zuiveringsbeheer;

    • c. wegenbeheer.

  • 2 Een waterschap dat krachtens het provinciaal reglement is belast met een beheertaak die niet in het eerste lid wordt genoemd, kan deze taak als kostendrager in de begroting en de jaarverslaggeving opnemen.

  • 3 De begroting naar kostendragers geeft weer per kostendrager:

    • a. a.de netto-kosten die worden toegerekend;

    • b. het bedrag voor onvoorzien;

    • c. de gederfde opbrengst als gevolg van kwijtscheldingen en oninbaarverklaringen;

    • d. de dividenden en overige algemene opbrengsten;

    • e. de verwachte opbrengsten uit belastingheffing (saldo voorgaande onderdelen);

    • f. de geraamde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;

    • g. de tarieven van de betreffende waterschapsbelastingen.

  • 4 Van de in het derde lid genoemde bedragen en tarieven worden zowel het geraamde bedrag van het begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging, als het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar weergegeven.

  • 5 Indien er een aanmerkelijk verschil is tussen de raming van het begrotingsjaar en die van het vorig begrotingsjaar na wijziging wordt in de toelichting op de begroting naar kostendragers ingegaan op de oorzaken van het verschil.

  • 6 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de kostendragers en de toelichting.

Artikel 4.25

  • 1 De begroting naar kosten- en opbrengstsoorten wordt ingedeeld volgens bij ministeriële regeling vast te stellen groepen van kosten- en opbrengstsoorten.

  • 2 Van de lasten en baten die in de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten worden opgenomen worden zowel het geraamde bedrag van het begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging als het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar weergegeven.

Artikel 4.26

In een besluit tot wijziging van de begroting wordt in ieder geval aandacht besteed aan de noodzaak voor de wijziging, aan de mutatie en aan het nieuwe geraamde bedrag, alsmede aan de wijze waarop de dekking van het benodigde bedrag danwel de bestemming van het bedrag dat niet zal worden besteed zal plaats vinden.

§ 4. De jaarverslaggeving en de toelichting

Artikel 4.27

  • 1 De jaarverslaggeving bestaat ten minste uit:

    • a. het jaarverslag;

    • b. de jaarrekening.

  • 2 Het jaarverslag bestaat uit:

    • a. de programmaverantwoording;

    • b. de paragrafen.

  • 3 De jaarrekening bestaat uit:

    • a. de exploitatierekening naar programma’s;

    • b. de exploitatierekening naar kostendragers en de toelichting;

    • c. de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten;

    • d. de balans en de toelichting.

Artikel 4.28

De jaarverslaggeving wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële positie op de balansdatum is gebleken tussen het moment van opmaken van de verslaggeving en het tijdstip van vaststelling daarvan, voor zover deze aanvullende informatie onontbeerlijk is voor het in artikel 4.3 bedoelde inzicht.

Artikel 4.29

  • 1 De programmaverantwoording bevat de verantwoording over de realisatie van het programmaplan uit de begroting.

  • 2 De programmaverantwoording biedt per programma inzicht in:

    • a. de mate waarin de doelstellingen zijn gerealiseerd;

    • b. de wijze waarop getracht is de beoogde effecten te bereiken;

    • c. de gerealiseerde netto-kosten in relatie tot de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen;

    • d. belangrijke afwijkingen tussen de realisatie in de jaarverslaggeving en de plannen in de begroting, waarbij een analyse plaatsvindt.

  • 3 De programmaverantwoording omvat het totaal van baten en lasten van het waterschap.

Artikel 4.30

  • 1 Het jaarverslag bevat ten minste de paragrafen die ingevolge artikel 4.11, in de begroting zijn opgenomen, met dien verstande dat in plaats van onderdeel a van dat artikel een paragraaf betreffende de ontwikkelingen in het vorig begrotingsjaar wordt opgenomen, met uitzondering van de onderdelen b en d, van dat artikel, alsmede een paragraaf betreffende topinkomens. Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen.

  • 2 In de paragraaf betreffende het EMU-saldo wordt de in artikel 4.22 bedoelde specificatie opgenomen voor het begrotingsjaar en volgens de realisatie van het vorige begrotingsjaar.

Artikel 4.31

De exploitatierekening naar programma’s bevat een overzicht van de gerealiseerde netto-kosten van de programma’s die zijn opgenomen in de programmaverantwoording.

Artikel 4.32

  • 1 De exploitatierekening naar kostendragers geeft per kostendrager weer:

    • a. de gerealiseerde netto-kosten die zijn toegerekend;

    • b. de werkelijk kwijtgescholden en oninbaarverklaarde bedragen;

    • c. de gerealiseerde dividenden en overige algemene opbrengsten;

    • d. de gerealiseerde belastingopbrengsten;

    • e. het gerealiseerde resultaat voor bestemming, volgend uit voorgaande onderdelen;

    • f. bestemming van het resultaat op basis van besluiten die zijn genomen tijdens het begrotingsjaar;

    • g. nog te bestemmen resultaat, waarbij in geval van een positief saldo een voorstel voor de bestemming hiervan en in geval van een negatief saldo een voorstel voor de wijze waarop dit tekort zal worden gedekt, wordt gedaan;

    • h. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves.

  • 2 De exploitatierekening naar kostendragers bevat van de onderdelen genoemd in het eerste lid ook de ramingen uit de begroting en de begroting na wijziging.

Artikel 4.33

De toelichting op de exploitatierekening naar kostendragers bevat ten minste voor alle onderdelen van artikel 4.32, eerste lid, een analyse van de afwijkingen tussen de exploitatierekening en de begroting.

