Regeling GLB-inkomenssteun 2006

[Regeling vervallen per 01-01-2015.]
Geldend van 16-10-2009 t/m 31-12-2009

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op Verordening (EG) Nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PbEU L 270);

Gelet op Verordening (EG) Nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);

Gelet op Verordening (EG) Nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);

Gelet op Verordening (EG) Nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (PbEU L345);

Overwegende dat toepassing moet worden gegeven aan de hiervoor genoemde verordeningen en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Raads- en Commissieverordeningen;

Overwegende dat de bepalingen van genoemde verordeningen rechtstreekse werking hebben in de Nederlandse rechtssfeer, zij het dat ten behoeve van de juiste uitvoering en nadere invulling van deze bepalingen regelgeving noodzakelijk is;

Voorts gelet op de artikelen 15, 19, 23, 26, 27 en 28 van de Landbouwwet;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 1. Definities

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2015]

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. DR: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • b. AID: Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • c. HPA: Hoofdproductschap Akkerbouw;

  • d. PVE: Productschappen Vee, Vlees en Eieren;

  • e. verordening 73/2009: Verordening (EG) Nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30);

  • f. verordening 795/2004: Verordening (EG) Nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);

  • g. verordening 796/2004: Verordening (EG) Nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 141);

  • h. verordening 1973/2004: Verordening (EG) Nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (PbEU L345);

  • i. landbouwer: landbouwer in de zin van artikel 2, onderdeel a, van verordening 73/2009;

  • j. bedrijf: bedrijf in de zin van artikel 2, onderdeel b, van verordening 73/2009 dat zich bevindt op Nederlands grondgebied;

  • k. betaalorgaan, grasland, kalf, rund, zaaizaad van vezelvlas, GVE, (slacht)premie, deelnamemelding, verzamelaanvraag, bedrijfsregister: hetgeen daaromtrent is bepaald in verordening 73/2009 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde commissieverordeningen;

  • l. I&R-systeem: gecomputeriseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad;

  • m. Suikersysteem 2006: op de voet van artikel 19, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PbEU L178), respectievelijk op de voet van artikel 6, zesde lid, van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PbEU L58) door de Suikerbegeleidingcommissie van het HPA vastgestelde en door de minister goedgekeurde afwijking van het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 6, derde en vierde lid, van genoemde verordeningen;

  • n. [Red: vervallen;]

  • o. richtlijn 2008/71/EG: richtlijn 2008/71/EG van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2008 met betrekking tot de identificatie en registratie van varkens (PbEU L 213);

  • p. verordening (EG) nr. 1760/2000: Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG L 204);

  • q. verordening (EG) nr. 21/2004: Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PbEU L 5);

  • r. verordening (EG) nr. 183/2005: Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PbEU L 35);

  • s. verordening (EG) nr. 852/2004: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU L 139);

  • t. verordening (EG) nr. 853/2004: Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 226);

  • u. richtlijn 91/629/EEG: Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PbEG L 340);

  • v. richtlijn 91/630/EEG: Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG L 340);

  • w. verordening 834/2007: Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU L 189);

  • x. verordening 889/2008: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU L250);

  • y. verordening 885/2006: Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO (PbEU L 171);

  • z. minister: minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • za. verordening 691/2009: Verordening (EG) nr. 691/2009 van de Commissie van 30 juli 2009 tot vaststelling van de vanaf 16 oktober 2009 te betalen voorschotten in het kader van de melkpremie en extra betalingen, de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen, de rechtstreekse betalingen voor de in het POSEI-programma en het programma voor de Egeïsche Eilanden vastgestelde maatregelen, de bedrijfstoeslagregeling, de gewasspecifieke betaling voor rijst, de premie voor eiwithoudende gewassen, de premies in de schapen- en geitenvleessectoren, de rund- en kalfsvleesbetalingen en de regeling inzake een enkele areaalbetaling (PbEU L 199);

  • zb. verordening 639/2009: Verordening (EG) nr. 639/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft specifieke steun (PbEU L 191);

  • zc. verordening 1535/2007: Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337).

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Overeenkomstig verordening 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen en deze regeling:

    • 1. wijst de minister op aanvraag aan landbouwers toeslagrechten op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder ii en iv, van verordening 73/2009 in het kader van de bedrijfstoeslagregeling toe.

    • 2. verstrekt de minister op aanvraag aan landbouwers subsidie op grond van:

      • a. de bedrijfstoeslagregeling,

      • b. de areaalbetalingen voor noten, energiegewassen en eiwithoudende gewassen en de productiesteun voor zetmeelaardappelen en zaaizaad van vezelvlas,

      • c. de slachtpremieregeling,

      • d. de specifieke steunregelingen als opgenomen in Hoofdstuk 2a van deze regeling.

  • 2 De Minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onder 2, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar van indiening van de aanvraag.

  • 3 Vanaf 16 oktober 2009 betaalt de minister op grond van artikel 1 van verordening 691/2009, voorschotten van 70% van de betalingen voor de steunaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, subonderdeel a, die in 2009 zijn gedaan, op voorwaarde dat de toetsing van de subsidiabiliteitsvoorwaarden overeenkomstig artikel 20 van Verordening 73/2009 is afgerond.

  • 4 Op de voet van verordening 1535/2007 betaalt de minister naast het voorschot, bedoeld in het derde lid, een aanvullend voorschot van 30% van de betalingen voor de steunaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, subonderdeel a, die in 2009 zijn gedaan, op voorwaarde dat de toetsing van de subsidiabiliteitsvoorwaarden overeenkomstig artikel 20 van Verordening 73/2009 is afgerond.

  • 5 Landbouwers die een aanvullend voorschot ontvangen op grond van het vierde lid, controleren per landbouwonderneming of zij met inbegrip van het rentevoordeel dat zij als gevolg van het aanvullend voorschot zouden genieten in 2007, 2008 en 2009 in totaal niet meer dan € 7.500 aan de minimis-steun hebben ontvangen op grond van verordening 1535/2007. Indien dit het geval is, retourneren zij dit rentevoordeel onverwijld aan DR en stellen zij DR daarvan op de hoogte.

  • 6 Betalingen, ontvangen op grond van het derde en vierde lid, komen in mindering op betalingen die de landbouwer op of na 1 december 2009 zou ontvangen op grond van artikel 29, tweede lid, van Verordening 73/2009.

