Examenprogramma basisexamen inburgering

Geldend van 15-03-2006 t/m 31-03-2011

Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 februari 2006, nr. 5403489/06, tot vaststelling van het examenprogramma voor het basisexamen inburgering (Examenprogramma basisexamen inburgering)

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 3.98a, derde en zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

Artikel 1

Het examenprogramma voor de vereiste luister- en spreekvaardigheid, bedoeld in artikel 3.98a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, en het examenprogramma voor de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.98a, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, worden vastgesteld als in de bijlage van deze regeling is aangegeven.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering in het buitenland in werking treedt.

Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst.

Den Haag, 14 februari 2006

De

Minister

voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M.C.F. Verdonk

Bijlage Examenprogramma Basisexamen Inburgering

Examenstof

Het basisexamen inburgering heeft tot doel na te gaan of personen die in aanmerking willen komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf voldoen aan de eisen op het gebied van de beheersing van de Nederlandse taal en van kennis van de Nederlandse samenleving. In het basisexamen inburgering worden onderzocht:

  • a. de luister- en spreekvaardigheid in het Nederlands en

  • b. de kennis van de Nederlandse samenleving.

Het examenprogramma is een uitwerking van de examenstof zoals omschreven in het advies over het niveau van het basisexamen inburgering in het buitenland van de Adviescommissie Normering Inburgeringseisen.

Afnamecondities

Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid en het examenonderdeel kennis van de Nederlandse samenleving worden afgenomen in één zitting. Beide examenonderdelen worden afgenomen door middel van een telefonische verbinding met een geautomatiseerd systeem. Alle opgaven worden mondeling in het Nederlands gepresenteerd. De antwoorden van de kandidaten worden automatisch opgeslagen.

Beoordeling

Het examenwerk voor beide examenonderdelen wordt beoordeeld door middel van automatische scoring. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie stelt bij het vaststellen van de examens en de daarbij behorende beoordeling, de cesuur vast.

De kandidaat is geslaagd voor het basisexamen inburgering indien het resultaat voor beide onderdelen van het examen voldoende is.

Gedurende de eerste periode na de invoering van het basisexamen inburgering worden de resultaten die door het geautomatiseerde systeem als onvoldoende zijn beoordeeld een tweede maal (door menselijk examinatoren) beoordeeld. Het tijdstip waarna geen tweede beoordeling meer plaatsvindt wordt bij koninklijk besluit vastgesteld.

Luister- en spreekvaardigheid

De inhoud van het examen

Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid omvat het reageren op opgaven en het beantwoorden van vragen waarmee wordt gemeten in hoeverre kandidaten in normaal tempo gesproken Nederlands kunnen verstaan en daar op een verstaanbare wijze en in een normaal conversatietempo op kunnen reageren.

Het examenonderdeel bevat in totaal 50 items. De items worden per soort opgave willekeurig geselecteerd uit een grote itembank, zodanig dat elke kandidaat een verschillende set items krijgt voorgelegd. Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bestaat uit 5 delen.

  • 1. Zinsrepetitie (deel 1)

    De kandidaat hoort losse zinnen, gesproken in normaal spreektempo. De kandidaat moet de zinnen nazeggen. De zinnen variëren in lengte tussen 3 en 15 woorden. De zinnen worden aangeboden in een volgorde van oplopende moeilijkheidsgraad. Voorbeelden:

    • Daar heb ik nog nooit van gehoord.

    • Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.

    Dit deel van het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bevat 12 opgaven waarvan 11 opgaven gescoord worden. De eerste opgave is een oefenopgave.

  • 2. Korte vragen

    De kandidaat hoort korte vragen, gesproken in een normaal spreektempo, en beantwoordt de vragen met een enkel woord of een kort zinnetje. De vragen betreffen basisinformatie, en veronderstellen géén specifieke kennis over de Nederlands cultuur, geschiedenis of andere thema’s.

    Voorbeelden:

    • Kun je rijst eten of drinken?

    • Jan is ouder dan Piet. Wie is het jongst?

    Dit deel van het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bevat 14 opgaven waarvan er 13 gescoord worden. De eerste opgave is een oefenopgave.

  • 3. Zinsrepetitie (deel 2)

    Dit onderdeel van het examen is gelijk aan het eerste deel: er worden 12 – nieuwe – zinnen aangeboden die herhaald moeten worden.

