Besluit maatschappelijke ondersteuning

[Regeling vervallen per 01-01-2015.]
Geldend van 01-01-2013 t/m 08-11-2013

Besluit van 2 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot de uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid, de stimuleringsuitkeringen, de eigen bijdrage en de financiële tegemoetkomingen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en wijziging van andere besluiten (Besluit maatschappelijke ondersteuning)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2006, kenmerk DMO/SFI-2698621;

Gelet op artikel 1, zesde lid, artikel 15, derde lid, artikel 19, tweede lid, artikel 20, eerste tot en met derde lid, en artikel 21, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en op de Kaderwet militaire pensioenen, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Tabakswet, de Wet op de jeugdzorg, de Wet tarieven gezondheidszorg, de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Ziektewet, de Wet inburgering nieuwkomers, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Overgangswet verzorgingshuizen;

De Raad van State gehoord (advies van 25 september 2006, nummer W13.06.0325/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 2006, kenmerk DMO/SFI-2718633;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Definitiebepaling

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen c en d vervallen.

2. De onderdelen e, f, g en h worden geletterd c, d, e en f.

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2015]

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. de wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • b. inkomen:

    • 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

    • 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

  • c. maatschappelijke opvang: maatschappelijk opvang, vrouwenopvang daaronder niet begrepen;

  • d. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend;

  • e. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • f. grondslag sparen en beleggen: de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Stb. 2013, 535, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2013.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. de wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • b. inkomen:

    • 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

    • 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

  • c. maatschappelijke opvang: maatschappelijk opvang, vrouwenopvang daaronder niet begrepen;

  • d. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend;

  • e. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • f. grondslag sparen en beleggen: de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • g. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • h. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • i. vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 1.1.

Artikel 1.1

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het vermogen van een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend respectievelijk van zijn echtgenoot, is het verschil tussen zijn vermogengrondslag en de op grond van het vierde en vijfde lid voor hem toegepaste verminderingen met dien verstande dat het ten minste nihil bedraagt.

  • 2 De vermogensgrondslag van een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend respectievelijk van zijn echtgenoot, is zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar, of indien op die persoon het tweede lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, het aan hem over het peiljaar toegerekende gedeelte van de toepasselijke gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in dat tweede lid.

  • 3 In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, bij toepassing jegens hem van artikel 4.2, derde lid, de te verwachten grondslag sparen en beleggen over het lopende jaar, of indien artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermoedelijk op de verzekerde van toepassing zal zijn, het te verwachten aan hem toe te rekenen deel van de toepasselijke te verwachten gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 4 Op aanvraag wordt voor de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend respectievelijk voor zijn echtgenoot, een vermindering toegepast voor een bedrag ter grootte van door hem in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen.

  • 5 Het deel van het bedrag, bedoeld in het vierde lid, dat de vermogensgrondslag van de de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend respectievelijk van de echtgenoot, overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 535, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Hoofdstuk Ia. Vreemdelingen die met een Nederlander worden gelijkgesteld

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

    • a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

    • b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Hoofdstuk II. Uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit hoofdstuk is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit hoofdstuk. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het hoofdstuk vervalt.

Artikel 2.1

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage, onder A, opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2010.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage, onder B, opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van vrouwenopvang.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2010.

Artikel 2.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van vrouwenopvang.

Artikel 2.3

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren beleid op de terreinen van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door Onze Minister toegekend met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met 2.9.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2010.

Uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren beleid op het terrein van vrouwenopvang worden door Onze Minister toegekend met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met 2.9.

Artikel 2.4

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Onze Minister geeft voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar aan de colleges van burgemeester en wethouders kennis van de verwachte uitkeringen voor het uitkeringsjaar.

  • 2 Onze Minister beslist voor 15 januari van het kalenderjaar omtrent de verlening. De beschikking bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt verleend, is bepaald.

  • 3 Op de verleende uitkering wordt maandelijks een voorschot verleend van één twaalfde deel van de verleende uitkering.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.5

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Bij de verlening van een uitkering kan Onze Minister bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 2 Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 3 Indien een uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.6

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Voor zover na afloop van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan het doel van de uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus gereserveerde bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel waarvoor de uitkering werd verstrekt.

  • 2 Het totaal van de reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een percentage van 30% van de verleende uitkering niet te boven.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.7

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De bijlage bij de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de uitkeringsperiode afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.8

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Het college van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.9

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Onze Minister geeft binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling van de uitkering. De artikelen 4:46, 4:49, 4:52, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 2.10

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Onze Minister kan, gelet op het belang dat dit hoofdstuk beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Hoofdstuk III. Stimuleringsuitkeringen

[Vervallen per 01-01-2015]

§ 1. Het aanvragen of ambtshalve toekennen van een stimuleringsuitkering

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3.1.1

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een stimuleringsuitkering wordt op aanvraag verleend.

  • 2 Onze Minister kan stimuleringsuitkeringen verlenen die zich uitstrekken over meer dan één kalenderjaar.

  • 3 De aanvraag van de stimuleringsuitkering wordt uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van de periode waarop deze betrekking heeft, ingediend.

  • 4 Bij de aanvraag wordt aangegeven welke activiteiten met behulp van de stimuleringsuitkering zullen worden gesubsidieerd, welke doelen daarmee worden nagestreefd en welke kosten met de activiteiten zullen zijn gemoeid.

  • 5 Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het derde lid genoemde aanvraagtermijn.

Artikel 3.1.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Indien het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt bepaald door het voor het verstrekken van stimuleringsuitkeringen in een bepaald tijdvak beschikbare bedrag onder gemeenten te verdelen op grond van een verdeelmaatstaf als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit financiële verhouding 2001 kan de stimuleringsuitkering in afwijking van artikel 3.1.1 zonder voorafgaande aanvraag worden verleend. Bij ministeriële regeling wordt als dan bepaald voor welke activiteiten de stimuleringsuitkering is bestemd.

§ 2. Het verlenen van een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3.2.1

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Onze Minister geeft een beschikking op de aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat op aanvragen wordt beslist op of na een of meer bepaalde data in een kalenderjaar.

  • 2 Indien de beslissing een verlening inhoudt, wordt het bedrag van de stimuleringsuitkering vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en welk bedrag ten hoogste zal worden verleend.

Artikel 3.2.1a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien de stimuleringsuitkering zonder voorafgaande aanvraag wordt verleend, wordt in de beschikking tot verlening van de stimuleringsuitkering het bedrag van de stimuleringsuitkering vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en welk bedrag ten hoogste zal worden verleend.

Artikel 3.2.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van voorschotten.

Artikel 3.2.3

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Bij de verlening van een stimuleringsuitkering kan Onze Minister bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 2 Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de stimuleringsuitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 3 Indien een stimuleringsuitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

§ 3. Aan de verlening van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3.3.1

[Vervallen per 01-01-2015]

Het college van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van een stimuleringsuitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin een stimuleringsuitkering is verstrekt, zendt het college van burgemeester en wethouders een schriftelijk verslag aan Onze Minister over de activiteiten waarvoor een stimuleringsuitkering is verstrekt.

Artikel 3.3.3

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien het college slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt het college de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn.

  • 2 Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.

  • 3 Het college van burgemeester en wethouders werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Artikel 3.3.4

[Vervallen per 01-01-2015]

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan de verlening van bepaalde categorieën van stimuleringsuitkeringen te verbinden verplichtingen.

§ 4. De vaststelling van een stimuleringsuitkering en betaling

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3.4.1

[Vervallen per 01-01-2015]

De bijlage bij de jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin een stimuleringsuitkering is verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 3.4.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Onze Minister geeft binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording, volgend op het jaar waarin de uitkeringsperiode afloopt een beschikking tot vaststelling van de stimuleringsuitkering. De artikelen 4:46, 4:49, 4:52, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Overige bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 3.5.1

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt berekend.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan en het verslag.

Hoofdstuk IV. Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 4.1

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

    • a. voor de ongehuwde persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 23 208 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23 208;

    • b. voor de ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16 257 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16 257;

    • c. voor de gehuwde personen indien een van beide de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 28 733 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 28 733;

    • d. voor de gehuwde personen die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 26,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22 676 het bedrag van € 26,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22 676.

  • 2 De gemeenteraad kan de verschuldigde eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, verlagen door de in het eerste lid genoemde bedragen per vier weken of het percentage van 15 te verlagen of de overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.

  • 3 Bij de toepassing van het eerste lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt.

  • 4 Op de met toepassing van het eerste en tweede lid vastgestelde bijdrage wordt een korting van 33% toegepast.

  • 5 Indien de voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager, kan gedurende maximaal negenendertig perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening worden gebracht dan wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming gedurende maximaal die periode een met toepassing van de daarvoor geldende regels berekende bedrag in mindering worden gebracht.

  • 6 De bijdrage is niet verschuldigd voor een rolstoel.

  • 7 De bijdrage of het eigen aandeel in de kosten is niet verschuldigd indien de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend of zijn echtgenoot een bijdrage ingevolge de artikelen 4 of 14 van het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.

  • 8 De persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, is de eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten niet verschuldigd in de periode, bedoeld in het derde lid, dat deze persoon gedurende meer dan een nacht verblijft in een maatschappelijke opvang of een vrouwenopvang.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2013.

1 Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

  • b. voor de ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 18,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16 257 het bedrag van € 18,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16 257;

Artikel 4.1a

[Vervallen per 01-01-2015]

De persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 4.1b

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 4.1, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat maatschappelijke ondersteuning wordt verleend.

  • 2 Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan die persoon is verzonden.

Artikel 4.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 2 Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.

  • 3 Op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en de grondslag sparen en beleggen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 1816 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

  • 5 De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 535, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2013.

1 Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, onderscheidenlijk van de gehuwde personen tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en zijn echtgenoot.

3 Op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.3

[Vervallen per 01-01-2015]

Voor de toepassing van de artikelen 4.1 en 4.2 wordt een wijziging in de burgerlijke staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het bereiken van een van belang zijnde leeftijd van een van deze personen in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld.

Artikel 4.4

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.

  • 2 Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 535, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2013.

1 Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde personen aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.

2 Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.

Artikel 4.4a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.

  • 2 De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.

  • 3 Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage is herzien, aan die persoon is verzonden.

  • 4 Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen bijdrage van rechtswege definitief.

Artikel 4.5

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Bij ministeriële regeling worden de bedragen per vier weken, genoemd in artikel 4.1, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.

  • 2 De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2.

  • 3 Bij de jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.6

[Vervallen per 01-01-2015]

Het CAK, is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 4.7

[Vervallen per 01-01-2015]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 4.8

[Vervallen per 01-01-2015]

De gemeenteraad is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens deze wet of de Wet werk en bijstand.

Hoofdstuk V. Aanwijzen van instellingen voor het gebruik van het burgerservicenummer

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2015]

Als instellingen als bedoeld in artikel 18, van de wet worden aangewezen de instellingen die huishoudelijke verzorging verlenen.

Hoofdstuk VI. Wijziging van andere besluiten

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 6.1

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.]

Artikel 6.2

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.]

Artikel 6.5

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten.]

Artikel 6.6

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ, WVG en WWIK.]

Artikel 6.9

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.]

Artikel 6.13

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.]

Artikel 6.15

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, tweede lid, Kwaliteitswet zorginstellingen, enz.]

Artikel 6.16

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt het Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ.]

Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 7.1

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Tot 1 januari 2008 is de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend geen eigen bijdrage ingevolge de wet verschuldigd, indien deze persoon of zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.

  • 2 Tot 1 januari 2008 blijft op een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 19 van de wet geen aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning voor eigen rekening van de persoon aan wie een zodanige tegemoetkoming is verleend, indien deze persoon of zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt en komt vervolgens te luiden:

De artikelen 2.6 tot en met 2.10, zoals die luidden tot het tijdstip waarop Hoofdstuk II is komen te vervallen, blijven van toepassing met betrekking tot uitkeringen die zijn verstrekt op grond van dit besluit.

Artikel 7.2

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

Het artikel vervalt.

Artikel 7.4

[Vervallen per 01-01-2015]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 2 oktober 2006

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de vijfde oktober 2006

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning

[Vervallen per 01-01-2015]

Terugwerkende kracht

Voor deze bijlage is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

A. Gemeenten waaraan een uitkering openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid wordt verstrekt

[Vervallen per 01-01-2015]

Almere

Apeldoorn

Assen

Bergen op Zoom

Delft

Den Helder

Doetinchem

Ede

Gouda

Hilversum

Hoorn

Oss

Purmerend

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

B. Gemeenten waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt

[Vervallen per 01-01-2015]

Almere

Apeldoorn

Delft

Den Helder

Ede

Gouda

Hilversum

Spijkenisse

Vlaardingen

Vlissingen

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2010.

Bijlage bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning

[Vervallen per 01-01-2015]

Gemeenten waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt

Alkmaar

Almere

Amersfoort

Amsterdam

Apeldoorn

Arnhem

Breda

Delft

Den Haag

Den Helder

Dordrecht

Ede

Eindhoven

Emmen

Enschede

Gouda

Groningen

Haarlem

Heerlen

Helmond

’s Hertogenbosch

Hilversum

Leeuwarden

Leiden

Maastricht

Nijmegen

Rotterdam

Spijkenisse

Tilburg

Utrecht

Venlo

Vlaardingen

Vlissingen

Zaanstad

Zwolle

Stb. 2013, 441, datum inwerkingtreding 09-11-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2011.

De bijlage vervalt.

Terug naar begin van de pagina