Artikel 3

[Vervallen per 01-01-2015]

Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor één van de in artikel 2 genoemde steunregelingen is verplicht de in de artikelen 4 en 5 van de in verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, opgenomen in bijlage I bij deze regeling, en de navolgende bepalingen inzake blijvend grasland en goede landbouw- en milieucondities in acht te nemen.

Artikel 4

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De minister kan met inachtneming van artikel 4, eerste lid, van verordening 796/2004 bepalen dat het landbouwers verboden is blijvend grasland om te zetten in land voor andere vormen van grondgebruik, behoudens voorafgaande ontheffing.

  • 2 Een verzoek tot ontheffing wordt ingediend op een door DR vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

  • 3 Bij de indiening van het verzoek tot ontheffing legt de landbouwer alle bewijsstukken over die DR nodig acht voor de beoordeling van het verzoek.

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien het aandeel van het blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening 796/2004 met meer dan 10% dreigt af te nemen ten opzichte van het aandeel blijvend grasland in 2003, is de landbouwer die beschikt over land dat van blijvend grasland is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik, verplicht tot het opnieuw omzetten van land in blijvend grasland. De minister stelt de betrokken landbouwer in kennis van deze verplichting en de oppervlakte waarop deze betrekking heeft.

  • 2 De landbouwer aan wie de kennisgeving bedoeld in het eerste lid is gegeven, is verplicht tot het omzetten van land in blijvend grasland voor het moment van indienen van de eerstvolgende verzamelaanvraag en overeenkomstig de voorwaarden van de kennisgeving.

Artikel 6

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer is verplicht de volgende eisen na te komen inzake goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 73/2009:

Artikel 7

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer die percelen uit productie neemt en deze percelen in aanmerking wil laten komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 2, onder a, is verplicht deze percelen in te zaaien met een groenbemester onder de navolgende voorwaarden:

  • a. het betreft een groenbemester, genoemd in bijlage 2 bij deze regeling, die uiterlijk op 31 mei wordt ingezaaid;

  • b. de groenbemester wordt niet vóór 31 augustus door enigerlei vorm van bewerking vernietigd.

Artikel 8

[Vervallen per 01-01-2015]

In afwijking van artikel 7, eerste lid, is de landbouwer niet verplicht de uit productie genomen percelen in te zaaien met een groenbemester, indien:

  • a. de landbouwer voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening 834/2007 en verordening 889/2008;

  • b. op last van de Plantenziektenkundige Dienst deze percelen onbegroeid worden gehouden ter bestrijding van quarantaineorganismen, of

  • c. op last van HPA of Productschap Tuinbouw deze percelen onbegroeid worden gehouden ter bestrijding van knolcyperus.

Artikel 8a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Het is verboden gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de landbouwer beschikt over een ontheffing van burgemeester en wethouders voor het verbranden van de gewasresten.

Artikel 9

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De bedragen die een landbouwer op grond van de in artikel 2 genoemde steunregelingen aan subsidies ontvangt, worden conform het bepaalde in artikel 7 van verordening 73/2009 procentueel verlaagd ten behoeve van modulatie.

  • 2 De minister past in voorkomend geval de lineaire verlaging toe, bedoeld in artikel 8, eerste lid, laatste volzin, van verordening 73/2009.

Hoofdstuk 2. Bedrijfstoeslagregeling

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 1. Toewijzen van toeslagrechten

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 12a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Het referentiebedrag zoals dat overeenkomstig artikel 37, eerste lid, van Verordening (EG) Nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEU L 271) voor suiker wordt berekend of aangepast voor respectievelijk de jaren 2006, 2007, 2008 en voor 2009, uitgedrukt in euro, is het bedrag zoals berekend op basis van de in bijlage 4, punt 1, bij deze regeling opgenomen formule.

  • 2 Ten aanzien van de 1 op 5-telers als bedoeld in artikel 7 van het Suikersysteem 2006 geldt dat het referentiebedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de in het eerste lid bedoelde wijze, met dien verstande dat het bedrag zoals dat volgt uit die berekening wordt gedeeld door 5.

Artikel 12b

[Vervallen per 01-01-2015]

Het referentiebedrag, zoals dat overeenkomstig artikel 37, eerste lid, derde alinea, van verordening 1782/2003 met betrekking tot cichorei wordt berekend of aangepast voor respectievelijk de jaren 2006, 2007, 2008, en voor 2009, uitgedrukt in euro, is het bedrag zoals berekend op basis van de in bijlage 4, punt 3, bij deze regeling opgenomen formule.

Paragraaf 2. Nationale reserve

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 2.1. Vorming nationale reserve

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 14

[Vervallen per 01-01-2015]

De nationale reserve, bedoeld in artikel 41 van verordening 73/2009, omvat het bedrag dat voortvloeit uit:

  • a. het verschil bedoeld in artikel 41 van verordening 73/2009;

  • b. de ongebruikte toeslagrechten, bedoeld in artikel 42 van verordening 73/2009;

  • c. in voorkomend geval, de lineaire verlaging van de toeslagrechten, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van verordening 73/2009.

Paragraaf 2.2. Toewijzen van toeslagrechten uit de nationale reserve (aan landbouwers als bedoeld in artikel 42 van verordening 1782/2003)

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 16

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

    • a. landbouwers die overeenkomstig een van de in artikel 20 van verordening 795/2004 genoemde wijzen een bedrijf of een deel van een bedrijf in bezit hebben gekregen dat in de jaren 2000 tot en met 2002 was verhuurd, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij de betrokken grond in bezit hebben gekregen;

    • b. landbouwers die overeenkomstig artikel 22 van verordening 795/2004 grond hebben gehuurd of aangekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij deze grond uiterlijk op 15 mei 2004 hebben gehuurd respectievelijk gekocht;

    • c. landbouwers die overeenkomstig artikel 23bis van verordening 795/2004 op grond van een gerechtelijke uitspraak of bestuursrechtelijke uitspraak recht hebben op toewijzing van toeslagrechten of op verhoging van de waarde daarvan.

  • 2 De landbouwer dient de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten uit de nationale reserve uiterlijk in op 15 mei van het eerste kalenderjaar van gebruik van deze toeslagrechten.

Artikel 17

[Vervallen per 01-01-2015]

Het referentiebedrag, bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, en 22, eerste lid, van verordening 795/2004, wordt vastgesteld op een bedrag van € 150,– per hectare:

Artikel 18

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Voor landbouwers als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, worden het aantal toeslagrechten en de waarde daarvan vastgesteld door het overeenkomstig artikel 17 berekende extra referentiebedrag, te delen door het aantal in bezit gekregen hectaren.

  • 2 Voor landbouwers als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, die een bedrijf of een deel van een bedrijf hebben gehuurd, worden het aantal toeslagrechten en de waarde daarvan vastgesteld door het op grond van artikel 17 berekende extra referentiebedrag te delen door het aantal gehuurde hectaren.

  • 3 Voor landbouwers als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, die grond hebben gekocht worden het aantal toeslagrechten en de waarde daarvan vastgesteld door het op grond van artikel 17 berekende extra referentiebedrag te delen door het aantal gekochte hectaren.

Artikel 19

[Vervallen per 01-01-2015]

Indien als gevolg van overheidsinterventie de omvang van een bedrijf is verkleind, waardoor een landbouwer over minder hectaren subsidiabele grond beschikt dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die hij in het kader van artikel 41, derde lid, van verordening 73/2009 zou krijgen, of heeft gekregen, komt de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 7 van verordening 795/2004 in aanmerking voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve.

Paragraaf 3. Gebruik van toeslagrechten

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 20

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Voor betalingen op basis van toeslagrechten komen uitsluitend in aanmerking landbouwers die:

    • a. hun toeslagrechten activeren als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 73/2009 en daartoe subsidiabele hectaren aangeven, overeenkomstig artikel 35, eerste lid, van deze verordening,

    • b. deze subsidiabele hectaren tot hun beschikking hebben op 15 mei van enig jaar,

    • c. deze subsidiabele hectaren gebruiken in overeenstemming met artikel 39 van verordening 73/2009 indien het de productie van hennep betreft.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 49, tweede lid, van verordening 796/2004, worden toeslagrechten in een zodanige volgorde uitbetaald, dat het behoud van toeslagrechten zoveel mogelijk voorgaat op uitbetaling van toeslagrechten met de hoogste waarde.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 49, tweede lid, van verordening 796/2004, vindt de betaling op basis van toeslagrechten, in afwijking van het tweede lid, op verzoek van de landbouwer plaats volgens een door hem bepaalde volgorde, welke hij uiterlijk op 15 mei kenbaar maakt.

  • 4 De minimumoppervlakte, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van verordening 796/2004 bedraagt 0,01 ha.

Artikel 21

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 In afwijking van artikel 20 komen in aanmerking voor betalingen op basis van toeslagrechten, landbouwers die, zonder opgave van subsidiabele hectaren:

    • a. beschikken over bijzondere toeslagrechten waarop artikel 44 van verordening 73/2009 van toepassing is;

    • b. minimaal 50% van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE, handhaven; en

    • c. uiterlijk op 15 mei een verzoek doen, overeenkomstig artikel 30, derde lid bis, van verordening 795/2004, tot toepassing van de speciale voorwaarden.

  • 2 Ten bewijze van het voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorzover het schapen betreft, doet de landbouwer uiterlijk op 15 mei opgave op basis van zijn bedrijfsregister van het betrokken aantal dieren uitgedrukt in GVE.

  • 3 Aan het minimumpercentage bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geacht te zijn voldaan indien het gemiddelde aantal GVE 50%, doch gedurende een periode van 10 maanden, in geen geval minder dan 25% is.

  • 4 Als bijzondere toeslagrechten als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden overgedragen kan de verkrijger slechts in aanmerking komen voor het bepaalde in het eerste lid, indien:

    • a. de bijzondere toeslagrechten in 2009, 2010 of 2011 worden overgedragen, en

    • b. alle bijzondere toeslagrechten van de vervreemder worden overgedragen.

Artikel 21a

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Heide en natuurlijk grasland worden als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 73/2009 in aanmerking genomen indien deze percelen gedurende het betreffende premiejaar door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen.

  • 2 Overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van verordening 796/2004 worden met bomen beplante oppervlakten binnen een perceel landbouwgrond, met een plantdichtheid van meer dan 50 bomen per hectare, niet voor steun in aanmerking genomen.

  • 3 Onder hakhout met een korte omlooptijd als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder a, van verordening 73/2009 wordt verstaan woudbomen met omlooptijd van maximaal 10 jaar en bestemd voor de energieproductie.

Paragraaf 4. Overdracht van toeslagrechten

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 22

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Overdracht van toeslagrechten geschiedt met inachtneming van artikel 43 van verordening 73/2009 en de artikelen 25 en 27 van verordening 795/2004.

  • 2 Onverminderd de in verordening 73/2009, verordening 795/2004, verordening 796/2004 en verordening 1973/2004 aan de betaling op basis van toeslagrechten gestelde voorwaarden kan aanspraak op betaling in enig premiejaar op basis van overgedragen toeslagrechten slechts worden gemaakt indien:

    • a. de cedent DR uiterlijk op 31 maart van het desbetreffende premiejaar in kennis stelt van de overdracht, en

    • b. DR vóór 15 mei geen bezwaar heeft gemaakt tegen de overdracht wegens strijdigheid met verordening 73/2009 of verordening 795/2004.

Hoofdstuk 2a. Specifieke steun

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 1. Premiesteun voor brede weersverzekering

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 23

[Vervallen per 01-01-2015]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 24

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De minister verstrekt specifieke steun aan landbouwers in de vorm van een financiële bijdrage voor premies ten behoeve van verzekeringen, die overeenkomstig artikel 26, derde lid, zijn goedgekeurd.

  • 2 De steun bedraagt 65% van de verzekeringspremie, met dien verstande dat het steunpercentage evenredig wordt verlaagd voor alle voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 13.000.000 per kalenderjaar overstijgt.

  • 3 De steun betreft uitsluitend de premie, exclusief belastingen.

  • 4 Geen steun wordt verstrekt indien de landbouwer van overheidswege een andere bijdrage ontvangt voor de premie, bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Geen steun wordt verstrekt indien de landbouwer zijn teelt niet tegen alle ongunstige weersomstandigheden, bedoeld in artikel 26, derde lid, onderdeel b, heeft verzekerd.

Artikel 25

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De landbouwer verstrekt jaarlijks voor 1 augustus de volgende gegevens aan de minister:

    • a. het polisnummer van de verzekering,

    • b. een kopie van de verzekeringsvoorwaarden, en

    • c. een bewijs van betaling van de definitieve verzekeringspremie.

  • 2 De landbouwer is van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vrijgesteld indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door de verzekeraar worden verstrekt.

Artikel 26

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De voorwaarden van de verzekeringen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, worden goedgekeurd door de minister.

  • 2 De aanvraag om goedkeuring van de verzekeringsvoorwaarden wordt door de verzekeraar uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de premie voor steun in aanmerking wordt gebracht, ingediend bij de minister. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een onderbouwing van de premie;

    • b. een verklaring dat de verzekeraar vooraf toestemming verleent aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;

    • c. een verklaring van de verzekeraar dat hij zijn administratie die betrekking heeft op de verzekeringsvoorwaarden ten minste 4 kalenderjaren na afloop van de verzekering ter beschikking houdt van de minister;

    • d. het standaardmodel van de verzekeringspolis, en

    • e. documenten waarin de verzekeraar ten genoegen van de minister aantoont dat de verzekeringsvoorwaarden voldoen aan het bepaalde in deze regeling.

  • 3 De minister verleent uitsluitend goedkeuring aan de verzekeringsvoorwaarden indien:

    • a. het financieel verlies van de landbouwer wordt gedekt:

      • i. voor zover dat meer is dan 30% van de gemiddelde jaarproductie in de laatste drie jaar,

      • ii. als gevolg van een lagere opbrengst in kwantiteit of kwaliteit,

      • iii. dat optreedt op een aaneengesloten stuk grond waarop één enkel gewas wordt geteeld, en

      • iv. redelijkerwijs is toe te rekenen aan ongunstige weersomstandigheden,

    • b. onder ongunstige weersomstandigheden in elk geval zijn begrepen:

      • i. weersomstandigheden die volgens een schade-expert of het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en

      • ii. de volgende ongunstige weersomstandigheden: regenval; droogte; (nacht)vorst; sneeuw; ijzel; storm; hagel; erosie en brand door blikseminslag;

    • c. alle open teelten verzekerd kunnen worden;

    • d. geen eisen worden gesteld aan de aard of hoeveelheid van de toekomstige productie door de verzekerde;

    • e. de voorwaarde wordt gesteld dat de schade wordt vastgesteld door een schade-expert;

    • f. niet wordt uitgekeerd voorzover de landbouwer van overheidswege een tegemoetkoming in de schade ontvangt die ertoe leidt dat hij meer compensatie ontvangt dan hij schade heeft geleden;

    • g. slechts één keer tot uitkering wordt gekomen voor een en de zelfde gebeurtenis bij dezelfde teelt,

    • h. de verzekering wordt aangegaan per kalenderjaar, en

    • i. de verzekering geen dekking biedt voor genomen bereddings- en preventiemaatregelen.

  • 4 De weersomstandigheden bedoeld in het derde lid, onderdeel b, worden geacht vooraf te zijn erkend door de minister, als bedoeld in artikel 70, vierde lid, tweede alinea, van verordening 73/2009. De minister kan in aanvulling daarop, na overleg met de brancheorganisatie van verzekeraars, ook andere ongunstige weersomstandigheden erkennen.

  • 5 In afwijking van het derde lid, onderdeel a, mag een verzekering ook tot uitkering komen bij een financieel verlies van minder dan 30%, mits de verzekeraar ten genoegen van de minister onderscheidt welk deel van de premie betrekking heeft op vergoeding van het financieel verlies van de landbouwer van minder dan 30%. In dat geval heeft de steun slechts betrekking op het gedeelte van de premie dat ziet op verzekeringsvoorwaarden die in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze paragraaf.

  • 6 Het onderscheid, bedoeld in het vijfde lid, moet helder zijn omschreven in de verzekeringsvoorwaarden.

  • 7 In afwijking van het derde lid, onderdeel h, mag een verzekering voor meer dan een kalenderjaar worden aangegaan, mits de premie jaarlijks wordt betaald en de jaarlijkse premie betrekking heeft op de productie van één kalenderjaar.

  • 8 De minister publiceert de goedgekeurde verzekeringsvoorwaarden op www.minlnv.nl.

Artikel 27

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Het rekenmodel wordt tezamen met de verzekeringsvoorwaarden goedgekeurd door de minister.

  • 3 De minister keurt het rekenmodel uitsluitend goed indien de verzekeraar aantoont dat de uitkomsten van het rekenmodel vergelijkbaar zijn met een schadebeoordeling door een schade-expert. Het rekenmodel bevat daartoe tenminste de noodzakelijke gegevens om de schade vast te kunnen stellen aan de hand van bedrijfsspecifieke gegevens van het landbouwbedrijf zoals het gewas en grondsoort op perceelsniveau en de feitelijke weersomstandigheid die de schade veroorzaakt.

  • 4 De verzekeraar onderzoekt elk gebruik van het rekenmodel met behulp van een steekproef. De resultaten worden ter beschikking gehouden van de minister.

Hoofdstuk 3. Subsidie voor eiwithoudende gewassen, energiegewassen, noten, aardappelzetmeel en zaaizaad van vezelvlas

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 39

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een landbouwer die noten produceert komt uitsluitend in aanmerking voor subsidie op grond van de areaalbetaling voor noten als bedoeld in artikel 2, indien de percelen landbouwgrond, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening 1973/2004:

    • a. een oppervlakte hebben van ten minste 0,3 hectare;

    • b. voldoen aan het minimum aantal bomen genoemd in artikel 15, derde lid, van verordening 1973/2004.

  • 2 Het subsidiebedrag op grond van de areaalbetaling voor noten bedraagt € 120,75 per hectare.

Artikel 40

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een landbouwer die energiegewassen teelt komt uitsluitend in aanmerking voor subsidie op grond van de areaalbetaling voor energiegewassen als bedoeld in artikel 2, indien:

    • a. het perceel een oppervlakte van ten minste 0,3 ha heeft;

    • b. de landbouwer niet meer dan één leveringscontract per landbouwgrondstof sluit;

    • c. per soort landbouwgrondstof ten minste 3 ha landbouwgrond is ingezaaid.

