De Minister van Financiën,
Gelet op de artikelen 2:59, eerste lid, 2:64, eerste lid, 2:74, 2:79, eerste lid, 2:85, eerste lid, 2:91, eerste lid, 2:95, eerste lid, 2:104, eerste lid, 3:3, 3:5, derde lid, 3:6, derde lid, 3:7, derde lid, 3:111, eerste lid, 4:3, derde lid, 4:7, 5:5, 5:68, tweede lid en 5:87 van de Wet op het financieel toezicht;
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
In deze regeling wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:
§ 2.0. Bedrijf van betaaldienstverlener
-
3 Indien een betaaldienstverlener als bedoeld in het eerste lid zijn werkzaamheden niet
gedurende de gehele periode van de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan
voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma
van werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting
van het totale bedrag aan betalingstransacties is opgenomen.
Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 1c is vrijgesteld van artikel 2:3a, eerste lid, van de wet voor het deel van haar werkzaamheden dat betrekking heeft op het verlenen van betaaldiensten
die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
§ 2.0a. Bedrijf van bewaarder
Van artikel 2:3g, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld entiteiten voorzover zij:
-
a. optreden als bewaarder van beleggingsinstellingen waarvan door de deelnemers gedurende
een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip waarop de rechten van deelneming voor
het eerst zijn verworven geen recht tot inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming
kan worden uitgeoefend en de beleggingsinstellingen:
-
1°. overeenkomstig hun beleggingsbeleid over het algemeen niet beleggen in activa die
in bewaring moeten worden gegeven; of
-
2°. over het algemeen beleggen in uitgevende instellingen en niet-beursgenoteerde uitgevende
instellingen om controle als bedoeld in de artikelen 4:37q en 4:37w van de wet in deze instellingen te verkrijgen;
-
b. de taken als bewaarder verrichten in het kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening;
en
-
c. in het kader van de in onderdeel b bedoelde beroeps- of bedrijfsuitoefening verplicht
zijn zich in te schrijven in een wettelijk erkend beroepsregister of moeten voldoen
aan regelgeving inzake de beroepsmoraal.
§ 2.0b.
Bedrijf van elektronischgeldinstelling
-
1 Van artikel 2:10a, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld elektronischgeldinstellingen met rechtspersoonlijkheid, indien:
-
a. de gezamenlijke waarde van de financiële verplichtingen van de onderneming die met
de uitgifte van elektronisch geld verband houden, gemiddeld niet hoger is dan € 5.000.000;
-
b. geen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen personen zijn met antecedenten
als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, b of d, van het Besluit prudentiële regels Wft, voor zover deze betrekking hebben op het witwassen van geld, terrorismefinanciering
of vermogensmisdrijven of als misdrijf aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving;
-
c. de onderneming elektronisch geld slechts uitgeeft via een betaalinstrument of rekening
voor elektronisch geld waarop maximaal een bedrag van € 150 tegelijk kan worden opgeslagen;
en
-
d. de onderneming de Nederlandsche Bank in kennis heeft gesteld van haar voornemen om
elektronisch geld uit te geven.
-
2 Indien een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid zijn werkzaamheden
niet gedurende de gehele periode van de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht,
kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden uitgegaan van een programma
van werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting
is opgenomen van de gezamenlijke waarde van de financiële verplichtingen die verband
houden met de uitgifte van elektronisch geld.
§ 2.0c. Bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang
-
2 Het eerste lid is niet van toepassing op een natura-uitvaartverzekeraar die ervoor
gekozen heeft zijn werkzaamheden met een vergunning als bedoeld in artikel 2:48, eerste lid, van de wet te verrichten.
-
3 Een ingevolge het eerste lid vrijgestelde natura-uitvaartverzekeraar informeert binnen
zes maanden volgend op het van toepassing worden van de vrijstelling eenmalig alle
verzekeringnemers over het feit dat hij niet meer onder prudentieel toezicht staat
van de Nederlandsche Bank. Bij ieder aanbod voor het sluiten van een verzekering,
in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht
wordt gesteld, in andere precontractuele informatie aan aspirant-verzekeringnemers
en in de verzekeringovereenkomst, vermeldt de verzekeraar dat hij voor het sluiten
van natura-uitvaartverzekeringen niet onder prudentieel toezicht staat van de Nederlandsche
Bank.
-
5 Indien de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde bedragen onderscheidenlijk
percentages drie achtereenvolgende jaren worden overschreden, is de vrijstelling met
ingang van het vierde jaar niet meer van toepassing. De vrijstelling is opnieuw van
toepassing indien de verzekeraar gedurende drie achtereenvolgende jaren aan de eisen
van het eerste lid heeft voldaan.
-
3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een verzekeraar die ervoor gekozen
heeft zijn werkzaamheden met een vergunning als bedoeld in artikel 2:50, eerste lid, van de wet te verrichten.
§ 2.0d.
Bedrijf van wisselinstelling
-
1 Van artikel 2:54i, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld ondernemingen die het bedrijf van hotel uitoefenen en die als logiesverstrekkend
bedrijf zijn ingeschreven in een door het Bedrijfschap Horeca en Catering bijgehouden
register, voor zover het betreft het wisselen van munten of bankbiljetten en het uitbetalen
van munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard of tegen inlevering van
een of meer cheques, met een tegenwaarde van ten hoogste € 500 per gast per overnachting,
voor natuurlijke personen aan wie tevens door het hotel tegen betaling logies wordt
verstrekt.
