Wet financiering sociale verzekeringen

Geraadpleegd op 10-12-2022.
Geldend van 01-01-2006 t/m 09-05-2006

Wet van 16 december 2004, houdende regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vermindering van administratieve en uitvoeringslasten en vereenvoudiging van regelgeving de heffing en invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen te laten plaatsvinden door de rijksbelastingdienst tezamen met en op zoveel mogelijk gelijke wijze als die van de loonbelasting en de regeling daarvan en van hetgeen overigens de financiering van de werknemersverzekeringen betreft tezamen met de regeling van de financiering van de volksverzekeringen – onder intrekking van onder andere de Wet financiering volksverzekeringen – onder te brengen in één wet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Algemene begrippen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Sociale verzekeringen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Artikel 3. Premieheffing en rijksbijdragen

De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de fondsen voor de volksverzekeringen, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van reserves in deze fondsen, worden verkregen door het heffen van premie en door bijdragen van het Rijk.

Artikel 4. Algemene begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en afdeling 2 van hoofdstuk 7 wordt verstaan onder:

Artikel 5. Uitzondering nominale premie AWBZ

Voor de toepassing van deze wet wordt onder premie voor de volksverzekeringen niet begrepen de nominale premie die de verzekerde op grond van artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd is.

Afdeling 2. Premie van verzekerden

§ 1. Premieplicht

Artikel 6. Premieplicht

  • 1 Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.

§ 2. Maatstaf

Artikel 7. Maatstaf

De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige.

Artikel 8. Premie-inkomen

  • 1 Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In het geval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van die wet, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen.

§ 3. Tarief en heffingskorting

Artikel 9. Verschuldigde premie

De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.

Artikel 10. Premie

  • 1 De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op de som van de percentages bedoeld in artikel 11 van het premie-inkomen.

  • 2 Tot de premie bedoeld in het eerste lid behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken niet de premie voor de algemene ouderdomsverzekering.

Artikel 11. Premiepercentage

  • 1 Het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld. Het bedraagt ten hoogste 18,25.

  • 2 Het premiepercentage voor de nabestaandenverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld.

  • 3 Het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister.

  • 4 Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.

Artikel 12. Heffingskorting

  • 1 De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:

§ 4. Aanvullende regeling

Artikel 13. Nadere regels

Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.

Afdeling 3. Rijksbijdragen

Artikel 14. Rijksbijdrage ouderdomspensioen

Onze Minister kan jaarlijks bedragen vaststellen die in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage ten gunste komen van het Ouderdomsfonds.

Artikel 15. Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen

Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt jaarlijks een rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen toegekend. Deze bijdrage wordt door Onze Minister vastgesteld volgens de formule: BIKKt = (BIKKt-1 + A*Kt-1)*Kt/Kt-1 waarbij:

BIKKt = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in een bepaald jaar;

BIKKt-1 = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in het voorafgaande jaar;

A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande jaar;

Kt = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend;

Kt-1 = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend.

Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

§ 1. Het loonbegrip

Artikel 16. Loon

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2011, 619, datum inwerkingtreding 01-01-2012, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2006.

3 De uitkeringen en de toeslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, zijn:

  • a. een uitkering op grond van een werknemersverzekering, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet;

  • b. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg;

  • c. wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet.

Artikel 17. Maximum premieloon

  • 1 Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, blijft het loon dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen dan een door Onze Minister vastgesteld bedrag vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het premiebetalingstijdvak, voor dat meerdere buiten aanmerking.

  • 2 Bij de berekening van het loon, waarnaar de premie op grond van afdeling 2 van dit hoofdstuk wordt geheven, blijft, wat betreft het door de werkgever en door de werknemer verschuldigde gedeelte van het deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het bij dezelfde werkgever genoten loon buiten aanmerking tot een door Onze Minister vastgesteld bedrag vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het premiebetalingstijdvak. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, kan voor de werkgever en voor de werknemer verschillend worden vastgesteld.

  • 3 De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht. Indien een wijziging ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

  • 4 Indien voor een werknemer die van verschillende werkgevers loon heeft genoten premie is betaald over een hoger loonbedrag dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, stelt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking het bedrag van de teveel betaalde premie vast. Bij die vaststelling wordt het voor de premieheffing in aanmerking komende loon berekend naar evenredigheid van het ten laste van die werkgevers genoten loon, en blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premie op grond van afdeling 2 van dit hoofdstuk, bedoeld in het tweede lid, wordt geheven, het voor premieberekening in aanmerking komende loon buiten aanmerking tot een evenredig deel van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking komende loon bij samenloop van loon dat gelijktijdig wordt genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 en uit een vroegere dienstbetrekking in de zin van die wet dan wel bij het gelijktijdig genieten van meer dan één uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 16, derde en vierde lid. In de te stellen regels wordt uitgegaan van een totaal loonbedrag, dat niet hoger is dan het bedrag in het eerste lid, waarbij niet meer dan één keer rekening wordt gehouden met dat bedrag.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere en zo nodig van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld.

Artikel 18. Herziening maximumpremieloon

  • 2 De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

  • 3 Het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

  • 4 Uitsluitend voor de berekening van het loon waarnaar de premies worden geheven, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, afgerond op hele euro naar beneden en blijft het bedrag zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.

Artikel 19. Buiten toepassing laten artikel 17

Ingeval een werknemer in het premiebetalingstijdvak zijn naam, adres of woonplaats niet aan de werkgever heeft verstrekt dan wel zijn identiteit niet is vastgesteld en niet is opgenomen in de administratie overeenkomstig artikel 28, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de werkgever dit weet of redelijkerwijs moet weten, blijft artikel 17, eerste tot en met derde lid, buiten toepassing bij de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven.

§ 2. Inhouding en verbod van verhaal

Artikel 20. Inhouding en verbod verhaal op werknemer

  • 1 De werkgever mag op het loon van de werknemer het door deze verschuldigde deel van de premie inhouden.

  • 2 De werkgever mag de door hem verschuldigde premie en de door de werknemer verschuldigde premie voorzover deze niet op diens loon is ingehouden, niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.

§ 3. Uitzondering premieplicht

Artikel 21. Uitzondering premieplicht 65-jarigen

Geen premies voor de werknemersverzekeringen zijn verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.

§ 4. Premiewijziging anders dan per 1 januari

Artikel 22. Premiewijziging anders dan per 1 januari

  • 1 Indien een wijziging van een premiepercentage bij ministeriële regeling op grond van dit hoofdstuk of een wijziging in de verdeling van de premie op grond van artikel 25, tweede lid, ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

  • 2 Indien een wijziging door het UWV van een premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Minister en Onze Minister van Financiën. Indien Onze Minister en Onze Minister van Financiën hun goedkeuring onthouden stellen zij het percentage zelf vast.

  • 3 Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen in een geval als bedoeld in dit artikel regels stellen omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.

Afdeling 2. Algemeen Werkloosheidsfonds en sectorfondsen

§ 1. Premies ten gunste van de fondsen

Artikel 23. Premieheffing

  • 1 De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de sectorfondsen, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van reserves in deze fondsen, worden verkregen door het heffen van premie.

  • 2 De premie wordt onderscheiden in een deel dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en een deel dat ten gunste komt van het sectorfonds dat het UWV voor de betrokken sector afzonderlijk administreert.

§ 2. Uitzondering overheid

Artikel 24. Uitzondering overheid

  • 1 Deze afdeling is niet van toepassing op overheidswerknemers en op overheidswerkgevers voorzover zij werkgever zijn van overheidswerknemers.

§ 3. Premieplicht werkgever en werknemer

Artikel 25. Premieverschuldigdheid werkgever en werknemer

  • 1 De premie is verschuldigd door werkgevers en werknemers in de zin van de Werkloosheidswet.

  • 2 Het deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds is gedeeltelijk verschuldigd door de werkgever en gedeeltelijk door de werknemer. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welk gedeelte door de werkgever en welk gedeelte door de werknemer is verschuldigd.

  • 3 Het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds is verschuldigd door de werkgever.

§ 5. Tarief

Artikel 27. Premiepercentage Algemeen Werkloosheidsfonds

Bij ministeriële regeling wordt het deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds vastgesteld op een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage van het loon.

Artikel 28. Premiepercentage sectorfonds

  • 1 Het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds wordt door het UWV vastgesteld op een percentage van het loon dat voor categorieën van werkgevers en werknemers die behoren tot verschillende sectoren en sectoronderdelen als bedoeld in artikel 95 kan verschillen. Bij de vaststelling van het percentage blijven ten aanzien van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, vermeerderd met een door het UWV vast te stellen opslag in verband met kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van die wet, alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, buiten beschouwing. Bij de vaststelling van het percentage blijven ten aanzien van Onze Minister van Defensie en Onze Minister, voorzover zij werkgever zijn van personen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, van de Ziektewet, de uitkeringen bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdelen c en d, alsmede de daaraan gerelateerde overige uitgaven uit het sectorfonds buiten beschouwing. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.

  • 3 Het deel van de premie dat met toepassing van het tweede lid ten gunste komt van het sectorfonds, bedraagt ten hoogste de premie die op grond van het eerste lid is vastgesteld. Het resterende deel van deze premie komt ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

  • 5 Een door het UWV bepaald percentage als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt stelt hij het percentage zelf vast.

Afdeling 3. Uitvoeringsfonds voor de overheid

§ 1. Door overheid af te dragen middelen

Artikel 29. Premieheffing en verhaal

De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in dat fonds, worden verkregen door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in artikel 79 van de Werkloosheidswet, bij de overheidswerkgevers en door het heffen van premie.

Artikel 30. Premieverschuldigdheid overheidswerkgever

De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever.

Artikel 31. Maatstaf en tarief

De premie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage van het loon. Dit percentage kan uitsluitend voor verschillende werkgevers verschillen, omdat bij de vaststelling daarvan ten aanzien van de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, vermeerderd met een opslag in verband met kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van die wet, alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, buiten beschouwing blijven.

§ 2. Door overheid in te houden op het loon

Artikel 32. Pseudo-WW-premie

  • 1 De overheidswerkgever mag op het loon van de overheidswerknemer een bedrag inhouden ter hoogte van het deel van de premie dat deze op grond van de artikelen 25, tweede lid, en 27 verschuldigd zou zijn, indien die artikelen op hem van toepassing zouden zijn.

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde inhouding is hoofdstuk 4 niet van toepassing.

Afdeling 4. Arbeidsongeschiktheidsfonds, Arbeidsongeschiktheidskas en Werkhervattingskas

§ 1. Premies en rijksbijdragen ten gunste van de fondsen

Artikel 33. Premieheffing en rijksbijdrage

  • 1 De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in dat fonds, worden verkregen door het heffen van de in artikel 36 bedoelde basispremie en door een bijdrage van het rijk als bedoeld in artikel 114, onderdeel f.

  • 2 De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in de Arbeidsongeschiktheidskas, worden verkregen door het heffen van de in artikel 37 bedoelde gedifferentieerde premie.

  • 3 De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in de Werkhervattingskas, worden verkregen door het heffen van de in artikel 38 bedoelde gedifferentieerde premie.

§ 2. Premieplicht werkgever

Artikel 34. Basispremie en gedifferentieerde premies

  • 2 In afwijking van artikel 20, tweede lid, kan de werkgever de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38, onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.

§ 4. Tarief

Artikel 36. Basispremie

Bij ministeriële regeling wordt voor de berekening van de basispremie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage vastgesteld.

Artikel 37. Gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidskas

  • 1 Het UWV stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, vast:

    • a. voor de berekening van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Arbeidsongeschiktheidskas een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage;

    • b. voor de berekening van het rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.

  • 2 Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een werkgever dan wel voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor categorieën van werkgevers kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever die niet behoort tot een categorie als bedoeld in de tweede zin stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 3 De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het tweede lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld:

    • a. omtrent de wijze waarop het rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden vastgesteld;

    • b. omtrent de wijze waarop de in het tweede of derde lid bedoelde opslag of korting wordt berekend;

    • c. omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor een werkgever mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor een werkgever moeten gelden.

  • 5 Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan een door het UWV op grond van het eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, vastgesteld percentage stelt hij het percentage vast.

  • 6 Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.

Artikel 38. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas

  • 1 Het UWV stelt vast:

    • a. voor de berekening van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage;

    • b. voor de berekening van het rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.

  • 2 Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een werkgever dan wel voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor categorieën van werkgevers kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever die niet behoort tot een categorie als bedoeld in de tweede zin, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 3 De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het tweede lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de wijze waarop het rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden vastgesteld;

    • b. de wijze waarop de in het tweede en het derde lid bedoelde opslag en korting worden berekend;

    • c. de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor een werkgever mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor een werkgever moeten gelden.

  • 5 Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.

Artikel 38a. Vervanging gedifferentieerde premie

Afdeling 5. Eigenrisicodragen

§ 1. Algemeen

Artikel 40. Verzoek eigenrisicodragen

  • 2 De werkgever legt bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke garantie over waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het desbetreffende in het eerste lid bedoelde risico is beëindigd.

  • 9 De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze aanvangt werkgever te zijn.

  • 10 Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:

    • a. eindigt met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;

    • b. wordt door de inspecteur op 1 januari of 1 juli van enig jaar beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend;

    • c. kan door de inspecteur zonder aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beëindigd indien de rechtbank de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de bijzondere voorziening als bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992 heeft uitgesproken over de betrokken verzekeraar onderscheidenlijk kredietinstelling.

  • 12 In een geval als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, doet de inspecteur daarvan op verzoek van de werkgever mededeling bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 13 Indien de periode, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt gewijzigd in die zin dat de wijziging een verlenging van de periode betekent, legt de werkgever die zelf het risico draagt van betaling de WGA uitkering, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn, een schriftelijke garantie over aan de inspecteur waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV, waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.

  • 15 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het dertiende en veertiende lid nadere regels worden gesteld.

  • 16 Beschikkingen van de inspecteur op grond van deze afdeling worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.

Artikel 41. Verhaal kosten eigenrisicodrager op werknemer

  • 1 De eigenrisicodrager met betrekking tot de WGA-uitkering bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel c, en de startende werkgever, bedoeld in artikel 40, negende lid, die in afwachting is van de door de inspecteur te nemen beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel c, kunnen de bij ministeriële regeling genoemde kosten met betrekking tot een werknemer ten behoeve van eigenrisicodragen onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.

  • 2 De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, een verzekering heeft afgesloten mag de door hem ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer voorzover dit niet voortvloeit uit het eerste lid. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.

Artikel 42. Nadere regelgeving eigenrisicodragen

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.

§ 2. Eigenrisicodragen Ziektewet

Artikel 43. Aanvullende bepalingen eigenrisicodragen Ziektewet

Artikel 44. Hoogte garantiebedrag

  • 1 Het bedrag, bedoeld in artikel 43, eerste lid, is gelijk aan de helft van het voor de werkgever voor het kalenderjaar berekende ziekterisicocijfer, vermenigvuldigd met de som van het loon, waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, over het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar door de werkgever premie is verschuldigd.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde som van het loon niet kan worden vastgesteld wordt daarvoor in de plaats gesteld de som van het loon waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, laatstelijk door de werkgever premie is verschuldigd of, bij het ontbreken daarvan, de som van het loon waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, premie zal zijn verschuldigd.

  • 3 Het bedrag, bedoeld in artikel 43, eerste lid, is niet lager dan de helft van het voor het kalenderjaar berekende gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.

  • 4 Het ziekterisicocijfer wordt berekend op basis van de formule:

    A = (U) / (L)

    waarbij:

    A = het ziekterisicocijfer;

    U = de uitkeringen in het kalenderjaar die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel c, juncto het vierde en vijfde lid, ten laste komen van het sectorfonds van de sector waartoe de werkgever behoort, bedoeld in artikel 94, alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;

    L = het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26, waarover in het kalenderjaar, ten gunste van het sectorfonds van de sector waartoe de werkgever behoort, de aldaar bedoelde premies zijn verschuldigd, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop artikel 28, tweede lid, van toepassing is.

  • 5 Indien een sectorfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het sectorfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van het vierde lid onder het sectorfonds verstaan het onderdeel van het sectorfonds.

  • 6 Bij de vaststelling van de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft artikel 17, tweede lid, buiten toepassing.

§ 3. Eigenrisicodragen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 45. Aanvullende bepaling eigenrisicodragen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Aan een gemeente wordt geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdelen b en c, ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening.

Artikel 46. Vrijstelling premie eigenrisicodrager arbeidsongeschiktheidsuitkering

  • 1 De eigenrisicodrager met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, is over het loon van de tot hem in dienstbetrekking staande werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37, en over de door hem te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen de premie ten behoeve van de Arbeidsongeschiktheidskas, bedoeld in artikel 38a, niet verschuldigd.

Artikel 46a. Vrijstelling premie eigenrisicodrager WGA-uitkering

  • 1 De eigenrisicodrager met betrekking tot de WGA uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel c, is over het loon van de tot hem in dienstbetrekking staande werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38, en over de door hem te betalen WGA uitkeringen de premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38a, niet verschuldigd.

Afdeling 6. Premievrijstellingen en premiekorting

§ 1. Premievrijstelling oudere werknemer

Artikel 47. Premievrijstelling oudere werknemer

Over het loon van de werknemer wordt geen basispremie als bedoeld in artikel 36 geheven:

  • a. indien de werkgever die werknemer in dienst neemt, terwijl die werknemer een leeftijd van 50 jaar of ouder heeft;

  • b. indien die werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 54,5 jaar heeft bereikt.

Artikel 48. Uitzondering

De vrijstelling, bedoeld in artikel 47, is niet van toepassing op de premie over het loon van de persoon die arbeid verricht als bedoeld in artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

§ 2. Korting arbeidsgehandicapte werknemer

Artikel 49. Voorwaarden premiekorting

  • 1 De werkgever past, voor zolang de dienstbetrekking duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van de dienstbetrekking, een korting toe op de door hem op grond van de artikelen 27 en 31 verschuldigde premies en op de op grond van afdeling 4 van dit hoofdstuk verschuldigde premie, voor de werknemer die op de dag van aanvang van die dienstbetrekking:

    • a. recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • b. recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • c. een indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening heeft;

    • d. naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen een structurele functionele beperking heeft en voor wiens ondersteuning bij arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders, op die dag, op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, verantwoordelijk is;

    • e. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten; of

    • f. geen werknemer is als bedoeld in onderdeel b, achttien jaar is of ouder en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan bekleden voor zolang de dienstbetrekking duurt doch ten hoogste gedurende een jaar nadat die werknemer zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan bekleden.

  • 3 Ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel d, wordt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in dat lid, de aanwezigheid van een structurele functionele beperking vastgesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste lid, onderdeel d, en dit lid in ieder geval met betrekking tot de gegevens, die bij de aanvraag worden verstrekt en de kosten die voor de beoordeling van de aanvraag bij de aanvrager in rekening worden gebracht.

  • 5 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of van het tijdvak, bedoeld in artikel 24 of 25, negende lid, van die wet:

    • 1°. minder dan 35% arbeidsongeschikt is,

    • 2°. op de eerste dag van dertien weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever,

    • 3°. niet in staat is tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen werkgever, en

    • 4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever.

  • 6 Bij ministeriële regeling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel d.

Artikel 50. Omvang premiekorting

  • 2 De korting, bedoeld in artikel 49, bedraagt € 227 per jaar indien het loon van de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het naar een jaarbedrag herleide minimumloon bedraagt zoals dat voor de werknemer gold op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar.

  • 4 Indien de toepassing van dit artikel ertoe zou leiden dat een negatieve premie wordt geheven, wordt de premie op nihil gesteld.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden gewijzigd.

§ 3. Premievrijstelling bij marginale arbeid

Artikel 51. Voorwaarden premievrijstelling marginale arbeid

  • 1 Op aanvraag van een werkgever verleent de inspecteur, gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV, bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling van alle op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premies ter zake van een dienstbetrekking met een uitkeringsgerechtigde indien:

    • a. de dienstbetrekking ten hoogste zes aaneengesloten weken duurt; en

    • b. de werkgever in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met die uitkeringsgerechtigde is aangegaan; en

    • c. voor een dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder vrijstelling is verleend.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden dienstbetrekkingen tussen de werkgever en de uitkeringsgerechtigde geacht eenzelfde niet onderbroken dienstbetrekking te zijn, indien die dienstbetrekkingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan eenendertig dagen zijn opgevolgd.

Artikel 52. Aanvraag

  • 1 De werkgever vraagt de vrijstelling aan voor de afloop van de dienstbetrekking. De aanvraag wordt mede door de uitkeringsgerechtigde ondertekend.

  • 2 De aanvraag bevat in ieder geval het sociaal-fiscaalnummer van de uitkeringsgerechtigde.

Artikel 53. Aanwijzing categorieën werknemers

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector categorieën van werknemers worden aangewezen waarvoor de werkgever ter zake van een dienstbetrekking met een onder die categorie vallende werknemer de premievrijstelling, bedoeld in deze paragraaf, kan worden verleend.

  • 2 Voor aanwijzing komen in aanmerking categorieën van werknemers, die behalve uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking, bij aanvang van die dienstbetrekking niet zijn aangewezen op inkomen uit arbeid en geen uitkeringsgerechtigde zijn.

Artikel 54. Vrijstelling aangewezen categorieën

  • 1 De inspecteur, gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV, verleent voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling van de verplichting tot het betalen van premies ter zake van een dienstbetrekking met een werknemer vallend onder een categorie als bedoeld in artikel 53, eerste lid, die voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 51, eerste lid.

§ 4. Nadere regels

Artikel 55. Nadere regels

  • 2 Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, worden met betrekking tot de korting, bedoeld in paragraaf 2, nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot onderbrekingen van het dienstverband dan wel opeenvolgende dienstverbanden bij dezelfde dan wel een andere werkgever.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld:

    • a. met betrekking tot de aanvragen, bedoeld in deze afdeling;

    • b. ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.

Afdeling 7. Dienstplichtigen

Artikel 56. Financiering Ziektewet en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dienstplichtigen

Hoofdstuk 4. De heffing en invordering van premies

§ 1. Heffing

Artikel 57. Premieheffing door de rijksbelastingdienst

De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.

Artikel 58. Premieheffing volksverzekeringen

  • 1 De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 2 Voorzover de premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.

Artikel 59. Premieheffing werknemersverzekeringen

  • 1 De premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.

  • 3 Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen kan door de werkgever uitsluitend bij de inspecteur worden ingediend. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 4 In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen beslist de inspecteur op een aanvraag als bedoeld in het derde lid binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien in verband met de gevraagde beschikking informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

  • 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een aanvraag of melding op grond van de artikelen 40, 95 of 97.

  • 8 De inspecteur stelt de werkgever zonodig op de hoogte van de door het UWV op aanvraag van de werknemer genomen beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.

§ 2. Invordering

Artikel 60. Invordering door de rijksbelastingdienst

  • 1 De rijksbelastingdienst vordert de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen in.

  • 2 Bij de invordering van de premie voor de volksverzekeringen zijn, naar gelang artikel 58, eerste lid, dan wel tweede lid van toepassing is, de regels geldende voor de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Schuldige nalatigheid premie volksverzekeringen

Artikel 61. Schuldige nalatigheid

  • 1 Indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, beslist de SVB dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet, behoudens voorzover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.

  • 3 Indien de premieplichtige ten aanzien van wie een beslissing als bedoeld in het eerste lid is genomen binnen vijf jaren na de dagtekening van de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen de verschuldigd gebleven premie alsnog geheel of gedeeltelijk betaalt, is hij een opslag verschuldigd van 5% op de verschuldigd gebleven premie voor de algemene ouderdomsverzekering. Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid meer dan vier jaren en achtenveertig weken na de dagtekening van de aanslag wordt genomen, wordt de termijn van vijf jaren verlengd tot vier weken na de datum van die beslissing.

  • 4 Ingeval van gehele of gedeeltelijke premiebetaling als bedoeld in het derde lid, wordt die betaling achtereenvolgens toegerekend aan:

    • a. de kosten verbonden aan de invordering;

    • b. de invorderingsrente;

    • c. de verschuldigd gebleven inkomstenbelasting en de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en de nabestaandenverzekering;

    • d. de opslag, bedoeld in het derde lid;

    • e. de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt toegerekend aan het oudste tijdvak of de oudste tijdvakken binnen de termijn van vijf jaren bedoeld in het derde lid.

  • 5 Ingeval van gehele of gedeeltelijke premiebetaling voor de algemene ouderdomsverzekering als bedoeld in het derde lid wordt de beslissing op grond van het eerste lid in zoverre gewijzigd of ingetrokken.

  • 6 Aan de belanghebbende wordt door de SVB bij brief met ontvangstbevestiging kennis gegeven van een beslissing als bedoeld in het eerste en vijfde lid.

Artikel 62. Beroep

Het beroep tegen een beslissing van de SVB op grond van artikel 61 kan niet zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Het beroep kan slechts dan zijn gegrond op de stelling dat de aanslag niet is ontvangen, indien de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.

§ 4. Aanvullende regeling

Artikel 63. Nadere regels

Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 5. Gemoedsbezwaarden

Artikel 64. Ontheffing wegens gemoedsbezwaren

  • 1 De SVB kan op verzoek wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen of werknemersverzekeringen ontheffen van de verplichtingen opgelegd op grond van de desbetreffende wetten en deze wet:

    • a. de persoon, die deze gemoedsbezwaren heeft;

    • b. de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die deze gemoedsbezwaren hebben.

  • 2 De SVB doet de inspecteur mededeling omtrent de ontheffing of intrekking van de ontheffing.

Artikel 65. Premievervangende belasting

  • 1 Indien een ontheffing is verleend in het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt voor geen van de volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende loonbelasting plaats overeenkomstig artikel 58 tot het bedrag van de verschuldigde premie als bedoeld in artikel 9.

    Tevens wordt in het in de vorige zin bedoelde geval geen inkomensafhankelijke bijdrage geheven, maar vindt met overeenkomstige toepassing van artikel 57, eerste en tweede lid, van de Zorgverzekeringswet heffing van bijdragevervangende belasting plaats.

  • 2 Indien een werkgever ontheffing is verleend in het kader van de werknemersverzekeringen wordt premievervangende loonbelasting geheven overeenkomstig artikel 59 tot het bedrag aan premies dat hij met toepassing van hoofdstuk 3 zou hebben afdragen, indien hem geen ontheffing zou zijn verleend.

Artikel 66. Premie ten laste van Rijk

Ten laste van het Rijk komen de bedragen aan premie voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen die wegens een ontheffing niet zijn geheven overeenkomstig artikel 65.

Artikel 67. Nadere regels

Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden regels gesteld ten aanzien van:

  • a. de voorwaarden, waaronder een ontheffing wordt verleend;

  • b. de verdere gevolgen die aan een ontheffing worden verbonden;

  • c. de gevallen, waarin een ontheffing wordt ingetrokken en de gevolgen die aan die intrekking worden verbonden.

Hoofdstuk 6. De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen

Afdeling 1. De financiering van de vrijwillige volksverzekeringen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 68. Premieheffing

De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.

Artikel 69. Algemene begrippen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

§ 2. Heffing en inning

Artikel 70. Premieheffing door SVB

  • 1 De verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd door de SVB op de wijze en het tijdstip aangegeven door de SVB.

  • 2 Een schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene, die tot die verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door degene, die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.

§ 3. Premieplicht en tarief

Artikel 71. Premieplicht en tarief

  • 1 Degene die is toegelaten tot de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering, is voor die verzekeringen een premie verschuldigd volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief.