Artikel 4.34

Van de lasten en baten die in de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten worden opgenomen, worden ook de ramingen uit de begroting en de begroting na wijziging vermeld.

Artikel 4.35

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting van de jaarverslaggeving en de toelichting.

§ 5. De balans en de toelichting

Artikel 4.36

  • 1 In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens de cijfers van de balans van het vorige begrotingsjaar opgenomen.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de balans, de posten en de toelichting.

Artikel 4.37

  • 1 Het bedrag waartoe aan natuurlijke en rechtspersonen borgstellingen of garantstellingen zijn verstrekt wordt niet in de balans, maar in de toelichting op de balans opgenomen.

  • 2 In de toelichting op de balans worden de borgstellingen, bedoeld in het eerste lid, gespecificeerd naar de aard van de geldleningen, waarbij per specificatie wordt vermeld:

    • a. het oorspronkelijk bedrag van de gewaarborgde geldlening;

    • b. het percentage van het leningbedrag waarvoor borgstelling is verleend;

    • c. het restantbedrag van de lening bij aanvang van het begrotingsjaar;

    • d. het restantbedrag van de lening aan het eind van het begrotingsjaar.

  • 3 In de toelichting op de balans wordt een specificatie opgenomen van de garantstellingen als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 In de toelichting wordt het totaalbedrag opgenomen van de betalingen die inzake de borg- en garantstelling zijn gedaan tot en met het eind van het begrotingsjaar.

  • 5 Voor zover dit noodzakelijk is voor het te verschaffen inzicht, wordt in de toelichting op de balans vermeld ten aanzien van welke borgstellingen en garantstellingen, bedoeld in het eerste lid, het waterschap zich, al dan niet voorwaardelijk, heeft verbonden tot het bezwaren van goederen.

Artikel 4.38

Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van het waterschap al dan niet duurzaam te dienen.

Artikel 4.40

Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.

Artikel 4.41

  • 1 In de toelichting op de balans worden de immateriële vaste activa gespecificeerd in:

    • a. afsluiten geldleningen en het saldo van agio en disagio;

    • b. onderzoek en ontwikkeling;

    • c. bijdragen aan activa in eigendom van:

      • 1°. bedrijven;

      • 2°. overheden;

      • 3°. overigen;

    • d. overige immateriële vaste activa.

  • 2 De post onderzoek en ontwikkeling wordt afzonderlijk toegelicht.

Artikel 4.42

  • 1 Tot de materiële vaste activa behoren zowel werken die in exploitatie zijn als onderhanden werken. Onder de materiële vaste activa worden mede begrepen activa waarvoor het waterschap financiële lease-contracten is aangegaan en waarbij het economisch eigendom bij het waterschap berust.

  • 2 In de toelichting op de balans worden de materiële vaste activa gespecificeerd in:

    • a. gronden en terreinen;

    • b. vervoermiddelen;

    • c. machines, apparaten en werktuigen;

    • d. bedrijfsgebouwen;

    • e. woonruimten;

    • f. grond-, weg- en waterbouwkundige werken;

    • g. overige materiële vaste activa.

  • 3 In de toelichting op de balans wordt van de materiële vaste activa aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.

  • 4 In de toelichting op de balans wordt het verloop van de materiële vaste activa gedurende het begrotingsjaar gespecificeerd overeenkomstig het tweede lid, met uitzondering van de werken die aan het einde van het begrotingsjaar nog onderhanden waren, in een sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijkt, voor zover van toepassing:

    • a. de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;

    • b. de investeringen of desinvesteringen;

    • c. de afschrijvingen;

    • d. bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;

    • e. afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;

    • f. de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.

  • 5 In het overzicht, bedoeld in het vierde lid, worden de werken die aan het einde van het begrotingsjaar nog onderhanden zijn als één post vermeld.

  • 6 In de toelichting op de balans wordt een totaaloverzicht gegeven van alle werken die aan het begin van het begrotingsjaar nog onderhanden waren en die lopende het jaar zijn gestart. Voor de werken die aan het einde van het begrotingsjaar nog een restantkrediet hadden, worden de verwachtingen weergegeven over het vervolg van deze werken.

  • 7 Indien het waterschap voor de materiële vaste activa meerjarige operationele lease-contracten heeft afgesloten, worden de daarmee verband houdende financiële verplichtingen in de toelichting op de balanspost vermeld. Daarbij wordt ten minste weergegeven:

    • a. de looptijd;

    • b. de aard van de verplichting;

    • c. de daarmee gemoeide bedragen;

    • d. eventuele andere relevante voorwaarden.

Artikel 4.43

In de toelichting op de balans worden de financiële vaste activa gespecificeerd in:

  • a. kapitaalverstrekkingen aan:

    • 1°. bedrijven;

    • 2°. overheden;

    • 3°. overigen;

  • b. leningen aan:

    • 1°. ambtenaren;

    • 2°. bedrijven;

    • 3°. overheden;

    • 4°. overigen;

  • c. overige uitzettingen met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of langer.

Artikel 4.44

Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met een looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen, de kortlopende vorderingen en de overlopende activa.

Artikel 4.45

In de toelichting op de balans worden onder de voorraden afzonderlijk opgenomen:

  • a. onderhanden werken voor derden;

  • b. grond- en hulpstoffen voor eigen gebruik.

Artikel 4.46

In de toelichting op de balans worden de uitzettingen met een looptijd korter dan één jaar gespecificeerd in:

  • a. uitzettingen bij bedrijven;

  • b. verstrekte kasgeldleningen;

  • c. overige uitzettingen.

Artikel 4.47