Van artikel 2:54i, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet is verleend, voor zover het betreft het uitbetalen van munten en bankbiljetten tegen
inlevering van een of meer onderdelen van het couponblad van een waardepapier aan
toonder tegen inlevering waarvan de rente op dit waardepapier kan worden geïnd.
§ 2.0e. Bedrijf van kredietunie
-
2 Een kredietunie als bedoel in het eerste lid vermeldt op haar website, in reclame-uitingen
en in documenten over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, dat de onderneming
voor de uitoefening van haar activiteiten niet vergunningplichtig is ingevolge de
wet en niet onder toezicht staat van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële
Markten.
§ 2.1. Aanbieden van beleggingsobjecten
-
2 Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde beleggers wordt gedaan
is het eerste lid, aanhef en onderdeel a, slechts van toepassing voor zover de aanbieder
bij een aanbod van beleggingsobjecten als bedoeld in het eerste lid, en in reclame-uitingen
en documenten waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, vermeldt
dat hij voor het aanbieden niet vergunningplichtig is ingevolge de wet en niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
§ 2.2. Aanbieden van krediet
Ondernemingen die de juridische eigendom verkrijgen van vorderingen uit hoofde van
overeenkomsten inzake krediet die zij niet zelf als wederpartij zijn aangegaan, zijn
vrijgesteld van artikel 2:60, eerste lid, van de wet voorover het beheer en de uitvoering van die overeenkomsten krachtens overeenkomst
geschiedt door een kredietbeheerder aan wie het ingevolge de wet is toegestaan te bemiddelen in krediet of krediet aan te bieden en die kredietbeheerder
de informatie, bedoeld in artikel 68 van het besluit, verstrekt op de in dat artikel voorgeschreven wijze.
Van artikel 2:60, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld instellingen als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorzover:
-
a. zij krediet aanbieden ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten aan natuurlijke
personen die op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over
geen of onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te
voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op het tijdstip van aangaan
van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de helft van de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
-
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun rechten en plichten met
betrekking tot de overeenkomst hebben geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens
de overeenkomst inzake het krediet aan te gaan.
Van artikel 2:60, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
-
a. betaaldienstverleners die voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener
een door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 2:3b van de wet verleende vergunning hebben, voorzover zij in Nederland uitsluitend krediet aanbieden
in verband met betaaldiensten als bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van de bijlage bij
de richtlijn betaaldiensten mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 40b van het Besluit prudentiële regels Wft; en
-
b. betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat die voor het uitoefenen van
het bedrijf van betaaldienstverlener een door de toezichthoudende instantie van die
lidstaat verleende vergunning hebben, voorzover zij in Nederland uitsluitend krediet
in verband met betaaldiensten als bedoeld in de punten 4, 5, en 7 van de bijlage bij
de richtlijn betaaldiensten aanbieden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of
door middel van het verrichten van diensten naar Nederland mits is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 16, derde lid, van de richtlijn betaaldiensten.
Artikel 3c
[Treedt in werking op 01-01-2019]
Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen
§ 2.3. Aanbieden van rechten van deelneming
[Vervallen per 22-07-2013]
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:74 van de wet
[Vervallen per 22-07-2013]
Artikel 4
[Vervallen per 22-07-2013]
-
2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel f, is slechts van toepassing indien het adviseren
slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de totale werkzaamheden van de adviseur
en hij het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot
het aanbevolen financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent, bemiddelt,
optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent.
-
3 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing indien de desbetreffende
adviseur in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie inzake
het beleggingsobject vermeldt dat hij voor het adviseren ten aanzien van het beleggingsobject
niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
-
4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing indien de in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, bedoelde andere onderneming volledig verantwoordelijk is voor het adviseren.
-
1 Van artikel 2:75, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld instellingen als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorzover:
-
a. zij adviseren over krediet dat zij tevens aanbieden of waarin zij tevens bemiddelen
ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten aan natuurlijke personen die
op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over geen of onvoldoende
inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde
zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op het tijdstip van aangaan
van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de helft van de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
-
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun rechten en plichten met
betrekking tot de overeenkomst hebben geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens
de overeenkomst inzake het krediet aan te gaan.
-
2 Instellingen die zijn vrijgesteld op grond van het eerste lid, zijn tevens vrijgesteld
van artikel 2:75, eerste lid, van de wet, voor wat betreft het adviseren over het openen van een betaalrekening of spaarrekening,
met inbegrip van de aan een dergelijke rekening verbonden betaal-, spaar-, of elektronischgeldfaciliteiten,
ten behoeve van krediet als bedoeld in het eerste lid.
-
2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing indien de desbetreffende
bemiddelaar in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie
inzake het beleggingsobject vermeldt dat hij voor het aanbieden van het beleggingsobject
niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
-
4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing indien de looptijd
van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van
de verschafte roerende zaak, of dan de periode van dienstverlening en de desbetreffende
bemiddelaar in goederenkrediet:
-
a. de consument niet adviseert over het financiële product waarin hij bemiddelt; en
-
b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet en het
goederenkrediet dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel
het verlenen van een dienst.
-
1 Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld instellingen als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorzover:
-
a. zij bemiddelen in krediet ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten ten
behoeve van natuurlijke personen die op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst
inzake het krediet over geen of onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke
kosten van bestaan te voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op het tijdstip van aangaan
van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de helft van de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
-
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun rechten en plichten met
betrekking tot de overeenkomst hebben geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens
de overeenkomst inzake het krediet aan te gaan.
-
2 Instellingen die zijn vrijgesteld op grond van het eerste lid, zijn tevens vrijgesteld
van artikel 2:80, eerste lid, van de wet, voor wat betreft het bemiddelen in het openen van een betaalrekening of spaarrekening,
met inbegrip van de aan een dergelijke rekening verbonden betaal-, spaar-, of elektronischgeldfaciliteiten,
ten behoeve van krediet als bedoeld in het eerste lid.
-
3 Instellingen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 3a, zijn tevens vrijgesteld van artikel 2:80, eerste lid, van de wet, voor wat betreft het bemiddelen in het openen van een betaalrekening of spaarrekening,
met inbegrip van de aan een dergelijke rekening verbonden betaal-, spaar-, of elektronischgeldfaciliteiten,
ten behoeve van krediet als bedoeld in artikel 3a.
-
2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is slechts van toepassing op een bemiddelaar
indien de verzekeraar of bemiddelaar in verzekeringen waarvoor de bemiddelaar bemiddelt
ervoor zorg draagt dat de bemiddelaar voldoet aan artikel 47, vierde en vijfde lid.
§ 2.6. Herverzekeringsbemiddelen
Van artikel 2:86, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld herverzekeringsbemiddelaars voorzover zij financiële diensten verlenen
aan cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
§ 2.7. Optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent
Van artikel 2:92, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agenten voorzover zij verzekeringen
sluiten met:
-
a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid
vallen;
-
b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen
van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
zijn verbonden; of
-
c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of
herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten, waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
§ 2.8. Verlenen van beleggingsdiensten
-
1 Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten
van Amerika of Zwitserland, die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen
aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers als bedoeld in
bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014
of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening, voor
zover op het verlenen van de desbetreffende beleggingsdiensten of het in de uitoefening
van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening toezicht wordt uitgeoefend door
een toezichthoudende instantie in de staat van hun zetel en indien zij dit voorafgaand
aan het verlenen van die beleggingsdiensten of beleggingsactiviteit in Nederland aan
de Autoriteit Financiële Markten hebben aangetoond door middel van:
-
a. een verklaring, afgegeven door de desbetreffende toezichthoudende instantie; of
-
b. een schriftelijke verwijzing naar de website van de desbetreffende toezichthoudende
instantie, indien de in de aanhef bedoelde informatie aldus kan worden verkregen.
-
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder toezichthoudende instantie mede
verstaan een organisatie die geen toezichthoudende instantie is in de zin van artikel 1:1 van de wet en die als zelfregulerende organisatie, belast met toezicht op het verlenen van beleggingsdiensten
is aangewezen of erkend door een toezichthoudende instantie.
-
3 Indien zij in de staat van hun zetel niet langer onder toezicht staan voor de beleggingsdienst
die zij in Nederland verlenen, melden de beleggingsondernemingen, bedoeld in het eerste
lid, dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.
-
4 Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die op grond van
artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van de verordening markten voor financiële
instrumenten bevoegd zijn om vanuit een bijkantoor dat is gelegen in een andere lidstaat
in Nederland de in het eerste lid bedoelde beleggingsdiensten te verlenen of in de
uitoefening van hun beroep of bedrijf te handelen voor eigen rekening.
-
5 Beleggingsondernemingen als bedoeld in het eerste lid die op het tijdstip dat onmiddellijk
voorafgaat aan de inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor
financiële instrumenten 2014 zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn daarvan ook na dat tijdstip vrijgesteld, mits zij voor 1 januari 2019 aan de
Autoriteit Financiële Markten op een door haar voorgeschreven wijze melden dat zij
in Nederland geen beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of
professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling II, van de richtlijn markten
voor financiële instrumenten 2014.
-
1 Onverminderd artikel 1:18 van de wet en artikel 10 van deze regeling, zijn van artikel 2:96 van de wet vrijgesteld beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is,
die in Nederland uitsluitend in de uitoefening van hun beroep of bedrijf voor eigen
rekening handelen met of door middel van personen die ingevolge de wet bevoegd zijn
in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of
bedrijf voor eigen rekening te handelen.
-
2 Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die op grond van
artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van de verordening markten voor financiële
instrumenten bevoegd zijn vanuit een bijkantoor gelegen in een andere lidstaat in
Nederland beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf
te handelen voor eigen rekening.
-
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die voorafgaande aan
de dag van inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 2:75 van de wet voor het adviseren over financiële instrumenten hadden aangevraagd, op welke aanvraag
op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet nog niet was beslist. Het is deze
personen toegestaan zonder vergunning of ontheffing hun werkzaamheden voort te zetten,
tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.
-
4 Andere personen dan bedoeld in het eerste en tweede lid zijn, voor zover zij voldoen
aan het derde lid, vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet. Het ingevolge de artikelen 4:9, tweede lid, 4:11, tweede lid en 4:15, eerste, tweede en vierde lid, van de wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
-
5
Artikel 4:75, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering
of de daarmee vergelijkbare voorziening de aansprakelijkheid wegens fouten, verzuimen
of nalatigheden voortvloeiend uit de in dit artikel bedoelde beleggingsdiensten dekt
en de dekking ten minste € 500.000 per schadegeval en ten minste € 750.000 per jaar
voor alle schadegevallen gezamenlijk bedraagt;
Artikel 12
[Vervallen per 01-11-2007]
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen voorzover zij als particuliere participatiemaatschappijen
beleggingsdiensten verlenen met betrekking tot aandelen in hun eigen geplaatste kapitaal.
