Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek

Geldend van 15-04-2014 t/m 31-12-2014

Wet van 22 december 2005, houdende regels die een geconcentreerde aanpak van grootstedelijke problemen mogelijk maken (Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in daartoe aan te wijzen gebieden binnen gemeenten de wettelijke mogelijkheden te verruimen om grootstedelijke problemen aan te pakken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Onroerendezaakbelastingen

Artikel 2

Dit hoofdstuk is van toepassing in kansenzones, die door de gemeenteraad zijn aangewezen overeenkomstig artikel 3.

Artikel 3

  • 1 Een gebied binnen een gemeente dat een bijzondere behoefte heeft aan omschakeling wegens lokale sociaal-economische problemen kan door de gemeenteraad als kansenzone worden aangewezen indien het voldoet aan de volgende eisen:

    • a. binnen het gebied bedraagt

      • 1°. het aantal niet-actieven ten minste 25 percent, en

      • 2°. het aantal huishoudens met een laag inkomen ten minste 45 percent,

    • b. het gebied heeft ten minste 5.000 en ten hoogste 30.000 inwoners.

  • 2 Voor het vaststellen van de percentages, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van de meest recente cijfers zoals die zijn vastgesteld door het Centraal bureau voor de statistiek, op basis van de definities die dat bureau hanteert voor de in dat lid genoemde begrippen.

  • 3 Het besluit waarin een kansenzone wordt aangewezen bevat een beschrijving van de kansenzone die ten minste de volgende elementen omvat:

    • a. het gebied van de kansenzone, vergezeld van een kaart;

    • b. een beschrijving van de sociaal-economische situatie in de kansenzone, inclusief een toets aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, waarbij de herkomst van de gegevens zodanig is, dat zij controleerbaar zijn.

  • 4 Een kansenzone kan slechts een maal als zodanig worden aangewezen. Deze aanwijzing geldt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan vier maal met telkens ten hoogste vier jaar worden verlengd. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

  • 2 De vermindering wordt zodanig vastgesteld dat deze niet leidt tot een negatieve aanslag.

  • 3 Het bedrag van de vermindering wordt op het aanslagbiljet vermeld.

  • 4 Indien binnen het grondgebied van een gemeente meer dan een kansenzone is aangewezen wordt de vermindering van de belastingaanslag, bedoeld in het eerste lid, voor alle kansenzones op dezelfde wijze bepaald.

  • 5 Het eerste tot met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de belastingen, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet, voor zover die worden geheven ter zake van bedrijfsruimten.

Hoofdstuk 3. Toegang tot de woningmarkt

Artikel 5

  • 1 Onze Minister kan op aanvraag van de gemeenteraad gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekenden op grond van de artikelen 8 en 9 eisen kunnen worden gesteld.

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan op aanvraag van de gemeenteraad vier maal met telkens ten hoogste vier jaar worden verlengd. Het eerste lid van dit artikel en de artikelen 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

  • 1 Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, maakt de gemeenteraad naar het oordeel van Onze Minister voldoende aannemelijk dat de beoogde aanwijzing van de in de aanvraag genoemde gebieden:

    • a. noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente, en

    • b. voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in artikel 5, geschiedt uitsluitend indien is voldaan aan het eerste lid, en de gemeenteraad naar het oordeel van Onze Minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat woningzoekenden, aan wie als gevolg van die aanwijzing geen huisvestingsvergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte in de aangewezen gebieden, voldoende mogelijkheden houden om binnen de regio waarin de gemeente is gelegen passende huisvesting te vinden.

  • 3 Onze Minister kan gedeputeerde staten dan wel, indien de gemeente is gelegen in een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, het dagelijks bestuur van die plusregio advies vragen over de mogelijkheden, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Onze Minister neemt binnen dertien weken na verzending door de gemeenteraad van de aanvraag tot aanwijzing van een gebied, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een besluit omtrent die aanwijzing. Indien Onze Minister zijn besluit niet binnen de termijn, genoemd in de eerste volzin, aan de gemeenteraad bekend heeft gemaakt, wordt het besluit tot aanwijzing geacht te zijn genomen.

Artikel 7

  • 1 Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, in indien hem is gebleken dat:

    • a. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, of

    • b. de woningzoekenden, aan wie als gevolg van de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, geen huisvestingsvergunning kan worden verleend voor het in gebruik nemen van woonruimte in de aangewezen gebieden, onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen de regio waarin de gemeente is gelegen voor hen passende huisvesting te vinden.

  • 2 Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, voorts in indien de gemeenteraad daarom verzoekt.

Artikel 8

  • 1 De gemeenteraad kan, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat woningzoekenden die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene zijn van de regio waarin de gemeente is gelegen, slechts voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in aanmerking komen indien zij beschikken over:

    • a. een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid;

    • b. een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf;

    • c. een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden;

    • d. een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet;

    • e. een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, of

    • f. studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

  • 2 De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening dat burgemeester en wethouders aan een woningzoekende die niet voldoet aan de eisen, genoemd in het eerste lid, een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van woonruimte als bedoeld in dat lid kunnen verlenen, indien het weigeren van die huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

Artikel 9

  • 1 De gemeenteraad kan, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die voldoen aan in die verordening vastgelegde sociaal-economische kenmerken.

Artikel 10

  • 2 De op grond van het eerste lid vastgestelde huisvestingsverordening treedt voor de op grond van artikel 5 aangewezen gebieden, in de plaats van de huisvestingsverordening die door het algemeen bestuur van de plusregio is vastgesteld.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 17

Onze Minister zendt iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 18

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 december 2005

Beatrix

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,

A. Pechtold

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,

S. M. Dekker

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ,

J. W. Remkes

De Minister van Financiën ,

G. Zalm

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ,

M. C. F. Verdonk

Uitgegeven de negenentwintigste december 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina