Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Geraadpleegd op 01-07-2022.
Geldend van 15-11-2007 t/m 21-03-2013

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen))

§ 2. Inrichtingen

Artikel 2

  • 1 Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 1A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op een inrichting.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden, indien en voor zolang als de tijdelijke 1% grens van toepassing is, aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit de in bijlage 1B genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op een inrichting.

§ 3. Infrastructuur

Artikel 3

  • 1 Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 2A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op infrastructuur.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden, indien en voor zolang als de tijdelijke 1% grens van toepassing is, aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit de in bijlage 2B genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op infrastructuur.

§ 4. Kantoorlocaties en woningbouwlocaties

Artikel 4

  • 1 Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 3A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften betrekking heeft op een kantoorlocatie, woningbouwlocatie of combinatie daarvan.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden, indien en voor zolang als de tijdelijke 1% grens van toepassing is, aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit de in bijlage 3B genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op een kantoorlocatie, woningbouwlocatie of combinatie daarvan.

§ 5. Activiteiten of handelingen

Artikel 5

  • 1 Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 4A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften betrekking heeft op een activiteit of handeling.

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden, indien en voor zolang als de tijdelijke 1% grens van toepassing is, aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit de in bijlage 4B genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op een activiteit of handeling.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 6

Ten aanzien van de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften waarbij met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de wet, rekening wordt gehouden met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, zijn de artikelen 2 en 3 van de Regeling projectsaldering 2007 van overeenkomstige toepassing.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 31 oktober 2007

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Bijlage 1a

Voorschrift 1A.1 (Landbouwinrichtingen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, eerste lid, worden:

  • a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;

  • b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddestoelen of andere gewassen in een gebouw;

  • c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;

  • d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare;

  • e. kinderboerderijen.

Voorschrift 1A.2 (Spoorwegemplacementen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, eerste lid, worden spoorwegemplacementen onder voorwaarde dat door de aanleg of uitbreiding daarvan of door een wijziging van de activiteiten op een spoorwegemplacement de toename van het aantal dieseltractie-uren niet meer bedraagt dan 7500 uur op jaarbasis.

Voorschrift 1A.3 (Defensie-inrichtingen)

(gereserveerd)

Bijlage 1b

Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden:

  • a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;

  • b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddestoelen of andere gewassen in een gebouw;

  • c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;

  • d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare;

  • e. kinderboerderijen.

Voorschrift 1B.2 (Spoorwegemplacementen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden spoorwegemplacementen onder voorwaarde dat door de aanleg of uitbreiding daarvan of door een wijziging van de activiteiten op een spoorwegemplacement de toename van het aantal dieseltractie-uren niet meer bedraagt dan 2500 uur op jaarbasis.

Voorschrift 1B.3 (Defensie-inrichtingen)

(gereserveerd)

Bijlage 3a

Voorschrift 3A.1 (Kantoorlocaties)

Aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, worden kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2 omvat.

Voorschrift 3A.2 (Woningbouwlocaties)

Aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, worden woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat.

Voorschrift 3A.3 (Woningbouw- en kantoorlocaties)

1. Aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, worden locaties die een combinatie vormen van een woningbouwlocatie en een kantoorlocatie, onder de volgende voorwaarde:

0,0008 * aantal woningen + 0,000012 * bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 1,2.

2. Het in de voorschriften 3A.1 en 3A.2 bepaalde in geval van twee ontsluitingswegen is van overeenkomstige toepassing.

Bijlage 3b

Voorschrift 3B.1 (Kantoorlocaties)

Aangewezen ingevolge artikel 4, tweede lid, worden kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 33.333 m2 omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 66.667 m2 omvat.

Voorschrift 3B.2 (Woningbouwlocaties)

Aangewezen ingevolge artikel 4, tweede lid, worden woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 1000 woningen omvat.

Voorschrift 3B.3 (Woningbouw- en kantoorlocaties)

1. Aangewezen ingevolge artikel 4, tweede lid, worden locaties die een combinatie vormen van een woningbouwlocatie en een kantoorlocatie, onder de volgende voorwaarde:

0,0008 * aantal woningen + 0,000012 * bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 0,4.

2. Het in de voorschriften 3B.1 en 3B.2 bepaalde in geval van twee ontsluitingswegen is van overeenkomstige toepassing.

Naar boven