  • 2 De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Afdeling 2. De financiering van de vrijwillige werknemersverzekeringen

§ 2. Heffing en inning

Artikel 73. Premieheffing door UWV

  • 1 De premies voor de vrijwillige werknemersverzekeringen worden in rekening gebracht en geïnd door het UWV op de wijze en het tijdstip, aangegeven door dat instituut.

  • 2 Het UWV kan nadere regels stellen met betrekking tot de premie.

  • 3 De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

§ 3. Werkloosheidswet

Artikel 74. Hoogte premie vrijwillige werkloosheidsverzekering

  • 2 De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan het deel van de premie, bedoeld in artikel 27, dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, vermeerderd met de premie, bedoeld in artikel 28, tweede lid.

§ 4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Artikel 75. Hoogte premie vrijwillige WAO-verzekering

  • 2 De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de in artikel 36 bedoelde basispremie, vermeerderd met een premieopslag die wordt berekend op grond van het in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage.

§ 5. Ziektewet

Artikel 76. Hoogte premie vrijwillige Ziektewet-verzekering

  • 2 De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.

§ 6. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 76a. Hoogte premie vrijwillige WIA verzekering

Afdeling 3. Aanvullende bepalingen

Artikel 77. Inlichtingenplicht

Degene die is toegelaten tot een vrijwillige verzekering, is verplicht aan de SVB of het UWV onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.

Artikel 78. Afzien van horen belanghebbende

In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien ten aanzien van een besluit inzake de verschuldigde premie voor een vrijwillige verzekering indien de belanghebbende niet binnen een door de SVB of het UWV gestelde redelijke termijn, verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

Artikel 80. Nadere regels

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling, de inning en de betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering.

Hoofdstuk 7. De fondsen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 81. Premie-afdracht en -toerekening

Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst aan de fondsen en de wijze van toerekening van die premies, boeten en renten aan de fondsen.

Afdeling 2. Volksverzekeringen

§ 1. Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet

Artikel 82. Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds

  • 1 De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 83, tweede lid, in de vorm van een Ouderdomsfonds.

  • 2 De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 85, tweede lid, in de vorm van een Nabestaandenfonds.

  • 3 Het Ouderdomsfonds en het Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.

Artikel 83. Inkomsten en uitgaven Ouderdomsfonds

Artikel 84. Prognose benodigde middelen

Onze Minister stelt een keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering, de rijksbijdragen, bedoeld in artikel 14, en de ontvangsten en uitgaven van het Spaarfonds AOW.

Artikel 85. Inkomsten en uitgaven Nabestaandenfonds

  • 2 Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:

Artikel 86. Spaarfonds AOW

  • 1 Er is een Spaarfonds AOW.

  • 3 De ontvangsten van het Spaarfonds AOW worden gevormd door bijdragen ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door renten op het saldo van het fonds.

  • 4 De uitgaven van het Spaarfonds AOW strekken ter bekostiging van lasten van de algemene ouderdomsverzekering.

  • 5 Onze Minister beheert de begroting van het Spaarfonds AOW.

  • 7 Het gerealiseerde batig saldo van het Spaarfonds AOW van enig jaar wordt ten gunste gebracht van de begroting van het Spaarfonds AOW van het daaropvolgende jaar.

Artikel 87. Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

  • 2 De omvang van elke ten gunste van het Spaarfonds AOW komende bijdrage wordt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bepaald.

  • 3 In elk jaar wordt een bijdrage ten gunste van het Spaarfonds AOW gebracht die ten minste € 113 445 054 hoger is dan het bedrag dat in het jaar, voorafgaande aan het desbetreffende jaar, ten minste ten gunste van het Spaarfonds AOW diende te worden gebracht.

  • 4 Het in het Spaarfonds AOW aanwezige saldo wordt rentedragend in 's Rijks schatkist aangehouden.

  • 5 Onze Minister van Financiën stelt jaarlijks de rente vast die over het saldo van het Spaarfonds AOW wordt vergoed.

Artikel 88. Toepassing AOW-fondsen vanaf 2020

Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën besluiten vanaf het jaar 2020 uit het Spaarfonds AOW lasten van de algemene ouderdomsverzekering te betalen.

§ 2. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

Artikel 89. Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten

Het College zorgverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk een Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 90. Inkomsten en uitgaven AFBZ

  • 1 Ten gunste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten komen:

    • a. de premie voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten;

    • b. de inkomsten, die in verband met de algemene verzekering bijzondere ziektekosten voortvloeien uit internationale overeenkomsten;

    • c. de bijdragen in de kosten van verstrekkingen die op grond van artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel in voorkomend geval op grond van artikel 6, vijfde lid, in verbinding met het vierde lid, van die wet worden betaald door of namens de verzekerde, dan wel, in voorkomend geval, door het krachtens een wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt;

    • d. de bijdragen in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.

  • 3 Uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten kunnen middelen worden gebruikt voor het vormen en in stand houden van een reserve. Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister, met betrekking tot de vorige volzin nadere regels worden gesteld.

  • 4 Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 15 wordt jaarlijks aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verleend voor de uitvoering van de Regeling Ziekenfondsraad Abortusklinieken 1992 dan wel de regeling die op grond van artikel 44 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ter vervanging van die regeling is vastgesteld. Op de bijdrage worden voorschotten verleend. De bijdrage voor enig jaar is gelijk aan het saldo van de uitgaven en ontvangsten in het desbetreffende jaar met betrekking tot de uitvoering van de bedoelde regeling, voorzover door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanvaard. Het College zorgverzekeringen neemt een specificatie van de ontvangsten en uitgaven op in de jaarrekening, bedoeld in artikel 45 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt de bijdrage uiterlijk drie maanden na ontvangst van de jaarrekening vast.

Artikel 91. Dekking uitgaven AFBZ

  • 1 Het College zorgverzekeringen doet jaarlijks uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten ter dekking van de noodzakelijke uitgaven, gedaan voor de uitvoering van de in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

  • 2 Het College toezicht is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voorzover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan het College toezicht heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij het College toezicht anders besluit.

  • 3 Op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het College zorgverzekeringen te stellen regels.

Artikel 92. Beroep

Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen besluiten van het College zorgverzekeringen, genomen krachtens artikel 91, eerste of derde lid, alsmede tegen besluiten van het College toezicht, genomen krachtens artikel 91, tweede lid.

Afdeling 3. Werknemersverzekeringen

§ 1. Algemeen Werkloosheidsfonds, sectorfondsen en Uitvoeringsfonds voor de overheid

Artikel 93. Algemeen Werkloosheidsfonds

Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 100, 101 en 102, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.

Artikel 94. Sectorfondsen

  • 1 Het UWV stelt voor een sector als bedoeld in artikel 95, met uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren, een sectorfonds in.

  • 2 Het UWV beheert de middelen, bedoeld in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven met betrekking tot elk sectorfonds afzonderlijk.

Artikel 95. Sectorindeling

  • 1 Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.

  • 2 Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.

Artikel 96. Aansluiting bij sector

  • 1 Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.

  • 2 Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën van werkgevers bij een sector regels worden gesteld die afwijken van het eerste of tweede lid.

Artikel 97. Mededeling aansluiting

  • 1 De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.

  • 2 De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.

  • 3 In afwijking van artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve of op verzoek dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.

Artikel 98. Overgang vermogen

  • 1 Indien één of meer werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut, dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en geadministreerde sectorfonds, overgaat naar het vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd sectorfonds.

  • 2 Met betrekking tot het eerste lid stelt het UWV regels omtrent:

    • a. de gevallen waarin vermogen overgaat;

    • b. de wijze van berekening van vermogensbestanddelen;

    • c. de termijnen waarin en de wijze waarop vermogen overgaat.

  • 3 De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 99. Middelen Algemeen Werkloosheidsfonds

Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:

Artikel 100. Uitgaven Algemeen Werkloosheidsfonds

Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:

Artikel 101. Budget reïntegratie-voorzieningen

  • 2 De subsidies, bedoeld in artikel 73a van de Werkloosheidswet, en de kosten in verband met de uitvoering van dat artikel komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 102. Vergoeding migrerende werknemers

  • 1 Het UWV vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk bijdragen, die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.

  • 3 Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 103. Middelen sectorfondsen

Ten gunste van een sectorfonds komen:

Artikel 104. Uitgaven sectorfondsen

  • 2 Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden in een andere sector.

  • 3 De artikelen 21 en 52d van de Werkloosheidswet zijn met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode waarover de uitkering ten laste van een sectorfonds komt, van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Het UWV brengt hetgeen ten laste van het sectorfonds komt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor zoveel dit meer bedraagt dan het voor het sectorfonds op grond van artikel 105, eerste of derde lid, vastgestelde maximum.

Artikel 105. Vaststelling lastenplafond sectorfondsen

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het UWV stelt elk jaar voor elk sectorfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een kalenderjaar op grond van artikel 104 ten laste van dat sectorfonds komt.

  • 2 Bij de vaststelling van het maximum, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:

  • 3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt elk jaar voor het sectorfonds voor de sector waartoe de werkgevers behoren die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde, waarbij die arbeidskrachten werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, een maximum vast dat in een kalenderjaar ten laste van het sectorfonds komt, voorzover het betrekking heeft op de uitkeringen, bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdeel c. Dat maximum bedraagt per kalenderjaar 75 procent van het bedrag in dat kalenderjaar van die uitkeringen, de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies of vergoedingen als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.

  • 5 Het door het UWV vastgestelde maximum, bedoeld in het