Spoorwegwet

Geldend van 01-01-2013 t/m 31-03-2013

Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op richtlijnen 91/440/EEG, 95/18/EG, 96/48/EG, 2001/12/EG, 2001/13/EG, 2001/14/EG en 2001/16/EG en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg, het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • aangemelde instantie: aangemelde instantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel j, van richtlijn 2008/57/EG;

    • beheerder: houder van een concessie als bedoeld in artikel 16, eerste lid;

    • bevoegdheidsbewijs: bevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 3, onderdeel j, van richtlijn 2007/59/EG;

    • capaciteit: capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;

    • gebruik van een hoofdspoorweg: het met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;

    • gebruiksvergoeding: vergoeding als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 91/440/EEG en hoofdstuk 2 van richtlijn 2001/14/EG;

    • gerechtigde: gerechtigde als bedoeld in artikel 57;

    • hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg;

    • hoofdspoorweginfrastructuur: spoorweginfrastructuur, waarbij de spoorwegen als hoofdspoorwegen zijn aangewezen;

    • interoperabiliteitsonderdeel: interoperabiliteitsonderdeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van richtlijn 2008/57/EG;

    • kaderovereenkomst: kaderovereenkomst als bedoeld in artikel 17 van richtlijn 2001/14/EG;

    • keuringsinstantie: instantie aangewezen op grond van artikel 93;

    • lidstaat: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

    • machinistenvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2007/59/EG;

    • netverklaring: netverklaring als bedoeld in richtlijn 2001/14/EG;

    • Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

    • raad van bestuur NMa: raad van bestuur van de mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 2 van de Mededingingswet;

    • rechthebbende: eigenaar, bezitter of degene die een recht van erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik, huur of pacht heeft;

    • spoorvoertuig: voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorwegen;

    • spoorweg: weg bestemd voor verkeer over spoorstaven of geleiderails;

    • spoorweginfrastructuur: spoorwegen en de daarvan deel uitmakende elementen van spoorweginfrastructuur als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van Verordening (EG) nr. 851/2006 van de Europese Commissie van 9 juni 2006 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema’s bedoeld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad (PbEU L 158);

    • spoorwegonderneming: spoorwegonderneming als bedoeld in richtlijn 95/18/EG, alsmede iedere andere onderneming die gebruik maakt of beoogt te maken van de spoorweg en daarvoor de beschikking heeft over tractie;

    • subsysteem: subsysteem van structurele aard als bedoeld in bijlage II van richtlijn 2008/57/EG;

    • technische specificatie inzake interoperabiliteit: technische specificatie inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van richtlijn 2008/57/EG;

    • toegangsovereenkomst: toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59;

    • veiligheidsfunctie: functie van bestuurder van een spoorvoertuig of een andere, bij algemene maatregel van bestuur omschreven, functie binnen het spoorwegverkeerssysteem die van aanmerkelijke invloed is op de veiligheid van het spoorverkeer;

    • verbetering: verbetering als bedoeld in artikel 2, onderdeel m, van richtlijn 2008/57/EG;

    • vernieuwing: vernieuwing als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:

    • richtlijn 91/440/EEG: richtlijn nr. 91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237);

    • richtlijn 95/18/EG: richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143);

    • richtlijn 96/48/EG: richtlijn nr. 96/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het transeuropees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEG L 235);

    • richtlijn 2001/14/EG: richtlijn nr. 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (PbEG L 75);

    • richtlijn 2001/16/EG: richtlijn nr. 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEG L 110);

    • richtlijn 2004/49/EG: richtlijn nr. 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de veiligheid op communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PbEU L 220);

    • richtlijn 2007/59/EG: richtlijn nr. 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PbEU L 315);

    • richtlijn 2008/57/EG: richtlijn nr. 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU L 191).

Artikel 2

  • 1 Deze wet is van toepassing op de als zodanig bij koninklijk besluit aangewezen hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen alsmede op bijzondere spoorwegen.

  • 2 Een spoorweg wordt als hoofdspoorweg aangewezen, indien:

    • a. de spoorweg uitsluitend of overwegend bestemd is voor het verrichten van openbaar personenvervoer of goederenvervoer ten behoeve van internationale, nationale of regionale verbindingen en

    • b. de Staat rechthebbende is ten aanzien van de spoorweg.

  • 3 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  • 4 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  • 5 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  • 6 Een besluit op grond van het eerste lid of vijfde lid wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 3

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de spoorweg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Artikel 4

  • 1 Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de vaardigheid tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht op de uitoefening van die functie kan verminderen, dat hij niet tot het behoorlijk uitoefenen van die functie of tot het behoorlijk uitoefenen van toezicht op de uitoefening van die functie in staat moet worden geacht.

  • 2 Het is een ieder verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat:

    • a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

    • b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed.

  • 3 Het is verboden een veiligheidsfunctie te doen uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te doen houden door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste of tweede lid is omschreven.

  • 4 Op de eerste vordering van bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht houden, of daartoe aanstalten maken, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die ambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.

Hoofdstuk 2. Hoofdspoorweginfrastructuur

§ 2. De eigenschappen van hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 6

  • 1 Hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels en nadere regels ten aanzien van basiskwaliteit, te weten inrichting, uitrusting en technische eigenschappen, waaronder regels over:

    • a. algemene kenmerken van de infrastructuur;

    • b. aanleg en onderhoud;

    • c. beveiliging;

    • d. bouwwerken;

    • e. telecommunicatievoorzieningen;

    • f. kunstwerken;

    • g. spoorwegovergangen;

    • h. afstandsbediening;

    • i. energievoorziening.

  • 2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 3 De krachtens het eerste lid te stellen regels ten aanzien van een onderwerp waarin ook door een besluit van een of meer instellingen van de Europese Unie is voorzien, mogen niet in strijd zijn met dat besluit.

  • 4 In de krachtens het eerste lid te stellen regels kan worden bepaald dat Onze Minister bevoegd is op aanvraag van de beheerder ontheffing te verlenen van die regels.

  • 5 Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden en, voor zover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van die afwijking.

  • 6 Het vijfde lid geldt niet voor een wijziging van de technische of functionele eigenschappen, indien het een verbetering of vernieuwing betreft waarvoor Onze Minister een vergunning voor indienststelling respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 9, derde lid, heeft verleend.

§ 3. De interoperabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 8

  • 1 Het is een beheerder verboden een nieuwe hoofdspoorweg in dienst te stellen zonder dat Onze Minister daarvoor een vergunning voor indienststelling heeft verleend.

  • 2 Onze Minister verleent de vergunning voor indienststelling indien de desbetreffende subsystemen:

    • a. voldoen aan de daarvoor geldende technische specificaties inzake interoperabiliteit;

    • b. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels die bij regeling van Onze Minister, met inachtneming artikel 17 van richtlijn 2008/57/EG, voor de subsystemen zijn aangewezen ter uitvoering van de essentiële eisen van die richtlijn;

    • c. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels die bij regeling van Onze Minister op grond van een technische specificatie inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, voor de subsystemen zijn aangewezen ter verificatie van de interoperabiliteit;

    • d. voldoen aan de krachtens artikel 6, eerste lid, vastgestelde regels, die bij regeling van Onze Minister voor de subsystemen zijn aangewezen ter uitwerking van de in een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, opgenomen open punten;

    • e. voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3 Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming van artikel 9 van richtlijn 2008/57/EG, een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten.

  • 4 Het voldoen aan de specificaties, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en aan de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, blijkt uit een geldig afgegeven EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 5 Het voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

  • 6 Onze Minister kan op aanvraag onder bij ministeriële regeling te geven voorwaarden en beperkingen, met inachtneming van artikel 1, derde lid, van richtlijn 2008/57/EG, ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 9

  • 1 Het is een beheerder verboden een vernieuwing of verbetering bij hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder:

    • a. voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een vergunning dan wel nieuwe vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het derde lid heeft geëist.

  • 2 Degene die de verbetering of vernieuwing bij hoofdspoorweginfrastructuur aanbesteedt, dient bij Onze Minister een informatiedossier in waarin het project beschreven wordt.

  • 3 Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, een vergunning respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling, indien de omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing of de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem dat noodzakelijk maakt of maken.

  • 4 Artikel 8, tweede, derde en zesde lid en het krachtens artikel 8, zesde lid, bepaalde zijn van toepassing op de verlening van de vergunning respectievelijk van de nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of vernieuwing.

  • 5 Onze Minister kan op aanvraag op andere gronden dan genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, met inachtneming van artikel 20 van die richtlijn, een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten.

  • 6 Het voldoen van het verbeterde of vernieuwde subsysteem aan de krachtens het vierde lid geldende eisen blijkt uit de toetsing van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

Artikel 12

  • 1 Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, voldoet aan bijlage V van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2 De afgifte van een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, geschiedt in overeenstemming met artikel 18 en bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de afgifte van de EG-keuringsverklaring, bedoeld in artikel 8, vierde lid en de verklaring, bedoeld in artikel 8, vijfde lid.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verlening en regels over de aanvraag van de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en van de vergunning of nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 9, derde lid.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het registeren of bewaren van gegevens over:

Artikel 13

Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 8, vierde lid, af te geven indien de desbetreffende subsystemen niet blijkens een geldige verklaring van een aangemelde instantie voldoen aan artikel 8, tweede lid, onderdelen a en b.

§ 4. Beheer van hoofdspoorwegen

Artikel 16

  • 1 Onze Minister verleent een of meer concessies voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Het beheer omvat de zorg voor:

    • a. de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de infrastructuur;

    • b. een eerlijke, niet-discriminerende verdeling van de capaciteit van de infrastructuur zowel ten behoeve van de beheerder als ten behoeve van spoorwegondernemingen;

    • c. het leiden van het verkeer over de infrastructuur.

  • 2 Een concessie bevat een beschrijving van de werkzaamheden waarvoor de concessie wordt verleend.

  • 3 Een concessie wordt verleend voor ten minste drie jaar.

  • 4 Een concessie wordt niet verleend aan een spoorwegonderneming dan met inachtneming van artikel 6, derde lid, van richtlijn 91/440/EEG en de artikelen 4, tweede lid, en 14, tweede lid, van richtlijn 2001/14/EG.

Artikel 16a

  • 1 Een beheerder beschikt bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, anders dan ten behoeve van de aanleg van hoofdspoorweginfrastructuur over een geldige veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 11 van richtlijn 2004/49/EG.

  • 2 Onze Minister verleent op aanvraag een veiligheidsvergunning aan de beheerder, indien hij beschikt over een veiligheidsbeheersysteem dat:

    • a. voldoet aan artikel 9, tweede lid, en bijlage III van richtlijn 2004/49/EG,

      en

    • b. op zodanige wijze is geoperationaliseerd dat het een veilig beheer en gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur mogelijk maakt.

  • 3 Een veiligheidsvergunning is ten hoogste vijf jaar geldig.

  • 4 Onze Minister trekt een veiligheidsvergunning in, indien het veiligheidsbeheersysteem van de beheerder niet meer voldoet aan het tweede lid.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de uitvoering van dit artikel, waaronder:

    • a. regels ten aanzien van de aanvraag van een veiligheidsvergunning, en

    • b. nadere regels ten aanzien het veiligheidsbeheersysteem.

Artikel 16b

  • 1 Een beheerder houdt een register van infrastructuurvoorzieningen dat voldoet aan artikel 35 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2 Een beheerder stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de spoorwegveiligheid dat voldoet aan artikel 9, vierde lid, van richtlijn 2004/49/EG en zendt dat verslag voor 1 juli aan Onze Minister.

Artikel 17

  • 1 Aan de concessie worden in elk geval voorschriften, onder meer houdende prestatie-indicatoren, verbonden om te waarborgen dat:

    • a. de hoofdspoorweginfrastructuur in goede staat verkeert en geschikt is voor het verkeer of ander gebruik waarvoor zij bestemd is;

    • b. de hoofdspoorweginfrastructuur veilig en doelmatig bereden kan worden zonder overmatige slijtage aan spoorvoertuigen;

    • c. de risico's van het gebruik en beheer voor de veiligheid van de hoofdspoorweginfrastructuur worden geanalyseerd en dat passende maatregelen worden genomen, waaronder het zo nodig buiten dienst stellen van een gedeelte van de hoofdspoorweg, om deze risico's afdoende te beheersen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke vereisten van de te verwachten bedrijfsvoering en de stand der techniek;

    • d. voldaan wordt aan de richtlijnen 91/440/EEG en 2001/14/EG;

    • e. de beheerder financieel draagkrachtig en beroepsbekwaam is.

  • 2 Aan de concessie worden voorts in elk geval voorschriften verbonden ten aanzien van:

    • a. door de beheerder te berekenen tarieven voor diensten aan derden;

    • b. het verstrekken van gegevens aan Onze Minister ten behoeve van:

      • 1°. het toezicht op de naleving van de concessie;

      • 2°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge de artikelen 11.6 en 11.11 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);

      • 3°. het voldoen aan de verplichtingen die Onze Minister met betrekking tot de hoofdspoorwegen heeft ingevolge artikel 12.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

    • c. het opstellen van een financiële verantwoording van het uitvoeren van de concessie, welke verantwoording gescheiden is van die voor andere werkzaamheden, en

    • d. wijzigingen van hoofdspoorweginfrastructuur die de beheerder aanbesteedt en als een verbetering of een vernieuwing als bedoeld in artikel 9, eerste lid, worden aangemerkt.

  • 3 Aan een concessie kan het voorschrift worden verbonden dat de beheerder, indien hij tekortschiet in het verrichten van een bepaalde prestatie, gehouden is een geldsom te voldoen aan Onze Minister.

Artikel 17a

  • 1 De beheerder stelt een beheerplan op conform de in de hem verleende concessie vastgelegde voorschriften.

  • 2 Aan de concessie wordt een voorschrift verbonden ten aanzien van de duur van het beheerplan.

Artikel 17b

  • 2 De beheerder stelt de gerechtigden in de gelegenheid met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht.

  • 3 Het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het door de beheerder op te stellen beheerplan.

  • 4 Indien na het advies van de gerechtigden een beslissing wordt genomen ten aanzien van de onderdelen van het beheerplan, bedoeld in het eerste lid, worden de gerechtigden door de beheerder zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken voor deze gevolg geeft aan de beslissing, schriftelijk hiervan in kennis gesteld. Indien het advies van de gerechtigden niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan hen tevens meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken en wordt hen de gelegenheid geboden binnen vier weken nader te overleggen met de beheerder alvorens deze gevolg geeft aan de beslissing.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de termijnen die bij de adviesprocedure en de overlegprocedure, bedoeld in dit artikel, in acht worden genomen.

Artikel 18

  • 1 Onze Minister kan een concessie geheel of gedeeltelijk intrekken indien de beheerder de concessie of een voor de beheerder geldend wettelijk voorschrift niet naleeft.

  • 2 Onze Minister gaat niet tot intrekking over dan nadat hij de beheerder de gelegenheid heeft geboden om binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de concessie, dan wel het wettelijk voorschrift.

  • 3 Voordat Onze Minister een concessie verleent, wijzigt of geheel of gedeeltelijk intrekt, stelt hij betrokken gerechtigden als bedoeld in artikel 57 in de gelegenheid om gedurende een door Onze Minister daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie weken hun zienswijze naar voren te brengen.

  • 4 Een concessie wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verlenen of wijzigen van een concessie en over de aan een concessie te verbinden voorschriften.

Artikel 18a

Een besluit tot verlening of wijziging van een concessie kan worden genomen indien de beheerder niet binnen vier dagen na de dag waarop het voorgenomen besluit aan hem is bekendgemaakt aan de concessieverlener heeft doen blijken dat hij de concessie niet zonder voorbehoud aanvaardt.

Artikel 19

  • 1 Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister gebruik te maken van hoofdspoorwegen en de daarnaast gelegen gronden door anders dan waartoe deze zijn bestemd:

    • a. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg aan, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoorweg, bouwwerken of andere opstallen op te richten of werken, inrichtingen, kabels, leidingen of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen of te hebben, dan wel daarmee verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren;

    • b. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder of naast de hoofdspoorweg vaste stoffen of vloeistoffen te storten of te doen storten, met uitzondering van vaste stoffen of vloeistoffen die vrijkomen bij de normale bedrijfsvoering van spoorvoertuigen;

    • c. binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoorweg, voorwerpen te plaatsen of neer te leggen of graafwerk te verrichten of deze activiteiten te doen uitvoeren;

    • d. binnen 14 meter van de begrenzing van de hoofdspoorweg licht ontvlambare stoffen te hebben of op te slaan.

  • 2 Een vergunning op grond van het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer ter bescherming van de hoofdspoorweg, in het belang van een veilig en doelmatig gebruik ervan of het financieel belang van de Staat.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur.

Artikel 20

  • 1 Bij een hoofdspoorweg wordt de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 19, aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op een afstand:

    • a. van elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;

    • b. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ingraving gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;

    • c. van zes meter bij een hoofdspoorweg in ophoging gemeten uit de teen van het talud;

    • d. die gelijk is aan de afstand tussen de bovenkant van de spoorstaaf en het maaiveld horizontaal gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel, in een verticale lijn tot het maaiveld, waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op elf meter uit het hart van het spoor, indien het betreft een geboorde, ingegraven of afgezonken tunnel bij een hoofdspoorweg;

    • e. bij een hoofdspoorweg op of in een vaste constructie anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met d, van zes meter gemeten vanaf een horizontale lijn die ligt op tweemaal de afstand tussen de bovenkant van de spoorstaaf en het maaiveld vanaf de buitenste rand van de constructie, waarbij deze grenzen ten minste gelegen zijn op 11 meter uit het hart van het buitenste spoor.

  • 2 Indien bij een hoofdspoorweg in ingraving of in ophoging de afstand tussen het hart van het buitenste spoor en de bovenkant van de ingraving of teen van het talud minder bedraagt dan vijf meter, wordt de begrenzing vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.

  • 3 Indien de bodemgesteldheid daartoe aanleiding geeft, kan bij besluit van Onze Minister, gehoord de beheerder, een begrenzing worden vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Wanneer ingevolge artikel 2 of 124 een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.

Artikel 21

  • 1 Het is verboden zaken te bouwen, neer te leggen, op te richten of aan te leggen die een meter of hoger reiken dan het maaiveld aan weerszijden van de hoofdspoorweg bij voor het openbaar verkeer openstaande overwegen buiten de bebouwde kom, binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op vijfhonderd meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.

  • 2 Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg of het financieel belang van de Staat.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.

Artikel 22

  • 1 Het is verboden:

    • a. anders dan als rechtmatige gebruiker in te grijpen in de bediening of de werking van installaties van de hoofdspoorweginfrastructuur;

    • b. de hoofdspoorweginfrastructuur of delen daarvan te beschadigen, te vernielen, te verwijderen, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • c. zich op of langs gedeelten van een hoofdspoorweg, met uitzondering van een perron, die niet zijn gelegen in een gelijkvloerse kruising met een weg of in een voor het openbaar verkeer openstaande weg, te bevinden of daarop of daarlangs dieren te drijven of te laten lopen;

    • d. enige handeling op of nabij de hoofdspoorweg te verrichten waardoor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur kan worden gehinderd of belemmerd.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. het uitvoeren van het beheer;

    • b. de uitoefening van een veiligheidsfunctie;

    • c. de uitoefening van een wettelijke taak;

    • d. het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een spoorwegonderneming die beschikt over een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, of een proefcertificaat als bedoeld in artikel 34;

    • e. de uitoefening van het houderschap van een spoorvoertuig en de uitoefening van werkzaamheden aan een spoorvoertuig in opdracht van de houder, en

    • f. de uitoefening van opleidingsactiviteiten voor een veiligheidsfunctie en de beoordeling op het voldoen aan de eisen voor een veiligheidsfunctie;

    • g. de uitoefening van overige activiteiten in opdracht van de beheerder.

Artikel 24

  • 1 Onverminderd de bij of krachtens andere wetten ter zake gegeven voorschriften wordt aanraking, doorsnijding of overbrugging van andere infrastructuur van openbaar nut door hoofdspoorwegen waarvan de aanleg vanwege het Rijk is opgedragen of toegestaan, gedoogd door de rechthebbende ten aanzien van die andere infrastructuur. Onder infrastructuur van openbaar nut wordt in ieder geval begrepen infrastructuur waarvan het beheer bij of krachtens wet is opgedragen en infrastructuur in beheer bij een openbaar lichaam.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over financiering, onderhoud, instandhouding, aanleg, uitbreiding, gedeeld gebruik en verdeling van de gebruiksmogelijkheden van kunstwerken voorzover deze dienen tot aanraking, doorsnijding of overbrugging als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 25

Deze paragraaf geldt onverkort voor de rechthebbende ten aanzien van de onder of naast de hoofdspoorweginfrastructuur gelegen grond, de daarin gelegen werken en daarop gelegen opstallen.

§ 5. Bepalingen inzake stations en laad- en losplaatsen

Artikel 26

  • 1 De rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de hoofdspoorweg gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers, gehandicapten daaronder begrepen, via de in het station aanwezige hallen, tunnels, trappen en liften, met logische en overzichtelijke routes, een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en spoorvoertuigen.

  • 2 Onder station wordt in het eerste lid verstaan: een gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers.

  • 3 Indien de veilige en adequate toegang tot perrons, laad- of losplaatsen of spoorvoertuigen in het gedrang komt of dreigt te komen, geeft Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing ter waarborging van die toegang. Tevens kan Onze Minister aan de betrokken rechthebbende een bindende aanwijzing geven met betrekking tot fysieke voorzieningen ter bevordering van de sociale veiligheid op de stations.

  • 4 Desgevraagd adviseert de beheerder Onze Minister over de toepassing van het derde lid.

Hoofdstuk 3. Het spoorwegbedrijf

§ 1. Algemeen

Artikel 27

  • 1 Een spoorwegonderneming heeft op niet-discriminerende grondslag recht op toegang tot hoofdspoorwegen.

  • 2 Geen toegang tot hoofdspoorwegen heeft een spoorwegonderneming:

    • a. die niet beschikt over een geldige bedrijfsvergunning;

    • b. die niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat of proefcertificaat;

    • c. die niet voldoet aan de voor haar ingevolge artikel 55 geldende verzekeringsplicht;

    • d. indien het recht op die toegang niet rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59;

    • e. die anderszins niet gerechtigd is van de hoofdspoorweg gebruik te maken.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van de artikelen 1 en 2 van richtlijn 95/18/EG onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel a, en met inachtneming van artikel 3 van richtlijn 2004/49/EG onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling worden verleend van het tweede lid, onderdeel b.

  • 4 Een beheerder heeft in afwijking van het tweede lid, onder d, ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als spoorwegonderneming toegang tot hoofdspoorwegen zonder dat het recht rechtstreeks voortvloeit uit een toegangsovereenkomst met dien verstande dat de beheerder, voor zover het de activiteiten, bedoeld in artikel 28 van richtlijn 2001/14/EG betreft, beschikt over verdeelde capaciteit.

§ 2. De bedrijfsvergunning voor spoorwegondernemingen

Artikel 28

  • 1 Onze Minister verleent op aanvraag een bedrijfsvergunning aan een in Nederland gevestigde spoorwegonderneming, indien deze voldoet aan de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit artikel 55 voortvloeiende verzekeringsplicht.

  • 2 Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur omschreven soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bij de verlening van een bedrijfsvergunning een of meer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, in het eerste lid bedoelde eisen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten. Alsdan is een zodanige beperkte bedrijfsvergunning slechts geldig voor het gebruik waarvoor deze is verleend.

  • 3 Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag.

  • 4 Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

  • 5 Onze Minister kan ambtshalve of op aanvraag van de vergunninghouder de vergunning wijzigen, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden en de aan de vergunning verbonden voorschriften aanvullen dan wel wijzigen.

Artikel 29

Onze Minister schorst de bedrijfsvergunning of trekt deze in, indien:

  • a. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 28 toepasselijke eisen of voorschriften;

  • b. de veiligheid van het spoorverkeer door wijziging van de rechtspositie van de vergunninghouder ingeval van fusie of bedrijfsovername naar het oordeel van Onze Minister niet langer is gewaarborgd of

  • c. bij herhaling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is vastgesteld dat de vergunninghouder of zijn bestuurders het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden hebben overtreden, dan wel bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld dat deze het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel de toepasselijke voorschriften inzake arbeidsomstandigheden of arbeidstijden in ernstige mate hebben overtreden.

Artikel 30

  • 1 Een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 95/18/EG die is verleend door een bevoegde instantie van een andere lidstaat aan een aldaar gevestigde spoorwegonderneming, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een bedrijfsvergunning, verleend op grond van artikel 28, eerste lid.

  • 2 Met een bedrijfsvergunning verleend op grond van artikel 28, eerste lid, worden voorts voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld:

    • a. de bij ministeriële regeling omschreven documenten die in het buitenland door het aldaar bevoegde gezag zijn afgegeven en die in voldoende mate kunnen gelden als bewijs dat ten minste wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;

    • b. een besluit van Onze Minister waarin ten aanzien van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming is verklaard dat ten minste wordt voldaan aan de in artikel 28, eerste lid, vermelde eisen.

  • 3 Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op de gelijkstelling krachtens het tweede lid.

Artikel 31

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels over:

  • a. de toepassing van de in artikel 28, eerste lid, bedoelde eisen;

  • b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning;

  • c. de aan de bedrijfsvergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.

§ 3. Het veiligheidscertificaat

Artikel 32

  • 1 Onze Minister verleent op aanvraag van een spoorwegonderneming een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2004/49/EG bestaande uit:

    • a. een A-certificaat voor het veiligheidsbeheersysteem dat wordt verleend indien het veiligheidsbeheersysteem voldoet aan artikel 9 en bijlage III van richtlijn 2004/49/EG;

    • b. een B-certificaat voor de voorzieningen die de spoorwegonderneming overeenkomstig bijlage IV van richtlijn 2004/49/EG heeft getroffen om te voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.

  • 2 Een veiligheidsbeheersysteem waarvoor door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie een certificaat als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 2004/49/EG is afgegeven, wordt voor de verlening van het veiligheidscertificaat gelijkgesteld met een A-certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 3 Onze Minister verleent op aanvraag aan een beheerder, in afwijking van het eerste lid, een veiligheidscertificaat, indien hij beschikt over een op grond van artikel 16a verleende veiligheidsvergunning.

  • 4 Een beheerder gebruikt een op grond van het derde lid verleend veiligheidscertificaat slechts ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid.

Artikel 33

  • 1 Het veiligheidscertificaat is ten hoogste vijf jaar geldig.

  • 2 Aan het veiligheidscertificaat kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.

