Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Geldend van 14-11-2018 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Paragraaf 1. Aanwijzingen

Artikel 1. Aangewezen werknemers

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:

  • a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;

  • b. de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder;

  • c. de ambtsdragers behorende tot het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten.

Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip

3a. Gelijkstelling met pensioen

3b. De tijdelijke uitkering

  • 2 De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.

  • 4 In afwijking van het eerste lid bedraagt de duur van de tijdelijke uitkering ten hoogste vijf jaar indien de pensioendatum was gelegen voor 1 januari 2014.

3c. De levenslange uitkering

  • 2 Indien de pensioengerechtigde in het laatste jaar van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot inkoop van een levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over tot aanwending van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor een levenslange, vastgestelde, uitkering.

3d. Resterend kapitaal

  • 1 Het kapitaal dat na aankoop van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, resteert wordt door de pensioenuitvoerder zodanig samengesteld dat de risico’s vergelijkbaar of lager zijn dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.

  • 2 Indien de pensioengerechtigde de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde over de spreiding van de beleggingen conform het eerste lid.

3e. Verplichting pensioenuitvoerder

  • 2 De pensioenuitvoerder informeert de daarvoor in aanmerking komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.

Paragraaf 2. Consistentie verzekeraars en de voorwaardelijkheidsverklaring

Artikel 5. Consistentie verzekeraars

  • 2 Consistentie bestaat indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie.

  • 3 Het rekeninstrument, bedoeld in het tweede lid, is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van Verzekeraars. Voor wijziging van dit rekeninstrument is instemming van De Nederlandsche Bank en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vereist.

Paragraaf 3. Reële dekkingsgraad

Artikel 7. Reële dekkingsgraad

De reële dekkingsgraad, bedoeld in artikel 133b van de Pensioenwet dan wel artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolge artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Paragraaf 1. Communicatiebepalingen

Artikel 14. Informatie over de pensioenregeling

De opschriften, iconen en sjablonen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 9b, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft de opschriften, iconen en sjablonen die op 30 juni 2016 op de website www.pensioen123.nl zijn gepubliceerd.

Artikel 14a. Rekenmethodiek weergave in scenario’s

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 14b tot en met 14h wordt verstaan onder:

    • a. berekeningsdatum: de eerste dag van het kwartaal vanaf welke de rekenmethode wordt uitgevoerd over het aantal toekomstige jaren;

    • b. scenarioset: de scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, voor het kwartaal waarin de berekeningsdatum ligt;

    • c. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld;

    • d. uitkeringsovereenkomst: uitkeringsovereenkomst of uitkeringsregeling;

    • e. premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling;

    • f. kapitaalovereenkomst: kapitaalovereenkomst of kapitaalregeling;

    • g. rekenmethodes: de toegelaten rekenmethodes, bedoeld in de onderdelen h en i, die door uitvoerders gebruikt kunnen worden;

    • h. generieke rekenmethode: rekenmethode voor alle soorten pensioenovereenkomsten en pensioenuitkeringen;

    • i. rekenmethode 1: rekenmethode voor uitkeringsovereenkomsten en vastgestelde uitkeringen;

    • j. rekenmethode 2: rekenmethode voor uitkeringsovereenkomsten en vastgestelde uitkeringen uitgevoerd door fondsen; en

    • k. pensioenbedrag: de hoogte van de op basis van een rekenmethode in een scenario op te bouwen of opgebouwde ouderdomspensioenrechten en ouderdomspensioenaanspraken op jaarbasis, op A jaren vanaf de berekeningsdatum, waarbij het aantal jaren A wordt bepaald door het moment, gerekend vanaf de berekeningsdatum, waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend.

  • 2 Tot 2022 kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, onder scenarioset ook verstaan worden:

    • a. de scenarioset die bij een eerdere berekeningsdatum gebruikt is, en niet meer dan drie kwartalen eerder; of

    • b. de scenarioset van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar indien de berekeningsdatum 1 januari is.

Artikel 14b. Uitvoering rekenmethodiek

  • 1 Voor een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde wordt voor het moment, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel k, een pensioenbedrag berekend voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario. De status van deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde op de berekeningsdatum is bepalend bij de toepassing van de rekenmethode.

  • 2 Bij de berekeningen voor een deelnemer of gewezen deelnemer wordt uitgegaan van de pensioenleeftijd in de pensioenregeling. Indien het moment waarvoor de pensioenbedragen worden berekend de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet is en deze afwijkt van de pensioenleeftijd, dan wordt de berekening eerst uitgevoerd op basis van de pensioenleeftijd en vindt vervolgens een herrekening plaats van het pensioenbedrag naar een pensioenbedrag op de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet op basis van de ten tijde van de berekening gebruikte vervroegingfactoren en uitstelfactoren.

  • 3 Voor de berekening op het individuele niveau worden een wijziging van het pensioengevend salaris en een op een looninflatie gebaseerde wijziging van andere premie- en pensioengrondslag bepalende grootheden, gebaseerd op de scenarioprijsinflatie.

Artikel 14c. Berekeningen generieke rekenmethode

  • 1 De generieke rekenmethode berekent het pensioenbedrag op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid in elk scenario van de scenarioset.

  • 2 Bij toepassing van de generieke methode wordt het in elk scenario van de scenarioset berekende pensioenbedrag gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie over de A jaren.

  • 3 Het pensioenbedrag voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario wordt als volgt bepaald:

    • a. het 50e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het verwacht scenario;

    • b. het 95e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het optimistisch scenario;

    • c. het 5e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het pessimistisch scenario.

Artikel 14d. Berekeningen generieke methode uitkeringsovereenkomsten

  • 1 Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een uitkeringsovereenkomst wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van de op de berekeningsdatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en, voor de deelnemer, ook de toekomstige tijdsevenredige pensioenopbouw met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario.

  • 2 De aanpassing van het pensioen kan zijn: toeslagverlening, vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten of een aanpassing in het kader van een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase.

  • 3 Voor fondsen volgt de aanpassing van het pensioen uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets met de scenarioset die van toepassing is op de berekeningsdatum. Voor andere pensioenuitvoerders volgt de aanpassing van het pensioen uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die eveneens gebaseerd is op dezelfde scenarioset en dezelfde berekeningsdatum.

  • 4 Indien bij een uitkeringsovereenkomst het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, wordt in de doorrekening van het pensioenbeleid daarmee rekening gehouden.

Artikel 14e. Berekeningen generieke methode premieovereenkomsten

  • 1 Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een variabele pensioenuitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum en, voor een deelnemer, ook de toekomstige premies in de opbouwfase en, indien van toepassing, de uitkeringen in de uitkeringsfase in de periode van A jaren.

  • 2 Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een vastgestelde uitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald:

    • a. in het geval van een deelnemer of gewezen deelnemer, voor de opbouwfase op basis van het eerste lid, en, indien van toepassing, vanaf de pensioendatum op basis van de uit de opbouwfase voortkomende pensioenrechten op pensioendatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de pensioendatum; en

    • b. in het geval van een gepensioneerde op basis van de pensioenrechten op de berekeningsdatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de berekeningsdatum.

  • 3 Bij toepassing van het tweede lid geldt het volgende:

    • a. op de aanpassing van het pensioen is artikel 14d, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing; en

    • b. indien het moment op A jaren vanaf de berekeningsdatum gelegen is na de pensioendatum dan wordt in het geval van toepassing van het eerste lid voor de opbouwfase voor A jaren gelezen het aantal jaren vanaf berekeningsdatum tot de pensioendatum.

  • 4 Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase en een variabele pensioenuitkering in de uitkeringsfase geldt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum voor elk scenario in de scenarioset het volgende:

    • a. de waarde van de beleggingsportefeuille wordt op basis van de scenarioset en conform de specifieke kenmerken van de pensioenregeling op jaarbasis ontwikkeld vanaf de berekeningsdatum over A jaren met medeneming in enig jaar van onder andere de toevoeging van premie en de onttrekking van uitkeringen, kosten en risicopremies waarbij, als het niet een geheel jaar is, de ontwikkeling in dat jaar naar evenredigheid wordt toegepast; en

    • b. een omzetting van de waarde van de beleggingsportefeuille in volgens de regeling te verkrijgen pensioenrechten geschiedt op basis van de in dat scenario voorkomende marktrente en specifieke factoren van de pensioenregeling die het tarief bepalen van die omzetting.

  • 5 De beleggingsportefeuille, bedoeld in het vierde lid, is opgedeeld in de twee beleggingscategorieën waarop de scenarioset wordt toegepast, risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden. De vastrentende waarden worden onderverdeeld in risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden op basis van de tabel in artikel 23a, vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Alle niet vastrentende waarden worden ingedeeld in de categorie zakelijke waarden.

  • 6 In het geval van een kapitaalovereenkomst zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

    • a. voor premieovereenkomst wordt gelezen kapitaalovereenkomst;

    • b. in de opbouwfase voor de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum en de waardeontwikkeling daarvan wordt gelezen het volgens de kapitaalovereenkomst opgebouwde kapitaal en de ontwikkeling daarvan; en

    • c. in de uitkeringsfase in het geval van een variabele uitkering de waarde van de beleggingsportefeuille voor de deelnemer en de gewezen deelnemer volgens het vierde lid ontwikkeld wordt vanaf de pensioendatum over de resterende jaren tot A jaren vanaf de berekeningsdatum.

Artikel 14f. Uitgangspunten berekening rekenmethode 1

  • 1 Bij rekenmethode 1 wordt voor elk scenario in de scenarioset en voor elk jaar in dat scenario het volgende bepaald:

    • a. de aanpassing van het pensioen, uitgedrukt als een percentage van dat pensioen, waarbij de aanpassing kan zijn toeslagverlening of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten;

    • b. de koopkrachtfactor, door de aanpassing voor dat jaar en de scenarioprijsinflatie voor dat jaar als volgt te bepalen: (1 + aanpassing) / (1 + scenarioprijsinflatie);

    • c. de cumulatieve koopkrachtfactor, door de vermenigvuldiging van de koopkrachtfactoren over de voorgaande jaren tot en met dat jaar; en

    • d. de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw.

  • 2 In een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase wordt in de aanpassing in ieder geval toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie meegenomen.

  • 3 De aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw is voor uitkeringsovereenkomsten waarbij het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, de aangepaste pensioenopbouw voor dat jaar uitgedrukt als een percentage van de oorspronkelijke opbouw. Voor andere uitkeringsovereenkomsten is dit percentage 100%.

  • 4 Uit de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden drie rekenmethodescenario’s afgeleid. Elk rekenmethodescenario bevat voor elk jaar in de scenarioset telkens twee getallen:

    • a. bij het verwacht rekenmethodescenario is het eerste getal het 50e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 50e percentiel bepaalt;

    • b. bij het optimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 95e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 95e percentiel bepaalt;

    • c. bij het pessimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 5e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 5e percentiel bepaalt.

  • 5 Als er bij de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, onderscheid wordt gemaakt tussen de groepen deelnemers, gewezen deelnemers of gepensioneerden of deelgroepen hiervan, dan worden de drie rekenmethodescenario’s opgesteld voor elke groep.

  • 6 Voor fondsen volgt de aanpassing en de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets met de scenarioset die van toepassing is op de berekeningsdatum. Voor andere pensioenuitvoerders volgen deze factoren uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die eveneens gebaseerd is op dezelfde scenarioset en dezelfde berekeningsdatum.

Artikel 14g. Berekeningen rekenmethode 1

  • 1 In rekenmethode 1 wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met het verwachte, optimistische en pessimistische rekenmethodescenario, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, het pensioenbedrag als volgt berekend:

    • a. het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen wordt vermenigvuldigd met de cumulatieve koopkrachtfactor in jaar A van het rekenmethodescenario;

    • b. voor de jaren vanaf de berekeningsdatum tot en met jaar A worden voor elk jaar j de volgende drie grootheden met elkaar vermenigvuldigd:

      • 1°. het op te bouwen ouderdomspensioen in jaar 1, op jaarbasis;

      • 2°. het eerste getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar A van het rekenmethodescenario gedeeld door het eerste getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar j van het rekenmethodescenario, en

      • 3°. het tweede getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar j van het rekenmethodescenario; en

    • c. het in onderdeel a berekende bedrag en de in onderdeel b berekende bedragen worden bij elkaar opgeteld.

  • 2 Voor de gewezen deelnemer of de gepensioneerde is de grootheid in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° gelijk aan nul. Dit is ook het geval indien voor een deelnemer het pensioenbedrag berekend wordt voor alleen het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen.

  • 3 Als A niet een geheel aantal jaren is, dan wordt het pensioenbedrag P als volgt berekend. Laat [A] het gehele aantal jaren zijn door het naar beneden op een geheel getal afronden van A. Met het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P0 op [A] jaren vanaf berekeningsdatum en het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P1 op [A]+1 jaren wordt het pensioenbedrag P als volgt bepaald: P = P0 + (P1 – P0) * (A – [A]).

Artikel 14h. Uitgangspunten berekening rekenmethode 2

  • 1 Bij rekenmethode 2 wordt voor elk scenario in de scenarioset en voor elk jaar in dat scenario het volgende bepaald:

    • a. de dekkingsgraad, waarbij de dekkingsgraad van jaar J gelijk is aan de dekkingsgraad van het begin van jaar J en het effect van het beleggingsbeleid, de toevoeging van premie en onttrekking van uitkeringen in dat jaar;

    • b. de aanpassing van het pensioen, uitgedrukt als een percentage van dat pensioen, waarbij de aanpassing kan zijn toeslagverlening of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten; en

    • c. de correctiefactor voor het reeds opgebouwd pensioen, door de aanpassing van het pensioen te verminderen met de scenarioprijsinflatie.

  • 2 Het effect van het beleggingsbeleid is een resultante van het rendement op zakelijke waarden en vastrentende waarden van de beleggingsportefeuille en het rendement op renteafdekking, ten opzichte van de waardeverandering in de technische voorziening door wijziging van de rentetermijnstructuur.

  • 3 De dekkingsgraad van het begin van jaar J+1 is gelijk aan de dekkingsgraad van jaar J gecorrigeerd voor de aanpassing in jaar J.

  • 4 De jaarlijkse aanpassing wordt bepaald aan de hand van het beleid ten aanzien van toeslagverlening en vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en de dekkingsgraad van dat jaar.

  • 5 Fondsen waarbij vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten niet mogelijk is, verwerken dit in hun berekening door de vereiste dekkingsgraad en minimaal vereiste dekkingsgraad aan een hierbij passende waarde gelijk te stellen.

Artikel 14i. Berekeningen rekenmethode 2

  • 1 Bij het toepassen van rekenmethode 2 bij een uitkeringsovereenkomst wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van de op de berekeningsdatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en, voor de deelnemer, ook de toekomstige tijdsevenredige pensioenopbouw met medeneming van de jaarlijkse correctiefactor voor het reeds opgebouwde pensioen.

  • 2 Het pensioenbedrag wordt als volgt berekend:

    • a. de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten worden vermenigvuldigd met de koopkrachtfactor voor de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten;

    • b. het nog op te bouwen pensioen wordt vermenigvuldigd met de koopkrachtfactor voor het nog op te bouwen pensioen;

    • c. de bedragen in onderdeel a en b worden opgeteld.

  • 3 Het pensioenbedrag voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario wordt als volgt bepaald:

    • a. het 50e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het verwacht scenario;

    • b. het 95e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het optimistisch scenario;

    • c. het 5e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het pessimistisch scenario.

  • 4 Als A niet een geheel aantal jaren is, dan wordt het pensioenbedrag als volgt berekend. Laat [A] het gehele aantal jaren zijn door het naar beneden op een geheel getal afronden van A. Met het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P0 op [A] jaren vanaf berekeningsdatum en het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P1 op [A]+1 jaren wordt het pensioenbedrag P als volgt bepaald: P = P0 + (P1-P0) * (A-[A]).

  • 5 Voor de berekeningen bij rekenmethode 2 worden de in bijlage 4 opgenomen formules en procedures gebruikt.

Artikel 14j. Normen rekenmethodiek

  • 1 De pensioenuitvoerder kiest de rekenmethode die passend is gegeven de kenmerken van de pensioenuitvoerder en de pensioenregelingen die worden uitgevoerd.

  • 2 De onderbouwing van een doorrekening van de haalbaarheidstoets en van de projectieberekening, bedoeld in artikel 14d, derde lid, en artikel 14f, zesde lid, is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.

  • 3 De onderbouwing van de berekening volgens de generieke rekenmethode is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.

  • 4 De pensioenuitvoerder stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes.

Paragraaf 2. Waardeoverdracht

Artikel 16. Bepaling rente

  • 2 Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars.

Artikel 17. Verschuldigde rente

Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

Artikel 18. Het standaardtarief

  • 2 De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

  • 4 Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.

  • 5 Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.

  • 6 Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.

  • 7 Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1 van bijlage 2. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.

  • 8 De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert.

Artikel 19. Berekening pensioenaanspraken

  • 2 De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de ontvangende uitvoerder hanteert.

  • 3 Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds.

Artikel 20. Afwijking standaardtarief

  • 2 In dit artikel wordt onder actuariële grondslagen verstaan: de grondslagen die de uitvoerder hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.

Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen

Artikel 24. Standaardmodel

  • 1 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren:

    • a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;

    • b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in:

      • 1°. aandelen ontwikkelde markten en beursgenoteerd vastgoed met 30%;

      • 2°. aandelen opkomende markten met 40%;

      • 3°. niet-beursgenoteerde aandelen met 40%; en

      • 4°. niet-beursgenoteerd vastgoed met 15%, waarbij de waarde van de beleggingen wordt aangepast voor financiering met vreemd vermogen;

    • c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de euro met 20% voor valutarisico in ontwikkelde markten en 35% voor valutarisico in opkomende markten;

    • d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 35%;

    • e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een stijging van de rentemarge voor het kredietrisico van het fonds, afhankelijk van een ratingklasse als bedoeld in het derde lid:

      • 1°. 0,60%-punt voor beleggingen met rating AAA, met uitzondering van Europese staatsobligaties;

      • 2°. 0,80%-punt voor beleggingen met rating AA;

      • 3°. 1,30%-punt voor beleggingen met rating A;

      • 4°. 1,80%-punt voor beleggingen met rating BBB; en

      • 5°. 5,30%-punt voor beleggingen met rating BB en lager, alsook beleggingen zonder rating;

    • f. het verzekeringstechnische risico;

    • g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;

    • h. het concentratierisico bedraagt 0%;

    • i. het operationeel risico bedraagt 0%; en

    • j. het actief beheer risico.

  • 2 Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor. Het vereist vermogen per risicofactor wordt vastgesteld op grond van het strategisch beleggingsbeleid waarbij het aanwezig vermogen van het fonds per berekeningsdatum wordt belegd volgens de beoogde beleggingsportefeuille, bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

  • 3 Voor de vaststelling van het scenario voor kredietrisico overeenkomstig het eerste lid, onderdeel e, wordt een ratingklasse zoveel mogelijk bepaald op basis van het oordeel van een gekwalificeerde derde partij. De Nederlandsche Bank kan hierover nadere regels stellen.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de vaststelling van het vereist eigen vermogen per risicofactor.

Artikel 25. Correlaties

  • 1 Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:

    • a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie ρ1 2 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;

    • b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie ρ’ van 0,75;

    • c. tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ1 5 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;

    • d. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ2 5 van 0,50;

    • e. tussen de risico’s die zijn onderscheiden voor het valutarisico: een correlatie van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; een correlatie van 0,75 tussen valuta in opkomende markten en een correlatie van 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds; en

    • f. tussen de overige risico’s: een correlatie van 0.

  • 2 Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedures gebruikt.

Artikel 26. Partiële interne modellen

  • 1 Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de invulling van een of meer partiële interne modellen in aanvulling op het standaardmodel.

  • 2 Het fonds beoordeelt jaarlijks of het risicoprofiel adequaat wordt weergegeven door het standaardmodel, zo nodig aangevuld met een of meer partiële interne modellen, en legt deze beoordeling vast.

  • 3 De methodieken en procedures voor het gebruik en vaststelling van een of meer partiële interne modellen sluiten aan op de aard, omvang en complexiteit van de betreffende risico’s in de portefeuille. Het fonds legt de methodieken en procedures vast.

  • 4 Een partieel intern model is specifiek voor een belegging of beleggingsportefeuille van het fonds en onderscheidt zich van de risicoscenario’s zoals omschreven in artikel 24, eerste lid.

  • 5 Voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen wordt de uitkomst van de doorrekening van een partieel intern model opgeteld bij de uitkomst van het standaardmodel. Op verzoek mogen fondsen onderbouwd en na voorafgaande goedkeuring door De Nederlandsche Bank van deze methode afwijken.

Artikel 28. Intern model

  • 1 De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds voldoet aan door De Nederlandsche Bank gestelde regels ten aanzien van:

    • a. de organisatorische inbedding van het intern model; en

    • b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.

  • 2 Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.

  • 3 Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het fonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het fonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.

  • 4 In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het intern model geen afbreuk doen.

  • 5 Een fonds dat een intern model hanteert:

    • a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan De Nederlandsche Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en

    • b. dient bij De Nederlandsche Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 24.

  • 6 De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

Artikel 29. Overgangsregeling

  • 1 In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan De Nederlandsche Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 28, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien:

    • a. naar het oordeel van De Nederlandsche Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en

    • b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.