  • 2 Indien een hoeveelheid landbouwgrondstof die door de landbouwer aan de verwerker is geleverd niet overeenkomt met de representatieve opbrengst, bedoeld in artikel 40d, wordt hij geacht niet aan zijn verplichtingen ten aanzien van de voor energiedoeleinden gebruikte percelen te hebben voldaan voor een oppervlakte die wordt berekend door de beteelde oppervlakte die hij overeenkomstig de subsidievoorwaarden heeft gebruikt voor de productie van de landbouwgrondstof, te vermenigvuldigen met het verhoudingsgetal dat aangeeft welk deel van die landbouwgrondstof ontbreekt.

  • 3 De aanvrager doet, ingeval van eenjarige gewassen, de in artikel 27, tweede lid, van Verordening 1973/2004 bedoelde aangifte uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar van aanvraag. Ingeval van tweejarige gewassen doet de aanvrager de in artikel 27, tweede lid, van Verordening 1973/2004 bedoelde aangifte uiterlijk op 1 maart van het tweede kalenderjaar na het jaar van aanvraag.

  • 4 Uiterlijk binnen 40 werkdagen na ontvangst van de door de aanvrager geleverde grondstof doet de eerste verwerker dan wel inzamelaar van energiegewassen de aangifte, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van verordening 1973/2004.

Artikel 40a

[Vervallen per 01-01-2015]

In afwijking van artikel 40, eerste lid, sub b, mogen landbouwers die energiegewassen telen overeenkomstig artikel 33 van verordening 1973/2004, de in dat artikel, eerste lid, onder a en b genoemde gewassen verbouwen voor productie van en verwerking tot energie dan wel biobrandstof op het eigen landbouwbedrijf.

Artikel 40b

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer die overeenkomstig artikel 40a energiegewassen wil verbouwen met het oogmerk om deze zelf te gebruiken dan wel te verwerken,

  • a. verbindt zich er ten opzichte van de minister schriftelijk toe dat deze landbouwgrondstoffen door hem rechtstreeks worden gebruikt dan wel verwerkt;

  • b. dient de hoeveelheid geoogste grondstof door weging of volumetrisch te bepalen;

  • c. dient een specifieke boekhouding te voeren van de gebruikte grondstof en de door de verwerking verkregen producten en bijproducten;

  • d. bewaart een kopie van de verzamelaanvraag in zijn bedrijfsadministratie;

  • e. dient in het geval dat hij granen of oliehoudende zaden gebruikt als brandstof voor de verwarming van zijn landbouwbedrijf of voor productie van en verwerking tot energie dan wel biobrandstof op het eigen landbouwbedrijf, deze te denatureren volgens de methode die vastgesteld wordt door Dienst Regelingen.

Artikel 40c

[Vervallen per 01-01-2015]

Afdeling 7 van hoofdstuk 8 van verordening 1973/2004 wordt toegepast met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 40d

[Vervallen per 01-01-2015]

Voor 2009 worden de volgende representatieve referentiehoeveelheden als bedoeld in artikel 26 van verordening 1973/2004 vastgesteld:

  • a. voor tarwe, bestemd voor gebruik bij de productie van energieproducten, voor kleigronden die als zodanig zijn aangeduid op de kaarten die zijn opgenomen als bijlage I bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet: 8.800 kilogram per hectare en voor overig Nederland: 6.330 kilogram per hectare;

  • b. voor koolzaad, bestemd voor gebruik bij de productie van energieproducten: 2.630 kilogram per hectare;

  • c. voor maïs, bestemd voor gebruik bij de productie van energieproducten: 12,9 ton droge stof per hectare.

Artikel 41

[Vervallen per 01-01-2015]

Een landbouwer die eiwithoudende gewassen teelt komt uitsluitend in aanmerking voor subsidie op grond van premie voor eiwithoudende gewassen als bedoeld in artikel 2, indien het perceel:

  • a. een oppervlakte van ten minste 0,3 ha heeft;

  • b. is ingezaaid met ten minste 70 kg zaad per hectare.

Artikel 42

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer die voor de zetmeelproductie bestemde aardappelen produceert overeenkomstig de artikelen 77 en 78 van verordening 73/2009 en hoofdstuk 6 van verordening 1973/2004, komt in aanmerking voor subsidie op grond van de productiesteun voor zetmeelaardappelen als bedoeld in artikel 2.

Artikel 43

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Een landbouwer die zaaizaad van vezelvlas produceert komt in aanmerking voor subsidie op grond van de productiesteun voor zaaizaad als bedoeld in artikel 2, indien:

    • a. het ingezaaide perceel een oppervlakte van ten minste 0,3 ha heeft;

    • b. de productie plaatsvindt op basis van een vermeerderingscontract tussen de landbouwer en het zaaizaadhandelsbedrijf of de kweker;

    • c. de betrokken zaaizaadhandelsbedrijven of kwekers geregistreerd zijn bij het HPA;

    • d. het zaaizaad uiterlijk op 15 juni van het jaar volgend op de aanvraag in de handel is gebracht.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, overlegt de landbouwer een verklaring omtrent de productie in het geval hij ook zaaizaadhandelsbedrijf of kweker is voor het geproduceerde zaaizaad van vezelvlas.

Hoofdstuk 4. Slachtpremie

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 44

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Overeenkomstig artikel 116 van verordening 73/2009, Afdeling 5 van Hoofdstuk 13 van verordening 1973/2004 en de bepalingen van deze regeling, wordt aan landbouwers uitsluitend premie verstrekt ter zake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I & R-systeem:

    • a. tenminste acht maanden oud is, of

    • b. indien het een kalf betreft, meer dan een maand en minder dan acht maanden oud is met een slachtgewicht van ten hoogste 185 kg.

  • 2 De kalveren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, die op de datum van de slacht onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I & R-systeem minder dan zes maanden oud zijn, worden geacht aan de voorwaarde met betrekking tot het gewicht, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, te hebben voldaan.

Artikel 45

[Vervallen per 01-01-2015]

Slachtpremie wordt de landbouwer slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

  • a. op zijn bedrijf, blijkens het I & R-systeem gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden;

  • b. blijkens het I & R-systeem na afloop van de in onderdeel a genoemde periode binnen een maand worden geslacht in een abattoir waarvan de houder overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren een bedrijfsregister bijhoudt of binnen één maand zijn geslacht in een abattoir in een andere lidstaat, dan wel binnen twee maanden zijn uitgevoerd naar een derde land; en

  • c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

Artikel 46

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De aanhoudperiode, bedoeld in artikel 45, onderdeel a, gedurende welke de runderen waarvoor slachtpremie is aangevraagd op het bedrijf moeten worden gehouden, beloopt een aaneengesloten periode van tenminste twee maanden.