  • 3 Onze Minister kan het veiligheidscertificaat schorsen of intrekken:

    • a. wegens handelen in strijd met dit hoofdstuk;

    • b. in het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg;

    • c. indien de bedrijfsvergunning van de certificaathouder is geschorst of ingetrokken;

    • d. indien het certificaat, bedoeld in artikel 32, tweede lid, door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie is ingetrokken.

  • 4 Onze Minister kan het veiligheidscertificaat of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen, met inachtneming van het belang van de veiligheid op en in de directe nabijheid van de spoorweg.

  • 5 Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is verboden.

Artikel 34

  • 1 Onze Minister kan aan degene die een veiligheidscertificaat heeft aangevraagd of aan de certificaathouder die een wijziging van het veiligheidscertificaat heeft aangevraagd een proefcertificaat verlenen.

  • 2 Het proefcertificaat wordt verleend met het oog op het opdoen van ervaring of het testen van procedures of spoorvoertuigen ten behoeve van verlening of wijziging van een veiligheidscertificaat.

  • 3 Het proefcertificaat is ten hoogste dertien weken geldig en vervalt van rechtswege bij de verlening of de wijziging, bedoeld in het tweede lid. Indien toepassing is gegeven aan artikel 32, tweede lid, tweede volzin, vervalt het proefcertificaat met ingang van de dag na de laatste dag van de krachtens die bepaling gestelde termijn.

Artikel 35

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de uitvoering van deze paragraaf, waaronder regels ten aanzien van:

  • a. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een veiligheidscertificaat en van een proefcertificaat;

  • b. de aan een veiligheidscertificaat en een proefcertificaat te verbinden voorschriften en beperkingen;

  • c. de bedrijfsprocessen die ten minste in het veiligheidsbeheersysteem zijn opgenomen.

§ 4. Gebruik, compatibiliteit en interoperabiliteit van spoorvoertuigen en interoperabiliteitsonderdelen

Artikel 36

  • 1 Het is een spoorwegonderneming verboden om, anders dan voor het testen, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken, met een spoorvoertuig waarvoor Onze Minister geen vergunning voor indienststelling als bedoeld in het derde lid respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling als bedoeld in het vijfde lid heeft verleend.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor bij algemene maatregel van bestuur met inachtneming van artikel 21 van richtlijn 2008/57/EG, aangewezen spoorvoertuigen.

  • 3 Onze Minister verleent, na de beheerder te hebben gehoord, een vergunning voor indienststelling, indien:

    • a. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de daarvoor geldende technische specificaties inzake interoperabiliteit;

    • b. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister, met inachtneming van artikel 17 van richtlijn 2008/57/EG vastgestelde, voor dat subsysteem geldende voorschriften ter uitvoering van de essentiële eisen van richtlijn 2008/57/EG;

    • c. elk subsysteem van het spoorvoertuig voldoet aan de, bij regeling van Onze Minister daarvoor gegeven voorschriften ter uitwerking van de in een of meer technische specificaties inzake interoperabiliteit, bedoeld in onderdeel a, opgenomen open punten, anders dan ten behoeve van de verenigbaarheid van een spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur;

    • d. elk subsysteem voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van richtlijn 2008/57/EG, en

    • e. het spoorvoertuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften ten behoeve van de verenigbaarheid van een spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur.

  • 4 Onze Minister kan op aanvraag, met inachtneming artikel 9 van richtlijn 2008/57/EG, een voor een subsysteem geldende technische specificatie inzake interoperabiliteit buiten toepassing laten.

  • 5 Onze Minister verleent na de beheerder te hebben gehoord, een aanvullende vergunning voor indienststelling indien:

    • a. het spoorvoertuig reeds in een andere staat is toegelaten;

    • b. een subsysteem van het spoorvoertuig dat is voorzien van een geldige EG-keuringsverklaring voldoet aan de in de voor een of meer voor het subsysteem geldende TSI’s opgenomen voorschriften voor de voor Nederland geldende specifieke gevallen;

    • c. hij voor een subsysteem van het spoorvoertuig zonder geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG geen belangrijk veiligheidsrisico aantoont, en

    • d. het spoorvoertuig voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdeel e.

  • 6 Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, blijkt uit een geldige EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 18 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 7 Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en e, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

  • 8 Onze Minister kan aan de vergunning voor indienststelling respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling ten behoeve van de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur voorschriften en beperkingen verbinden.

  • 9 Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de voorschriften, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en e.

  • 10 Onze Minister kan op aanvraag met inachtneming van artikel 1, derde lid, van richtlijn 2008/57/EG, onder daartoe bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden en beperkingen, ontheffing verlenen van het derde lid, onderdelen a en b, en van het vijfde lid, onderdeel b.

Artikel 37

  • 1 Het is een spoorwegonderneming verboden om van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een spoorvoertuig dat niet in het register, bedoeld in het tweede lid, dan wel in het register van een andere staat is ingeschreven.

  • 2 Onze Minister houdt het register, bedoeld in artikel 33 van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3 Onze Minister draagt op aanvraag zorg voor de inschrijving van spoorvoertuigen in het register, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 De aanvrager voegt bij de aanvraag voor de inschrijving de bij regeling van Onze Minister bepaalde gegevens.

  • 5 De houder meldt de wijzigingen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het vierde lid, die na de inschrijving optreden, binnen twee weken aan Onze Minister.

  • 6 Onze Minister kent aan een in te schrijven spoorvoertuig dat niet volledig in een register van een andere staat is ingeschreven een Europees voertuignummer toe. De houder brengt het toegekende voertuignummer aan op het spoorvoertuig.

  • 7 Onze Minister schrapt de inschrijving van een spoorvoertuig:

    • a. op verzoek van de houder;

    • b. indien het spoorvoertuig definitief buiten gebruik wordt gesteld, of

    • c. in andere bij regeling van Onze Minister aangegeven gevallen.

  • 8 De houder van een spoorvoertuig is degene die als houder in het register, bedoeld in het tweede lid, is ingeschreven.

Artikel 37a

  • 1 Onze Minister verleent op aanvraag een vergunning voor indienststelling of een aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type indien hij voor een spoorvoertuig van dat type een dergelijke vergunning heeft verleend.

  • 2 Onze Minister verleent in afwijking van artikel 36, derde en vijfde lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een aanvullende vergunning voor indienststelling, indien het spoorvoertuig overeenstemt met een type dat voorzien is van een geldige dergelijke vergunning.

  • 3 Onze Minister kan de vergunning voor indienststelling voor een type respectievelijk de aanvullende vergunning voor indienststelling voor een type schorsen of intrekken, indien het type niet of niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 36 geldende eisen.

  • 4 De overeenstemming met een type blijkt uit een verklaring van overeenstemming die voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van het spoorvoertuig waarvoor een vergunning voor indienststelling respectievelijk aanvullende vergunning voor indienststelling van het type is verleend, met dat type.

Artikel 37b

  • 1 Het is een spoorwegonderneming verboden om met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken zonder:

    • a. voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een vergunning dan wel nieuwe vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het derde lid, heeft geëist.

  • 2 Degene die de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aanbesteedt dient bij Onze Minister een informatiedossier in, waarin het project beschreven wordt.

  • 3 Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, een vergunning voor indienststelling respectievelijk een nieuwe vergunning voor indienststelling indien de omvang van de voorgenomen verbetering of vernieuwing, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van een betrokken subsysteem of de gevolgen voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maakt of maken.

  • 4 Artikel 36, derde, vierde en tiende lid, en het krachtens tiende lid van dat artikel bepaalde zijn van toepassing, met dien verstande dat die leden van dat artikel toepassing vinden op de verbetering of vernieuwing.

  • 5 Onze Minister kan op aanvraag, op andere gronden dan genoemd in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG en met inachtneming van artikel 20 van die richtlijn, een of meer voor het betrokken subsysteem vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit buiten toepassing laten.

  • 6 Onze Minister eist op basis van het informatiedossier, bedoeld in het tweede lid, indien het spoorvoertuig niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, een aanvullende vergunning voor indienststelling respectievelijk nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, indien de gevolgen van de de verbetering of vernieuwing voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur dat noodzakelijk maken.

  • 7 Artikel 36, vijfde lid, is van toepassing, met dien verstande dat het slechts toepassing vindt op de verbetering of vernieuwing.

  • 8 Het is verboden van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken met een verbeterd of vernieuwd spoorvoertuig dat niet volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, zonder:

    • a. zonder voorafgaande indiening van een informatiedossier als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. een aanvullende vergunning voor indienststelling of nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, indien Onze Minister die krachtens het zesde lid heeft geëist.

  • 9 Het voldoen van de verbetering of vernieuwing bij een spoorvoertuig aan artikel 36, derde lid, onderdelen a tot en met c en e, blijkt uit een geldige verklaring van een aangemelde instantie of van een keuringsinstantie.

Artikel 38

  • 1 Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, voldoet aan bijlage V van richtlijn 2008/57/EG.