    Dit deel van het examenonderdeel Luister- en spreekvaardigheid bevat 12 opgaven. Deze 12 opgaven worden alle automatisch gescoord.

  • 4. Tegenstellingen

    De kandidaat hoort een woord en reageert door een woord met een tegenovergestelde betekenis te noemen. Voorbeelden:

    • Hoog – laag

    • Niet – wel

    Dit deel van het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bevat 10 opgaven waarvan er 9 gescoord worden. De eerste opgave is een oefenopgave.

  • 5. Verhalen navertellen

    De kandidaat hoort twee korte verhaaltjes, die in normaal spreektempo worden verteld. De kandidaat moet de verhaaltjes zo goed mogelijk navertellen. De verhaaltjes bevatten tussen de 2 en de 6 zinnen, en tussen de 30 en de 90 woorden.

    Voorbeeld:

    Fred reed naar huis. Hij was niet blij, want het gesprek met de laatste klant was niet zo goed verlopen. Fred had geen goede indruk op de klant gemaakt. Die zou vast niets van hem willen kopen. Toen hij de sleutel in het slot stak, besefte Fred dat hij ook nog zijn tas bij de klant had laten staan.

    De antwoorden van de kandidaat op dit laatste deel worden niet automatisch gescoord en hebben geen invloed op de score. De opgaven worden beoordeeld door menselijke beoordelaars en gebruikt voor onderzoek naar de kwaliteit van de toets.

    Dit deel van het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid bevat 2 opgaven.

Duur van het examen

Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid duurt ongeveer 15 minuten.

De beoordeling van het examenwerk

De antwoorden van de kandidaten worden beoordeeld op de volgende aspecten:

  • uitspraak

  • vloeiendheid

  • zinsbouw

  • woordenschat.

De uitslag

De totaalscores van kandidaten voor het examenonderdeel Luister- en spreekvaardigheid worden gerelateerd aan het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen (Common European Framework of Reference). Het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid heeft een bereik van géén mondelinge beheersing van het Nederlands tot en met volledige mondelinge beheersing van het Nederlands. Dit verklaart de verschillen in moeilijkheidsgraad van de items. Om een ‘voldoende’ te behalen voor het basisexamen inburgering moet de kandidaat een score behalen die aantoont dat de kandidaat minimaal beheersingsniveau A1-min bereikt heeft. Beheersing van niveau A1-min betekent dat de kandidaat de volgende taalhandelingen kan verrichten:

Luisteren: De kandidaat kan een beperkt aantal vertrouwde woorden en basiszinnen begrijpen die betrekking hebben op de directe, persoonlijke levenssfeer en op de allereerste levensbehoeften; en alleen in direct contact met Nederlandssprekenden die gewend zijn te converseren met anderstaligen, wanneer zij langzaam en duidelijk spreken.

Spreken: De kandidaat kan zich in een zeer beperkte mate uitdrukken, eigenlijk alleen met behulp van losse woorden en standaardformuleringen (‘Formulaic speech’), op een gering aantal terreinen die verband houden met de directe, persoonlijke levenssfeer.

De totaalscores op het examenonderdeel luister- en spreekvaardigheid kunnen variëren tussen 10 (geen beheersing) en 80 (beheersing op ‘native-speaker’-niveau).

De zak/slaaggrens voor het niveau A1 min wordt vastgesteld op 16.

Kennis van de Nederlandse samenleving

De inhoud van het examen

Het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving bevat 30 vragen, behorende bij foto’s die geselecteerd zijn uit de film ‘Naar Nederland’. De vragen veronderstellen dat kandidaten kennis genomen hebben van de film ‘Naar Nederland’ (in de eigen taal of in het Nederlands). Voor het examen is rekening gehouden met een minimale mondelinge beheersing van het Nederlands (A1-min). Het examenonderdeel bevat 30 vragen uit een totale verzameling van 100 vragen.

Het examenprogramma is een uitwerking van de examenstof zoals omschreven in het advies over het niveau van het inburgeringsexamen in het buitenland van de Adviescommissie Normering Inburgeringseisen (Inburgering getoetst, februari 2004): kennis over Nederland, kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur, en voorbereiding op de komst naar Nederland. De examenstof bestaat uit de inhoud van de film ‘Naar Nederland’ en de 100 vragen en antwoorden daarbij.

Examencondities

Alle vragen uit de totale verzameling van 100 vragen zijn voor de kandidaten bekend via het informatiepakket. Met de film ‘Naar Nederland’, het fotoboek en de bijbehorende DVD (met daarop de langzaam uitgesproken vragen en antwoorden) kunnen kandidaten zich voorbereiden op het examen.

Tijdens het examen beantwoorden kandidaten 30 mondeling gestelde vragen. De vragen worden begeleid door een foto uit een examenfotoboekje, dat kandidaten bij afname van het examen verstrekt wordt. De volgorde van de vragen op het examen loopt parallel met die van de vragen uit het informatiepakket. Voorafgaand aan de 30 examenvragen horen de kandidaten twee oefenvragen.

Duur van het examen

Het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving bestaat uit één deel en duurt ongeveer 15 minuten.

Inhoud van de vragen

De vragen hebben betrekking op de kernpunten uit de film ‘Naar Nederland’. Over zeven onderwerpen uit die film zal een kandidaat op het examen één vraag of meerdere vragen gesteld krijgen:

  • 1. Nederland: geografie, vervoer en wonen:

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: de ligging van Nederland in de wereld, de ligging van Nederland in Europa, de ligging van Nederland t.o.v. de zeespiegel, de oppervlakte van Nederland, de bevolkingsdichtheid van Nederland, de wegen in Nederland, de vervoersmiddelen in Nederland, de woningen in Nederland.

  • 2. Geschiedenis;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: Willem van Oranje, de tachtigjarige oorlog, de Gouden Eeuw en de VOC, de eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, enkele naoorlogse ontwikkelingen.

  • 3. Staatsinrichting, politiek en grondwet;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: democratie, de grondwet, het politieke stelsel, de belangrijkste grondrechten, rechten en verplichtingen, omgangregels.

  • 4. De Nederlandse taal en het belang van het leren ervan;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: de Nederlandse Taal, lesmethoden, volwassenenonderwijs.

  • 5. Opvoeding en onderwijs;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: Nederlandse opvoedmethoden, verantwoordelijkheid voor kinderen, onderwijsvormen.

  • 6. Gezondheidszorg;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: verplichte ziektenkostenverzekering, huisarts en gespecialiseerde artsen, consultatiebureau.

  • 7. Werk en inkomen;

    In dit onderdeel komt onder meer aan bod: wie werken er in Nederland, wanneer en waar moet je werk zoeken, in welke sectoren is er werk, regels sollicitatiegesprek in Nederland.

    De film bevat tevens een achtste onderwerp om de kandidaten een indruk te geven hoe de afname van het examen op de ambassade in zijn werk gaat.

    Over dit deel van de film worden geen vragen gesteld in het examen.

  • 8. Hoe maak ik het examen op de ambassade?

    In dit onderdeel komt onder meer de procedure op de ambassade aan bod.

Aard van de vragen

De kandidaat hoort korte vragen, gesproken in een langzaam spreektempo en beantwoordt de vragen met een enkel woord of enkele woorden.

Er worden drie soorten vragen gesteld:

  • 1. Ja / nee vragen.

  • 2. Open vragen met een gesloten, eenduidig antwoord.

  • 3. Gesloten vragen met twee antwoordmogelijkheden.

Voorbeeldvragen

Voorbeeldvraag 1:

Is er in Nederland scheiding van kerk en staat?

Antwoord: Ja

Voorbeeldvraag 2:

U ziet de Nederlandse vlag. Wat zijn de kleuren van de Nederlandse vlag?

Antwoord: rood, wit, blauw.

Voorbeeldvraag 3:

U ziet een foto. Is dit Willem van Oranje of prinses Maxima?

Antwoord: Willem van Oranje

De beoordeling van het examenwerk

De antwoorden van de kandidaten worden beoordeeld op de overeenkomst van hun antwoord met een goed antwoord op de vraag. Uitspraak en vlotheid van spreken spelen bij het beantwoorden geen rol.

De uitslag

De uitslag voor het examenonderdeel kennis van de Nederlandse samenleving geeft het percentage van de totale itembank dat de kandidaat correct kan beantwoorden, en kan variëren van 0 tot 100.

De zak/slaaggrens wordt vastgesteld op het minimumpercentage van 70% goed.

Terug naar begin van de pagina