Regeling voorkoming verontreiniging door schepen

Geraadpleegd op 27-09-2022.
Geldend van 01-06-2022 t/m heden

Regeling van 12 december 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1945, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Regeling voorkoming verontreiniging door schepen)

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 8, 11, 15, 32, 35, 38 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen, artikel 2 van het Besluit havenontvangstvoorzieningen, artikel 13, derde lid,14, tweede lid, en 30 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, alsmede op de in artikel 1 van deze regeling genoemde richtlijnen en verordeningen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. besluit: Besluit voorkoming verontreiniging door schepen;

  • b. richtlijn 2013/53/EU: richtlijn nr. 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van richtlijn nr. 94/25/EG;

  • c. richtlijn 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);

  • d. richtlijn 2016/802/EU: richtlijn nr. 2016/802/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen;

  • e. richtlijn 2005/35/EG: richtlijn nr. 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PbEU L 255);

  • f. verordening (EU) 530/2012: verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (PbEU L 172);

  • g. verordening (EG) 782/2003: verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115);

  • h. emissiereductiemethode: technische methode als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 1999/32/EG;

  • i. gebied voor emissiebeheersing voor SOx en fijnstof: gebied als bedoeld in voorschrift 14 van Bijlage VI van het Verdrag, waar bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen gelden teneinde lucht verontreiniging door SOx en fijnstof en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen;

  • j. schip op zijn ligplaats: schip op zijn ligplaats als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 1999/32/EG;

  • k. IMDG-Code: de bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code voor gevaarlijke stoffen (International Maritime Dangerous Goods Code);

  • l. resolutie A.495(XII): resolutie A.495(XII) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende herziene Specificaties voor olietankschepen met aangewezen schone-ballasttanks;

  • m. resolutie A.446(XI): resolutie A.446(XI) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende Specificaties voor het ontwerp, de werkwijze en de regeling van ruwe-oliewassystemen;

  • n. resolutie A.673(16): resolutie A.673(16) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende Richtlijnen voor het vervoer en de behandeling van beperkte hoeveelheden gevaarlijke en schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore ondersteuningsschepen;

  • o. Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • p. Caribisch-Nederlands schip: een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

  • q. richtlijn 2014/90/EU: richtlijn nr. 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van richtlijn 96/98/EG van de Raad (PbEU L 257);

  • r. verordening (EU) 2015/757: verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG;

  • s. verordening (EU) 1257/2013: Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van 20 november 2013, inzake scheepsrecycling en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1013/ 2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;

  • t. uitvoeringsverordening scheepsuitrusting: uitvoeringshandeling van de Europese Commissie betreffende de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties van en de beproevingsnormen voor de scheepsuitrusting, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van richtlijn 2014/90/EU.

Artikel 1a*. Toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen

De artikelen 2, 5a tot en met 5g, 11, 12a, 12b, 13, 14a, 14b en 15a tot en met 15e zijn tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen, met dien verstande dat:

  • a. voor het aanmerken van de dag waarop een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt als bedoeld in artikel 2, slechts de op grond van deze regeling toepasselijke code en resoluties in acht worden genomen;

  • b. bij het toestaan van afwijking als bedoeld in artikel 5g slechts de op grond van deze regeling toepasselijke code en resoluties in acht worden genomen.

Artikel 2. Bouwdatum van een schip

Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen of verordeningen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 4, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2. Eisen aan schepen

§ 1. Eisen aan schepen

Artikel 5a. Eisen aan schepen van minder dan 400 GT in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De volgende schepen zijn uitgerust met voorzieningen om olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord te houden of om deze overeenkomstig voorschrift 15.6 van Bijlage I bij het Verdrag te lozen:

  • a. schepen van minder dan 400 GT, niet zijnde olietankschepen als bedoeld in onderdeel b, voor zover naar het oordeel van de Minister praktisch uitvoerbaar;

  • b. olietankschepen van meer dan 150 GT en minder dan 400 GT, voor zover naar het oordeel van de Minister praktisch uitvoerbaar.

Artikel 5g. Gelijkwaardige voorzieningen

De Minister kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen en verordeningen is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 3, 4 en 5b tot en met 5e bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de op grond van deze artikelen geëiste voorziening.

Artikel 5h. Wederzijdse erkenning

  • 1 Dit artikel is van toepassing op schepen die vanuit een scheepsregister in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn overgeschreven naar een Nederlands scheepsregister.

  • 2 Met de in de artikelen 5a tot en met 5f bedoelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

§ 2. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting

Artikel 7

  • 1 Scheepsuitrusting als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 mag slechts aan boord worden geplaatst, indien de scheepsuitrusting:

  • 2 Gebruik van scheepsuitrusting waarvoor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. In het geval van beproeving blijft de oorspronkelijke stuurwielgemarkeerde scheepsuitrusting aan boord en zal die uitrusting te allen tijde gereed zijn voor onmiddellijk gebruik.

  • 3 Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van termijnen en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU een EG-typegoedkeuring is verleend, kan in afwijking van het eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden vervangende scheepsuitrusting aan boord worden geplaatst die niet overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU is goedgekeurd, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, eerste tot en met vierde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.

  • 4 Indien is aangetoond dat scheepsuitrusting waarop een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 is aangebracht niet in de handel verkrijgbaar is, kan in afwijking van het eerste lid, de minister toestemming verlenen om vervangende scheepsuitrusting aan boord te plaatsen, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn 2014/90/EU genoemde voorwaarden.

  • 5 Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de plaatsing van emissiereductiemethoden aan boord van schepen die niet behoren tot de categorie schepen waarvoor een certificaat wordt afgegeven als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het besluit.

Artikel 8. Nationale typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting

  • 1 Scheepsuitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in artikel 3 van de Wet scheepsuitrusting 2016, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.

  • 2 De Minister kan in afwijking van artikel 7 toestaan dat aan boord van bepaalde categorieën schepen, niet zijnde schepen die behoren tot de categorie schepen waarvoor mede in verband met het voldoen aan de eisen met betrekking tot de betreffende uitrusting een van de certificaten wordt verstrekt als bedoeld in artikel 12 van het besluit, scheepsuitrusting wordt geplaatst die niet aan de vereisten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016 voldoet, en voor die uitrusting een typegoedkeuring verlenen, mits zulks zonder gevaar voor het milieu mogelijk is.

  • 3 Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.

Artikel 8a. Typegoedkeuringen Caribisch-Nederlandse schepen

  • 1 Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een Caribisch-Nederlands schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist, is van een door de Minister goedgekeurd type.

  • 2 Met uitrusting van een door de Minister goedgekeurd type wordt gelijkgesteld uitrusting:

    • a. die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016;

    • b. met betrekking waartoe een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten of van Canada, met inachtneming van de voor die goedkeuring opgestelde richtlijnen en standaarden van de IMO.

  • 3 Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.

Artikel 9. Wederzijdse erkenning

Met een door de Minister verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 11

Indien ten aanzien van scheepsuitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Indien nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.

Hoofdstuk 3. Certificaten, verklaringen en onderzoeken

Artikel 12b. Onderzoeken aan schepen in verband met Bijlagen I en IV bij het Verdrag

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt herhaald binnen drie maanden voor of na de datum waarop twee jaar dan wel drie jaar is verstreken nadat het in het eerste lid bedoelde onderzoek heeft plaatsgevonden en, in verband met de vernieuwing van de verklaring, binnen drie maanden voor de afloop van de geldigheidsduur van de desbetreffende verklaring.

Artikel 12c. Certificaten en aantekeningen op grond van verordening (EU) 1257/2013

  • 1 De Minister geeft voor een schip dat met goed gevolg overeenkomstig artikel 8, vierde en vijfde lid, van verordening (EU) 1257/2013 is geïnspecteerd een internationaal certificaat betreffende de inventarisatie van gevaarlijke materialen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die verordening af.

  • 2 De Minister verstrekt voor een schip dat met goed gevolg overeenkomstig artikel 8, zesde lid, van verordening (EU) 1257/2013 is geïnspecteerd een aantekening als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van die verordening op het internationaal certificaat betreffende de inventarisatie van gevaarlijke materialen.

  • 3 De Minister geeft voor een schip dat met goed gevolg overeenkomstig artikel 8, zevende lid, van verordening (EU) 1257/2013 is geïnspecteerd een internationaal certificaat inzake gereedheid voor recycling als bedoeld in artikel 9, negende lid, van die verordening af.

  • 4 De minister kan een verklaring ter goedkeuring van een scheepsrecyclingplan afgeven aan de scheepseigenaar en de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting.

Hoofdstuk 4. Lozing en overige gedragingen

Artikel 13. Nadere regels met betrekking tot verboden lozingen onder het Verdrag

Voorschrift 4.2 van Bijlage I van het Verdrag en voorschrift 3.1.2 van Bijlage II van het Verdrag zijn met betrekking tot een lozing die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van richtlijn 2005/35/EG voor alle schepen als bedoeld in artikel 2 van die richtlijn:

  • a. met betrekking tot een lozing in de Nederlandse territoriale zee niet van toepassing;

  • b. met betrekking tot een lozing in de Nederlandse exclusieve economische zone en op volle zee van toepassing voor de eigenaar, de kapitein of de bemanning.

