Besluit Participatiewet

Geldend van 01-01-2018 t/m heden

Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989;

Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. wet: Participatiewet;

  • b. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • c. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • d. Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • e. uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004;

  • f. gemeentelijke lasten op grond van de PW: de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers, en verstrekte loonkostensubsidies op grond van de wet, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • g. gemeentelijke lasten op grond van de IOAW: de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAW, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • h. gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ: de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAZ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • i. gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004: de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand verleend aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • j. toetsingscommissie: de toetsingscommissie vangnet Participatiewet, bedoeld in artikel 73 van de wet;

  • k. netto-lasten: de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, uitkeringen en verstrekte loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet;

  • 1. in aanmerking komende netto lasten: de netto lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004, verminderd met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt;

  • m. gemeentelijke netto uitgaven voor uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners: de netto uitgaven van een gemeente aan algemene bijstand voor dak-, thuis- en adreslozen en elders verzorgden, welke worden ontleend aan het Stelsel van sociaal-statistische bestanden (SSB) van het CBS, in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • n. totale gemeentelijke netto uitgaven aan uitkeringen Pw, IOAW en IOAZ: de totale netto uitgaven aan uitkeringen op grond van de wet, de IOAW en de IOAZ, welke worden ontleend aan het Stelsel van Sociaal-statistische bestanden (SBB) van het CBS, in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;

  • o. vergunninghouder: vergunninghouder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Huisvestingswet 2014;

  • p. beschikbare macrobudget: het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet, verminderd met het bedrag dat in dat uitkeringsjaar beschikbaar wordt gesteld voor de vangnetuitkering voor zover dat bedrag niet op grond van artikel 74, tweede lid, van de wet is vastgesteld.

§ 2. Uitkering

Artikel 2. Vaststelling aantal inwoners

  • 1 Voor de vaststelling van het aantal inwoners in dit besluit geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.

  • 2 Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek «Demografische kerncijfers per gemeente» van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 3. Berekening uitkering gemeente

  • 1 De uitkering voor een gemeente wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    U = BO + BL + BDTI + BV

    Waarbij:

    • a. U de Uitkering is;

    • b. BO het deel van de uitkering is dat objectief wordt vastgesteld;

    • c. BL het deel van de uitkering dat is bepaald op basis van de historische lasten;

    • d. BDTI het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners; en

    • e. BV het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van de uitkeringen aan vergunninghouders die in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar in een gemeente zijn gehuisvest.

  • 2 Het deel van het budget dat objectief wordt vastgesteld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    BO = [(m * O) / som (m*O)] * TBO

    Waarbij:

    • a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld:

      • 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners.

      • 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners

      • 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000.

    • b. O staat voor de uitkomst van het objectieve verdeelmodel;

    • c. (m*O) staat voor de objectieve grondslag voor de vaststelling van het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget;

    • d. Som (m*O) de optelsom is van de objectieve grondslagen (m *O) van alle gemeenten; en

    • e. TBO staat voor het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget.

  • 3 Het deel van het budget dat is bepaald op basis van de historische lasten, bedoeld in het eerst lid, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    BL = (1-m) * L/ TL * TB

    Waarbij:

    • a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld:

      • 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners.

      • 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners

      • 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000.

    • b. L staat voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004;

    • c. TL het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten samen.

    • d. TB het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand en uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder begrepen het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004, en voor kosten van loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet, verminderd met de som van de gemeentelijke uitkeringen ten behoeve van uitkeringen aan vergunninghouders die in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar bij een gemeente zijn gehuisvest.

  • 4 Het deel van het budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de uitkering aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    BDTI = m * GU/TGU * TB

    Waarbij:

    • a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld:

      • 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners.

      • 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners

      • 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000.

    • b. GU staat voor de gemeentelijke netto uitgaven voor uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners;

    • c. TGU staat voor de totale gemeentelijke netto uitgaven aan uitkeringen Pw, IOAW en IOAZ.

  • 5 Het deel van de uitkering dat wordt verstrekt ten behoeve van de uitkeringen aan vergunninghouders die in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar in een gemeente zijn gehuisvest, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    BV = GV/TGV * TBV

    Waarbij:

    • a. GV staat voor het aantal gehuisveste vergunninghouders in een gemeente in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar;

    • b. TGV staat voor het totaal aantal gehuisveste vergunninghouders in heel Nederland in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar;

    • c. TBV staat voor het in de bijlage bij dit besluit vastgestelde beschikbare budget voor de vergunninghouders die in heel Nederland in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar zijn gehuisvest.

  • 6 Het macrobudget objectief (TBO), bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, bestaat uit het beschikbare macrobudget (TB), verminderd met de som van de historisch verdeelde delen van de gemeentelijke uitkeringen, bedoeld in het derde lid, en de som van de gemeentelijke uitkeringen ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het vierde lid.

  • 7 Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld op basis van historische lasten, bedoeld in het zesde lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    SOM [(1-m) * L/TL ] * TB

  • 8 Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het zesde lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    SOM [m * GU/TGU] * TB

Artikel 6. Objectief verdeelmodel en macrobudget

  • 1 Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 vastgesteld en de kosten van de loonkostensubsidies, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

  • 3 Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.

  • 5 De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet.

Artikel 7. Te late indiening verantwoordingsinformatie

  • 1 Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt bepaald, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van artikel 3, derde en zesde lid, en artikel 8a, eerste lid, voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume.

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het eerste lid vastgesteld.

Artikel 8. Gemeenschappelijke regelingen

  • 2 Indien van een openbaar lichaam de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt voor de ontbrekende informatie uitgegaan van de verantwoordingsinformatie van het openbaar lichaam over het jaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, indien die verantwoordingsinformatie door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen.

Artikel 8a. Overgangsrecht voor het jaar 2017

In afwijking van artikel 3 wordt de uitkering voor een gemeente in het jaar 2017 berekend aan de hand van de volgende formule:

U = 0.25 * L/ TL * TB + 0,75 * (BO + BL + BDT) + BV

Waarbij:

  • a. L staat voor de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004;

  • b. TL staat voor het totaal van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 is voor alle gemeenten samen; en

  • c. BO, BL, BDT en BV worden berekend overeenkomstig artikel 3.

Artikel 8b. Voorschot uitkering wegens kosten in de jaren 2016 en 2017 ten behoeve van vergunninghouders

  • 1 Onze Minister verleent in 2016 en 2017 indien het college hiertoe een aanvraag heeft ingediend een voorschot voor de uitkering, bedoeld in artikel 69 van de wet, die in de jaren 2018 tot en met 2026, aan het college zal worden verstrekt om het college van middelen te voorzien voor kosten van algemene bijstand, uitkeringen en loonkostensubsidies als bedoeld in dit besluit ten behoeve van vergunninghouders.

  • 2 Het voorschot dat in 2016 wordt verleend, wordt in gelijke delen verrekend met de uitkeringen in de jaren 2018 tot en met 2025. Het voorschot dat in 2017 wordt verleend, wordt in gelijke delen verrekend met de uitkeringen in de jaren 2019 tot en met 2026.

  • 3 Het voorschot bedraagt een door Onze Minister vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    Mvvt = AVt/TAVt * TBVt

    Waarbij:

    • a. Mvvt staat voor het maximaal aan een gemeente te verlenen voorschot in jaar t;

    • b. AVt staat voor het aantal door een gemeente gehuisveste vergunninghouders in de periode januari tot en met november van jaar t vermenigvuldigd met het aantal maanden waarin deze vergunninghouders zijn gehuisvest in de gemeente;

    • c. TAVt staat voor het totaal van alle gehuisveste vergunninghouders in de periode januari tot en met november van jaar t in Nederland, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat deze vergunninghouders zijn gehuisvest;

    • d. TBVt staat voor het totaal door Onze Minister voor jaar t beschikbaar gestelde bedrag dat als voorschot kan worden verleend;

    • e. t staat voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.

  • 5 Als aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend aangemerkt een volledig ingevuld door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier dat uiterlijk op 25 november van het jaar waarin het voorschot wordt verleend door Onze Minister is ontvangen. Een verzoek dat wordt ontvangen na 25 november wordt niet behandeld.

§ 3. Vangnetuitkering

Artikel 9. Toetsingscommissie

  • 1 De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.

Artikel 10. Vangnetuitkering

  • 1 De vangnetuitkering, bedoeld in artikel 74 van de wet, wordt slechts toegekend voor zover:

    • a. het college een hiertoe strekkend verzoek heeft ingediend middels een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier;

    • b. voldaan is aan de vereisten, genoemd in dit artikel, en aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;

    • c. de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan vijf procent overstijgen en de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en de twee daaraan voorafgaande jaren de over die periode verstrekte uitkeringen met meer dan vijf procent van de over het uitkeringsjaar verstrekte uitkering overstijgen;

    • d. het college heeft verklaard dat het maatregelen heeft getroffen om te komen tot tekortreductie en deze verklaring de instemming heeft van de gemeenteraad; en

    • e. de verklaring van het college een toelichting omvat zoals gevraagd in het modelaanvraagformulier.

  • 2 Indien een verzoek wordt ingediend door het college van een gemeente waaraan in een van de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren een vangnetuitkering is verleend, verklaart het college bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, eveneens dat het interne en externe maatregelen heeft getroffen om tot verdere tekortreductie te komen.

  • 3 Indien het verzoek voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het eerste en tweede lid, bedraagt de hoogte van de vangnetuitkering:

    • a. vijftig procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 105% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan vijf maar niet meer dan twaalf-en-een-half procent overstijgen;

    • b. honderd procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 112,5% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan twaalf-en-een-half procent overstijgen.

  • 4 Indien bij de vaststelling van de uitkering artikel 7 is toegepast, wordt voor de beoordeling van het tekort de verstrekte uitkering vastgesteld op het bedrag dat is gebaseerd op de gemeentelijke lasten waarbij artikel 7 niet zou zijn toegepast.

  • 5 Informatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, die anders dan op verzoek na 15 augustus van het jaar waarin het verzoek is ingediend door de toetsingscommissie of door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen, wordt in de beoordeling van het verzoek niet meegewogen.

  • 6 Indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76 van de wet geeft wordt een verzoek tot een vangnetuitkering afgewezen over het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en over het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven.

Artikel 10a. Overgangsrecht vangnetuitkering 2016 en 2017

  • 1 De vangnetuitkering, bedoeld in artikel 74 van de wet, wordt, slechts toegekend:

    • a. over het uitkeringsjaar 2016 indien in afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, en artikel 10, tweede lid, is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, onderdelen a, b, c en d, zoals deze onderdelen luidden op 31 december 2016, waarbij de globale analyse, bedoeld in onderdeel a, geen betrekking heeft op de inwerkingtreding van de Participatiewet en de eerdere financiële resultaten van de uitvoering van de Wet werk en bijstand, en de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering in 2016 met meer dan vijf procent overstijgen of de in aanmerking te nemen netto lasten meer bedragen dan het aantal inwoners van de gemeente vermenigvuldigd met € 30;

    • b. over het uitkeringsjaar 2017 indien in afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering in 2017 met meer dan vijf procent overstijgen en de in aanmerking komende netto lasten over 2017 en 2016 de over die periode verstrekte uitkeringen met meer dan vijf procent van de over 2017 verstrekte uitkering overstijgen.

  • 2 In afwijking van artikel 10, derde lid, blijft artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zoals deze leden luidden op 31 december 2016, van toepassing op de vaststelling van de hoogte van de vangnetuitkering over het jaar 2015, en blijft artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zoals deze leden luidden op 31 december 2016, van toepassing op de vaststelling van de hoogte van de vangnetuitkering over het jaar 2016.

Artikel 10b. Overgangsrecht incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen

[Vervallen per 01-01-2017]

§ 4. Overige en slotbepalingen

Artikel 11. : Niet-ingeschrevenen

  • 2 De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment van zijn aanvraag bevindt.

Artikel 13a. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b, 10c en 10d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk.

Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 augustus 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de negenentwintigste augustus 2006

De Staatssecretaris van Justitie ,

J. P. H. Donner

Bijlage behorende bij artikel 6 van het Besluit Participatiewet

Deze bijlage bevat een nadere toelichting bij de verdeelsystematiek zoals deze is beschreven in artikel 3 van het Besluit. Daarnaast bevat deze bijlage een toelichting op het verdeelmodel zoals genoemd in artikel 6 van het Besluit.

Algemene beschrijving verdelingssystematiek

De wijze waarop de uitkering voor gemeenten wordt vastgesteld is afhankelijk van het aantal inwoners. Er zijn drie categorieën te onderscheiden. Gemeenten met 15.000 inwoners of minder, gemeenten met meer dan 40.000 inwoners en de gemeenten met 15.000 tot 40.000 inwoners.

Gemeenten met 15.000 inwoners of minder

Voor gemeenten met 15.000 inwoners of minder (kleine gemeenten) wordt de uitkering volledig historisch bepaald op basis van de gerealiseerde gemeentelijke lasten, waarbij rekening wordt gehouden met de groei of krimp van het aantal huishoudens in de tussenliggende periode. Concreet betekent dit voor deze kleine gemeenten dat het aandeel van de gemeentelijke uitgaven in de totale landelijke uitgaven wordt bepaald in jaar t-2. Hierbij worden voor iedere afzonderlijke gemeente de gemeentelijke uitgaven gecorrigeerd voor de groei en krimp van huishoudens tussen 1 januari t-2 en 1 januari t-1. Het resulterende uitgavenaandeel in jaar t-2 bepaalt het budgetaandeel voor jaar t. Voor de bepaling van de uitkering wordt dit budgetaandeel ten slotte vermenigvuldigd met het voor jaar t beschikbare macrobudget.

Gemeenten met meer dan 40.000 inwoners

Voor de vaststelling van de uitkering voor gemeenten met meer dan 40.000 inwoners (grote gemeenten) wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten. Deze worden op grond van artikel 6 van het besluit bepaald aan de hand van een objectief verdeelmodel. Een toelichting op dit objectief verdeelmodel is opgenomen in het vervolg van deze bijlage. Voor de uitkering aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners ontvangen deze gemeenten een aparte extra uitkering. Een nadere toelichting hierop is ook opgenomen in deze bijlage.

Gemeenten met 15.000 tot 40.000 inwoners

Voor de vaststelling van de uitkering voor gemeenten tussen de 15.000 en 40.000 inwoners (middelgrote gemeenten) wordt deels gebruik gemaakt van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten (plus de uitkering voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners) en wordt deels gebruik gemaakt van de gerealiseerde gemeentelijke lasten (gecorrigeerd voor groei of krimp van huishoudens). Voor deze groep gemeenten bestaat de uitkering dus uit een objectief en een historisch bepaald deel. Welk deel objectief en welk deel historisch wordt bepaald hangt af van het aantal inwoners. Bij een stijgend aantal inwoners loopt het aandeel dat objectief wordt bepaald lineair op van 0% bij 15.000 inwoners tot 100% bij 40.000 inwoners. Voor deze gemeenten wordt allereerst berekend wat het budgetaandeel zou zijn als dit volledig historisch zou zijn bepaald. Net als bij kleine gemeenten wordt hierbij rekening gehouden met de groei of krimp van het aantal huishoudens in de afzonderlijke gemeenten. Dit budgetaandeel wordt vermenigvuldigd met het beschikbare macrobudget net als bij kleine gemeenten. Het resultaat hiervan wordt ten slotte vermenigvuldigd met het percentage dat de gemeente historisch wordt verdeeld. De uitkomst hiervan is het historisch verdeelde deel van de uitkering.

Objectief vastgestelde (deel van de) uitkering voor gemeenten met meer dan 15.000 inwoners

Het resterende deel van de uitkering voor middelgrote gemeenten wordt net als voor grote gemeenten objectief bepaald (inclusief een uitkering voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners). De objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten worden bepaald op basis van de uitkomsten van het objectieve verdeelmodel. Het verdeelmodel berekent een objectieve grondslag die vervolgens gebruikt wordt om een budgetaandeel te berekenen in het objectief te verdelen deel van het macrobudget. De formule hiervoor is terug te vinden in artikel 3 van het Besluit. In woorden betekent de formule het volgende. Het budgetaandeel wordt berekend door eerst het product te berekenen van 1) het deel van het budget dat objectief wordt verdeeld (100% voor grote gemeenten) en 2) de objectieve grondslag zoals bepaald door het verdeelmodel. Dit product wordt vervolgens gedeeld door de som van dit product voor alle gemeenten. De uitkomst hiervan (een aandeel) wordt vermenigvuldigd met het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget. Het resultaat is het objectief vastgestelde deel van de gemeentelijke uitkering.

Het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget wordt bepaald door op het totaal beschikbare macrobudget alle historisch verdeelde (delen van de) uitkeringen en de uitkeringen voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners in mindering te brengen. Deze systematiek garandeert dat de historisch verdeelde uitkeringen en de uitkeringen ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners onafhankelijk van de objectieve verdeling worden vastgesteld.

De totale (voorlopige) uitkering en de bekendmaking daarvan

Voor alle gemeenten worden ten slotte het objectief berekende deel van de uitkering, het historisch berekende deel van de uitkering en de uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners bij elkaar opgeteld. Alle gemeenten ontvangen daarnaast een uitkering ten behoeve van vergunninghouders die in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar gehuisvest zijn. Een toelichting hierop is opgenomen in deze bijlage.

Alle uitkeringsdelen bij elkaar opgeteld vormen het voorlopig budget van gemeenten. Dit budget wordt uiterlijk drie maanden voor het begin van het uitvoeringsjaar bekend gemaakt aan gemeenten. Op basis van het voorlopig budget wordt voor elke gemeente het aandeel berekend in het totaal beschikbare voorlopige macrobudget. Dit budgetaandeel wordt per beschikking aan gemeenten bekend gemaakt en wijzigt daarna in principe niet meer. Slechts indien onverhoopt sprake blijkt van een – in strijd met de regelgeving – onjuiste toepassing van de verdelingssystematiek kan de verdeling nog worden aangepast.

Het beschikbare macrobudget kan nog wijzigen op grond van artikel 71, eerste lid van de Pw waarmee het gemeentelijk budget ook kan wijzigen. Het definitieve macrobudget voor het lopende uitvoeringsjaar wordt in beginsel bekend gemaakt tegelijk met de bekendmaking van het voorlopig macrobudget voor het volgende uitvoeringsjaar. Gemeenten ontvangen een beschikking met het definitieve budget.

Het objectief verdeelmodel

De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau. Hiermee wordt de kans op bijstand voor een huishouden ingeschat. Het huishouden is het niveau waarop gemeenten bepalen of recht op bijstand bestaat en hiermee sluit het verdeelmodel aan bij de praktijk van bijstandverlening.

Bij het bepalen van de kans op bijstand is rekening gehouden met de instroom van de nieuwe doelgroep in de Participatiewet door ervan uit te gaan dat deze instroom 75% bedraagt van de historische instroom van gedeeltelijk arbeidsgehandicapten in de WSW en de Wajong in de periode 2011 tot en met 2014.

De in het model opgenomen verklarende variabelen zijn grotendeels individuele kenmerken van huishoudens aangevuld met omgevingskenmerken. Daarbij is voor de individuele huishoudkenmerken onderscheid gemaakt tussen indicatoren die corrigeren voor mensen in een huishouden die geen recht hebben op bijstand en indicatoren die van belang zijn voor de kans op bijstand van personen in een huishouden. Bij de omgevingskenmerken wordt onderscheid gemaakt tussen indicatoren die een rol spelen aan de vraagkant van de arbeidsmarkt (de vraag naar werk; de beschikbare banen) en de aanbodkant van de arbeidsmarkt (het aanbod van werk; de kenmerken van de beroepsbevolking). Daarnaast kunnen ook buurteffecten van invloed zijn op de kans op bijstand, los van de huishoudkenmerken en de regionale beschikbaarheid van werk. De in het model opgenomen verklarende indicatoren zijn opgenomen in tabel 1 (hh staat voor huishouden).

Tabel 1: in verdeelmodel opgenomen indicatoren

Indicatoren

Niveau

Bron

Niet-rechthebbenden

   

Te veel vermogen

   

Alleenstaande, vermogen boven € 5.000

Huishouden

CBS

Alleenstaande, vermogen tot € 5.000, overwaarde boven € 50.000

Huishouden

CBS

Paar/eenouder, vermogen boven € 10.000

Huishouden

CBS

Paar/eenouder, vermogen tot € 10.000, overwaarde boven € 50.000

Huishouden

CBS

Andere uitkering

   

AO-uitkering, mate van AO 15–80% of onbekend in hh

Huishouden

CBS

AO-uitkering, mate van AO 80–100% in hh

Huishouden

CBS

WW-uitkering in hh

Huishouden

CBS

ANW-uitkering in hh

Huishouden

CBS

Zw-uitkering, wachtgeld of overige uitkering in hh

Huishouden

CBS

Pensioenuitkering in hh

Huishouden

CBS

Kan/wil niet werken

   

Student (mbo/hbo/wo) in hh

Huishouden

CBS

Aanbodkant van de arbeidsmarkt

   

Leeftijd

   

Leeftijd 18 tot 20 jaar in hh (referentie)

Huishouden

CBS

Leeftijd 20 tot 25 jaar in hh

Huishouden

CBS

25 tot 30-jarige in hh

Huishouden

CBS

30 tot 40-jarige in hh

Huishouden

CBS

40 tot 50-jarige in hh

Huishouden

CBS

50-jarige tot AOW-leeftijd in hh

Huishouden

CBS

Gezinssituatie

   

Alleenstaande (referentie)

Huishouden

CBS

Eenouder-moeder, jongste kind tot 5

Huishouden

CBS

Eenouder-moeder, jongste kind 5–12

Huishouden

CBS

Eenouder-moeder, jongste kind 12–18

Huishouden

CBS

Eenouder-moeder, jongste kind 18+

Huishouden

CBS

Eenouder-vader, jongste kind tot 5

Huishouden

CBS

Eenouder-vader, jongste kind 5–12

Huishouden

CBS

Eenouder-vader, jongste kind 12–18

Huishouden

CBS

Eenouder-vader, jongste kind 18+

Huishouden

CBS

Paar, jongste kind 18–

Huishouden

CBS

Paar, jongste kind 18+

Huishouden

CBS

Paar zonder kinderen

Huishouden

CBS

Thuiswonend meerderjarig kind

Huishouden

CBS

Overig huishouden

Huishouden

CBS

Wonen in Corporatiewoning

Huishouden

CBS

Wonen op een standplaats

Huishouden

CBS

Afkomst

   

Autochtoon in hh (referentie)

Huishouden

CBS

Turk in hh

Huishouden

CBS

Surinaam in hh

Huishouden

CBS

Nederlands Antilliaan in hh

Huishouden

CBS

Marokkaan in hh

Huishouden

CBS

Ghanees in hh

Huishouden

CBS

Somaliër of Eritreeër in hh

Huishouden

CBS

Afrikaan (excl. Marokkaan, Ghanees, Somaliër, Eritreër) in hh

Huishouden

CBS

Afghaan in hh

Huishouden

CBS

Irakees in hh

Huishouden

CBS

Syriër in hh

Huishouden

CBS

Iranees in hh

Huishouden

CBS

Chinees in hh

Huishouden

CBS

Indiaas in hh

Huishouden

CBS

Overig niet-westers in hh

Huishouden

CBS

Voormalig Joegoslavisch in hh

Huishouden

CBS

Voormalig Sovjet-Unie in hh

Huishouden

CBS

Overig westers in hh

Huishouden

CBS

Opleiding

   

Aandeel laagst opgeleiden in gemeente

Gemeente

CBS

HCI (human capital index) onbekend (referentie)

Huishouden

CBS

Lage HCI in hh

Huishouden

CBS

Middelbare of hoge HCI in hh

Huishouden

CBS

(V)SO/Pro onderwijs gevolgd in hh

Huishouden

CBS

Gezondheid

   

Zorgkosten boven € 50.000 in hh

Huishouden

CBS

Gebruik GGZ-zorg in hh

Huishouden

CBS

Medicijnen voor verslaving in hh

Huishouden

CBS

Medicijnen voor depressie in hh

Huishouden

CBS

Medicijnen voor psychose in hh

Huishouden

CBS

Medicijngebruik uit minder dan 4 hoofdgroepen in hh (referentie)

Huishouden

CBS

Medicijngebruik uit 4 tot 6 hoofdgroepen in hh

Huishouden

CBS

Medicijngebruik uit 6 tot 8 medicijngroepen in hh

Huishouden

CBS

Medicijngebruik uit meer dan 8 hoofdgroepen in hh

Huishouden

CBS

Combinaties van factoren

   

Niet-westerse afkomst in hh en 50-jarige tot AOW in hh

Huishouden

CBS

Niet-westerse afkomst in hh en gezondheidsproblemen1 in hh

Huishouden

CBS

Lage HCI in hh en gezondheidsproblemen1 in hh

Huishouden

CBS

Vraagkant van de arbeidsmarkt

   

Beschikbaarheid van banen

   

Banen per lid beroepsbevolking in gemeente, gecorrigeerd voor reistijd, concurrentie en grenspendel

Gemeente

Atlas voor gemeenten

Werken onder je niveau

   

Aandeel werkend onder niveau in gemeente

Gemeente

Atlas voor gemeenten

Aandeel studenten (hbo/wo) onder de potentiële beroepsbevolking in gemeente

Gemeente

CBS

Aandeel WW’ers onder de beroepsbevolking in gemeente

Gemeente

CBS

     

Buurteffecten

   

Arbeidsethos

   

Aandeel van de beroepsbevolking in gemeente in buurt waar werken niet de norm is obv postcodegebieden (6 posities)

Gemeente

Atlas voor Gemeenten

Leefbaarheid

   

Index overlast en onveiligheid

Buurt

Atlas voor gemeenten

1 Definitie gezondheidsproblemen: persoon in huishoudens heeft 1 van de volgende kenmerken: heeft zorgkosten boven € 50.000, maakt gebruik van GGZ-zorg, van medicijnen tegen verslaving, depressie of psychose, of maakt gebruik van 4 of meer medicijngroepen.

Voor alle in het model opgenomen verklarende variabelen (tabel 1) wordt een coëfficiënt (gewicht) geschat. Deze coëfficiënten worden met de gehanteerde peildata gepubliceerd in de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

De coëfficiënten (gewichten) zijn de basis voor de uiteindelijke objectieve verdeling. Voor elk huishouden in de dataset wordt een objectieve kans op bijstand berekend door de coëfficiënten toe te passen op zo recent mogelijke gegevens. De peildata van deze gegevens worden ook gepubliceerd in de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Tabel 2: de verschillende typen normbedragen toegepast in het verdeelmodel

Standaard type huishoudens zonder kostendelerbepaling

Alleenstaande (ouder), leeftijd 21 tot aow

Alleenstaande (ouder), 18, 19 of 20 jaar

Gehuwd paar, beide partners leeftijd 21 tot aow

Gehuwd paar, beide partners 18, 19 of 20 jaar, zonder kind(eren)

Gehuwd paar, beide partners 18, 19 of 20 jaar, met kind(eren)

Gehuwd paar, één van beide partners 18, 19 of 20 jaar, zonder kind(eren)

Gehuwd paar, één van beide partners 18, 19 of 20 jaar, met kind(eren)

Normen gerechtigde leeftijd 21 tot AOW bij aantal kostendelers

9 normbedragen voor situaties van 2 kostendelers tot en met 10 kostendelers of meer

Normen gehuwde paren (1 partner jonger dan 21, 1 partner leeftijd 21 of ouder)

afhankelijk van aantal kostendelers

paren met kinderen: 9 normbedragen voor situaties van 2 kostendelers tot en met 10 kostendelers of meer

paren zonder kinderen: 9 normbedragen voor situaties van 2 kostendelers tot en met 10 kostendelers of meer

Afwijkende normen gehuwden obv art. 24 Pw

rechthebbende leeftijd 21 of ouder met of zonder kinderen

rechthebbende leeftijd jonger dan 21, zonder kind

rechthebbende leeftijd jonger dan 21, met kind

Nadat de bijstandskans voor elk huishouden is bepaald wordt aan de hand van bruto bijstandsbedragen bepaald welk bedrag een huishouden aan bijstand zou ontvangen volgens de wettelijke norm. Hiervoor wordt de bijstandskans vermenigvuldigd met het relevante bruto bijstandsbedrag. Deze bruto bijstandsbedragen zijn afgeleid van de netto bijstandsbedragen zoals deze in juni voorafgaand aan het uitvoeringsjaar per ministeriële regeling bekend zijn gemaakt. De bruto bijstandsbedragen zijn afhankelijk van het type huishouden en het aantal huishoudleden (de kostendelersnorm). Tabel 2 laat zien voor welke afzonderlijke huishoudtypen normbedragen in het model zijn gehanteerd. De verschillende normbedragen worden ieder jaar gepubliceerd in de regeling Participatiewet.

Bij tabel 2 wordt opgemerkt dat bij het verwerken van de kostendelersnorm in de bruto bijstandsbedragen rekening is gehouden met de groepen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm: jongeren tot 21 jaar en studenten (mbo/hbo/wo). Het is niet mogelijk om rekening te houden met de uitzondering voor commerciële kamerhuurders vanwege het ontbreken van gegevens hierover.

Voor studenten wordt de bruto norm op 0 gesteld. Thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder worden als zelfstandige huishoudens gezien met een eigen recht op bijstand.

Als voor alle huishoudens het te verwachten bijstandsbedrag is bepaald worden deze voor elke gemeente bij elkaar opgeteld. Het resulterende bedrag vormt de input voor de verdelingssystematiek zoals beschreven onder het kopje «algemene beschrijving verdeelsystematiek».

Berekeningswijze uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners

Het benodigde budget ten behoeve van de uitkering aan dak- en thuislozen en aan instellingsbewoners wordt apart bepaald. Gemeenten ontvangen dit budget naar rato van de mate waarin de gemeentelijke uitkering objectief wordt verdeeld. Voor gemeenten die (deels) historisch worden verdeeld geldt dat de uitgaven aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners meelopen in de historische verdeling. De uitgaven aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners maken namelijk onderdeel uit van de realisaties van gemeenten.

Het budget voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen de netto uitgaven van een gemeente aan deze doelgroep en de totale netto uitgaven van alle gemeenten aan uitkeringen op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ. Dit budgetaandeel wordt vermenigvuldigd met het totaal beschikbare macrobudget en het percentage dat een gemeente objectief wordt verdeeld. De uitgaven voor levensonderhoud aan startende zelfstandigen in het kader van de Bbz 2004 worden hierbij buiten beschouwing gelaten omdat deze niet als aparte post door het CBS worden geregistreerd en alleen de totale uitgaven aan Bbz-uitkeringen worden geregistreerd. Deze gegevens worden ontleend aan het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze bestanden bevatten gegevens over de netto uitkeringen op grond van de Participatiewet, IOAW IOAZ, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en de Bbz. De bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag worden net als de Bbz buiten beschouwing gelaten voor het bepalen van de totale netto uitgaven aan uitkeringen.

Berekeningswijze uitkering ten behoeve van gehuisveste vergunninghouders

Van de hierboven beschreven verdelingssystematiek wordt afgeweken om beter rekening te kunnen houden met de verhoogde asielinstroom die in Nederland heeft plaatsgevonden. Voor deze groep wordt voor de vaststelling van de verdeling in 2017 en 2018 een apart budget uit het voorlopig macrobudget gereserveerd en verdeeld. Voor de uitkeringen in 2017 gaat het om een totaal bedrag van € 100 miljoen en voor de uitkeringen in 2018 om € 100 miljoen. Het voorlopig macrobudget dat – na aftrek van het genoemde budget – overblijft wordt verdeeld volgens de reguliere systematiek.

Voor de verdeling van dit budget wordt gekeken naar het aantal gehuisveste vergunninghouders bij gemeenten in de periode januari tot en met juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar. Het aandeel dat een individuele gemeente ontvangt van het genoemde budget wordt bepaald door het aantal gehuisveste vergunninghouders van een individuele gemeente in de genoemde periode als percentage van het totaal aantal gehuisveste vergunninghouders in deze periode.

Bepalingen over de gehanteerde data en omgaan met jaarlijkse herindelingen

De budgetberekening geschiedt op grond van de cijfers zoals die bij het vaststellen van de verdeling beschikbaar zijn. Indien deze cijfers hierna nog wijzigen (bijvoorbeeld door toepassing van een alternatieve meetmethode of nagekomen informatie), dan zullen de budgetten hiervoor niet worden aangepast.

Geregeld vinden er fusies en herindelingen van gemeenten plaats. De verdeelkenmerken zijn dan nog niet bekend voor de samenstelling van de nieuwe gemeenten. Daarom worden in het geval van een fusie de uitkomsten van het verdeelmodel voor de gemeenten van voor de fusie opgeteld. In het geval van een herindeling worden de budgetten naar rato toegedeeld aan de (nieuwe) gemeenten. Deze toedeling vindt plaats op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op het moment van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan.

Terug naar begin van de pagina