  • 2 De afgifte van een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, geschiedt in overeenstemming met artikel 18 en bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de afgifte, vorm en inhoud van EG-keuringsverklaringen als bedoeld in artikel 36, zesde lid, en over het informatiedossier, bedoeld in artikel 37b, tweede lid.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de verlening en de aanvraag van:

    • a. de vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, derde lid, en van de vergunning voor indienststelling of van de nieuwe vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 37b, derde lid;

    • b. de aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 36, vijfde lid, en van aanvullende vergunning voor indienstststelling of van de nieuwe aanvullende vergunning voor indienststelling, bedoeld in artikel 37b, zesde lid.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het registreren of bewaren van gegevens over:

Artikel 39

  • 1 Het is verboden een interoperabiliteitsonderdeel voor het gebruik binnen het spoorwegsysteem in de handel te brengen, indien ten aanzien daarvan niet een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, is afgegeven.

  • 2 Degene die de interoperabiliteitsonderdelen gebruikt zorgt dat deze binnen hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun bestemming, en dat zij naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden.

Artikel 40

  • 1 Een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, wordt afgegeven:

    • a. indien de interoperabiliteitsonderdelen voldoen aan de daaraan in de toepasselijke technische specificatie inzake interoperabiliteit gestelde eisen, en

    • b. indien de conformiteit of geschiktheid voor gebruik blijkt uit een toetsing van een aangemelde instantie, indien een toepasselijke specificatie inzake interoperabiliteit een dergelijke toetsing voorschrijft.

  • 2 Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen, andere EG-richtlijnen bestaan ten aanzien van andere aspecten dan geregeld in bedoelde technische specificaties, vermelden de verklaringen, bedoeld in dat lid, tevens of deze onderdelen aan die andere EG-richtlijnen voldoen.

Artikel 41

  • 1 Een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG voldoet aan bijlage IV van die richtlijn.

  • 2 De afgifte van een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, geschiedt in overeenstemming met artikel 13 en bijlage IV van die richtlijn.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld over:

    • a. vorm en inhoud van de EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, alsmede over het registreren of bewaren van gegevens of documenten over de afgifte, en

    • b. het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van interoperabiliteitsonderdelen waarvoor goedkeuring van het type is verleend, met het goedgekeurde type.

Artikel 42

  • 1 Het is verboden een EG-keuringsverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, af te geven indien niet blijkens een geldige verklaring van een aangemelde instantie is voldaan aan artikel 36, derde lid, onderdelen a en b.

  • 2 Het is verboden een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG, voor een interoperabiliteitsonderdeel af te geven, indien niet voldaan is aan artikel 40, eerste lid.

Artikel 43

  • 1 De fabrikant van interoperabiliteitsonderdelen en zijn in Nederland gevestigde gemachtigde die in strijd met artikel 42, tweede lid, een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG voor een interoperabiliteitsonderdeel hebben afgegeven, zijn verplicht op eerste vordering van Onze Minister en binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Zij zijn verplicht de daarbij door Onze Minister te geven aanwijzingen op te volgen.

  • 2 Indien de fabrikant of zijn in Nederland gevestigde gemachtigde niet voldoet aan het eerste lid neemt Onze Minister met toepassing van artikel 14 van richtlijn 2008/57/EG maatregelen, om het in de handel brengen van het betrokken interoperabiliteitsonderdeel te beperken of te verbieden dan wel het uit de handel te doen nemen.

Artikel 44

Indien Onze Minister vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel, ondanks het feit dat ten aanzien daarvan een EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2008/57/EG is afgegeven en ondanks het feit dat het onderdeel overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt, de veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorwegen of interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 2008/57/EG in gevaar brengt, neemt hij met toepassing van artikel 14 van die richtlijn maatregelen om het toepassingsgebied van dit onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te doen nemen.

Artikel 46

  • 1 Voor elk spoorvoertuig waaraan Onze Minister een voertuignummer als bedoeld in artikel 37, zesde lid, heeft toegekend, is er een met het onderhoud belaste entiteit.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor bij ministeriële regeling met inachtneming van artikel 2 van richtlijn 2004/49/EG aangewezen spoorvoertuigen.

  • 3 De met het onderhoud belaste entiteit kan een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EG of de houder van het spoorvoertuig zijn.

  • 4 De houder beschikt over een geldig onderhoudscertificaat indien hij de met onderhoud belaste entiteit is van een of meer goederenwagens en geen spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 91/440/EG.

  • 5 Onze Minister verleent op aanvraag een onderhoudscertificaat indien de houder voldoet aan de daartoe bij regeling van Onze Minister met inachtneming van artikel 14bis van richtlijn 2004/49/EG vastgestelde eisen.

  • 6 Een door een daartoe bevoegde instantie met inachtneming van artikel 14bis van richtlijn 2004/49/EG verleende certificering wordt met een onderhoudscertificaat als bedoeld in het vierde lid gelijkgesteld.

  • 7 De met het onderhoud belaste entiteit draagt er zorg voor dat het spoorvoertuig in veilige staat is en overeenkomstig de bepalingen in de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit wordt onderhouden.

  • 8 Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ter zake van het spoorvoertuig niet voldaan wordt aan het zevende lid.

  • 9 De met het onderhoud belaste entiteit is degene die als zodanig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven.

Artikel 47

  • 1 De spoorwegonderneming of de houder dragen er zorg voor dat een door hen gebruikt spoorvoertuig dat volledig in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, is ingeschreven, overeenkomstig de geldende specificaties inzake interoperabiliteit wordt geëxploiteerd.

  • 2 Onze Minister kan het gebruik met een spoorvoertuig van hoofdspoorweginfrastructuur verbieden indien ter zake van het spoorvoertuig niet voldaan is aan het eerste lid.

  • 3 Het is verboden om met een spoorvoertuig dat niet overeenkomstig de essentiële eisen van richtlijn 2008/57/EG is geëxploiteerd en onderhouden, van hoofdspoorweginfrastructuur gebruik te maken.

Artikel 48

  • 1 Het is verboden onderhoud en herstel van spoorvoertuigen die beschikken over een volledige inschrijving in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid te laten uitvoeren door anderen dan daartoe door Onze Minister erkende natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 2 Een erkenning wordt verleend indien wordt voldaan aan de daarvoor bij regeling van Onze Minister gestelde eisen.

  • 3 Met een erkenning als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een erkenning, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, welke erkenning is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

  • 4 De eisen of nadere eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. de voor het onderhoud of herstel beschikbare ruimte en de gebruikte apparatuur;

    • b. de deskundigheid van de met het onderhoud of herstel belaste personen en

    • c. het proces dat bij het onderhoud of herstel wordt toegepast.

  • 5 Onze Minister kan de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onder beperkingen verlenen en daaraan voorschriften verbinden met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden.

  • 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het onderhoud alsmede over de aanvraag en het verlenen van een erkenning.

  • 7 Onze Minister trekt een erkenning in:

    • a. op verzoek van degene aan wie deze is verleend;

    • b. indien degene, aan wie deze is verleend, niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.

§ 5. Personeel

Artikel 49

  • 1 Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    • a. minimumleeftijd;

    • b. medische en psychologische geschiktheid;

    • c. algemene kennis, bekwaamheid en ervaring, en

    • d. taalbeheersing.

  • 2 Personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefenen, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitoefening van die functie gestelde eisen inzake:

    • a. minimumleeftijd;

    • b. medische en psychologische geschiktheid;

    • c. algemene kennis en vaardigheden;

    • d. specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop een bevoegdheidsbewijs betrekking kan hebben, en

    • e. taalbeheersing.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde eisen wordt voldaan.

Artikel 50

  • 1 Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie anders dan die van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, over:

    • a. één of meer beoordelingen door Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, eerste lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis, bekwaamheid en ervaring en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    • b. een geldige erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

  • 2 Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent, beschikt over:

    • a. één of meer beoordelingen van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, voor de desbetreffende veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven door een door Onze Minister erkend keuringsinstituut, of

    • b. een geldige machinistenvergunning die in een andere lidstaat van de Europese Unie is afgegeven.

  • 3 Een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent beschikt over een geldige machinistenvergunning en een geldig bevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de spoorvoertuigen waarmee en op de hoofdspoorweginfrastructuur waarvan gebruik wordt gemaakt.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afgifte, de inhoud en de geldigheid van de in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, onderdeel a bedoelde beoordelingen en verklaringen alsmede over de erkenning van keuringsinstituten.

Artikel 51

  • 1 Degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend verschaft, behoudens bij algemene maatregel van bestuur omschreven uitzonderingen, aan degene die de betrokken functie uitoefent, die beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde documenten en die naar zijn oordeel beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid, een bedrijfspas.

  • 2 De bedrijfspas voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.

  • 3 Het eerste lid geldt niet voor een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid uitoefent en aan wie degene onder wiens gezag die veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend een bevoegdheidsbewijs heeft verstrekt.

  • 4 De houder van een bedrijfspas en de houder van een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in het derde lid zijn verplicht die pas onderscheidenlijk dat bewijs op eerste vordering te tonen aan de krachtens de artikelen 69 en 86 met het toezicht op de naleving onderscheidenlijk de opsporing van strafbare feiten belaste personen.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    • a. de voor de uitoefening van veiligheidsfuncties vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid;

    • b. de geldigheidsduur van bedrijfspassen.

Artikel 51a

  • 1 Onze Minister verleent op aanvraag een machinistenvergunning indien de machinist:

    • a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake minimumleeftijd;

    • b. beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige verklaring van psychologische geschiktheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, en

    • c. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid respectievelijk van machinist met beperkte bevoegdheid.

  • 2 Onze Minister schorst of trekt de machinistenvergunning in, indien de machinist niet langer beschikt over een geldige verklaring van medische geschiktheid of een geldige verklaring van psychologische geschiktheid.

  • 3 Onze Minister houdt een register van machinistenvergunningen.

  • 4 Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend, verstrekt aan een machinist een bevoegdheidsbewijs indien deze:

    • a. voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    • b. beschikt over een geldige beoordeling van Onze Minister waaruit blijkt dat hij voldoet aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake specifieke vakkennis van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking moet hebben, en

    • c. beschikt over de voor de uitoefening van die functie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  • 5 Degene die een of meer bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt houdt een register van bevoegdheidsbewijzen.

  • 6 Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid of van machinist met beperkte bevoegdheid wordt uitgeoefend onderzoekt periodiek of de machinist voldoet aan:

    • a. de voor die veiligheidsfunctie krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake taalbeheersing;

    • b. de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake de specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking heeft, en

    • c. aan de voor die veiligheidsfunctie vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

  • 7 Degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie van machinist wordt uitgeoefend verstrekt bij de beëindiging van het dienstverband van de machinist een gewaarmerkte kopie van het op dat moment geldige bevoegdheidsbewijs.

  • 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor:

    • a. de aanvraag, verlening, geldigheidsduur en verlenging van een machinistenvergunning;

    • b. de verstrekking van een duplicaat van een machinistenvergunning;

    • c. het register van machinistenvergunningen, bedoeld in het derde lid;

    • d. de vorm, inhoud en geldigheidsduur van een bevoegdheidsbewijs en de verstrekking van een gewaarmerkte kopie daarvan;

    • e. het register van bevoegdheidsbewijzen, bedoeld in vijfde lid;

    • f. de frequentie van het onderzoek, bedoeld in het zesde lid;

    • g. de verplichtingen van degene die de bevoegdheidsbewijzen heeft verstrekt, en

    • h. de voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid en van machinist met beperkte bevoegdheid vereiste bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid.

Artikel 51b

  • 1 Opleidingactiviteiten met het oog op het verkrijgen van een of meer beoordelingen waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de krachtens artikel 49, tweede lid, vastgestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden en specifieke vakkennis inzake de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur worden slechts verricht door daartoe door Onze Minister erkende opleidingsinstituten.

  • 2 Een krachtens het eerste lid, erkend opleidingsinstituut geeft op billijke en non-discriminatoire wijze toegang tot de opleidingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van artikel 20 van richtlijn 2007/59/EG regels gegeven voor de erkenning van de opleidingsinstituten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 52

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de veiligheid, regels worden gesteld over de bedrijfsvoering en de organisatiestructuur van degene onder wiens gezag binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend.

Artikel 53

Het is verboden een veiligheidsfunctie binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem te doen uitoefenen door een persoon:

  • a. die niet beschikt over de in artikel 50, eerste lid, bedoelde documenten;

  • b. waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat hij niet voldoet aan de voor de uitoefening van de functie gestelde eisen als bedoeld in artikel 49.

Artikel 54

Degene onder wiens gezag een persoon die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een functie, niet zijnde een veiligheidsfunctie, uitoefent die van invloed kan zijn op de veiligheid van het verkeer over hoofdspoorwegen, draagt er zorg voor dat die persoon daartoe geschikt is en de nodige kennis en bekwaamheid bezit.

§ 6. De verzekeringsplicht

Artikel 55

  • 1 De spoorwegonderneming die van de hoofdspoorweg gebruik maakt, is verplicht ter zake van dat gebruik een verzekering te sluiten en in stand te houden, waarmee haar uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico's voldoende zijn gedekt.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt. Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade, de grond van de aansprakelijkheid en de aard van de onderneming.

Hoofdstuk 4. Het gebruik van hoofdspoorwegen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 57

  • 1 Gerechtigd tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn de partijen, bedoeld in het tweede lid.

  • 2 Als aanvrager als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 2001/14/EG worden aangemerkt:

    • a. spoorwegondernemingen die in het bezit zijn van een bedrijfsvergunning of deze hebben aangevraagd, voorzover zij daarmee gerechtigd zijn van de hoofdspoorwegen gebruik te maken op de wijze waarvoor zij de overeenkomst willen sluiten;

    • b. concessieverleners als bedoeld in artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000 ten behoeve van openbaar vervoer per trein;

    • c. andere natuurlijke personen of rechtspersonen die om commerciële redenen aantoonbaar belang hebben bij de verwerving van capaciteit voor het doen vervoeren van personen of lading door middel van spoorvervoerdiensten.

  • 3 Overdracht van capaciteit als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2001/14/EG is verboden.

  • 4 De spoorwegonderneming doet uiterlijk tien maanden voor aanvang van de geldigheidsperiode van de dienstregeling, bedoeld in artikel 2, onderdeel m, van richtlijn 2001/14/EG waarin hij met het grensoverschrijdend personenvervoer wil aanvangen aan de raad van bestuur NMa en de beheerder melding van het voornemen om voor dat vervoer capaciteit aan te vragen.

  • 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor wijzigingen van het grensoverschrijdend personenvervoer.

§ 2. Netverklaring

Artikel 58

  • 1 De beheerder stelt jaarlijks, na overleg met betrokken gerechtigden, een netverklaring op.

  • 2 De netverklaring bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3 en bijlage I van richtlijn 2001/14/EG, en voorts ten minste:

    • a. informatie over voor bepaalde soorten van gebruik voorbehouden capaciteit;

    • b. een zakelijke weergave van de inhoud van de geldende kaderovereenkomsten;

    • c. een prognose omtrent de ontwikkeling van de capaciteit;

    • d. alle overige relevante informatie voor het gebruik van de capaciteit.

  • 3 Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2001/14/EG stelt de beheerder de netverklaring tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs algemeen verkrijgbaar en zendt haar aan de betrokken spoorwegondernemingen en de raad van bestuur NMa.

  • 4 De beheerder brengt in de netverklaring zo nodig wijzigingen aan. Met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van richtlijn 2001/14/EG en tegen vergoeding van ten hoogste de kostprijs stelt hij de gewijzigde netverklaring algemeen verkrijgbaar en doet hij van de wijzigingen mededeling aan de betrokken spoorwegondernemingen en aan de raad van bestuur NMa.

§ 3. Toegangsovereenkomst

Artikel 59

  • 1 Een tussen de beheerder en een gerechtigde gesloten overeenkomst over het gebruik van capaciteit bevat in elk geval bedingen over:

    • a. de door de beheerder te bieden kwaliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur;

    • b. de gebruiksvergoeding.

  • 2 In de toegangsovereenkomst wordt voor het gebruik van capaciteit voor in opdracht van de beheerder uit te voeren werkzaamheden op of aan hoofdspoorweginfrastructuur ten behoeve van de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 16, eerste lid, een gebruiksvergoeding van nihil overeengekomen.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de overeenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in de overeenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.

§ 4. Kaderovereenkomst

Artikel 60

  • 2 Een kaderovereenkomst met een geldigheidsduur van meer dan vijf jaar behoeft de voorafgaande instemming van de raad van bestuur NMa.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van de kaderovereenkomst algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 231 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden vastgesteld. In dat geval wordt in de kaderovereenkomst naar die algemene voorwaarden verwezen.

§ 5. Algemene regels over de verdeling van capaciteit

Artikel 61

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verdeling van capaciteit. Die regels kunnen strekken ter bescherming van het milieu.

  • 2 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden minimale niveaus van capaciteit vastgesteld voor daarbij aangegeven deelmarkten van het goederenvervoer en het personenvervoer en worden regels gesteld over de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 22, derde tot en met vijfde lid, van richtlijn 2001/14/EG.

  • 3 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen capaciteit tot een bepaald tijdstip is voorbehouden voor bepaalde soorten gebruik van de hoofdspoorwegen en vanaf welk tijdstip deze capaciteit beschikbaar is voor ander gebruik.

  • 4 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 6. Gebruiksvergoeding

Artikel 62

  • 1 Behoudens het tweede, derde en vijfde lid bedragen de begrote opbrengsten van de gebruiksvergoeding niet meer dan de begrote kosten ter zake van de desbetreffende hoofdspoorweginfrastructuur in dat jaar voor de beheerder.

  • 2 Met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoofdspoorweginfrastructuur kan een gebruiksvergoeding worden overeengekomen die mede strekt ter dekking van door een ander dan de beheerder gedane uitgaven voor de aanleg van die infrastructuur.