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld:
-
a. beheerders van een individueel vermogen waarvan de aandelen uitsluitend kunnen worden
gehouden door een kring van bloed- of aanverwanten voorzover zij individuele vermogens
beheren van de tot die kring behorende personen; en
-
b. beheerders van een individueel vermogen die een stichting zijn met als enig doel het
beheren van individuele vermogens van een kring van bloed- of aanverwanten, voorzover
zij individuele vermogens beheren van de tot die kring behorende personen.
§ 3.1. Beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bewaarders
Artikel 16
[Vervallen per 01-11-2007]
Artikel 17
[Vervallen per 01-11-2007]
§ 3.1A. Elektronischgeldinstellingen
§ 3.1B. Verzekeraars met beperkte risico-omvang
Natura-uitvaartverzekeraars die ingevolge artikel 1d, eerste lid, of 1f, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:48, eerste lid respectievelijk artikel 2:50, eerste lid, van de wet en schadeverzekeraars die ingevolge artikel 1e, eerste lid of 1f, tweede lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:48, eerste lid respectievelijk artikel 2:50, eerste
lid, van de wet zijn tevens vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 3:5, 3:6, 3:7 en 3:20, van de wet, is bepaald.
Kredietunies zijn vrijgesteld van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen,
met uitzondering van de artikelen 3:6 en 3:7 van de Wet, indien:
-
a. het bedrag aan aangetrokken opvorderbare gelden minder bedraagt dan € 10.000.000;
en
-
b. de onderneming op haar website, in reclame-uitingen en in documenten over de bedrijfsactiviteiten
van de onderneming, vermeldt dat de onderneming voor de uitoefening van haar activiteiten
niet vergunningplichtig is ingevolge de wet en niet onder toezicht staat van de Nederlandsche
Bank en de Autoriteit Financiële Markten.
§ 3.2. Aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld stichtingen die:
-
a. als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van de opvorderbare gelden ten behoeve
van de rechthebbenden of degenen die zullen blijken de rechthebbenden te zijn; en
-
b. uitsluitend werkzaam zijn voor advocaten die niet zelf gerechtigd zijn tot de opvorderbare
gelden, hetgeen uit een schriftelijke overeenkomst tussen de desbetreffende stichtingen
en de betrokken advocaten blijkt.
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld personen of vennootschappen die opvorderbare gelden aantrekken,
ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben tegen uitgifte van waardepapieren
aan toonder als onderdeel van een verkooptransactie in het groothandels-, industrieel
of detailhandelsbedrijf, voorzover zij:
-
a. per verkooptransactie voor een bedrag van ten hoogste een vierde van de verkoopprijs
aan waardepapieren verkopen; en
-
b. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld
in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Nederlandsche Bank indienen, waarbij wordt vermeld het totale bedrag aan:
-
1 Trustkantoren die werkzaam mogen zijn in Nederland op grond van artikel 2 van de Wet toezicht trustkantoren zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voorzover:
-
a. het aantrekken, ter beschikking hebben of ter beschikking krijgen van de opvorderbare
gelden rechtstreeks voortvloeit uit administratieve activiteiten die worden verricht
op grond van een overeenkomst tussen het trustkantoor en degene van wie de gelden
worden aangetrokken, op basis waarvan het trustkantoor diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, van de Wet toezicht trustkantoren verleent;
-
b. zij de opvorderbare gelden tijdelijk beheren; en
-
c. zij de opvorderbare gelden scheiden van de gelden van het trustkantoor door de opvorderbare
gelden aan te houden op een afgescheiden rekening.
-
2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voorzover de
stichtingen, bedoeld in het eerste lid, zorg dragen voor een onvoorwaardelijke garantie
voor alle verplichtingen ontstaan door het aantrekken, ter beschikking verkrijgen
of ter beschikking hebben van de opvorderbare gelden, welke is afgegeven door het
desbetreffende trustkantoor of een onderneming die deel uitmaakt van dezelfde groep
als dit trustkantoor en dit trustkantoor onderscheidenlijk die onderneming een eigen
vermogen heeft dat gedurende de gehele looptijd van de garantie positief is.
-
1 Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld personen die opvorderbare gelden aantrekken of ter beschikking verkrijgen
door middel van een publiekslening als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het besluit, alsmede personen die als gevolg van een zodanige aantrekking of verkrijging opvorderbare
gelden ter beschikking hebben, mits:
-
a. zij van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet
hun bedrijf maken;
-
b. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet geschiedt
met het oogmerk om kredieten te verlenen;
-
c. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden geschiedt
door tussenkomst van een persoon die over een ontheffing beschikt als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet; en
-
d. het totale bedrag aan opvorderbare gelden dat per publiekslening door de persoon,
bedoeld in de aanhef, over een periode van 12 maanden wordt aangetrokken of ter beschikking
wordt verkregen ten hoogste € 2,5 miljoen bedraagt.
-
2 Onderdeel c van het eerste lid is niet van toepassing, indien de persoon, bedoeld
in de aanhef van het eerste lid, zelf beschikt over een ontheffing als bedoeld in
artikel 4:3, vierde lid, van de wet.
§ 3.3. Waarborg- en garantiefondsen
§ 3.4. Gebruik van het woord ‘bank’
Financiëledienstverleners die in Nederland krediet mogen aanbieden, zijn vrijgesteld
van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, voorzover zij het woord ‘voorschotbank’ of een vertaling daarvan bezigen in hun
naam of bij de uitoefening van hun bedrijf.
