Regeling tachograafkaarten

Geldend van 20-07-2005 t/m 31-12-2006

Regeling houdende regels met betrekking tot de verstrekking en het gebruik van tachograafkaarten (Regeling tachograafkaarten)

§ 1. Reikwijdte

Artikel 1

In deze regeling wordt, in afwijking van artikel, 2.1:1, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, verstaan onder:

  • a. controleapparaat: een controleapparaat als bedoeld in bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85;

  • b. tachograafkaart: kaart met geheugen als bedoeld in bijlage IB, hoofdstuk I, onderdeel kk, van verordening (EEG) nr. 3821/85, zijnde een bestuurderskaart, een bedrijfskaart of een werkplaatskaart;

§ 2. Aanvraag en verlening

Artikel 2

  • 1 Een bestuurderskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager:

    • a. zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 in Nederland heeft;

    • b. in het bezit is van een aan hem afgegeven, geldig rijbewijs voor het besturen van een voertuig in de zin van artikel 2.3:1, aanhef en onder a en b, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;

    • c. nog geen houder is van een bestuurderskaart, tenzij het een aanvraag betreft overeenkomstig artikel 5, eerste lid, of het een aanvraag betreft om vernieuwing van de bestuurderskaart.

  • 2 Een bedrijfskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996, tot een maximum van 62 exemplaren per aanvrager.

  • 3 Een werkplaatskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager:

    • a. met goed gevolg een cursus heeft doorlopen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling controleapparaten 2005, waarvan het installeren, onderzoeken en repareren van digitale controleapparaten deel uit maakt;

    • b. onder gezag of in de hoedanigheid van een erkenninghouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Regeling controleapparaten 2005, werkzaamheden verricht.

    • c. nog geen houder is van een werkplaatskaart, tenzij het een aanvraag betreft:

      • 1°. overeenkomstig artikel 5, eerste lid;

      • 2°. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden onder gezag van een andere erkenninghouder dan degene onder wiens gezag de aanvrager reeds een kaart bezit;

      • 3°. van een werkplaatskaart ten behoeve van werkzaamheden in de hoedanigheid van erkenninghouder en de aanvrager in die hoedanigheid niet reeds houder is van een op zijn naam gestelde werkplaatskaart;

      • 4°. om vernieuwing van de werkplaatskaart.

  • 4 Bij de aanvraag van een bestuurderskaart of werkplaatskaart overlegt de aanvrager een niet beschadigde, recente, goed gelijkende pasfoto van de aanvrager van ongeveer 4 cm hoog en 3 cm breed, waarbij het gezicht van voren, tegen een lichte, egale achtergrond is gefotografeerd.

Artikel 3

In afwijking van artikel 2, eerste lid, onder a, kan een bestuurderskaart worden verleend aan de aanvrager die zijn gewone verblijfplaats niet binnen de grenzen van de Europese Unie heeft en die onder gezag van een in Nederland gevestigde werkgever als bestuurder van een vrachtauto of bus werkzaamheden verricht of gaat verrichten, al dan niet uitsluitend bestemd voor of afkomstig van eigen onderneming of bedrijf, indien aan zijn werkgever voor hem is afgegeven:

Artikel 4

  • 1 De Minister van Verkeer en Waterstaat beslist op aanvraag van een tachograafkaart binnen 6 weken nadat de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag is ontvangen.

  • 2 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een tachograafkaart wordt een vergoeding in rekening gebracht van € 69,– per tachograafkaart.

Artikel 5

  • 1 In geval een bestuurderskaart of werkplaatskaart zoek raakt door verlies of diefstal, of defect of beschadigd is, vraagt de aanvrager binnen zeven kalenderdagen na het tijdstip van vaststelling daarvan een vervangende tachograafkaart aan.

  • 2 In afwijking van artikel 4, eerste lid, beslist de Minister van Verkeer en Waterstaat op de in het eerste lid bedoelde aanvraag van een bestuurderskaart of werkplaatskaart binnen vijf werkdagen nadat de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag is ontvangen.

  • 3 In afwijking van artikel 4, eerste lid, beslist de Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag van een bestuurderskaart of werkplaatskaart die in de plaats komt van een kaart met een resterende geldigheidsduur van ten minste twee weken, binnen de termijn van de resterende geldigheidsduur gerekend vanaf het moment dat de vergoeding voor het in behandeling nemen van de aanvraag is ontvangen voorzover die termijn nog ten minste een week is.

§ 3. Inleverplicht tachograafkaart

Artikel 6

  • 1 De aanvrager levert zijn ingetrokken, defecte of beschadigde bestuurderskaart of werkplaatskaart in op de plaats van afgifte van de vervangende tachograafkaart.

  • 2 De aanvrager levert zijn verloren of gestolen geraakte bestuurderskaart of werkplaatskaart in op de plaats van afgifte van de vervangende tachograafkaart, indien deze na melding van verlies of diefstal weer in bezit van de aanvrager is gekomen, voordat de vervangende tachograafkaart is opgehaald.

  • 3 Indien een bestuurderskaart of werkplaatskaart na melding van verlies of diefstal weer in bezit van de aanvrager is gekomen, nadat de vervangende tachograafkaart is opgehaald, dient deze te worden teruggezonden aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

§ 4. Intrekking en geldigheid

Artikel 7

  • 1 Een tachograafkaart kan worden ingetrokken in de gevallen genoemd in artikel 14, vierde lid, onder c, van verordening (EEG) nr. 3821/85 of op verzoek van de aanvrager.

  • 2 Een bedrijfskaart of werkplaatskaart kan daarnaast worden ingetrokken:

    • a. bij zodanig misbruik van de kaart dat een deugdelijke registratie van rij- en rusttijden in gevaar komt;

    • b. indien de aanvrager niet meer kan voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2, tweede en derde lid, onder b.

Artikel 8

  • 1 Onverminderd artikel 2.4:11, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, verliest een bestuurderskaart of werkplaatskaart zijn geldigheid indien:

    • a. de kaart als verloren of gestolen is gemeld aan de Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • b. de kaart vanwege een defect, beschadiging bij de plaats van afgifte is ingeleverd;

    • c. drie maanden, na de datum van dagtekening van het bericht waarin de aanvrager wordt geïnformeerd dat zijn kaart gereed ligt, zijn verstreken en de kaart in die periode niet is afgehaald; of

    • d. het bestuurdersattest dat of de tewerkstellingsvergunning die ten grondslag ligt aan de verlening van een bestuurderskaart op grond van artikel 3 zijn geldigheid verliest.

  • 2 De onderdelen a en b van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bedrijfskaart.

§ 5. Afgifte van de kaart

Artikel 9

  • 1 De wijze van afgifte van een tachograafkaart wordt schriftelijk aan de aanvrager gemeld.

  • 2 Afgifte van een bestuurderskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een op zijn naam gesteld, geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, alsmede de aan hem gezonden schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Afgifte van een werkplaatskaart geschiedt op vertoon door de aanvrager van een op zijn naam gesteld, geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aan hem gezonden schriftelijke melding, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Een bestuurderskaart of werkplaatskaart die is aangevraagd in verband met een defect of beschadiging of vernieuwing van de oude kaart wordt niet eerder afgegeven dan na inlevering van de te vervangen kaart op de plaats van afgifte.

  • 5 Bij afgifte van een bestuurderskaart aan een bestuurder die een geldig rijbewijs heeft zonder pasfoto en aan een bestuurder als bedoeld in artikel 3 toont de aanvrager naast de in het tweede lid genoemde documenten ook een geldig paspoort.

§ 6. Gebruik van de tachograafkaart en andere registratiemiddelen

Artikel 10

  • 1 Indien de bestuurder zijn bestuurderskaart bij verlies, diefstal, een defect of beschadiging niet kan gebruiken maakt hij in aanvulling op artikel 16, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 ook aan het begin van de rit, een afdruk van alle gegevens die in het controleapparaat zijn opgeslagen en voorziet hij deze van:

    • a. zijn naam, zijn handtekening en rijbewijsnummer of nummer van bestuurderskaart; en

    • b. de in artikel 15, derde lid, tweede streepje, onder b, c en d, van verordening (EEG) nr. 3821/85 aangegeven tijdgroepen.

  • 2 Wanneer de bestuurder niet bij het voertuig is en daardoor het controleapparaat in het voertuig niet kan bedienen, moeten de in artikel 15, derde lid, tweede streepje, onder b, c en d, van verordening (EEG) nr. 3821/85 aangegeven tijdgroepen op de bestuurderskaart worden geregistreerd met behulp van de voorziening voor handmatige invoer waarmee het controleapparaat is uitgerust op het moment dat het voertuig wel aanwezig is.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, tekent de bestuurder, indien hij zijn bestuurderskaart bij verlies, diefstal, een defect of beschadiging niet kan gebruiken, op de in het eerste lid bedoelde afdruk de in artikel 15, derde lid, tweede streepje, onder b, c en d, van verordening (EEG) nr. 3821/85 aangegeven tijdgroepen met de hand leesbaar op zonder dat die afdruk wordt bevuild op het moment dat het voertuig wel aanwezig is.

  • 4 Indien, in de situatie beschreven in het tweede lid, het voertuig door meer dan één bestuurder wordt bemand, steken deze bestuurders hun bestuurderskaarten in de juiste lezer van het controleapparaat.

Artikel 11

  • 1 De in het controleapparaat geregistreerde gegevens worden door de werkgever of de persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet tenminste elke drie maanden met behulp van de bedrijfskaart overgebracht naar de vestiging van die werkgever of die persoon.

§ 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14

  • 2 Aanvragen van tachograafkaarten ingevolge de Tijdelijke regeling tachograafkaarten ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling worden aangemerkt als aanvragen ingediend na dat tijdstip.

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van het digitale controleapparaat (Stb. 2004, 347).

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

K.M.H. Peijs

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.J. de Geus

Terug naar begin van de pagina