Spoedwet wegverbreding

Geldend van 01-10-2010 t/m 13-01-2011

Wet van 2 juni 2003, houdende regels ter bespoediging en vereenvoudiging van procedures met het oog op het zo spoedig mogelijk vergroten van de capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting en verbreding van die wegen (Spoedwet wegverbreding)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen tot stand te brengen ten behoeve van het zo spoedig mogelijk vergroten van de capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting en verbreding van die wegen teneinde filevorming tegen te gaan;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (definitie)

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • b. wegaanpassingsbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 4.

Artikel 2. (reikwijdte)

  • 1 Deze wet is van toepassing op de wegaanpassingsprojecten, opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage.

  • 2 De in het eerste lid genoemde bijlage kan worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur. Een zodanige algemene maatregel van bestuur kan slechts betrekking hebben op de in de bijlage omschreven aard van het project, de wijziging van het aantal rijstroken en de kilometrering.

  • 3 Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten-Generaal.

Artikel 3. (verhouding tot Tracéwet en Wet milieubeheer)

  • 1 Ten aanzien van de in de bijlage genoemde wegaanpassingsprojecten is de Tracéwet niet van toepassing.

Artikel 3a. (verhouding tot prijsbeleid)

  • 1 Het bepaalde in het tweede en derde lid is van toepassing op wegaanpassingsprojecten opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage 2.

  • 2 Bij de toepassing van de artikelen 6, vijfde lid, en 9, eerste lid, worden voornemens tot invoering van een prijs voor het rijden met een motorrijtuig op de weg buiten beschouwing gelaten.

  • 3 Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten aanzien van een in de bijlage genoemd wegaanpassingsproject, worden voornemens tot invoering van een prijs voor het rijden met een motorrijtuig op de weg buiten beschouwing gelaten zowel bij de beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, als bij de beschrijving van de bestaande toestand van het milieu en van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Hoofdstuk 2. Besluitvorming inzake aanpassing van de in de bijlage, onder a en b, bedoelde wegaanpassingsprojecten

Artikel 4. (inhoud wegaanpassingsbesluit)

  • 1 Het wegaanpassingsbesluit bevat ten minste:

    • a. een beschrijving van het betrokken wegaanpassingsproject, waaronder begrepen de te realiseren rijstroken, en van de wijze waarop het zal worden uitgevoerd;

    • b. een beschrijving van de gevolgen van het wegaanpassingsproject voor de daarbij betrokken belangen en van de wijze waarop met die belangen rekening is gehouden;

    • c. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van het wegaanpassingsproject;

    • d. hetgeen nodig is ter uitvoering van ter zake van belang zijnde richtlijnen van de Europese Unie;

    • e. voor zover het betreft de in de bijlage, onder B, opgenomen wegaanpassingsprojecten voor het desbetreffende wegvak een verlaging van de maximum-snelheid van de motorvoertuigen gedurende de periode van openstelling van de extra rijstrook, waarvan de mate en de duur van de verlaging worden bepaald door de ernst van de belasting met betrekking tot geluidhinder en luchtkwaliteit.

  • 2 Het wegaanpassingsbesluit bevat, voor zover van toepassing, voorts:

    • a. een beschrijving van maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard;

    • b. een beschrijving van de werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het profiel van een weg, met die weg zijn verbonden en dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik daarvan;

    • c. een opgave van de kabels en leidingen die moeten worden verwijderd voor de uitvoering van het besluit, alsmede, voor zover het betreft waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of artikel 1.1 van de Waterwet, voor zover in beheer bij het rijk, de plaats waar zodanige kabels en leidingen zullen worden gelegd;

    • d. een beschrijving op welke wijze de inpassing van de aan te passen weg in de omgeving zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen.

  • 3 Ter voldoening aan het eerste lid, onder c, wordt gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000.