Beleggingsinstellingen en icbe’s die zijn opgericht door een financiële onderneming
die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsinstellingen en icbe’s
die een beheerder hebben die tot dezelfde groep behoort als een zodanige financiële
onderneming en beleggingsinstellingen en icbe’s waarvan de deelnemingsrechten door
tussenkomst van een zodanige financiële onderneming aan het publiek worden aangeboden,
zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, indien:
-
a. zij een beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten
zijn en de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef, of de beheerder, bedoeld
in de aanhef, het dagelijks beleid van de beleggingsmaatschappij of maatschappij voor
collectieve belegging in effecten bepaalt;
-
b. zij een beleggingsinstelling of icbe zijn en de financiële onderneming, bedoeld in
de aanhef, of de beheerder, bedoeld in de aanhef, de beheerder van de beleggingsinstelling
of icbe is;
-
c. zij een beleggingsinstelling of icbe zijn waarvan de deelnemingsrechten door tussenkomst
van de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef, aan het publiek worden aangeboden
en die financiële onderneming daartoe een overeenkomst heeft gesloten met de beleggingsinstelling
of icbe, of met de beheerder van die beleggingsinstelling of icbe;
-
d. zij de naam van de financiële onderneming in hun naam voeren; en
-
e. uit hun naam duidelijk blijkt dat het om een beleggingsinstelling of icbe gaat.
Dochterondernemingen van een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van
bank mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, indien de verplichtingen van de dochterondernemingen worden gegarandeerd door die
financiële onderneming.
Personen of vennootschappen die bemiddelen of als tussenpersoon werkzaamheden verrichten
als bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, van de wet, ten behoeve van een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank
mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, voorzover zij bij het bemiddelen of bij het verrichten van werkzaamheden als tussenpersoon
gebruik maken van de naam van die financiële onderneming.
§ 3.5. Regime voor banken aangesloten bij een centrale kredietinstelling
De banken die zijn aangesloten bij de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank
B.A. zijn vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank op de naleving van
hetgeen ingevolge de artikelen 3:10, 3:17, 3:17a, 3:18, 3:18a, 3:57, 3:62a, 3:62b, 3:63 en 3:159ai van de wet en de delen 2 tot en met 8 van de verordening kapitaalvereisten is bepaald, voorzover
de Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A. en de aangesloten banken
voldoen aan artikel 3:111, eerste lid, van de wet.
§ 4.1. Werkzaamheden als tussenpersoon bij het aantrekken van opvorderbare gelden
van het publiek
-
1 Van artikel 4:3, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld degenen die werkzaamheden verrichten als bedoeld in dat lid, voorzover:
-
a. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van stichtingen als bedoeld in artikel 20 of 24;
-
b. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van personen of vennootschappen als
bedoeld in artikel 21; of
-
c. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van financiële ondernemingen die in
Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen.
-
2 Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, worden de volgende
voorschriften verbonden:
-
a. de werkzaamheden vinden plaats op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen
de tussenpersoon en de financiële onderneming en van deze overeenkomst wordt mededeling
gedaan aan de Autoriteit Financiële Markten;
-
b. uit de administratie van de tussenpersoon blijkt dat de gelden op naam van de desbetreffende
financiële onderneming zijn ontvangen; en
-
c. de tussenpersoon geeft bij zijn werkzaamheden aan voor welke financiële onderneming
hij de werkzaamheden verricht.
-
2 Een kredietunie als bedoel in het eerste lid vermeldt op haar website, in reclame-uitingen
en in documenten over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, dat de onderneming
voor de uitoefening van haar activiteiten niet vergunningplichtig is ingevolge de
wet en niet onder toezicht staat van de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële
Markten.
§ 4.3. Beleggingsondernemingen
-
1 Personen als bedoeld in artikel 11, eerst en tweede lid, zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge de afdelingen 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3 en 4.3.7 van de wet met betrekking tot beleggingsondernemingen is bepaald, met uitzondering van het bepaalde
ingevolge:
-
a.
artikel 4:9, eerste lid, van de wet, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
-
b.
artikel 4:10 van de wet, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
-
c.
artikel 4:13 van de wet;
-
d.
artikel 35, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het besluit, met dien verstande dat de beleggingsonderneming de gegevens gedurende ten minste
een jaar bewaart;
-
e.
artikel 4:16, eerste lid, van de wet en artikel 37 van het besluit;
-
f.
artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de wet en de artikelen 39, 40 en 41 van het besluit;
-
g.
artikel 4:19 van de wet en artikel 51a van het besluit;
-
h.
artikel 4:20, eerste en derde lid, van de wet, en de artikelen 49a, 58a, 58b, eerste lid, onderdelen a tot met e, 58c en 58e van het besluit;
-
i. de artikelen 4:23, eerste en tweede lid, 4:24, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid, 4:25a, eerste lid, en 4:25b van de wet, en de artikelen 80a, eerste tot en met derde lid, 80b, eerste en derde lid, 80c, 80d, 86c en 86f van het besluit;
-
j. de artikelen 81 en 82, eerste lid, van het besluit;
-
k.
artikel 4:89, eerste en vijfde lid, van de wet; en
-
l.
artikel 4:90, eerste lid, van de wet.