  • 3 Er kan een verhoging worden overeengekomen voor het gebruik van overbelaste hoofdspoorweginfrastructuur gedurende periodes van overbelasting en voor de kosten van milieueffecten van het gebruik van hoofdspoorweginfrastructuur die niet in de begrote kosten van de beheerder zijn opgenomen.

  • 5 Er kan een aftrek dan wel bijtelling worden overeengekomen in verband met optredende verstoringen en met het oog op verbetering van de prestaties van het spoorwegnet.

  • 6 Er kan worden overeengekomen dat de gebruiksvergoeding ook verschuldigd is voor overeengekomen capaciteit die niet wordt gebruikt.

  • 7 De overeengekomen gebruiksvergoeding voldoet aan de artikelen 4, vierde en vijfde lid, 7 tot en met 12 en 26, derde lid, van richtlijn 2001/14/EG.

  • 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maatstaven en nadere regels over de hoogte van de gebruiksvergoeding.

  • 9 De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 63

  • 1 Onderhandelingen tussen een gerechtigde en de beheerder betreffende de hoogte van de gebruiksvergoeding zijn niet toegestaan dan na een melding aan en onder toezicht van de raad van bestuur NMa.

  • 2 De raad van bestuur NMa legt, indien de onderhandelingen naar zijn oordeel in strijd zijn met richtlijn 2001/14/EG, aan de overtreder zo nodig een last onder dwangsom op. Aan de last kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De artikelen 54a, 62 en 65 van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 7. Nadere bepalingen inzake het gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 64

  • 1 De beheerder draagt er zorg voor dat werkzaamheden aan en nabij de hoofdspoorweg ten behoeve van de hoofdspoorweginfrastructuur veilig plaatsvinden. De beheerder treft hiertoe maatregelen waardoor het spoorverkeer en de uitvoering van werkzaamheden geen gevaar voor elkaar opleveren.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de veilige uitvoering van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg.

Artikel 65

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen regels gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen;

    • b. bewegingen met spoorvoertuigen;

    • c. het rijden met spoorvoertuigen op de openbare weg;

    • d. het gebruik van overwegen en overpaden;

    • e. verplichtingen – in verband met storingen, ongevallen, incidenten en andere onregelmatigheden – van spoorwegondernemingen, bestuurders van een spoorvoertuig en andere personen die deelnemen aan het verkeer over de hoofdspoorweg.

  • 2 Een ieder die zich op de hoofdspoorweg bevindt, neemt de voor hem bestemde seinen in acht.

§ 8. Onderzoek van ongevallen, incidenten en onregelmatigheden op hoofdspoorwegen

Artikel 66

  • 1 Onze Minister kan onderzoek verrichten naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen en naar andere onregelmatigheden in de afwikkeling van het spoorverkeer waardoor de veiligheid van het spoorverkeer of van daarbij betrokken personen in gevaar is gebracht of in gevaar gebracht had kunnen worden, indien hij dit onderzoek nodig acht ter evaluatie van de wettelijke voorschriften en het beleid op het terrein van de veiligheid van het spoorverkeer.

  • 3 Onze Minister onthoudt zich van het onderzoek naar de oorzaken van ongevallen en incidenten op hoofdspoorwegen voorzover de Onderzoeksraad voor veiligheid naar het betreffende voorval een onderzoek instelt.

Hoofdstuk 5. Toegang tot bijkomende diensten en voorzieningen

Artikel 67

  • 1 Een rechthebbende ten aanzien van een dienst als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van richtlijn 91/440/EEG ten behoeve van spoorwegactiviteiten als bedoeld in dat lid, ten aanzien van een voorziening of dienst als bedoeld in onderdeel 2 van bijlage II bij richtlijn 2001/14/EG of ten aanzien van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, voor het verrichten van vervoer via spoorwegen noodzakelijke voorziening of dienst doet een spoorwegonderneming die daarom verzoekt een redelijk aanbod voor het ter beschikking stellen van die dienst of voorziening tegen kostengeoriënteerde tarieven en onder voorwaarden die de mededinging niet beperken.

  • 2 De rechthebbende onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen degenen jegens wie de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt.

  • 3 Op de grondslag van hetgeen ingevolge het eerste lid is overeengekomen, stelt de rechthebbende de dienst of voorziening ter beschikking. De rechthebbende mag slechts weigeren om de voorziening ter beschikking te stellen, indien de spoorwegonderneming onder marktvoorwaarden op een voor haar haalbare andere wijze kan voorzien in de behoefte die ten grondslag ligt aan haar verzoek.

  • 4 Indien de beheerder rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 van bijlage II bij richtlijn 2001/14/EG, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.

  • 5 Indien er in Nederland slechts één rechthebbende is ten aanzien van een dienst als bedoeld in onderdeel 3 of 4 van bijlage II bij richtlijn 2001/14/EG, zijn, onverminderd het vierde lid, het eerste en tweede lid en het derde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing op een zodanige dienst.

Artikel 68

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kostenoriëntatie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, en nadere regels ter waarborging van de toegang, op een niet-discriminerende grondslag, tot diensten en voorzieningen als bedoeld in dat artikel. Die nadere regels kunnen in elk geval inhouden dat de rechthebbende:

  • a. jaarlijks bekendmaakt:

    • 1°. een indicatie van de tarieven en voorwaarden die hij voornemens is te hanteren voor het ter beschikking stellen van de dienst of voorziening aan spoorwegondernemingen;

    • 2°. een overzicht van de verwachte beschikbaarheid in het volgende kalenderjaar van de dienst of voorziening;

  • b. voor de dienst of voorziening een afzonderlijke boekhouding voert en deze ter inzage legt.

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige bepalingen

§ 1. Toezicht

Artikel 69

  • 2 Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

§ 2. De Nederlandse Mededingingsautoriteit

Artikel 70

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 71

  • 1 Een gerechtigde als bedoeld in artikel 57 of een andere belanghebbende kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om te onderzoeken of de beheerder, een spoorwegonderneming of een rechthebbende als bedoeld in artikel 67 of 95 de verzoeker oneerlijk heeft behandeld, heeft gediscrimineerd of anderszins heeft benadeeld als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van richtlijn 91/440/EEG of artikel 30, tweede lid, van richtlijn 2001/14/EG.

  • 2 Een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 4 kan de raad van bestuur NMa schriftelijk verzoeken om een oordeel over het gedrag van de wederpartij.

  • 3 De raad van bestuur NMa geeft zijn oordeel over de klacht uiterlijk twee maanden na ontvangst van de gegevens en bescheiden die voor zijn oordeel nodig zijn.

  • 4 Indien de raad van bestuur NMa van oordeel is dat de klacht gegrond is, legt hij zo nodig een last onder dwangsom op.

  • 5 Aan een last als bedoeld in het vierde lid kunnen voorschriften worden verbonden inzake het verstrekken van gegevens aan de raad van bestuur NMa. De artikelen 54a en 65 van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot ten behoeve van het onderzoek te verstrekken gegevens en bescheiden, alsmede met betrekking tot de termijnen voor het verstrekken van de gegevens en bescheiden.

Artikel 72

  • 1 De raad van bestuur NMa en de krachtens artikel 70, tweede lid, aangewezen ambtenaren gebruiken de gegevens of inlichtingen die zij hebben verkregen bij de uitoefening van hun in dat artikel bedoelde taken, uitsluitend voor de uitoefening van die taken of van de bij of krachtens de Mededingingswet aan hen opgedragen taken of toegekende bevoegdheden.

  • 2 Onze Minister kan desgevraagd aan de raad van bestuur NMa de voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen verstrekken.

Artikel 74

Indien door Onze Minister vast te stellen beleidsregels betrekking hebben op de interpretatie van mededingingsbegrippen stelt Onze Minister die beleidsregels vast in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 75

De raad van bestuur NMa kan aan degene die jegens een krachtens artikel 70, tweede lid, aangewezen ambtenaar in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien het een onderneming of ondernemingsvereniging als bedoeld in artikel 1 van de Mededingingswet betreft en indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. De artikelen 69, tweede lid, 70, 75a, 77, 80 en 82 van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 76

  • 1 Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 77

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een overtreding die krachtens het eerste lid als beboetbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als strafbaar feit krachtens artikel 87, eerste lid, aangemerkt.

Artikel 80

  • 1 De bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding als bedoeld in artikel 77, eerste lid, kan worden opgelegd, is indien begaan door:

    • a. een natuurlijke persoon, niet zijnde een onderneming, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 5.700,–;

    • b. een onderneming, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 225.000,–.

  • 2 De hoogte van de bestuurlijke boete wordt in ieder geval afgestemd op de omzet van een onderneming indien de overtreder een onderneming is.

  • 3 Onverminderd het eerste lid en tweede lid kan de op te leggen bestuurlijke boete met 50% worden verhoogd, indien op de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  • 4 Indien de gegevens omtrent de omzet van een onderneming, bedoeld in het tweede lid, niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de bestuurlijke boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is de hoogte van de boete gelijk aan het maximale boetebedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 5 De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd ten gevolge van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige wijziging van deze bedragen. Bij deze wijziging wordt het geldbedrag op een veelvoud van € 5,– naar beneden afgerond.

  • 6 Onze Minister stelt een beleidsregel vast voor de toepassing van dit artikel.

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

Artikel 86

  • 2 Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie tezamen aangewezen personen.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 87

  • 4 Bij veroordeling van een persoon die een veiligheidsfunctie uitoefent, wegens overtreding van artikel 4, eerste of tweede lid, kan hem de bevoegdheid tot het uitoefenen van die functie voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.

  • 5 Een overtreding die krachtens het eerste lid als strafbaar feit is aangemerkt, wordt niet tevens als beboetbaar feit krachtens artikel 77, eerste lid, aangemerkt.

  • 6 De feiten strafbaar gesteld bij dan wel krachtens de in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingen zijn overtredingen. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel 88

  • 1 Een van de bij of krachtens artikel 86 van deze wet of artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren, kan een in artikel 4, eerste lid, bedoelde persoon van wie, uit het in artikel 4, vierde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die ambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 4, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, een verbod opleggen tot het uitoefenen van die functie of tot het houden van toezicht daarop, voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uur. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een veiligheidsfunctie te gaan uitoefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden.

  • 2 De ambtenaar die een verbod als bedoeld in het eerste lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.

  • 3 Het is degene aan wie een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een veiligheidsfunctie uit te oefenen dan wel op de uitoefening van zodanige functie toezicht te houden, gedurende de tijd waarvoor dat verbod geldt.

Artikel 89

  • 2 Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

  • 3 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  • 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 4, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

  • 5 Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.

  • 6 Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.

  • 7 De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  • 8 De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.

  • 9 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.

  • 10 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van artikel 4, vierde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.

§ 6. Heffingen

Artikel 91

  • 1 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan het betrokken bestuursorgaan een vergoeding verschuldigd is volgens de daarbij vast te stellen tarieven ter zake van het overeenkomstig deze wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens deze wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat, ander document, beoordeling of verklaring of te verrichten inschrijving of wijziging van die inschrijving in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid.

  • 2 De hoogte van de krachtens het eerste lid vastgestelde tarieven wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de vergoedingen voor het betrokken bestuursorgaan niet uitgaan boven de geraamde lasten van het betrokken bestuursorgaan ter zake van de behandelingen van de aanvragen en het verstrekken van de besluiten en documenten, bedoeld in het eerste lid.

§ 7. Toepasselijkheid nieuwe Europese regelgeving

Artikel 92

Een wijziging van richtlijn 91/440/EEG, richtlijn 95/18/EG, richtlijn 2001/14/EG, richtlijn 2004/49/EG, richtlijn 2007/59/EG en van richtlijn 2008/57/EG gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 8. Aanwijzing van keuringsinstanties

Artikel 93

  • 2 De instanties, de directeur en het personeel daarvan voldoen ten minste aan de toepasselijke eisen, neergelegd in bijlage VIII van richtlijn 2008/57/EG, en aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 3 Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  • 4 De instanties verrichten hun werkzaamheden met inachtneming van de toepasselijke bepalingen in bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG en het Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220).

  • 5 De instanties stellen na elk onderzoek een onderzoekscertificaat op, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het geldig is.

  • 6 Onze Minister trekt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, in indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan de toepasselijke eisen van bijlage VIII van richtlijn 2008/57/EG onderscheidenlijk bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG. Onze Minister kan de aanwijzing intrekken, indien de betrokken instantie niet langer voldoet aan bijlage VIII van richtlijn 2008/57/EG onderscheidenlijk bijlage VI van richtlijn 2008/57/EG of de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen, bedoeld in het tweede lid.

  • 7 Onze Minister doet mededeling van een aanwijzing of van een intrekking van een aanwijzing door kennisgeving in de Staatscourant.

§ 9. Bepalingen inzake bijzondere spoorwegen

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

§ 10. Informatieplicht van spoorwegondernemingen en de beheerder

Artikel 96

  • 1 Spoorwegondernemingen en de beheerder zijn verplicht Onze Minister mondeling, schriftelijk of op andere wijze – dit ter keuze van Onze Minister na overleg met de betrokken spoorwegonderneming of betrokken beheerder – alle bij hen berustende gegevens te verstrekken en inzage te geven van boeken en bescheiden die betrekking hebben op het gebruik of beheer van spoorwegen en het vervoer daarover, voorzover Onze Minister dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.

  • 2 Degene van wie krachtens het eerste lid gegevens worden verlangd, is op de door Onze Minister aan te geven wijze en binnen de door hem te bepalen termijn verplicht deze volledig en naar waarheid te verstrekken en degene van wie inzage wordt verlangd is verplicht deze ongestoord te verlenen.

  • 3 Onze Minister gebruikt gegevens of inlichtingen omtrent een spoorwegonderneming die hij heeft verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een van zijn taken, uitsluitend voor de uitvoering van die taak.

§ 11. De verwerking van persoonsgegevens

Artikel 97

Voorzover dit noodzakelijk is ter beoordeling van het voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften kunnen gegevens betreffende het gedrag van bestuurders, het gedrag van een vergunninghouder en de gezondheid van personeel worden verwerkt. Onze Minister is verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.

Hoofdstuk 8. Aanpassing en intrekking van andere wetten

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen gedelegeerde regelgeving

Artikel 116

Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de hierna genoemde algemene maatregelen van bestuur, voorzover zij niet voordien zijn ingetrokken, op de daarbij vermelde artikelen van deze wet:

  • a. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • b. het Algemeen Reglement Vervoer berust op dit artikel;

  • c. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

  • d. [Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]

§ 2. Overige overgangsbepalingen

Artikel 117

De schadevergoedingsplicht, bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, rust niet op de eigenaar van een erf met een recht van uitweg over de hoofdspoorweg, indien dat recht van kracht was op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 103, onderdeel a, in werking treedt.

Artikel 118

  • 1 Tot en met de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag waarop artikel 28 in werking treedt, worden houders van een vergunning voor openbaar vervoer per trein, verleend ingevolge de Wet personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000, en houders van een erkenning als spoorwegonderneming, afgegeven door Onze Minister, voor de toepassing van deze wet aangemerkt als houders van een bedrijfsvergunning.

  • 2 Het eerste lid geldt ook na de daarin bedoelde periode ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde houders, indien zij voor de afloop van die periode een aanvraag hebben ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 28 en zolang als daarop niet onherroepelijk is beslist.

Artikel 119

  • 1 Vergunningen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 28.

  • 2 Vergunningaanvragen die ingevolge artikel 29a van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) door Onze Minister in behandeling zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden vanaf de dag waarop artikel 28 in werking treedt, aangemerkt als vergunningaanvragen op grond van artikel 28.

Artikel 120

  • 2 De in het eerste lid bedoelde concessie wordt ook na de daarin bedoelde periode aangemerkt als een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32, indien de houder voor die dag een aanvraag heeft ingediend voor een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 32 en zolang daarop niet onherroepelijk is beslist.

Artikel 121

Hoofdspoorweginfrastructuur die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 6 in werking treedt, wordt gebruikt, wordt met ingang van de dag waarop dat artikel in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met dat artikel.

Artikel 122

Een spoorvoertuig dat in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 36 in werking treedt, kan worden gebruikt op de hoofdspoorweg, wordt met ingang van de dag waarop dat artikel in werking treedt, aangemerkt als in overeenstemming met de onderdelen a en b van dat artikel.

Artikel 124

  • 1 In afwijking van artikel 2, tweede en vijfde lid, kunnen spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien deze spoorwegen rechtstreeks of middellijk in overwegende mate zijn aangelegd op kosten van het Rijk en naar het oordeel van Onze Minister voldoende is komen vast te staan dat gedurende de periode van twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van artikel 2, tweede lid deze spoorwegen door Railinfrabeheer b.v., gevestigd te Utrecht, werden onderhouden.

  • 2 Tot 1 januari 2013 kunnen in afwijking van artikel 2, tweede en vijfde lid, spoorwegen als hoofdspoorwegen worden aangewezen, indien Railinfrabeheer b.v., of Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, of hun rechtsopvolger rechthebbende is ten aanzien van deze spoorwegen.

Artikel 125

  • 1 Indien de Staat houder is van alle aandelen in het kapitaal van Railinfratrust b.v., gevestigd te Utrecht, gaan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip alle vermogensbestanddelen van deze vennootschap om niet onder algemene titel over op de Staat.

  • 3 Ter zake van de overgang, bedoeld in het eerste lid, is geen dividendbelasting, omzetbelasting of overdrachtsbelasting verschuldigd. Ter zake van het in ontvangst nemen en het in de openbare registers verwerken is geen tarief verschuldigd.

  • 4 In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de in het eerste lid genoemde vennootschap is betrokken, treedt met ingang van de het in het eerste lid bedoelde tijdstip de Staat in de plaats van die vennootschap.

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 126

Onze Minister zendt in het jaar 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 127

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 23 april 2003

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

R. H. de Boer

Uitgegeven de dertigste juni 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Terug naar begin van de pagina