  • 2 Voor zover tijdens de overgangsperiode het model incompleet is, kan voor de ontbrekende onderdelen gebruik worden gemaakt van een prudente bijschatting.

Paragraaf 2. Haalbaarheidstoets

Artikel 30. Haalbaarheidstoets

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 30a, 30b en 30c wordt verstaan onder:

    • a. rapportagedatum: de datum vanaf welke de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd over het aantal prognosejaren;

    • b. geboortejaargroep: een op de rapportagedatum bestaande groep personen met hetzelfde geboortejaar en pensioenaanspraken of pensioenrechten jegens het fonds;

    • c. scenarioset: de scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;

    • d. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld;

    • e. pensioenresultaat: een per scenario als percentage uitgedrukt quotiënt met in de teller de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen en in de noemer de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie.

  • 2 Voor de verwachte uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt uitgegaan van de op de rapportagedatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en van de toekomstige opbouw van pensioenaanspraken en pensioenrechten vanaf de rapportagedatum.

  • 3 Voor de haalbaarheidstoets wordt voor een op 1 januari 2015 bestaand fonds verondersteld dat op die datum de feitelijk opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten gelijk zijn aan de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de gerealiseerde prijsinflatie voor dat moment. Voor een na 1 januari 2015 opgericht fonds geldt deze veronderstelling voor de datum van oprichting.

  • 4 In de noemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt op de rapportagedatum, gelegen na 1 januari 2015 dan wel de datum van oprichting, uitgegaan van de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van een door alle fondsen te hanteren uniforme gerealiseerde prijsinflatie.

  • 5 In een haalbaarheidstoets worden kalenderjaren gehanteerd. De haalbaarheidstoets omvat 60 prognosejaren.

Artikel 30a. Uitvoering haalbaarheidstoets

  • 1 Voor de aanvangshaalbaarheidstoets geldt:

    • a. de rapportagedatum is 1 januari van het kalenderjaar waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan;

    • b. de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens op de rapportagedatum;

    • c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan, waarbij De Nederlandsche Bank bepaalt hoe in de berekeningen wordt omgegaan met de periode tussen 1 januari en het begin van dat kwartaal;

    • d. de datum van inlevering bij De Nederlandsche Bank is een maand nadat het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan.

  • 2 Voor de jaarlijkse haalbaarheidstoets geldt:

    • a. de rapportagedatum is 1 januari;

    • b. de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens die ten grondslag liggen aan de staten, bedoeld in artikel 147 van de Pensioenwet dan wel artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, over het aan de rapportagedatum voorafgaande boekjaar;

    • c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin de rapportagedatum ligt;

    • d. de datum van inlevering is niet later dan de datum van inlevering van de staten, bedoeld in onderdeel b.

  • 3 Na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank kan een fonds afwijken van het eerste en tweede lid en van artikel 30, vijfde lid.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de bij de haalbaarheidstoets te leveren gegevens en de wijze waarop de gegevens worden geleverd.

Artikel 30b. Berekeningen haalbaarheidstoets

  • 1 Voor de berekening van het pensioenresultaat worden de verwachte uitkeringen gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie.

  • 2 Het pensioenresultaat voor een geboortejaargroep wordt voor elk scenario uit de scenarioset berekend.

  • 3 Het pensioenresultaat op fondsniveau is voor elk scenario uit de scenarioset gelijk aan het gewogen gemiddelde van de pensioenresultaten van de geboortejaargroepen. Er wordt gewogen naar het aantal personen in een geboortejaargroep.

  • 4 Het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau is het 50e percentiel in de doorrekening van de scenarioset.

  • 5 Het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario is het 5e percentiel in de doorrekening van de scenarioset.

Artikel 30c. Normen haalbaarheidstoets

  • 1 Bij de aanvangshaalbaarheidstoets mag het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de financiële positie dat precies aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens niet kleiner zijn dan het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de feitelijke financiële positie en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens.

  • 3 De onderbouwing van de haalbaarheidstoets is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.

  • 4 Het fonds stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de haalbaarheidstoets.

Paragraaf 3. Overige bepalingen

Artikel 30d. Commissie Parameters

  • 2 Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 3 Het beheer van de bescheiden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het, in het tweede lid genoemd, ministerie. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de werkgroep bij het archief van dit ministerie opgeborgen.

Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen

Artikel 33

[Red: Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981.]

Artikel 34

[Red: Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995.]

Artikel 35

[Red: Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen.]

Artikel 38. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 19 december 2006

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus

Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2

1. Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;

2. het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;

3. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;

4. het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;

5. het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

6. de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;

7. de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;

8. de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;

9. de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;

10. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;

11. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;

12. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;

13. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;

14. de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

15. de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;

16. de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;

17. de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;

18. de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;

19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);

20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;

21. het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;

22. het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19

Artikel 1

1. De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:

 

Mannen

Vrouwen

x < 18

0

0

18 ≤ × < 25

0,01 + 0,07 (x–18)

0,05 + 0,10 (x–18)

25 ≤ × < 30

0,50 + 0,04 (x–25)

0,75 + 0,02 (x–25)

30 ≤ × < 35

0,50 + 0,04 (x–25)

0,85

35 ≤ × < 50

0,90

0,85

50 ≤ × < 68

0,90

0,85 – 0,01 (x–50)

2. In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.

Artikel 2

1. De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:

Bijlage 241926.png

2. De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:

a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

OP: ouderdomspensioen;

NP: nabestaandenpensioen;

OV: overige pensioenvormen;

OW: overdrachtswaarde;

kps-OP: de contantewaardefactor voor ouderdomspensioen volgens het standaardtarief;

kps-NP: de contantewaardefactor voor nabestaandenpensioen volgens het standaardtarief;

kps-OV: de contantewaardefactor voor overige pensioenvormen volgens het standaardtarief.

3. Wanneer in het eerste lid aan OP, NP en OV de letters nw zijn toegevoegd, betekent dit dat het pensioenaanspraken in de regeling bij het overnemende uitvoeringsorgaan ondergebracht uit hoofde van de waardeoverdracht betreft.

Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico

 

Rentefactor Nominale rente

   

Rentefactor

Reële rente

 

Looptijd

Stijging

Daling

Looptijd

Stijging

Daling

1 (jaar)

2,05

0,49

1 (jaar)

1,53

0,75

2

1,79

0,56

2

1,40

0,78

3

1,65

0,61

3

1,33

0,81

4

1,55

0,64

4

1,28

0,82

5

1,49

0,67

5

1,25

0,84

6

1,44

0,70

6

1,22

0,85

7

1,40

0,71

7

1,20

0,86

8

1,37

0,73

8

1,19

0,87

9

1,35

0,74

9

1,18

0,87

10

1,34

0,75

10

1,17

0,88

11

1,33

0,75

11

1,17

0,88

12

1,33

0,75

12

1,17

0,88

13

1,33

0,75

13

1,17

0,88

14

1,33

0,75

14

1,17

0,88

15

1,33

0,75

15

1,17

0,88

16

1,32

0,76

16

1,16

0,88

17

1,32

0,76

17

1,16

0,88

18

1,32

0,76

18

1,16

0,88

19

1,32

0,76

19

1,16

0,88

20

1,32

0,76

20

1,16

0,88

21

1,32

0,76

21

1,16

0,88

22

1,32

0,76

22

1,16

0,88

23

1,32

0,76

23

1,16

0,88

24

1,32

0,76

24

1,16

0,88

25

1,32

0,76

25

1,16

0,88

> 25

1,32

0,76

> 25

1,16

0,88

Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1)* 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1)* 4%).

Voor beleggingen die gerelateerd zijn aan de reële rente, zoals inflation linked bonds, worden kleinere renteschokken toegepast (rechts in de tabel). Verondersteld is dat 50% van de nominale renteschok zichtbaar is in een schok in de reële rente en dat de overige 50% toegeschreven kan worden aan een mutatie in de (break-even) inflatie.

Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

S10 voor het vereist eigen vermogen voor het actief beheer risico.

Het vereist eigen vermogen (VEV) wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

Bijlage 254672.png

waarbij ρ1 2 = 0,40 en ρ1 5 = 0,40 indien voor S1 wordt uitgegaan van een rentedaling en nihil indien S1 is gebaseerd op een rentestijging, en ρ2 5 = 0,50.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en beursgenoteerd vastgoedrisico S2 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten, inclusief beursgenoteerd vastgoed (S2A), aandelen opkomende markten (S2B), niet-beursgenoteerde aandelen (S2C) en niet-beursgenoteerd vastgoed (S2D) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S2) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S2A tot en met S2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S2 aan de hand van de formule:

Bijlage 254673.png

waarbij ρ' = 0,75.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het valutarisico S3 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor valutarisico, (S3), rekening wordt gehouden met een correlatie (ρ) van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; 0,75 tussen valuta in opkomende markten en 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds. Het vereist vermogen voor valutarisico wordt vastgesteld voor enerzijds ontwikkelde markten (S3 A) en anderzijds opkomende markten (S3 B) en gecombineerd aan de hand van de volgende formules:

Het vereist vermogen voor valutarisico (S3) voor de totale portefeuille is gelijk aan de som van het vereist vermogen voor valutarisico van ontwikkelde en opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,25:

Bijlage 254674.png

Waarbij het vereist vermogen voor valutarisico op ontwikkelde markten (S3 A) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta in ontwikkelde markten, rekening houdend met een correlatie van 0,50 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 20%:

Bijlage 255074.png

Het vereist vermogen voor valutarisico op opkomende markten (S3 B) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta van opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,75 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 35%:

Bijlage 255075.png

Bij de bepaling van het vereist vermogen per individuele valuta wordt rekening gehouden met de ‘net exposure’, dat wil zeggen de gevoeligheid voor een daling in deze valuta ten opzichte van de euro rekening houdend met eventuele valutahedges.

Bijlage 4

Bijlage als bedoeld in artikel 14i

De berekening bestaat uit een algemeen deel dat voor de gehele regeling geldt en een specifiek deel dat toegepast wordt op de pensioenaanspraken van de individuele deelnemer. In het algemene deel worden de koopkrachtfactoren bepaald die gelden voor het fonds. Voor ieder scenario worden de volgende stappen 60 keer doorlopen vanwege de simulatiehorizon van 60 jaar. De berekeningsstappen die tot de verwachte pensioenbedragen leiden, zijn:

Stap 1: Effect beleggingsbeleid

Op basis van de duratie van de uitkeringen, het fondsspecifieke beleggingsbeleid en de voorgeschreven uniforme scenarioset worden de overrendementen op de beleggingen berekend ten opzichte van de verplichtingen.

Stap 2: Dekkingsgraadontwikkeling

  • a. Op basis van het overrendement, het dekkingsgraadeffect door premie en uitkeringen wordt een ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ bepaald;

  • b. afhankelijk van de hoogte van de ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ en het toeslagbeleid wordt het toeslagpercentage voor dat jaar berekend;

  • c. kortingen worden berekend;

  • d. de ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ wordt aangepast in verband met de verleende toeslag en kortingen, zo resulteert de dekkingsgraad ultimo jaar.

Stap 3: Koopkrachtfactoren

Op basis van de aanpassingen berekend in stappen 2b, 2c en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. De koopkrachtfactor wordt hiermee aangepast. Er wordt bij de koopkrachtfactor onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en te bereiken pensioen. Ten slotte, wordt op basis van het verschil tussen de pensioenleeftijd en huidige leeftijd van iedere deelnemer bepaald welke koopkrachtfactoren van toepassing zijn op het opgebouwde pensioen en op het nog op te bouwen pensioen. De betreffende bedragen worden met deze koopkrachtfactoren vermenigvuldigd om de te verwachten pensioenbedragen te bepalen.

Stap 1 – Effect van het beleggingsbeleid

Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is een resultante van het rendement op zakelijke waarden en vastrentende waarden van de beleggingsportefeuille en het rendement op renteafdekking, ten opzichte van de waardeverandering in de technische voorziening door wijziging van de rentetermijnstructuur.

Bepaling renteveranderings-effect op de technische voorziening

De waardeverandering van de technische voorziening bestaat uit twee componenten; de renteverandering en het verdisconteringseffect. Het wordt als volgt bepaald:

Bijlage 261024.png

Waarbij

Bijlage 261025.png

De gemiddelde rentes zijn bepaald voor ieder projectiejaar in ieder scenario per interval. De intervallen zijn: [1, 1], [1, 10], [1, 20], [1, 30], etc. Het betreffende interval wordt bepaald door de duratie van de verplichtingen te vermenigvuldigen met twee en af te ronden op een tiental.

Bepaling renteverandering effect op vastrentende waarden

Het renteverandering effect op de vastrentende waarden wordt op vergelijkbare wijze berekend, maar dan op basis van de gemiddelde rente bij de duratie van de vastrentende waarden:

Bijlage 261026.png

Waarbij

Bijlage 261027.png

Gecombineerd renteveranderingseffect vastrentende waarden en rente afdekking

Het effect van een eventuele renteafdekking wordt meegenomen in het fondsrendement. Als het renteafdekkingspercentage (β) 0% is, heeft de renteafdekking geen aanvullende effect op het rendement. Het rendement van vastrentende waarden en de hierin opgenomen duratie wordt wel behaald.

Het renteafdekkingspercentage wordt uitgedrukt als percentage van de technische voorziening. Het rendement van de renteafdekking wordt alleen meegenomen als hierdoor een duratie verhogend effect optreedt, en een afname van de rentegevoeligheid, ten opzichte van de rentegevoeligheid die door de reeds aanwezige vastrentende waarden wordt veroorzaakt. In de formule wordt dit zichtbaar door het maximum te nemen van de twee grootheden en bij toename van de waarde van de verplichtingen door de gerealiseerde renteverandering. Juist bij een daling van de waarde van de verplichtingen door een renteverandering wordt het minimum van deze twee grootheden genomen:

Bijlage 261028.png

waarbij

rβ = renteveranderingseffect renteafdekking

α = percentage aandelen volgens mapping

β = percentage afdekking renterisico

DGt = dekkingsgraad primo

Effect van beleggingsbeleid

Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is het overrendement van behaalde rendementen op de beleggingen uitgedrukt ten opzichte van de groei van de verplichtingen. Deze geeft aan in welke mate de dekkingsgraad verandert.

Het behaalde rendement op de beleggingen wordt bepaald door het rendement op aandelen, het rendement op vastrentende waarden en het rendement op de renteafdekking. Het rendement op vastrentende waarden en rente afdekking wordt bepaald door de som van het 1-jaars rente-effect plus het renteveranderingseffect van vastrentende waarden en de rente afdekking (rβ).

De verplichtingen nemen toe met de 1-jaars rente plus het renteveranderingseffect van de technische voorziening.

Bijlage 261029.png

waarbij

rv = effect van beleggingsbeleid

rα = aandelenrendement

Stap 2 – Dekkingsgraadontwikkeling

De ontwikkeling van de dekkingsgraad bestaat uit vier deelstappen:

Stap 2a Dekkingsgraad voor toeslagverlening en kortingen

Om de dekkingsgraad vóór toeslagverlening en kortingen te bepalen wordt eerst het effect van de premie en de uitkeringen bepaald.

Effect premie op dekkingsgraad

Het verschil in de netto benodigde premie (wegens toename van de voorziening) en ontvangen netto premie komt ten gunste aan de dekkingsgraad. Bij de vaststelling van de impact van premie en koopsom op de dekkingsgraad wordt impliciet aangenomen dat de betaalde premie en de koopsom, een vast percentage van de technische voorziening zijn.

Bijlage 261030.png

waarbij

TV = Technische voorziening

Pf = premie als toevoeging aan het vermogen

Pk = koopsom nieuwe pensioenopbouw als toevoeging aan TV

Effect uitkering op DG

Indien uitkeringen kunnen leiden tot vrijval van middelen voor toeslagen, wordt dit meegenomen in de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Indien uitkeringen geen invloed hebben op de toeslagen wordt dit buiten beschouwing gelaten. Dit kan vormgegeven worden door de parameter u (het % van de technische voorziening dat jaarlijks in de vorm van uitkeringen het fonds verlaat), op 0% te stellen:

Bijlage 261031.png

Dekkingsgraad voor toeslagverlening

De dekkingsgraad vóór toeslagverlening, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel a, is de dekkingsgraad uit periode t, gecorrigeerd voor het effect van het beleggingsbeleid, vermenigvuldigd met het uitkeringeneffect en het premie-effect

DGt+1-0 = DGt · (1+rv) · effect premie op DG∙effect uitkering op DG

Waarbij

DGt+1-0 = dekkingsgraad ultimo jaar t vóór toeslagverlening

Stap 2b Toeslagpercentage

Afhankelijk van de hoogte van de ‘dekkingsgraad voor toeslagverlening’ en het toeslagbeleid wordt het toeslagpercentage voor dat jaar berekend, bedoeld in artikel 14h, vierde lid.

It =

Bijlage 261032.png

Waarbij

Bijlage 261033.png

Stap 2c Kortingen

Bij de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in artikel 14h, vierde lid, worden onvoorwaardelijke en voorwaardelijke kortingen onderscheiden.

Onvoorwaardelijke korting:

Bijlage 261034.png

Waarbij

Bijlage 261035.png

Waarbij a oploopt met de jaren als er meerdere jaren achter elkaar sprake is van onderdekking, en a gelijk is aan nul als er geen sprake is van onderdekking. Onvoorwaardelijke kortingen worden uitgesmeerd over de hiervoor geldende periode.

Voorwaardelijke kortingen volgens herstelplansystematiek

Bijlage 261036.png

Waarbij

Bijlage 261037.png

Voor fondsen waar vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten niet mogelijk is, bedoeld in artikel 14h, vijfde lid, worden Kto en Ktv beide gelijk gesteld aan 0. Om dit in de berekening te vatten, is het noodzakelijk dat in de berekening de vereiste dekkingsgraad (VDG) en minimaal vereiste dekkingsgraad (MVDG) gelijk gesteld worden aan 1%. De dekkingsgraad primo is voor die uitvoerders gelijk aan de dekkingsgraad ultimo na toeslagverlening van het vorige jaar.

Stap 2d Dekkingsgraad ultimo jaar na toeslagverlening en korting

Om de dekkingsgraad ultimo jaar te bepalen, bedoeld in artikel 14h, derde lid, wordt de dekkingsgraad vóór toeslagverlening aangepast in verband met de verleende toeslag.

Bijlage 261038.png

waarbij

DGt+1 = dekkingsgraad ultimo jaar t na indexatie

Stap 3 – Koopkrachtfactoren

De koopkrachtfactoren worden bepaald aan de hand van de jaarlijkse correctiefactor. Op basis van de toeslagverlening en kortingen berekend in stap 2b en 2c, en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. Er wordt bij de koopkrachtfactoren onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en nieuw op te bouwen pensioen

Correctiefactor en indexatieachterstand

De correctiefactor voor het reeds opgebouwde pensioen, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de aanpassing van het pensioen verminderd met de scenarioprijsinflatie. Indien de aanpassing van het pensioen minder is dan de prijsinflatie, dan daalt het reeds opgebouwde pensioen en indien de aanpassing van het pensioen hoger is dan de prijsinflatie, dan stijgt dat bedrag. De indexatieachterstand wordt in deze stap ook aangepast.

Bijlage 261039.png

Koopkrachtfactoren

De koopkrachtfactor voor het reeds opgebouwd pensioen wordt als volgt bepaald:

Ct +1 = Ct(1 + ∆Ct +1)

waarbij

Ct = koopkrachtfactor reeds opgebouwd pensioen op tijdstip t

C 0 = 1

Bij de berekening van het scenariobedrag voor nieuw op te bouwen pensioen is het uitgangspunt dat in ieder berekeningsjaar alleen het op dat moment reeds opgebouwd pensioen wordt aangepast door het toeslagbeleid en gecorrigeerd door de scenarioprijsinflatie. De koopkrachtfactor voor nieuw op te bouwen pensioen wordt als volgt bepaald:

Bijlage 261040.png

waarbij

Bijlage 261041.png

Berekening per deelnemer

Het verwachte pensioenbedrag wordt bepaald door het reeds opgebouwde pensioen te vermenigvuldigen met factor CA en op te tellen bij het nieuw op te bouwen pensioen rekening houdend met factor

Bijlage 261042.png

.

Het uiteindelijke pensioenbedrag, bedoeld in artikel 14i, tweede lid, wordt berekend door het scenariobedrag van het reeds opgebouwde pensioen en het scenariobedrag voor het nieuw op te bouwen pensioen bij elkaar op te tellen:

Bijlage 261043.png

waarbij

R = reeds opgebouwd pensioen

Met OPBOUW wordt bedoeld het nog op te bouwen pensioen vanaf berekeningsdatum tot het moment waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend. Dit nog op te bouwen bedrag moet passen bij de onderliggende pensioenregeling, maar zal in beginsel neerkomen op het product van deze factoren: A, het opbouwpercentage en loonsom minus franchise waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele deeltijdfactor.

Om te komen tot een pensioenbedrag per scenario, bedoeld in artikel 14i, derde lid, wordt vervolgens het 5%, 50% en 95% percentiel pensioenbedrag gekozen uit alle doorgerekende scenario’s.

Bij een gebroken duur tot moment A wordt lineair geïnterpoleerd tussen de twee hele duren waar tussen moment A ligt

Terug naar begin van de pagina