Regeling WWB

Geldend van 01-01-2004 t/m 04-02-2004

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB)

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • b. wet: Wet werk en bijstand;

  • c. tekortgemeente: gemeente waarvan het college een verzoek om een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 74 van de wet heeft ingediend.

§ 2. Verslag over de uitvoering

Artikel 2. Verslag over de uitvoering, accountantsverklaring en oordeel raad

  • 1 Het verslag over de uitvoering, de verklaring van de accountant en het oordeel van de gemeenteraad, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, worden uiterlijk op 20 september van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben door de minister ontvangen.

  • 2 Het verslag over de uitvoering wordt ingericht overeenkomstig het als bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model.

  • 3 De verklaring van de accountant wordt ingericht overeenkomstig het als bijlage 2 bij deze regeling opgenomen model. Het onderzoek dat resulteert in de verklaring wordt uitgevoerd overeenkomstig het als bijlage 3 bij deze regeling opgenomen controle- en rapportageprotocol.

Artikel 3. Geen accountantsverklaring

De verplichting tot het overleggen van een verklaring van een accountant, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, geldt niet voor de colleges van de gemeenten die voor het betreffende jaar een bedrag aan uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, hebben ontvangen dat kleiner dan of gelijk is aan € 500.000,–.

Artikel 4. Voorlopig verslag over de uitvoering

  • 1 Het voorlopig verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet wordt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het voorlopig verslag betrekking heeft door de minister ontvangen.

  • 2 Het voorlopig verslag wordt ingericht overeenkomstig het als bijlage 4 bij deze regeling opgenomen model.

§ 3. Betaling

Artikel 5. Betaling

  • 1 Met uitzondering van de maand mei, wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.

  • 3 De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 74 van de wet, wordt binnen 6 weken na de dagtekening van de beslissing van de minister tot toekenning van de aanvullende uitkering betaalbaar gesteld.

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 6. Uit- en aanbesteding

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2004, 22, datum inwerkingtreding 05-02-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2004.

Uit- en aanbesteding

1 Bij de toepassing van dit artikel worden de werkzaamheden in het kader van de voorzieningen, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet, 34, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 34, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in geld uitgedrukt.

2 Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van het Besluit SUWI behoeft niet te worden toegepast op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op:

  • a. premies en kostenvergoedingen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j en k, van de wet;

  • b. kinderopvang;

  • c. de uitvoering van artikel 8, vijfde lid, van de Subsidieregeling ESF-EQUAL;

  • d. het beëindigen van de subsidiëring van arbeidsplaatsen op grond van het Besluit in- en doorstroombanen, zoals dat besluit luidde op 31 december 2003;

  • e. de uitvoering van vóór 1 januari 2002 gesloten overeenkomsten met natuurlijke of rechtspersonen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden, zoals deze wet luidde op 31 december 2003.

3 Artikel 4.1, tweede lid, van het Besluit SUWI behoeft niet te worden toegepast op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, die worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.

4 Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van het Besluit SUWI behoeft niet te worden toegepast op € 100.000,– van de voor het lopende jaar aan de gemeente gedane uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, die resteert na aftrek van de kosten die betrekking hebben op de onderdelen a tot en met e van het tweede lid, alsmede artikel 15 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Voorts, behoeft artikel 4.1, eerste en tweede lid, van het Besluit SUWI niet te worden toegepast op 30% van de na toepassing van de eerste volzin nog resterende uitkering.

5 Artikel 4.1, eerste lid, van het Besluit SUWI behoeft niet te worden toegepast op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, die worden gefinancierd vanuit het niet bestede deel van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dan wel vanuit de algemene middelen van de gemeente.

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

  • a. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;

  • b. de eenmalige uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers;

  • c. de vergoeding, bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interim-aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht);

  • d. de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;

  • e. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;

  • f. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

  • g. de individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen.

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2004, 159, datum inwerkingtreding 22-08-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2004.

Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

  • a. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;

  • b. de eenmalige uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers;

  • c. de vergoeding, bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interim-aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht);

  • d. de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;

  • e. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;

  • f. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

  • g. de individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen;

  • h. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 21,– per week met een maximum van € 735,– per jaar.

§ 6. Vakantietoeslag

Artikel 8. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 9. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2004.

Artikel 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat neemt het college bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

Artikel 11. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit tegenwoordige arbeid

Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

   

gelijk aan

of meer dan

en minder dan

0,00

447,03

8,00%

x ink

     

447,03

533,51

7,76%

x ink

11,81

533,51

972,99

6,64%

x ink

5,88

972,99

982,71

1,16%

x ink

+

47,51

982,71

1043,75

1,00%

x ink

+

42,01

1043,75

   

5,85%

x ink

8,52

Artikel 12. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit vroegere arbeid

Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

   

gelijk aan

of meer dan

en minder dan

0,00

421,68

8,00%

x ink

     

421,68

886,42

8,02%

x ink

12,18

886,42

894,48

1,38%

x ink

+

46,43

894,48

945,15

1,21%

x ink

+

41,04

945,15

   

7,06%

x ink

14,16

Artikel 13. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand

bedraagt de aanspraak

op vakantietoeslag

   

gelijk aan

of meer dan

en minder dan

0,00

734,17

8,00%

x ink

     

734,17

742,24

1,38%

x ink

+

48,54

742,24

792,90

1,00%

x ink

+

42,99

792,90

   

7,06%

x ink

3,43

Artikel 14. Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder

  • 1 Indien de belanghebbende 65 jaar of ouder is en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort ouderdomspensioen en toeslag als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet bedraagt de daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag 5,20% van dat inkomen.

  • 2 Indien de belanghebbende 65 jaar of ouder is, en naast het inkomen, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op een vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat andere inkomen.

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Artikel 15. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

  • 1 Een verzoek tot een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet kan slechts voor inwilliging in aanmerking komen, indien naar het oordeel van de toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73 van de wet, sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt en de tekortgemeente met betrekking tot het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan niet verwijtbaar heeft gehandeld.

  • 2 Van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt is in ieder geval sprake, indien:

    • a. de instroom van de tekortgemeente in jaar [t] ten opzichte van de gemiddelde instroom van de tekortgemeente in de jaren [t-1], [t-2] en [t-3] hoger is dan de landelijke instroom in jaar [t] ten opzichte van de gemiddelde landelijke instroom in de jaren [t-1], [t-2] en [t-3], en

    • b. de uitstroom van de tekortgemeente in jaar [t] ten opzichte van de gemiddelde uitstroom van de tekortgemeente in de jaren [t-1], [t-2] en [t-3] lager is dan de landelijke uitstroom in jaar [t] ten opzichte van de gemiddelde landelijke uitstroom in de jaren [t-1], [t-2] en [t-3].

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Den Haag, 16 oktober 2003

De

Staatssecretaris

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

M. Rutte

Bijlage 1

Terugwerkende kracht

Voor deze bijlage is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.]

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2004, 239, datum inwerkingtreding 12-12-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2004.

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.]

Bijlage 4

Terugwerkende kracht

Voor deze bijlage is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.]

Terugwerkende kracht

Stcrt. 2004, 239, datum inwerkingtreding 12-12-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2004.

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.]

Terug naar begin van de pagina