Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Geldend van 01-01-2018 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB)

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Beeld van de uitvoering

Artikel 4. Beeld van de uitvoering

  • 1 Het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet wordt voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de minister ontvangen.

  • 2 Het beeld van de uitvoering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

  • 3 Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is verleend.

  • 4 De betaling van de uitkering wordt hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen door de minister.

  • 5 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het financieel beheer van de wet.

§ 3. Uitkering en betaling

Artikel 5. Betaling

  • 1 Met uitzondering van de maand mei, wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.

  • 3 De vangnetuitkering wordt betaalbaar gesteld voor 1 april in het kalenderjaar dat ligt twee jaar na het jaar waarop de uitkering betrekking heeft.

Artikel 5a. Opschorting betaling bij vaststelling ernstige tekortkomingen

  • 2 De betaling van de uitkering wordt hervat op of omstreeks de vijftiende dag van de kalendermaand nadat de periode van drie maanden is verstreken dan wel nadat de langere periode van opschorting, die de minister met toepassing van artikel 76, derde lid, van de wet heeft vastgesteld is verstreken.

Artikel 6. Gegevens verdeelmodel

In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.

§ 4. Toetsing lijfrenten

Artikel 6b. Toetsing inleg lijfrente

  • 2 Voor de beoordeling of de inleg ten hoogste het in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet genoemde bedrag heeft bedragen, wordt:

    • a. voor de inleg gedaan in het jaar van aanvraag van bijstand: het genoemde bedrag naar evenredigheid van de tussen 1 januari en de dag van aanvraag van bijstand gelegen periode in aanmerking genomen;

    • b. voor de inleg gedaan in de aan de aanvraag voorafgaande vier kalenderjaren: het genoemde bedrag in aanmerking genomen dat geldt op de dag van aanvraag van bijstand.

Artikel 6c. Toetsing waarde lijfrente en hoogte inleg

Het bedrag waarmee bij toepassing van artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de wet de inleg het in subonderdeel 3° van dat onderdeel genoemde bedrag overschrijdt, wordt in mindering gebracht op de waarde van de lijfrente of lijfrenten.

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

Artikel 7a. Indexering

  • 2 De gewijzigde bedragen, bedoeld in het eerste lid, en de dag waarop de wijzigingen plaatsvinden, worden door of namens de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.

§ 6. Vakantietoeslag

Artikel 8. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 9. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2018.

Artikel 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat neemt het college bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

Artikel 11. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit tegenwoordige arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

gelijk aan of meer dan

en minder dan

0,00

 

502,47

 

8,00%

x ink

   

502,47

 

542,65

 

5,22%

x ink

   

542,65

 

703,29

 

8,00%

x ink

– €

15,10

703,29

 

1.403,59

 

8,00%

x ink

+ €

1,50

1.403,59

       

4,76%

x ink

+ €

0,89

Artikel 12. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit vroegere arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

gelijk aan of meer dan

en minder dan

0,00

 

478,16

 

8,00%

x ink

   

478,16

 

516,42

 

5,08%

x ink

   

516,42

 

1.174,91

 

8,00%

x ink

– €

15,10

1.174,91

 

1.253,81

 

6,87%

x ink

– €

12,96

1.253,81

       

8,00%

x ink

– €

27,16

Artikel 13. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

gelijk aan of meer dan

en minder dan

0

 

986,16

 

8,00%

x ink

   

986,16

 

1.065,06

 

7,46%

x ink

   

1.065,06

       

8,00%

x ink

– €

5,77

Artikel 14. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt

  • 2 Indien de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, naast het gekorte ouderdomspensioen en toeslag, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat andere inkomen.

§ 7. Verzoeken vangnetuitkering

Artikel 15. Procedurele bepalingen verzoek vangnetuitkering

  • 1 Een verzoek tot een vangnetuitkering wordt, middels een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier, door de toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 15 augustus van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 2 Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen voor of na afloop van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt niet in behandeling genomen.

  • 3 De toetsingscommissie adviseert de minister uiterlijk op 31 oktober van het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, over de te nemen beslissing.

  • 4 De toetsingscommissie kan de minister voor 15 oktober verzoeken om een aantal adviezen later dan 31 oktober vast te stellen.

  • 5 Indien de minister aan een verzoek als bedoeld in het vierde lid voldoet, bepaalt hij daarbij het aantal adviezen dat later kan worden vastgesteld en de datum waarop deze adviezen uiterlijk door de minister worden ontvangen.

  • 6 Het college verstrekt bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de minister informatie over genomen maatregelen om te komen tot een reductie dan wel tot een verdere reductie van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en de verstrekte uitkering, bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit Participatiewet, onder gebruikmaking van het door de minister elektronisch beschikbaar gestelde aanvraagformulier.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Den Haag, 16 oktober 2003

De

Staatssecretaris

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

M. Rutte

Bijlage I. behorende bij artikel 6 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018

Tabel 1: gewichten en peildata van de indicatoren die zijn opgenomen in het objectief verdeelmodel

Indicatoren

Gewichten

Peildatum schatting

Peildatum verdeling

Niet-rechthebbenden

     

Te veel vermogen

     

Alleenstaande, vermogen boven € 5.000

–2,1712073

1-1-2015

1-1-2015

Alleenstaande, vermogen tot € 5.000, overwaarde boven € 50.000

–0,7360128

1-1-2015

1-1-2015

Paar/eenouder, vermogen boven € 10.000

–1,5461975

1-1-2015

1-1-2015

Paar/eenouder, vermogen tot € 10.000, overwaarde boven € 50.000

–0,5435330

1-1-2015

1-1-2015

Andere uitkering

     

AO-uitkering, mate van AO 15–80% of onbekend in hh

–3,5915080

5-1-2015

30-6-2016

AO-uitkering, mate van AO 80–100% in hh

–4,1292852

5-1-2015

30-6-2016

WW-uitkering in hh

–0,9849648

5-1-2015

31-12-2016

ANW-uitkering in hh

–4,8966364

5-1-2015

31-12-2016

Zw-uitkering, wachtgeld, of overige uitkering in hh

–1,6395228

5-1-2015

31-12-2015

Pensioenuitkering in hh

–0,5980323

5-1-2015

31-12-2015

Kan/wil niet werken

     

Student (mbo/hbo/wo) in hh

–1,5141054

1-10-2014

1-10-2016

Aanbodkant van de arbeidsmarkt

     

Leeftijd

     

Leeftijd 18 tot 20 jaar in hh (referentie)

referentie

1-1-2015

31-12-2016

Leeftijd 20 tot 25 jaar in hh

0,9876552

1-1-2015

31-12-2016

25 tot 30-jarige in hh

1,5115013

1-1-2015

31-12-2016

30 tot 40-jarige in hh

1,9217435

1-1-2015

31-12-2016

40 tot 50-jarige in hh

2,1170513

1-1-2015

31-12-2016

50-jarige tot AOW-leeftijd in hh

2,4918892

1-1-2015

31-12-2016

Gezinssituatie

     

Alleenstaande (referentie)

referentie

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-moeder, jongste kind tot 5

1,0046071

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-moeder, jongste kind 5–12

0,5313511

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-moeder, jongste kind 12–18

0,2459510

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-moeder, jongste kind 18+

–0,1488373

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-vader, jongste kind tot 5

0,0589087

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-vader, jongste kind 5–12

0,0415768

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-vader, jongste kind 12–18

–0,3841473

1-1-2015

31-12-2016

Eenouder-vader, jongste kind 18+

–0,9442488

1-1-2015

31-12-2016

Paar, jongste kind 18–

–1,1880374

1-1-2015

31-12-2016

Paar, jongste kind 18+

–1,5970013

1-1-2015

31-12-2016

Paar zonder kinderen

–1,0998867

1-1-2015

31-12-2016

Thuiswonend meerderjarig kind

–0,4601433

1-1-2015

31-12-2016

Overig huishouden

0,4176256

1-1-2015

31-12-2016

Wonen in corporatiewoning

1,5086775

1-1-2015

31-12-2016

Wonen op standplaats

1,6652760

1-1-2015

31-12-2016

Afkomst

     

Autochtoon in hh (referentie)

Referentie

1-1-2015

31-12-2016

Turk in hh

0,2302467

1-1-2015

31-12-2016

Surinamer in hh

0,3992060

1-1-2015

31-12-2016

Nederlands-Antilliaan in hh

0,5031265

1-1-2015

31-12-2016

Marokkaan in hh

0,5331498

1-1-2015

31-12-2016

Ghanees in hh

0,0483582

1-1-2015

31-12-2016

Somaliër of Eritreeër in hh

1,9020293

1-1-2015

31-12-2016

Afrikaan (excl. Marokkaan, Ghanees, Somaliër, Eritreeër) in hh

0,6565407

1-1-2015

31-12-2016

Afghaan in hh

1,1227614

1-1-2015

31-12-2016

Irakees in hh

1,2753868

1-1-2015

31-12-2016

Syriër in hh

2,1859601

1-1-2015

31-12-2016

Iranees in hh

0,8873818

1-1-2015

31-12-2016

Chinees in hh

–0,2646087

1-1-2015

31-12-2016

Indiaas in hh

–0,6174269

1-1-2015

31-12-2016

Overig niet-westers in hh

0,1699424

1-1-2015

31-12-2016

Joegoslavisch in hh

0,5282636

1-1-2015

31-12-2016

Sovjet-Unie in hh

0,4353026

1-1-2015

31-12-2016

Overig westers in hh

–0,3762044

1-1-2015

31-12-2016

Opleiding

     

Aandeel laagst opgeleiden in gemeente

–0,0608753

1-1-2015

1-1-2015

HCI (human capital index) onbekend (referentie)

referentie

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

Lage HCI in hh

1,1656085

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

Middelbare of hoge HCI in hh

-1,4397757

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

26-9-2014 en 2011 t/m 2014

(V)SO/PrO gevolgd in hh

1,4506260

Gevolgd tussen 2010/2011–2013/2014, niet in 2014/2015

Gevolgd tussen 2012/2013–2015/2016, niet in 2016/2017

Gezondheid

     

Zorgkosten boven € 50.000 in hh

0,3748772

Heel 2014

Heel 2014

Gebruik GGZ-zorg in hh

0,6986785

Heel 2014

Heel 2014

Medicijnen voor verslaving in hh

0,3531340

Heel 2014

Heel 2015

Medicijnen voor depressie in hh

0,3171071

Heel 2014

Heel 2015

Medicijnen voor psychose in hh

0,5321603

Heel 2014

Heel 2015

Medicijngebruik uit minder dan 4 hoofdgroepen in hh (referentie)

referentie

Heel 2014

Heel 2015

Medicijngebruik uit 4 tot 6 hoofdgroepen in hh

0,1032811

Heel 2014

Heel 2015

Medicijngebruik uit 6 tot 8 medicijngroepen in hh

0,2841185

Heel 2014

Heel 2015

Medicijngebruik uit meer dan 8 hoofdgroepen in hh

0,4659539

Heel 2014

Heel 2015

Combinaties van factoren

     

Niet-westerse afkomst in hh en 50-jarige tot AOW in hh

0,1192810

1-1-2015

31-12-2016

Niet-westerse afkomst in hh en gezondheidsproblemen in hh

0,0975355

1-1-2015 voor afkomst, heel 2014 voor gezondheidsproblemen

31-12-2016 voor afkomst, heel 2014/2015 voor gezondheidsproblemen

Lage HCI in hh en gezondheidsproblemen in hh

0,6170873

26-9-2014 en 2011 t/m 2014, heel 2014 voor gezondheidsproblemen

26-9-2014 en 2011 t/m 2014, heel 2014/2015 voor gezondheidsproblemen

Vraagkant van de arbeidsmarkt

     

Beschikbaarheid van banen

     

Banen per lid beroepsbevolking in gemeente, gecorrigeerd voor grenspendel

–5,9570165

1-1-2015

1-1-2016

Werken onder je niveau

     

Aandeel werkend onder zijn niveau in gemeente

1,9986633

1-1-2015

1-1-2015

Aandeel studenten (hbo/wo) onder de potentiële beroepsbevolking in gemeente

–0,2749815

1-10-2014

1-10-2016

Aandeel WW’ers onder de beroepsbevolking in gemeente

10,1550829

2015

2015

Buurteffecten

     

Arbeidsethos

     

Aandeel van de beroepsbevolking in gemeente in buurt waar werken niet de norm is obv postcodegebieden (6 posities)

0,7837501

1-1-2014

1-1-2016

Leefbaarheid

     

Index overlast en onveiligheid

1,2919475

1-1-2014

1-1-2014

Constante

–1,6750015

n.v.t.

n.v.t.

Tabel 2: de bruto normbedragen zoals gehanteerd in het objectief verdeelmodel

Type huishouden

Normbedrag

Alleenstaande (ouder), leeftijd 21 tot aow

€ 15.104,76

Alleenstaande (ouder), 18, 19 of 20 jaar

€ 2.922,24

Gehuwd paar, beide partners leeftijd 21 tot aow

€ 19.548,46

Gehuwd paar, beide partners 18, 19 of 20 jaar, zonder kind(eren)

€ 5.844,48

Gehuwd paar, beide partners 18, 19 of 20 jaar, met kind(eren)

€ 9.226,80

Gehuwd paar, één van beide partners 18, 19 of 20 jaar, zonder kind(eren)

€ 11.378,16

Gehuwd paar, één van beide partners 18, 19 of 20 jaar, met kind(eren)

€ 16.157,91

Normen gerechtigde leeftijd 21 tot AOW bij aantal kostendelers

Normbedrag

2 kostendelers

€ 9.774,23

3 kostendelers

€ 7.997,25

4 kostendelers

€ 7.108,77

5 kostendelers

€ 6.575,83

6 kostendelers

€ 6.220,47

7 kostendelers

€ 6.039,96

8 kostendelers

€ 5.919,12

9 kostendelers

€ 5.825,16

10 kostendelers (of meer)

€ 5.750,04

Normen gehuwde paren (1 partner jonger dan 21, 1 partner leeftijd 21 of ouder) afhankelijk van aantal kostendelers met kinderen

2 kostendelers

€ 16.157,91

3 kostendelers

€ 14.380,94

4 kostendelers

€ 13.492,45

5 kostendelers

€ 12.959,51

6 kostendelers

€ 12.604,15

7 kostendelers

€ 12.350,36

8 kostendelers

€ 12.223,68

9 kostendelers

€ 12.129,72

10 kostendelers (of meer)

€ 12.054,60

Normen gehuwde paren (1 partner jonger dan 21, 1 partner leeftijd 21 of ouder) afhankelijk van aantal kostendelers zonder kinderen

2 kostendelers

€ 11.378,16

3 kostendelers

€ 10.250,64

4 kostendelers

€ 9.686,88

5 kostendelers

€ 9.348,72

6 kostendelers

€ 9.123,24

7 kostendelers

€ 8.962,20

8 kostendelers

€ 8.841,36

9 kostendelers

€ 8.747,40

10 kostendelers (of meer)

€ 8.672,28

Afwijkende normen gehuwden obv art. 24 Pw

 

rechthebbende leeftijd 21 of ouder met of zonder kinderen

€ 9.774,23

rechthebbende leeftijd jonger dan 21, zonder kind

€ 2.922,24

rechthebbende leeftijd jonger dan 21, met kind

€ 4.613,40

Terug naar begin van de pagina