  • 2 In afwijking van het eerste lid beloopt de aanhoudperiode voor kalveren die worden geslacht voordat zij de leeftijd van drie maanden hebben bereikt, een maand.

Artikel 47

[Vervallen per 01-01-2015]

Geen slachtpremie wordt verstrekt voor runderen waarvan de geboortedatum, de datum van aanvoer op en afvoer van het bedrijf van de landbouwer, of de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een andere lidstaat of derde land, niet in het I & R-systeem zijn vermeld.

Artikel 48

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De slachtpremie voor runderen, als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 116, tweede lid, onderdeel a, van verordening 73/2009.

  • 2 De slachtpremie voor kalveren, als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 116, tweede lid, onderdeel b, van verordening 73/2009.

Paragraaf 2. Slachtpremieaanvraag

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 49

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Om voor slachtpremie in aanmerking te komen dient de landbouwer, onverminderd artikel 50 een deelnamemelding in bij DR, of, indien het de slachtpremie voor kalveren betreft, bij PVE.

  • 2 In de deelnamemelding verklaart de landbouwer in ieder geval in aanmerking te willen komen voor slachtpremie, alsmede dat ter zake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze landbouwer door het betrokken abattoir wordt ingediend.

  • 3 Indien zich wijzigingen voordoen in de door de landbouwer op de deelnamemelding vermelde gegevens stelt hij DR, respectievelijk PVE, daarvan in kennis door middel van een nieuwe deelnamemelding, welke moet zijn ontvangen binnen veertien dagen nadat de desbetreffende wijziging is opgetreden.

Artikel 50

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De landbouwer kan een aanvraag voor slachtpremie uitsluitend indienen bij DR, of indien het de slachtpremie kalveren betreft, bij PVE, na ontvangst van diens deelnamemelding.

  • 2 Aanvragen voor slachtpremie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht door het betrokken abattoir aan het I&R systeem, binnen 25 dagen na de slacht van het betrokken rund, op de wijze zoals bepaald in de Regeling identificatie en registratie van dieren.

  • 3 Aanvragen voor slachtpremie ter zake van het slachten van runderen in een buiten Nederland gelegen abattoir worden ingediend binnen zes maanden na de slachtdatum, doch uiterlijk op de laatste dag van februari van het volgende jaar, waarbij de in artikel 121, eerste lid, onder a, van verordening 1973/2004 bedoelde bewijsstukken worden overgelegd.

  • 4 Aanvragen voor slachtpremie ter zake van de uitvoer van runderen naar een derde land worden ingediend binnen zes maanden na de datum waarop, blijkens de bij PVE berustende gegevens met betrekking tot de exportrestitutie, het betrokken rund het grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, doch uiterlijk op de laatste dag van februari van het volgende jaar.

Artikel 51

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Voor de aanvragen voor slachtpremie, bedoeld in artikel 50, derde en vierde lid, maakt de landbouwer gebruik van een daartoe door DR, of indien het de slachtpremie voor kalveren betreft, door PVE, vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid wordt ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

  • 2 Bij de indiening van een formulier, bedoeld in het eerste lid, legt de landbouwer alle bewijsstukken over die DR, respectievelijk PVE, nodig acht voor de beoordeling of aanspraak op slachtpremie kan worden gemaakt.

Artikel 52

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer die een slachtpremieaanvraag indient, is verplicht de tot zijn bedrijf behorende grond aan te geven. Daartoe maakt hij gebruik van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde procedure.

Paragraaf 3. Sanctiebepalingen betreffende de slachtpremieaanvraag

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 53

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Bij herhaling van de overtreding, bedoeld in het eerste lid, besluit de minister dat een landbouwer geen slachtpremie ontvangt gedurende twee jaren volgend op het jaar waarin de landbouwer de herhaalde overtreding heeft begaan.

Artikel 54

[Vervallen per 01-01-2015]

Geen slachtpremie wordt verleend indien de slachtmelding wordt verricht door een abattoir dat door toepassing van artikel 62 van verordening 796/2004 is uitgesloten van het recht verklaringen of certificaten af te geven met het oog op de toekenning van premie.

Hoofdstuk 5. Procedurele bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Paragraaf 1. Procedurele bepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 55

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

  • 3 De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

  • 4 Bij de verzamelaanvraag legt de landbouwer alle bewijsstukken over die het betrokken betaalorgaan nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 5 Van de wijziging, verbetering of intrekking van de verzamelaanvraag overeenkomstig Titel II van verordening 796/2004 stelt de landbouwer DR schriftelijk in kennis.

  • 6 In afwijking van het derde lid geldt als uiterste datum voor het indienen van teeltcontracten voor zetmeelaardappelen 15 juni.

  • 7 De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt tevens de volgende informatie bij de verzamelaanvraag:

    • a. toestemming aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling,

    • b. een verklaring dat hij zich bewust is van de voorwaarden voor verkrijging van deze steun, en

    • c. de naam van de verzekeraar met wie de verzekering is afgesloten.

Artikel 56

[Vervallen per 01-01-2015]

Bewijsstukken als bedoeld in artikel 55, vierde lid, overlegt de landbouwer schriftelijk voor zover deze niet elektronisch overgelegd kunnen worden.

Artikel 57

[Vervallen per 01-01-2015]

De landbouwer is verplicht op verzoek van DR, het HPA en de PVE alle gewenste nadere inlichtingen, ter zake van de gegevens verschaft bij de verzamelaanvraag of de slachtpremieaanvraag, terstond en naar waarheid te verstrekken.

Artikel 58

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De landbouwer is verplicht in zijn bedrijfsadministratie alle in de betrokken verordening, deze regeling en door DR, het HPA en de PVE voorgeschreven bewijsstukken te bewaren.

  • 2 De bedrijfsadministratie wordt door de landbouwer op eerste vordering aan de met toezicht op de naleving van deze regeling belaste persoon ter inzage gegeven.

  • 3 De landbouwer bewaart de bedrijfsadministratie op zijn bedrijf ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin subsidie is aangevraagd.