  • 4 Bij de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit wordt, onverminderd de bevoegdheid tot herstel van gebreken, gebruik gemaakt van:

    • a. de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken,

    • b. de krachtens artikel 5.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bekendgemaakte gegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken, en

    • c. de inventarisatie van de aanwezige flora en fauna en van de gevolgen van de wegaanpassing daarop en de daarop gebaseerde onderzoeken,

    die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, met dien verstande dat indien de rapporten waarin die gegevens, onderzoeken en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het wegaanpassingsbesluit ouder zijn dan twee jaar, het wegaanpassingsbesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

  • 5 Het luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van een wegaanpassingsbesluit wordt beperkt tot het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op de aan te passen weg en ter weerszijden van dit wegvak tot één kilometer vanuit de meest buiten gelegen rijstroken. Onder aansluiting wordt tevens knooppunt verstaan.

  • 6 Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de methoden en uitgangspunten voor de beoordeling van effecten van een wegaanpassingsproject.

Artikel 4a. (specifieke bepalingen met betrekking tot luchtkwaliteit)

  • 2 In het wegaanpassingsbesluit dat wordt vastgesteld met toepassing van het eerste lid, wordt ten aanzien van het bepaalde in de bijlage 2 bij de Wet milieubeheer uitsluitend aannemelijk gemaakt dat:

    • a. gedurende het eerste jaar na ingebruikneming van de overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit aangepaste weg bij de gedurende dat jaar verwachte toename van de concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht door de toename van het verkeer gedurende dat jaar die rechtstreeks verband houdt met die aanpassing, geen overschrijding plaatsvindt van een grenswaarde voor luchtkwaliteit; of

    • b. de verwachte toename van de concentraties gedurende het onder a bedoelde jaar door de toename van het verkeer gedurende dat jaar die rechtstreeks verband houdt met de overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit aangepaste weg, niet 1% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide overschrijdt.

  • 3 Onverminderd artikel 4, eerste lid, bevat een wegaanpassingsbesluit dat vastgesteld wordt met toepassing van het eerste lid tevens de maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn met het wegaanpassingsbesluit voor zover die genoemd of beschreven zijn in het ontwerp van het programma, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5. (toepassing Wet geluidhinder)

  • 2 Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het wegaanpassingsbesluit:

    • a. de beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een wegaanpassingsbesluit;

    • b. de aanduiding van de te treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting van de gevel van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder.

  • 3 Onze Minister zendt het ontwerp-wegaanpassingsbesluit, indien het hogere waarden bevat voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i van de Wet geluidhinder, voordat het ter inzage wordt gelegd aan:

    • a. de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag van scholen en de directies van ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen waarvoor een hogere waarde wordt bepaald;

    • b. de ter plaatse bevoegde inspecteur, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is aangewezen;

    • c. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking heeft op scholen.

Artikel 6. (specifieke bepalingen met betrekking tot geluidhinder)

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder akoestische gegevens: de berekening van de 70 dB(A) geluidcontour langs de wegvakken, gebaseerd op de verkeersgegevens over het jaar 2000.

  • 3 Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het wegaanpassingsbesluit de akoestische gegevens, alsmede de maatregel, voor zover deze voortvloeit uit het vierde lid.

  • 4 Indien uit de akoestische gegevens blijkt dat sprake is van een overschrijding van 70 dB(A) bij geluidsgevoelige bestemmingen, wordt in het wegaanpassingsbesluit een geluidreducerende wegdeklaag voorgeschreven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 5 Uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van het wegaanpassingsbesluit stelt Onze Minister ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten een plan op voor de te treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg, van de gevel van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Artikel 4, vierde lid, met uitzondering van het bepaalde onder b en c, is van overeenkomstige toepassing op het plan.

  • 6 Het plan bevat voorts de vaststelling van de geluidsbelasting van de gevel van de woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de weg overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze wordt berekend na het treffen van de maatregelen overeenkomstig het plan.

  • 7 Het plan bepaalt de termijn waarbinnen de in het vijfde lid bedoelde maatregelen in uitvoering worden genomen.

Artikel 7. (voorbereidingsprocedure wegaanpassingsbesluit en de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit)

  • 2 Onze Minister draagt ervoor zorg dat zo spoedig mogelijk na het opstellen van een ontwerp van een wegaanpassingsbesluit bij de bevoegde bestuursorganen de aanvragen worden ingediend tot het nemen van de besluiten die nodig zijn met het oog op de uitvoering van het wegaanpassingsbesluit.

  • 3 Onze Minister zendt gelijktijdig het ontwerp-wegaanpassingsbesluit alsmede een afschrift van de aanvragen aan de betrokken bestuursorganen.

Artikel 8. (gecoördineerde voorbereiding besluiten)

  • 1 Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde besluiten.

  • 2 Onze Minister kan van andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.

Artikel 9. (vaststelling wegaanpassingsbesluit)

  • 1 Onze Minister stelt het wegaanpassingsbesluit vast binnen tien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Indien krachtens het vierde lid toepassing wordt gegeven aan artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 of toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid wordt het wegaanpassingsbesluit vastgesteld mede in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien niet binnen drie weken na het daartoe strekkende verzoek van Onze Minister overeenstemming is bereikt tussen Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit legt Onze Minister dit voor aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

  • 2 Indien het wegaanpassingsbesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt vastgesteld, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de reden mee aan de Staten-Generaal.

  • 3 De betrokken bestuursorganen zenden binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ontwerpen van de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit aan Onze Minister.

  • 5 Artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op handelingen waarop het wegaanpassingsbesluit betrekking heeft. Indien die handelingen plaatsvinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, of daarbuiten in de gevallen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de handelingen schadelijk kunnen zijn voor de waarden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, betrekt Onze Minister bij de besluitvorming over stelt het wegaanpassingsbesluit het belang van bescherming van de waarden van het beschermde natuurmonument.

Artikel 10. (vaststelling besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit)

  • 1 De betrokken bestuursorganen nemen de besluiten ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit binnen zes weken na bekendmaking van het wegaanpassingsbesluit en zenden deze besluiten onmiddellijk toe aan Onze Minister.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde termijn treedt in de plaats van de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voor die besluiten bepaalde beslistermijnen.

  • 3 Indien een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap of een ander openbaar lichaam, dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet of niet tijdig een ontwerp-besluit op de aanvraag aan Onze Minister zendt, dan wel niet of niet tijdig op de aanvraag beslist, dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister wijziging behoeft, kan Onze Minister een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt zijn besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze Minister voornemens is zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, pleegt hij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

  • 4 Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve te nemen besluiten.

  • 5 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van andere besluiten dan die ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit, welke zijn gericht op de realisering van het desbetreffende wegaanpassingsproject.

  • 6 Indien bij de toepassing van het derde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze Minister, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.

Artikel 11. (rechtsgevolgen van het wegaanpassingsbesluit)

  • 4 Het wegaanpassingsbesluit geldt niet langer als voorbereidingsbesluit indien voor het in het eerste lid bedoelde gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het wegaanpassingsbesluit van kracht is geworden.

  • 5 Onder een geprojecteerde woning of een ander geprojecteerd geluidsgevoelig object als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of ander geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toelaat, maar deze nog niet is afgegeven.

  • 7 Indien ter uitvoering van het wegaanpassingsbesluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit is vereist, is dat artikel niet van toepassing.

  • 10 De gemeenteraad stelt binnen een jaar nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening overeenkomstig het wegaanpassingsbesluit vast. Voor zover een ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in het wegaanpassingsbesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.

  • 11 Indien een bestemmingsplan in strijd is met een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan nog niet is aangepast aan het wegaanpassingsbesluit, is het gemeentebestuur verplicht aan degenen die inzage verlangen in zodanig bestemmingsplan, tevens inzage te verlenen in het ten aanzien van het door dat plan bestreken gebied vastgestelde wegaanpassingsbesluit.

Artikel 12. (verval van rechtswege)

Het wegaanpassingsbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen twee jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

Hoofdstuk 3. Beroep ten aanzien van het wegaanpassingsbesluiten en de besluiten ter uitvoering daarvan

Artikel 13. (beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)

  • 1 Tegen een wegaanpassingsbesluit, een besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede een plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 14. (termijn voor de rechter)

  • 1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op de beroepen tegen de in artikel 13, eerste lid, bedoelde besluiten, met uitzondering van het in artikel 6, vijfde lid, bedoelde plan, binnen twaalf weken na ontvangst van de desbetreffende verweerschriften.

  • 2 In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling bestuursrechtspraak deze termijn met ten hoogste twaalf weken verlengen.

Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen

Artikel 15. (toepassing Belemmeringenwet Privaatrecht)

Artikel 16. (toepassing onteigeningswet)

Onteigening van onroerende zaken en van rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de onteigeningswet ten behoeve van de uitvoering van het wegaanpassingsbesluit geschiedt ingevolge het besluit, bedoeld in artikel 72a van de onteigeningswet, met dien verstande dat over het in artikel 72a van de onteigeningswet bedoelde besluit de Raad van State niet wordt gehoord.

Artikel 17. (schadevergoeding)

  • 1 Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit, een onherroepelijk besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of een onherroepelijk plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 3 Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juni 2003

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

K. M. H. Peijs

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Uitgegeven de vierentwintigste juni 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Bijlage bij de Spoedwet wegverbreding, als bedoeld in artikel 2, eerste lid

A. Wegaanpassingsprojecten van structurele aard

Wegnummer

Omschrijving wegvak

Aard van het project

Wijziging aantal rijstroken

Kilometrering

       

van

naar

van

tot

 

A9

Wijkertunnel Badhoevedorp

         

1

A9

Aansluiting Velsen–Raasdorp

inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanpassingen in knooppunt

2x2

2x3

41,0

49,1

2

A9

Knooppunt Raasdorp–knooppunt Badhoevedorp

inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

1x2

1x3

34,9

38,3

   

A9

         

2a

A9

Alkmaar–Uitgeest

aanleg spitsstrook

2x2

2x3

59,0

70,7

 

A7

Oostbaan richting Hoorn

         

3

A7

Zaanstad–Purmerend

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

1x2

1x3

4,7

14,8

 

A12

Utrecht–Den Haag

         

4

A12

Zoetermeer–Zevenhuizen

aanleg plusstrook

2x2

2x3

15,8

23,0

5

A12

Zevenhuizen–Gouda

aanleg plusstrook

2x2

2x3

23,0

27,0

6

A12

Woerden–Gouda

aanleg plusstrook

1x3

1x4

45,0

27,0

 

A12

Utrecht–Duitse grens

       

7

A12

Utrecht–Bunnik

aanleg extra rijstrook

2x3

2x4

63,5

63,5

67,4 (noordbaan)

67,6 (zuidbaan)

8

A12

Bunnik–Driebergen

aanleg extra rijstrook en plusstrook

2x2

2x4

67,4

67,6

70,9 (noordbaan)

71,5 (zuidbaan)

9

A12

Driebergen–Maarsbergen

aanleg plusstrook

2x2

2x3

70,9

71,5

82,0 (noordbaan)

82,0 (zuidbaan)

10

A12

Veenendaal–Ede

inrichten linker rijstrook als plusstrook en aanleg weefstroken

2x2

2x3

90,0

110,6

   

CRAAG

       

11

A9

Holendrecht–Diemen

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

2x2

2x3

4,5

12,1

12

A1

't Gooi

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

2x2

2x3

21,2

29,6

13

A1/A6

Muiderberg–Almere Stad west Oostbaan

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

1x3

1x4

12,0

41,2

15,4 (A1)

48,0 (A6)

14

A1

Diemen–Muiderberg

uitbreiden wisselstrook

1x1

1x2

6,4

17,8

   

A2

         

14a

A2

Holendrecht–Maarssen

aanleg extra rijstrook

2x4

2x5

34,0

57,0

14b

A2

Urmond–Maasbracht

aanleg spitsstrook

1x2

1x3

239,1

221,7

14c

A2/A76

Urmond–Geleen

aanleg extra rijstrook en aanpassing knooppunt Kerensheide

2x2

2x3

239,1 (A2)

4,5 (A76)

   

A28 Utrecht–Amersfoort

         

14d

A28

Utrecht–Leusden Zuid

aanleg extra rijstrook

2x2

2x3

0

17,8

14e

A28

Leusden Zuid–knooppunt Hoevelaken

aanleg plusstrook en weefstroken en aanpassing knooppunt Hoevelaken

1x2

1x3

17,3

46,5 (A1) (oostbaan)