Artikel 14

  • 1 In aanvulling op het verbod, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, is het verboden om:

    • a. brandstofolie te gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,10% aan boord van Nederlandse schepen en buitenlandse schepen gedurende de tijd dat deze zich bevinden op de Nederlandse binnenwateren;

    • b. brandstofolie te gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,10% aan boord van Nederlandse en buitenlandse schepen op hun ligplaats in havens, waarbij de bemanning voldoende tijd wordt gegeven om zo spoedig mogelijk na de aankomst op de ligplaats en zo laat mogelijk vóór vertrek indien nodig om te schakelen van of op andere brandstoffen.

  • 2 De verboden, bedoeld in het eerste lid, en het verbod, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wat betreft het gebruik van brandstofolie in de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse EEZ, waaronder de gebieden voor emissiebeheersing van zwavel en fijnstof, zijn niet van toepassing op:

    • a. brandstoffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en c, van richtlijn 2016/802/EU;

    • b. het gebruik van brandstoffen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen f en g, van richtlijn 2016/802/EU;

    • c. het gebruik van brandstoffen aan boord van schepen die gebruik maken van emissiereductiemethoden overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2016/802/EU.

  • 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:

    • a. schepen die volgens een gepubliceerde dienstregeling minder dan twee uur op hun ligplaats zullen liggen;

    • b. schepen die alle motoren uitschakelen en gebruikmaken van stroomvoorzieningen van het vasteland terwijl zij in een haven op hun ligplaats liggen.

  • 4 In afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel c, geldt in geval van het gebruik van brandstofolie met een zwavelgehalte van meer dan 3,50% aan boord van schepen, de in deze aanhef en dit onderdeel bedoelde uitzondering alleen voor zover deze schepen gebruik maken van emissiereductiemethoden in een gesloten systeem.

  • 5 De Minister kan afwijking toestaan van de verboden, bedoeld in het eerste lid, en het verbod, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wat betreft het gebruik van brandstofolie in de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse EEZ, waaronder de gebieden voor emissiebeheersing van zwavel en fijnstof, voor proefnemingen met nieuwe emissiereductiemethoden.

  • 6 De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het vijfde lid, geschiedt in overeenstemming met artikel 10 van richtlijn 2016/802/EU.

  • 7 Toegestane proefnemingen met nieuwe emissiereductiemethoden worden toegepast overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2016/802/EU.

Hoofdstuk 5. Operationele voorschriften

§ 1. Operationele voorschriften

§ 2. Vrijstellingen van operationele voorschriften

Artikel 15e. Vrijstelling van operationele voorschriften voor offshore ondersteuningsschepen

De ingevolge artikel 33, tweede lid, van het besluit toepasselijke voorschriften van Bijlage II bij het Verdrag met betrekking tot het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, gelden niet voor het vervoer in bulk van beperkte hoeveelheden van de schadelijke stoffen, bedoeld in resolutie A.673(16) door offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in die resolutie, mits dit vervoer voldoet aan de in die resolutie neergelegde eisen.

Hoofdstuk 6. Voorschriften ter uitvoering van de wet

Artikel 16c. Uitvoering verordening (EU) 530/2012

  • 2 De Minister van Infrastructuur en Milieu kan van de in het eerste lid genoemde artikelen van de verordening ontheffing verlenen ter uitvoering van artikel 8 van de verordening.

Artikel 16d. Uitvoering van verordening (EU) 1257/2013

  • 1 Als besluit als bedoeld in de artikelen 13, derde lid, en 20, eerste lid, onderdeel g, van de wet wordt aangewezen Verordening (EU) 1257/2013.

  • 2 Als bepalingen als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 4, 5, eerste lid, 6, tweede lid, en 12, eerste tot en met vierde lid, van verordening (EU) 1257/2013.

Artikel 16e. Uitvoering verordening (EU) 2015/757

  • 3 Een schip wordt geacht te voldoen aan de in het eerste lid opgenomen bepalingen indien overeenkomstig artikel 17, vierde lid, van verordening (EU) 2015/757, een conformiteitsdocument is afgegeven.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 17. Wijzigingen van richtlijnen

  • 1 Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  • 2 Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type, waarop als gevolg van de inwerkingtreding van een uitvoeringsverordening scheepsuitrusting de voorschriften van richtlijn 2014/90/EU van toepassing zijn geworden, mag in afwijking van artikel 7 nog gedurende een termijn van drie jaar, gerekend vanaf die dag van inwerkingtreding aan boord van schepen worden geplaatst, mits zij voor die dag werd vervaardigd en ook de typegoedkeuring voor die dag werd verleend.

Artikel 18. Wijziging andere regelingen

  • 1

[Red: Wijzigt het Besluit machtiging werkzaamheden Inspectie Verkeer en Waterstaat.]

  • 2 [Red: Wijzigt de Regeling havenontvangstvoorzieningen.]

  • 3 [Red: Wijzigt het Besluit terbeschikkingstelling ambtenaren aan Scheepvaartinspectie t.b.v. havenstaatcontrole.]

Artikel 19

  • 1 [Red: Wijzigt de Regeling uitvoering EG-verordeningen Wvvs.]

  • 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 februari 1997, nr. DGSM/J-97000025 Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, houdende vaststelling model Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie en Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk (Stcrt. 28) wordt ingetrokken.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

K.M.H. Peijs

Bijlage 1. behorend bij artikelen 5c en 15b

Specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord

1. Algemene bepalingen

1.1. Het deelstroomsysteem dient zodanig te worden gemonteerd dat daarmee een representatief monster van het overboord geloosde afvalwater daadwerkelijk zichtbaar kan worden gemaakt onder normale operationele omstandigheden.

1.2. Het deelstroomsysteem is in veel opzichten gelijk aan het bemonsteringssysteem dat voor de bewaking en controle van olielozing wordt gebruikt, maar heeft daarnaast pomp- en leidingvoorzieningen.

1.3. Het gedeelte van het deelstroomsysteem dat van een kijkglas is voorzien, moet zich bevinden op een beschutte en gemakkelijk toegankelijke plaats op het bovendek of hoger die is goedgekeurd door de Minister (bijvoorbeeld bij de ingang van de pompkamer). Er moet effectieve communicatie zijn tussen de locatie van het kijkglas in het deelstroomsysteem en de positie waar de lozing wordt geregeld.

1.4. De monsters moeten worden genomen bij de relevante segmenten van de leiding die voor lozing overboord wordt gebruikt en moeten via een permanente leiding naar de kijkglasvoorziening worden gevoerd.

1.5. Het deelstroomsysteem moet de volgende onderdelen bevatten:

  • a. bemonsteringssondes;

  • b. leiding voor bemonsteringswater;

  • c. aanvoerpomp(en) voor bemonstering;

  • d. kijkglasvoorziening;

  • e. voorziening voor lozing van het bemonsteringswater; en, afhankelijk van de diameter van de bemonsteringsleiding,

  • f. een spoelvoorziening.

1.6 Het deelstroomsysteem moet aan de geldende veiligheidsvoorschriften voldoen.

2. Systeemvoorzieningen

2.1. Locatie van de bemonsteringspunten

2.1.1. De bemonsteringspunten moeten op zodanige locaties worden aangebracht dat relevante monsters kunnen worden genomen van het afvalwater dat onder de waterlijn wordt geloosd via afvoeropeningen die voor operationele lozingen worden gebruikt.

2.1.2. De bemonsteringspunten moeten, voorzover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht in de leidingsegmenten waar normaal geen sprake van een turbulente stroom is.

2.1.3. De bemonsteringspunten moeten, voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht op toegankelijke locaties in de verticale segmenten van de leiding die voor lozing wordt gebruikt.

2.2. Bemonsteringssondes

2.2.1. De bemonsteringssondes moeten zodanig worden aangebracht dat zij tot ongeveer eenvierde van de leidingdiameter in de leiding steken.

2.2.2. De bemonsteringssondes moeten voor reinigingsdoeleinden gemakkelijk uit de leiding kunnen worden gehaald.

2.2.3. Naast elke sonde moet een afsluitklep worden gemonteerd, behalve waar de sonde in een ladingleiding is gemonteerd. In het laatste geval moeten twee stopkleppen achter elkaar in de bemonsteringsleiding worden gemonteerd.

2.2.4. De bemonsteringssondes moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.2.5. Bemonsteringssondes moeten zodanig van vorm zijn dat zij niet gemakkelijk verontreinigd raken met aangekoekte deeltjes en dat zij geen hoge hydrodynamische druk bij het uiteinde van de bemonsteringssonde genereren.

2.2.6. Bemonsteringssondes moeten dezelfde nominale doorlaat hebben als de bemonsteringsleiding.

2.3. Bemonsteringsleiding

2.3.1. Tussen de bemonsteringspunten en de kijkglasvoorziening moet de bemonsteringsleiding zo recht mogelijk zijn. Scherpe bochten en holtes waar olie en bezinksel zich kunnen ophopen, moeten worden vermeden.

2.3.2. De bemonsteringsleiding dient zodanig te worden aangelegd dat het bemonsteringswater binnen 20 seconden naar de kijkglasvoorziening wordt gevoerd. De stroomsnelheid in de leiding mag niet minder dan 2 meter per seconde bedragen.

2.3.3. De diameter van de leiding mag niet minder dan 40 millimeter bedragen als er geen vaste spoelvoorziening is aangebracht en mag niet minder dan 25 millimeter bedragen als een hogedrukspoelvoorziening zoals vermeld in lid 2.5 is geïnstalleerd.

2.3.4. De bemonsteringsleiding moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.3.5. Waar verschillende bemonsteringspunten zijn aangebracht, moet de leiding zijn aangesloten op een klepkast aan de aanzuigende zijde van de aanvoerpomp voor bemonstering.

2.4. Aanvoerpomp voor bemonstering

De capaciteit van de aanvoerpomp voor bemonstering moet zodanig zijn dat aan de eisen gesteld aan de doorstroomhoeveelheid van het bemonsteringswater zoals vermeld in lid 4.2.2 wordt voldaan.

2.5. Spoelvoorziening

Als de diameter van de bemonsteringsleiding minder dan 40 millimeter bedraagt, moet een vaste verbinding met een hogedrukleiding voor zee- of zoetwater worden aangebracht om het spoelen van de bemonsteringsleiding mogelijk te maken.

2.6. Kijkglasvoorziening

2.6.1 De kijkglasvoorziening moet bestaan uit een compartiment waarin een kijkglas is aangebracht. Het compartiment moet een zodanige grootte hebben dat een vrije val van het bemonsteringswater over een lengte van minimaal 200 mm duidelijk zichtbaar is.

2.6.2. De kijkglasvoorziening moet zijn uitgerust met kleppen en een leiding die het mogelijk maakt dat een deel van het bemonsteringswater zodanig door het kijkglascompartiment wordt geleid dat een laminaire stroom in het compartiment zichtbaar is.

2.6.3. De kijkgatvoorziening moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gereinigd.

2.6.4. Het inwendige oppervlak van het kijkgatcompartiment moet wit zijn, behalve de achtergrondwand. Deze laatste moet een zodanige kleur hebben dat eventuele veranderingen in de kwaliteit van het bemonsteringswater goed zichtbaar zijn.

2.6.5. Het onderste deel van het kijkgatcompartiment moet trechtervormig zijn, zodat het bemonsteringswater kan worden opgevangen.

2.6.6. Voor het nemen van watermonsters moet een aftapkraan worden aangebracht, zodat deze onafhankelijk van het water in het kijkgatcompartiment kunnen worden onderzocht.

2.6.7. De kijkgatvoorziening dient voldoende verlicht te zijn om visuele observatie van het bemonsteringswater mogelijk te maken.

2.7. Voorziening voor lozing van het bemonsteringswater

Het bemonsteringswater dat het kijkgatcompartiment verlaat, moet naar het oppervlaktewater of naar een sloptank worden geleid via een vaste leiding met een diameter die groot genoeg is.

3. Operationele vereisten

3.1. Bij lozing van verontreinigd ballastwater of ander met olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte via een afvoeropening onder de waterlijn moet het deelstroomsysteem te allen tijde bemonsteringswater uit de desbetreffende lozingsopeningen leveren.

3.2. Het bemonsteringswater moet vooral nauwkeurig worden bekeken tijdens de stadia van de lozingsoperatie waarin het risico van verontreiniging met olie het grootst is. De lozing moet worden gestaakt zodra oliesporen in de stroom zichtbaar zijn en zodra de uitlezing van de oliegehaltemeter aangeeft dat het oliegehalte de toelaatbare limieten overschrijdt.

3.3. Bij systemen die zijn uitgerust met spoelvoorzieningen moet de bemonsteringsleiding worden gespoeld nadat verontreiniging is geconstateerd. De bemonsteringsleiding moet na elke gebruiksperiode worden gespoeld.

3.4. De voorschriften voor de behandeling van lading en ballast en, indien van toepassing, de voorschriften die vereist zijn voor ruwe-oliewassystemen of voor de werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks, moeten een duidelijke beschrijving bevatten van het gebruik van het deelstroomsysteem in combinatie met de procedures voor lozing van ballastwater en het decanteren van de sloptank.

Naar boven