Artikel 59

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat een verzamelaanvraag of een slachtpremieaanvraag is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor het verstrekken van subsidie is voldaan, of indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat de voor de toekenning van de steun vereiste handelingen zijn begonnen, maar voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan, wordt de aangevraagde subsidie overeenkomstig het tweede en derde lid verstrekt aan de overnemer, bedoeld in artikel 74 van verordening 796/2004, dan wel aan de oorspronkelijke aanvrager.

  • 2 De desbetreffende aangevraagde subsidie wordt verstrekt aan de overnemer indien:

    • a. DR de schriftelijke melding van de overdracht uiterlijk op de laatste dag van de in artikel 55, derde lid, bedoelde termijn voor het indienen van de verzamelaanvraag ontvangt van de overnemer,

    • b. de overnemer het betrokken betaalorgaan uiterlijk op de laatste dag van de in artikel 55, derde lid, bedoelde termijn verzoekt om betaling van de door de wederpartij aangevraagde subsidie,

    • c. de overnemer alle door DR verlangde bewijsstukken overlegt, en

    • d. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de verstrekking van de steun.

  • 3 De desbetreffende aangevraagde subsidie wordt verstrekt aan de oorspronkelijke aanvrager indien:

    • a. DR de in het tweede lid, onder a, bedoelde melding niet of na de in artikel 55 derde lid bedoelde termijn van de overnemer heeft ontvangen,

    • b. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de verstrekking van de steun, en

    • c. de oorspronkelijke aanvrager alle door DR verlangde bewijsstukken overlegt.

Artikel 60

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien verordening 73/2009 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen een beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden mogelijk maken in verband met het niet nakomen van voorwaarden of verplichtingen, meldt de landbouwer een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden overeenkomstig artikel 72 van verordening 796/2004 schriftelijk aan DR met betrekking tot de in artikel 63, eerste lid, bedoelde regelingen, aan het HPA met betrekking tot de in artikel 64, eerste lid, bedoelde regelingen en aan de PVE met betrekking tot de in de in artikel 65, eerste lid, bedoelde regeling binnen 10 werkdagen na de dag vanaf welke dit voor hem mogelijk is.

  • 2 De landbouwer voegt bij de melding bewijsstukken bij ter ondersteuning van zijn beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 61

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien een bedrag aan subsidie ten onrechte is uitbetaald, wordt dit bedrag en de rente daarover overeenkomstig artikel 73 van verordening 796/2004 teruggevorderd.

  • 2 De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente in Nederland geldende op de laatste dag van de kalendermaand waarin de subsidie is betaald.

  • 3 Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet meer bedraagt dan € 100,– exclusief rente, wordt overeenkomstig artikel 5 bis van verordening 885/2006 afgezien van terugvordering.

Artikel 62

[Vervallen per 01-01-2015]

DR, het HPA en de PVE, alsmede de instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving van de in artikel 3 tot en met 8 bedoelde voorwaarden wisselen de gegevens uit betreffende aanvragers die relevant zijn in het kader van bedoeld toezicht. DR, het HPA en de PVE wisselen tevens de gegevens uit die relevant zijn voor de in artikel 9 bedoelde modulatie.

Paragraaf 2. Uitvoerende instanties

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 63

[Vervallen per 01-01-2015]

DR is belast met de uitvoering van

  • a. de bedrijfstoeslagregeling;

  • b. de areaalbetaling voor noten;

  • c. de steun voor energiegewassen;

  • d. de premie voor eiwithoudende gewassen;

  • e. de slachtpremie, met uitzondering van de slachtpremie, bedoeld in artikel 44, voor kalveren;

  • f. de specifieke steun, bedoeld in Hoofdstuk 2a.

Artikel 64

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Het HPA is belast met de uitvoering van:

    • a. de steun voor zetmeelaardappeltelers, bedoeld in artikel 77 van verordening 73/2009;

    • b. de steun voor zaaizaad van vezelvlas, bedoeld in artikel 87 van verordening 73/2009.

  • 2 Het HPA is de bevoegde instantie voor de verwerkers van energiegewassen als bedoeld in Hoofdstuk 8 van Verordening 1973/2004.

  • 3 Het HPA regelt, met inachtneming van verordening 73/2009, verordening 796/2004 en verordening 1973/2004 en zo nodig de aanwijzingen van de minister, al hetgeen voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde steunregelingen is vereist.

Artikel 65

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 De PVE zijn belast met de uitvoering van het onderdeel slachtpremie voor kalveren van de rundvleesbetalingen.

  • 2 De PVE regelen, met inachtneming van verordening 73/2009, verordening 796/2004 en verordening 1973/2004 en zo nodig de aanwijzingen van de minister, al hetgeen voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde steunregeling is vereist.

Artikel 67

[Vervallen per 01-01-2015]

De AID is verantwoordelijk voor de coördinatie van de controles ter plaatse op de naleving van de regeling als bedoeld in de artikelen 20 en 22 van verordening 73/2009.

Paragraaf 3. Sancties

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 68

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien een landbouwer één of meer verplichtingen op grond van de artikelen 3 tot en met 8a niet naleeft, wordt overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk II van verordening 796/2004 een korting opgelegd op het totale bedrag dat op grond van de in artikel 3 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

  • 2 Onverminderd artikel 71 van verordening 796/2004, bedraagt de hoogte van de korting 1, 3 of 5% van het totale bedrag dat op grond van de in artikel 3 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend en wordt in geval van herhaalde of opzettelijke niet-naleving verhoogd overeenkomstig artikel 66 en 67 van verordening 796/2004.