     

aanleg plusstrook en weefstroken

1x2

1x3

27,7

17,3 (westbaan)

B. Wegaanpassingsprojecten van semi-permanente aard

Wegnummer

Omschrijving wegvak

Aard van het project

Wijziging aantal rijstroken

Kilometrering

       

van

naar

van

tot

   

CRAAG

       

15

A4

Knooppunt Badhoevedorp – knooppunt Nieuwe Meer

inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

2x3

2x4

0

4,0

16

A10 zuid

Knooppunt Nieuwe Meer – knooppunt Amstel

inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

2x3

2x4

16,0

20,9

   

A2/A27

       

17

A2/A27

Everdingen – Lunetten

inrichten vluchtstrook als spitsstrook en aanleg weefstroken

1x2

1x3 (deels 1x4)

57,2

70,2

 

A28

Utrecht–Amersfoort

       
   

A1

       

20

A1

Hoevelaken–Barneveld zuidbaan

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

1x2

1x3

46,0

54,0

   

A27

       

22

A27

Gorinchem–Noordeloos

inrichten linkerrijstrook als plusstrook

1x2

1x3

37,3

43,0

   

Prins Clausplein

       

23

A4

Aansluiting Leidschendam Prins Clausplein

inrichten vluchtstrook als bufferstrook

1x3

1x4

44,0

46,3

24

A12

Prins Clausplein–Voorburg

inrichten vluchtstrook als bufferstrook

1x4

1x5

6,4

5,0

   

A13

       

25

A13

Zestienhoven–Delft Zuid

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

1x3

1x4

17,1

10,6

   

A20

       

26

A20

Terbregseplein

inrichten extra rijstrook als bufferstrook

1x4

1x5

38,9

34,5

   

Coenplein

       
   

A1

       

28

A1

Knooppunt Watergraafsmeer – knooppunt Diemen

inrichten als bufferstrook

2x3

2x4

8,0

3,7

   

A50/A1 Valburg–Heteren/Arnhem–Deventer

       

29

A50/A1

Arnhem Centrum–knooppunt Beekbergen

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

2x2

2x3

183,3

203,0

30

A50/A1

Knooppunt Beekbergen–Deventer Oost

inrichten linkerrijstrook als plusstrook

2x2

2x3

88,1

108,6

31

A50/A1

Heteren–Valburg

inrichten vluchtstrook als spitsstrook

1x2

1x3

158,7

155,9

   

A2 Den Bosch–Eindhoven

         

Bijlage 2. bij de Spoedwet wegverbreding

Bijlage behorend bij artikel 3a van de Spoedwet wegverbreding

Wegaanpassingprojecten als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding:

Wegnummer

Omschrijving wegvak

1

A9

Aansluiting Velsen–Raasdorp

2

A9

Knooppunt Raasdorp–knooppunt Badhoevedorp

2a

A9

Alkmaar–Uitgeest

6

A12

Woerden–Gouda

7

A12

Utrecht–Bunnik

8

A12

Bunnik–Driebergen

9

A12

Driebergen–Maarsbergen

11

A9

Holendrecht–Diemen

12

A1

’t Gooi

13

A1/A6

Muiderberg–Almere Stad west (Oostbaan)

14a

A2

Holendrecht–Maarssen

14b/c

 

Maasbracht–Geleen

   

14b

A2

Urmond–Maasbracht

   

14c

A2/A76

Urmond–Geleen

14d/e

 

Utrecht–Amersfoort

   

14d

A28

Utrecht–Leusden Zuid

   

14e

A28

Leusden Zuid–knooppunt Hoevelaken

15

A4

Knooppunt Badhoevedorp–knooppunt Nieuwe Meer

16

A10 zuid

Knooppunt Nieuwe Meer–knooppunt Amstel

17

A2/A27

Everdingen–Lunetten

20

A1

Hoevelaken–Barneveld

28

A1

Knooppunt Watergraafsmeer–knooppunt Diemen

Terug naar begin van de pagina