-
2 Personen als bedoeld in artikel 11, vierde lid, zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge de afdelingen 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3 en 4.3.7 van de wet met betrekking tot beleggingsondernemingen is bepaald, met uitzondering van het bepaalde
ingevolge:
-
a.
artikel 4:9, eerste lid, van de wet, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;
-
b.
artikel 4:10 van de wet, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;
-
c.
artikel 4:13 van de wet;
-
d.
artikel 35, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het besluit, met dien verstande dat de beleggingsonderneming de gegevens gedurende ten minste
een jaar bewaart;
-
e.
artikel 4:16, eerste lid, van de wet en artikel 37 van het besluit;
-
f.
artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de wet en de artikelen 39, 40 en 41 van het besluit;
-
g.
artikel 4:19 van de wet en artikel 51a van het besluit;
-
h.
artikel 4:20, eerste en derde lid, van de wet, en de artikelen 49a, 58a, 58b, eerste lid, onderdelen a tot met e, 58c en 58e van het besluit;
-
i. de artikelen 4:23, eerste en tweede lid, 4:24, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid, van de wet, en de artikelen 80a, eerste tot en met derde lid, 80b, eerste en derde lid, 80c en 80d van het besluit;
-
j. de artikelen 81 en 82, eerste lid, van het besluit;
-
k.
artikel 4:89, eerste en vijfde lid, van de wet; en
-
l.
artikel 4:90, eerste lid, van de wet en artikel 168a van het besluit.
-
3 De artikelen 4:9, tweede lid, 4:11, tweede lid, en 4:15, eerste lid, van de wet en de artikelen 28, 29 en 57, eerste lid, onderdeel c, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede, voor zover het betreft de vakbekwaamheid,
bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, de eindtermen 1d, 1f, 1g, 1h, 1i, 1j, 1k, 1l, 1p, 2d, 2e, 2f, 2g, 2i, 3b, 3c en
4b van bijlage 5 van de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening
Wft.
Artikel 38
[Vervallen per 01-11-2007]
§ 4.4. Financiële dienstverleners
Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde voorzover zij financiële diensten, anders dan met betrekking tot krediet,
verlenen aan:
-
a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid
vallen;
-
b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen
van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
zijn verbonden; of
-
c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of
herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke
zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
Instellingen als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
van de wet bepaalde met betrekking tot het aanbieden van, adviseren over en bemiddelen
in krediet, alsmede met betrekking tot het adviseren over of bemiddelen in het openen
van een betaalrekening of spaarrekening, met inbegrip van de aan een dergelijke rekening
verbonden betaal-, spaar-, of elektronischgeldfaciliteiten, ten behoeve van krediet,
voorzover:
-
a. zij krediet aanbieden ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten aan natuurlijke
personen die op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet over
geen of onvoldoende inkomen beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te
voorzien danwel uitkeringsgerechtigde zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-
b. het jaarlijks kostenpercentage van het aangeboden krediet op het tijdstip van aangaan
van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de helft van de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek; en
-
c. zij de natuurlijke personen duidelijk en volledig over hun rechten en plichten met
betrekking tot de overeenkomst hebben geïnformeerd, desgewenst schriftelijk, alvorens
de overeenkomst inzake het krediet aan te gaan.
-
2 Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van artikel 4:23, eerste en tweede lid, van de wet voorzover zij financiële diensten verlenen met betrekking tot financiële producten,
met uitzondering van:
-
a. complexe producten als bedoeld in artikel 1, van het besluit;
-
b. spaarrekeningen en de daaraan verbonden spaarfaciliteiten, waarvan de rentevergoeding
is gekoppeld aan de koersontwikkeling van tot de handel op een markt in financiële
instrumenten toegelaten financiële instrumenten;
-
c. financiële instrumenten;
-
d. krediet waarvan de kredietsom meer dan € 1.000 bedraagt;
-
e. hypothecair krediet;
-
f. verzekeringen in verband met het geheel of gedeeltelijk wegvallen van het inkomen
van een cliënt;
-
g. combinaties van twee of meer van de financiële producten, bedoeld in de onderdelen
a tot en met h van de definitie van financieel product in artikel 1:1 van de wet.
-
2 Aanbieders zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, voorzover zij financiële producten, met uitzondering van krediet, aanbieden
aan:
-
1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid
vallen;
-
2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen
van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur
zijn verbonden; of
-
3°. consumenten of, indien het aanbieden van verzekeringen betreft, cliënten waarmee zij
in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
-
6 Aanbieders van zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet zijn vrijgesteld van artikel 4:17, eerste lid, van de wet en de artikelen 57, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en 77, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het besluit.
-
2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is slechts van toepassing indien het adviseren
slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de totale werkzaamheden van de adviseur
en hij het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot
het aanbevolen financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent, bemiddelt,
optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent.
-
3 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing voorzover de adviseurs
in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject
vermelden dat zij voor het adviseren over het beleggingsobject niet onder toezicht
staan van de Autoriteit Financiële Markten.
-
2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing voorzover de desbetreffende
bemiddelaar in reclame-uitingen en documenten waarin een aanbod van het beleggingsobject
in het vooruitzicht wordt gesteld vermeldt dat hij voor het bemiddelen in het beleggingsobject
niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
-
4 De vrijstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing
op de artikelen 4:19, tweede en derde lid, 4:20, eerste lid, 4:22a, 4:24a, 4:75a van de wet en de artikelen 63a en 65b, tweede lid, van het besluit.
-
5 Een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel c, verstrekt de cliënt voorafgaand aan de overeenkomst informatie over de identiteit
en het adres van de verzekeraar of bemiddelaar in verzekeringen waarvoor de bemiddelaar
bemiddelt en over de procedure om een klacht in te dienen.
Bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, zijn vrijgesteld van artikel 4:75, eerste lid, van de wet voorzover de andere onderneming volledig voor hen verantwoordelijk is als bedoeld
in artikel 6, derde lid, en:
-
a. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning
voor het uitoefenen van het bedrijf van bank heeft; of
-
b. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning
voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar heeft.
-
1 Bemiddelaars in goederenkrediet als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, met uitzondering van de artikelen 4:19, 4:20, eerste tot en met vijfde lid, 4:16, 4:22, 4:25, 4:28, 4:29, 4:74, 4:92, 4:96, eerste lid, 4:94, derde lid, en 4:99 van de wet.
-
2 Het eerste lid is slechts van toepassing voorzover het goederenkrediet betreft waarvan
de looptijd niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte
roerende zaak, of dan de periode van dienstverlening en indien het goederenkrediet
dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel het verlenen van
een dienst en de desbetreffende bemiddelaar in goederenkrediet:
§ 4.8. Beleggingsondernemingen
Beleggingsondernemingen zijn vrijgesteld van de artikelen 85 en 86 van het besluit voorzover zij beleggingsdiensten verlenen aan professionele beleggers.
§ 4.9. Herverzekeringsbemiddelaars
§ 5.1. Aanbieden van effecten
Artikel 52a
[Vervallen per 01-01-2009]
-
2 Het aanbieden van effecten aan het publiek is vrijgesteld van hetgeen ingevolge hoofdstuk 5.1 van het Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet is bepaald, voorzover het betreft effecten die deel uitmaken van een aanbieding waarbij
de totale tegenwaarde van de aanbieding binnen de Europese Economische Ruimte, berekend
per categorie en over een periode van twaalf maanden, minder dan € 5 miljoen bedraagt.
-
5 Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde beleggers wordt gedaan
is het tweede lid slechts van toepassing voor zover de aanbieders in reclame-uitingen
en documenten waarin de aanbieding in het vooruitzicht wordt gesteld, vermelden dat
ingevolge de wet geen verplichting bestaat tot het algemeen verkrijgbaar stellen van een prospectus
dat is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten ter zake van de aanbieding
en dat op de aanbieding geen toezicht wordt uitgeoefend door de Autoriteit Financiële
Markten.
-
6 Degenen die, onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, f, en het tweede
lid, een prospectus opstellen overeenkomstig hoofdstuk 5.1 van de wet, kunnen de Autoriteit Financiële Markten verzoeken om dit prospectus goed te keuren.
In dat geval zijn de artikelen 5:9, eerste lid, 5:9a en 5:10 van de wet van overeenkomstige toepassing.
-
8 Het vierde lid, onderdeel b, en het zevende lid zijn niet van toepassing op aanbieders
van effecten die vallen onder de werking van de verordening essentiële-informatiedocumenten
en op beheerders van beleggingsinstellingen die op grond van artikel 4:37l, eerste lid, van de wet, een prospectus aan beleggers dienen te verstrekken.
-
2 Het aanbieden van aandelen, of certificaten daarvan, aan het publiek is vrijgesteld
van hetgeen ingevolge hoofdstuk 5.1 van het Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet is bepaald, voorzover op de toelating daarvan tot de handel op de gereglementeerde
markt artikel 5:4, aanhef en onderdeel a, van de wet van toepassing is en ter zake van een eerdere toelating tot de handel op dezelfde
gereglementeerde markt van dezelfde aandelen, of certificaten daarvan, van dezelfde
categorie of klasse, een prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld dat is goedgekeurd
door de Autoriteit Financiële Markten of een toezichthoudende instantie van een andere
lidstaat.
-
3 Het aanbieden van aandelen, of certificaten daarvan, aan het publiek die voortkomen
uit de conversie of omruiling van andere effecten of uit de uitoefening van rechten
verbonden aan andere effecten is vrijgesteld van hetgeen ingevolge hoofdstuk 5.1 van het Deel Gedragstoezicht financiële markten van de wet is bepaald, voorzover:
-
a. ter zake van de aanbieding van die andere effecten aan het publiek een prospectus
algemeen verkrijgbaar is gesteld dat is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële
Markten of een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat; en
-
b. de aan te bieden aandelen, of certificaten daarvan, van dezelfde categorie of klasse
zijn als de reeds aangeboden effecten.
-
3 Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die aandelen of certificaten daarvan aanbieden aan het publiek
in Nederland, voor zover: a. op de toelating daarvan tot de handel op een in Nederland
gelegen of functionerende gereglementeerde markt artikel 5:4, onderdeel a, van de wet van toepassing is en ter zake van een eerdere toelating tot de handel op dezelfde
gereglementeerde markt van tot diezelfde categorie of klasse behorende aandelen, of
certificaten daarvan, een prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld dat voldeed
aan het ten tijde van die eerdere toelating geldende recht; en
Van artikel 5:2 van de wet is vrijgesteld iedere doorverkoop of definitieve plaatsing van effecten aan het publiek
via financiële intermediairs, voorzover er een geldig prospectus als bedoeld in artikel 5:22 van de wet algemeen verkrijgbaar is gesteld en de uitgevende instelling of de voor het opstellen
van een dergelijk prospectus verantwoordelijke persoon bij schriftelijke overeenkomst
instemt met het gebruik hiervan.
Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die effecten aanbieden aan het publiek, voorzover de effecten
worden aangeboden aan personen, niet zijnde gekwalificeerde beleggers, die een schriftelijke
overeenkomst van lastgeving hebben afgesloten met een vermogensbeheerder die op grond
van de wet in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen en die op grond van die overeenkomst
zonder last of ruggespraak met de volmachtgever naar eigen inzicht transacties kan
verrichten of bewerkstelligen.
Van artikel 5:2 van de wet zijn vrijgesteld degenen die effecten aanbieden aan het publiek, voor zover het effecten
betreft die door een werkgever of door een met die werkgever in een groep verbonden
rechtspersoon, vennootschap of instelling, worden aangeboden of toegewezen dan wel
toe te wijzen zijn aan huidige of voormalige bestuurders, huidige of voormalige leden
van de raad van commissarissen of huidige of voormalige werknemers, indien:
-
a. een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat over het aantal aangeboden
effecten, de kenmerken van de effecten, de redenen voor de aanbieding en de bijzonderheden
daarvan; en
-
b. die werkgever of de met die werkgever in een groep verbonden rechtspersoon, vennootschap
of instelling haar hoofdkantoor:
-
1° in de Europese Economische Ruimte heeft; of
-
2° buiten de Europese Economische Ruimte heeft en haar effecten tot de handel op een
gereglementeerde markt zijn toegelaten; of
-
3° buiten de Europese Economische Ruimte heeft en haar effecten tot de handel op een
markt van een derde land worden toegelaten indien er adequate documentatie – waaronder
het beschikbaar gestelde document – ten minste beschikbaar is in een taal die in internationale
financiële kringen gebruikelijk is en de Europese Commissie voor de betrokken markt
in het derde land een gelijkwaardigheidsbesluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
van de richtlijn prospectus conform de procedure, bedoeld in artikel 24, tweede lid,
van de richtlijn prospectus heeft genomen.
§ 5.2. Optreden op markten in financiële instrumenten
§ 5.2a. Openbaar bod op effecten
Van artikel 5:74, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld bieders voor zover zij een openbaar bod uitbrengen op effecten:
-
a. waar geen rechtstreeks of potentieel stemrecht aan verbonden is, met uitzondering
van niet-royeerbare certificaten; of
-
b. die door henzelf zijn uitgegeven.
Van artikel 5:79 van de wet zijn vrijgesteld bieders voor zover zij effecten verwerven:
-
a. in regelmatig verkeer op markten in financiële instrumenten;
-
b. met toepassing van de artikelen 92a, 201a of 336 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; of
-
c. ingevolge een openbaar bod waarvan de aanmeldingstermijn geheel of ten dele samenvalt
met een openbaar bod dat door een derde wordt uitgebracht op effecten van de doelvennootschap.
§ 5.3. Toepassen van een gedragscode door institutionele beleggers
Vrijstelling als bedoeld in artikel 5:87 van de wet
Van artikel 5:86, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld beheerders van beleggingsinstellingen of icbe’s:
-
a. waarvan de rechten van deelneming slechts kunnen worden verworven tegen een tegenwaarde
van ten minste € 100.000 per deelnemer;
-
b. waarvan de rechten van deelneming een nominale waarde per recht hebben van ten minste
€ 100.000;
-
c. die rechten van deelneming aanbieden aan minder dan 150 personen die geen gekwalificeerde
belegger zijn;
-
d. die rechten van deelneming uitsluitend aanbieden aan gekwalificeerde beleggers;
-
e. die een startersfonds zijn als bedoeld in artikel 3.10.1 van de Regeling nationale EZ-subsidies;
-
f. waarvan:
-
1°. het balanstotaal voor minder dan vijftig procent bestaat uit beleggingen, en
-
2°. minder dan vijftig procent van de totale gerealiseerde opbrengsten gegenereerd wordt
uit beleggingen; of
-
g. waarvan alleen rechten van deelneming zijn aangeboden aan bestuurders, leden van de
raad van commissarissen of werknemers van die beleggingsinstelling, of aan bestuurders,
leden van de raad van commissarissen of werknemers van een met die beleggingsinstelling
in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur verbonden rechtspersoon, vennootschap
of instelling.
Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen
§ 6.1. Bijzondere bepalingen
- Toon wetstechnische informatie van: Vrijstelling als bedoeld in de artikelen 2:59, eerste lid, 2:64, eerste lid,
2:79, eerste lid, 2:85, eerste lid, 2:91, eerste lid, 2:95, eerste lid en 2:104, eerste
en tweede lid, van de wet
-
1 Van de artikelen 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid, 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste lid, 2:92, eerste lid en 2:96 van de wet zijn vrijgesteld rechtspersonen als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, onderdeel a, van de Vrijstellingsregeling Wfd en, voorzover het artikel 2:80, eerste lid betreft, onderbemiddelaars in krediet als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, onderdeel b, van de Vrijstellingsregeling Wfd, die overeenkomstig het eerste lid van dat artikel een vergunning of ontheffing hebben aangevraagd, op welke aanvraag op het tijdstip
van inwerkingtreding van de wet nog niet is beslist.
-
2 Het eerste lid is van toepassing totdat de Autoriteit Financiële Markten op de in
dat lid bedoelde aanvraag heeft beslist. Artikel 31, tweede tot en met vierde lid,
van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 59
[Vervallen per 01-11-2007]
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling Wft.
Bijlage A. Informatiedocument voor aanbiedingen van effecten
(Bijlage als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b)
Tekst die tussen vierkante haken staat, wordt vervangen door de toepasselijke gegevens.
Telkens als «indien van toepassing» is vermeld, moet de aanbieder of uitgevende instelling
de vereiste informatie invullen indien de informatie relevant is voor de aanbieding.
Indien de informatie niet relevant is voor de aanbieding, schrapt de aanbieder of
uitgevende instelling de desbetreffende informatie of de hele rubriek.
De onderstaande informatie wordt in één enkel document meegedeeld. Het gebruikte lettertype
moet duidelijk leesbaar zijn.