Artikel 69

[Vervallen per 01-01-2015]

Indien een landbouwer andere dan de in artikel 68 bedoelde voorwaarden of verplichtingen voortvloeiend uit verordening 73/2009 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen niet naleeft, wordt door DR met betrekking tot de in artikel 63, eerste lid, bedoelde regelingen, het HPA met betrekking tot de in artikel 64, eerste lid, bedoelde regelingen en de PVE met betrekking tot de in de in artikel 65, eerste lid, bedoelde regeling overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk I van verordening 796/2004 een korting opgelegd op het bedrag dat op grond van de betrokken steunregeling aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

Artikel 70

[Vervallen per 01-01-2015]

Indien een landbouwer niet alle in artikel 14, eerste lid, van verordening 796/2004 bedoelde oppervlakten opgeeft en daarbij het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moet worden gedaan, als volgt verlaagd:

  • a. indien het verschil groter is dan 3% en kleiner dan of gelijk aan 10% bedraagt de verlaging 1%;

  • b. indien het verschil groter is dan 10% en kleiner dan of gelijk aan 20% bedraagt de verlaging 2%;

  • c. indien het verschil groter is dan 20% bedraagt de verlaging 3%.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

[Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 71

[Vervallen per 01-01-2015]

De Regeling GLB-inkomenssteun wordt ingetrokken, maar blijft evenwel van toepassing op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling waarop nog niet onherroepelijk is beslist en, in geval van slacht, op slachtingen en export verricht vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling.

Artikel 71a

[Vervallen per 01-01-2015]

De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 zoals die luidde vóór 1 januari 2009 blijft van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2009.

Artikel 72

[Vervallen per 01-01-2015]

[Red: Wijzigt de Overdrachtsregeling bevoegdheden Landbouwwet 1966 Algemeen.]

Artikel 78

[Vervallen per 01-01-2015]

Deze regeling wordt aangehaald als: ‘Regeling GLB-inkomenssteun 2006’.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 1 december 2005

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.P. Veerman

Bijlage 1. Beheerseisen als bedoeld in artikel 3

[Vervallen per 01-01-2015]

Volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten

[Vervallen per 01-01-2015]

Dierenwelzijn

[Vervallen per 01-01-2015]

Bijlage 2. Lijst van groenbemesters als bedoeld in artikel 7, eerste lid

[Vervallen per 01-01-2015]

  • 1. Mengsels van grassen

  • 2. Phacelia

  • 3. Spurrie

  • 4. Vlinderbloemigen met uitzondering van bonen en erwten

  • 5. Kruisbloemigen m.u.v. koolzaad

  • 6. Afrikaantjes (Tagetes)

  • 7. Solanum sisymbriifolium

Tevens zijn in mengsels van één of meer van bovenstaande gewassen toegestaan:

  • 8. Tweezaadlobbige cultuurgewassen in een dichtheid per gewas van ten hoogste 10% van de zaaizaadhoeveelheid die gebruikt wordt bij de gangbare teelt van het desbetreffende gewas

  • 9. Eenzaadlobbige cultuurgewassen met uitzondering van maïs, in een dichtheid van maximaal 7 kg per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kg per hectare in totaal

  • 10. Akkerkruiden zoals aangemerkt in de Standaardlijst van de Nederlandse Flora (van der Meijden, 1990) met uitzondering van duist, grote windhalm, oot, melganzevoet, knolcyperus, hanepoot, kweek, kleefkruid, akkermunt, veenwortel, perzikkruid en klein kruiskruid.

Bijlage 4. Berekeningswijze referentiebedragen en hectares voor suiker en cichorei

[Vervallen per 01-01-2015]

1. Referentiebedrag suiker

De formule, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, luidt:

A × (B : (C – D + E))

Verklaring van de tekens:

A staat voor het getal dat overeenkomt met de hoeveelheid suiker, uitgedrukt in kilogram, die een landbouwer op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 mag leveren voor het verkoopseizoen 2006/2007, hetzij in het kader van het Suikersysteem 2006 aan een binnenlandse suikerfabrikant, hetzij aan een buitenlandse suikerfabrikant.

B staat voor het getal dat overeenkomt met het in punt K, onder 2, in tabel 1, van bijlage VII van verordening 1782/2003 voor respectievelijk de jaren 2006, 2007, 2008, en voor 2009 en volgende jaren aangegeven nationale maximumbedrag voor Nederland, zoals dat op basis van artikel 41, lid 1bis, van genoemde verordening nog door de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan worden aangepast en voorzover dit bedrag betrekking heeft op de component suiker. De minister maakt de door de Commissie aangepaste bedragen en de onderverdeling daarvan over suiker en cichorei bekend in de Staatscourant.

C staat voor het getal dat overeenkomt met alle suiker, uitgedrukt in kilogram, die door de landbouwers op grond van het Suikersysteem 2006 op 1 januari 2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 geleverd mag worden.

D staat voor het getal dat overeenkomt met alle suiker, uitgedrukt in kilogram, die door de landbouwers op 1 januari 2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 in Nederland geproduceerd mag worden met in het buitenland geteelde suikerbieten.

E staat voor het getal dat overeenkomt met alle suiker, uitgedrukt in kilogram, die door de landbouwers op 1 januari 2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 geproduceerd mag worden in het buitenland met in Nederland geteelde suikerbieten.

2. Hectareberekening suiker

De formule, bedoeld in artikel 12a, tweede lid, luidt:

A : 13.100.

Verklaring van de tekens:

A staat voor het getal dat overeenkomt met de hoeveelheid suiker, uitgedrukt in kilogram, die een landbouwer op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 mag leveren voor het verkoopseizoen 2006/2007, hetzij in het kader van het Suikersysteem 2006 aan een binnenlandse suikerfabrikant, hetzij aan een buitenlandse suikerfabrikant.

3. Referentiebedrag cichorei

De formule, bedoeld in artikel 12b, eerste lid, luidt:

A × (B : C).

Verklaring van de tekens:

A staat voor het getal dat overeenkomt met het gemiddeld aantal hectares over de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2004/2005, waarvoor de landbouwer een leveringscontract voor de teelt van cichoreiwortels heeft afgesloten.

B staat voor het getal dat overeenkomt met het in punt K, onder 2, in tabel 1, van bijlage VII van verordening 1782/2003 voor respectievelijk de jaren 2006, 2007, 2008, en voor 2009 en volgende jaren aangegeven nationale maximumbedrag voor Nederland, zoals dat op basis van artikel 41, lid 1bis, van genoemde verordening nog door de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan worden aangepast en voorzover dit bedrag betrekking heeft op de component cichorei. De minister maakt de door de Commissie aangepaste bedragen en de onderverdeling daarvan over suiker en cichorei bekend in de Staatscourant.

C staat voor het getal dat overeenkomt met het gemiddeld aantal in Nederland gelegen hectares over de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2004/2005 waarvoor door landbouwers al dan niet via tussenpersonen leveringscontracten met producenten van inulinestroop zijn afgesloten.

Terug naar begin van de pagina