Wet op het kindgebonden budget

Geldend van 01-01-2008 t/m 31-08-2008

Wet van 1 november 2007, houdende regels inzake de aanspraak op een inkomensafhankelijke financiële bijdrage in de kosten van kinderen (Wet op het kindgebonden budget)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen voor wie de kosten van kinderen in verhouding tot hun inkomen een te zware last vormen, een financiële bijdrage in die kosten ontvangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1. Algemene bepalingen

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister: Onze Minister voor Jeugd en Gezin;

    • b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen;

    • c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.

  • 2 De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht.

Artikel 2. Aanspraak en hoogte kindgebonden budget

  • 1 Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Financiën worden regels gesteld omtrent de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Na plaatsing in het Staatsblad van deze algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

  • 3 Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan € 29 413 wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede lid verminderd met 5,75% van het verschil tussen het gezamenlijke toetsingsinkomen en € 29 413.

  • 4 Een ouder als bedoeld in het eerste lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

  • 5 Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.

  • 6 De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.

Artikel 3. Wijziging bedragen

  • 2 Indien er aanleiding is om de bedragen, bedoeld in het eerste lid, te verhogen op een andere wijze dan op grond van het eerste lid, worden de bedragen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 4. Inkomen en vermogen

Het kindgebonden budget blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.

Artikel 5. Uitvoering

  • 1 De Belastingdienst/Toeslagen is belast met de uitvoering van deze wet.

  • 2 De ouder die

    • a. over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget, en

    • b. over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen,

    wordt geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

Artikel 6. Overgangsbepaling aanvraag

Degene bij wie in het jaar 2006 bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kinderkorting in aanmerking is genomen en die voor het berekeningsjaar niet in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen, wordt geacht voor het jaar 2008 een aanvraag te hebben gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Voor de toepassing van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in dat geval de aanvraag geacht te zijn gedaan op 1 oktober 2007.

Artikel 6a. Overgangsbepaling kindertoeslag voor het jaar 2008

  • 1 In afwijking van artikel 2, eerste lid, wordt de ouder, bedoeld in dat lid, geacht voor het berekeningsjaar 2008 ongeacht het aantal kinderen één aanspraak te hebben in de vorm van een kindertoeslag, met dien verstande dat die aanspraak geacht wordt te bestaan met ingang van 1 januari 2008, maar niet eerder dan de kalendermaand na de maand waarin het oudste kind is geboren dan wel tot zijn huishouden gaat behoren, tot en met 31 december 2008, maar uiterlijk tot en met de kalendermaand waarin het jongste kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

  • 2 In 2008 bedraagt de kindertoeslag:

    • a. bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van die ouder en zijn partner van niet meer dan € 29 413: € 994;

    • b. bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van die ouder en zijn partner van meer dan € 29 413: € 994 verminderd met 5,75% van het verschil tussen dat gezamenlijke toetsingsinkomen en € 29 413.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2 Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 1 november 2007

Beatrix

DeMinistervoorJeugd en Gezin

,

A. Rouvoet

De Staatssecretaris van Financiën

,

J. C. de Jager

Uitgegeven de tweede november 2007

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina