Wet overige BZK-subsidies

Geldend van 10-05-2006 t/m 30-06-2009

Wet van 13 april 2006, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (Wet overige BZK-subsidies)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet overige BiZa-subsidies te vervangen door een nieuwe regeling;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

Artikel 2

Dit hoofdstuk is van toepassing op subsidies die door Onze Minister worden verstrekt en:

Artikel 4

Bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kan jaarlijks een subsidieplafond worden vastgesteld voor de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, alsmede regels voor de wijze van verdeling van de subsidie.

Artikel 5

Indien Onze Minister subsidie verstrekt voor activiteiten die mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan hij afwijken van bij of krachtens deze wet aan de subsidie verbonden of te verbinden verplichtingen, voor zover

  • a. dit wenselijk is met het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde verplichtingen, en

  • b. het belang met het oog waarop die verplichtingen zijn opgelegd, daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 6

  • 1 Onze Minister kan toezichthouders aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan subsidie-ontvangers opgelegde verplichtingen.

Artikel 7

Voorzover bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling krachtens deze wet niet anders is bepaald, is op per boekjaar verstrekte subsidies Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 8

  • 1 Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen aanwijzingen over de reikwijdte en de intensiteit van de controle.

  • 2 De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de departementale auditdienst in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. De subsidie kan worden aangewend voor de dekking van de hieruit voortvloeiende kosten.

Artikel 9

  • 1 Een aanvraag kan worden afgewezen en een beschikking, inhoudende de verstrekking van een subsidie op grond van deze wet, kan worden ingetrokken of gewijzigd voorzover subsidieverstrekking in strijd zou zijn met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen.

  • 2 Bij de intrekking of wijziging kan worden bepaald dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

  • 3 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Hoofdstuk 2. Activiteiten die gesubsidieerd kunnen worden

Artikel 10

Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake openbare orde en veiligheid die gericht zijn op:

  • a. het verminderen van de gelegenheid tot het plegen van strafbare feiten;

  • b. het vergroten van de kennis en het inzicht in veiligheidsvraagstukken, alsmede het verder ontwikkelen van integraal veiligheidsbeleid;

  • c. het vergroten van de veiligheid in de samenleving in het algemeen, waaronder de handhaving van de openbare orde;

  • d. het ondersteunen van bijzondere activiteiten ten behoeve van de politie, de brandweer en de rampenbestrijdingsorganisaties.

Artikel 11

Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake de Koninkrijksrelaties die gericht zijn op:

  • a. het bevorderen van de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat en rechtsorde in de Nederlandse Antillen en Aruba;

  • b. het bevorderen van de ontwikkeling van Aruba en de Nederlandse Antillen, daaronder begrepen de afzonderlijke eilandgebieden van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder de economische, sociale, culturele, bestuurlijke ontwikkeling, evenals de ontwikkeling op het terrein van het onderwijs en de gezondheidszorg;

  • c. het bevorderen en handhaven van een behoorlijk bestuursniveau in de Nederlandse Antillen en Aruba;

  • d. het verstrekken van noodhulp aan de Nederlandse Antillen en Aruba en de wederopbouw na natuurrampen of andere noodsituaties;

  • e. de onderlinge relaties tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba;

  • f. het bevorderen van onderzoek en advisering ter ondersteuning van het beleid inzake de Koninkrijksrelaties.

Artikel 12

Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake het bevorderen van de democratische rechtsstaat en ten behoeve van activiteiten op het gebied van het decentraal bestuur die gericht zijn op:

  • a. het bevorderen van legitimiteit, integriteit, transparantie en efficiëntie van het bestuur;

  • b. het bevorderen van de kennis over en de participatie in de politieke en bestuurlijke besluitvorming op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau;

  • c. het optimaliseren van de interbestuurlijke samenwerking;

  • d. het vergroten van de kennis van de nationale en internationale mensenrechten en het bevorderen van het respecteren van deze rechten;

  • e. het bevorderen en instandhouden van de kennis over gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van Nederland en het Koninkrijk.

Artikel 13

Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake het management en personeelsbeleid van de openbare dienst, die gericht zijn op:

  • a. het bevorderen van de professionaliteit, integriteit, efficiëntie, innovatie van de openbare sector;

  • b. kennisontwikkeling en kennisverspreiding;

  • c. het overleg met de sociale partners;

  • d. de educatie van leden van de vakbeweging.

Hoofdstuk 3. Nadere regels

Artikel 14

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen de activiteiten bedoeld in hoofdstuk 2 nader worden bepaald, alsmede criteria voor de verstrekking worden vastgesteld.

Artikel 15

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voor subsidies die verstrekt worden op grond van hoofdstuk 2, regels worden gesteld met betrekking tot:

  • a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;

  • b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

  • c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

  • d. de aan de subsidie verbonden of te verbinden verplichtingen;

  • e. de vaststelling van de subsidie;

  • f. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling;

  • g. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;

  • h. het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage, 13 april 2006

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ,

J. W. Remkes

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,

A. Pechtold

Uitgegeven de negende mei 2006

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina