Uitvoeringsregeling WEB

[Regeling vervallen per 01-01-2010.]
Geldend van 07-12-2002 t/m 10-10-2003

Uitvoeringsregeling WEB

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Handelende mede namens de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij,

Gelet op:

Besluiten:

Hoofdstuk 2. Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven en Hogescholen Haarlem en Tilburg

[Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 1. Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 2.1.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de huisvestingskosten voor Het Christelijk Instituut voor Doven "Effatha" en Het Instituut voor Doven "Sint-Michielsgestel" vast, ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet. Deze budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.3 van het besluit.

  • 3 De minister verhoogt de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, tot de hoogte van het totaal van de rijksbijdragen voor 1999, berekend op grond van de artikelen 9, 14b en 14i van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 en de Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector.

Artikel 2.1.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 2.1.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op de Instituten voor doven

[Vervallen per 01-01-2010]

De instituten, bedoeld in artikel 2.1.1, nemen voor de beroepsopleidingen verzorgd aan die instituten in acht hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:

Artikel 2.1.4. Overgangsvoorschriften bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven

[Vervallen per 01-01-2010]

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.1.3 van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld in artikel 2.1.1.

Paragraaf 2. Voorschriften beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 2.2.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de huisvestingskosten ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, verbonden aan de Hogeschool Haarlem en de Hogeschool Tilburg. Deze budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.3 van het besluit.

Artikel 2.2.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 2.2.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op de Hogescholen

[Vervallen per 01-01-2010]

De hogescholen, bedoeld in artikel 2.2.1, nemen voor de beroepsopleidingen verzorgd door die hogescholen, in acht hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:

Artikel 2.2.4. Overgangsvoorschriften bekostiging beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg

[Vervallen per 01-01-2010]

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6.1.1, derde lid, en 6.1.3 tot en met 6.1.5 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen, bedoeld in artikel 2.2.1.

Hoofdstuk 3. Voorschriften bekostiging beroepsonderwijs

[Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 1. Voorschriften bekostiging

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.1.1. Bedrag huisvestingskosten school voor voortgezet onderwijs in scholengemeenschap met een instelling

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 3 De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 3.1.2. Vaststelling vaste voet en prijs per leerling voorbereidend beroepsonderwijs

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Het aantal formatieplaatsen wordt verhoogd met één formatieplaats per agrarisch opleidingscentrum.

  • 2 Indien twee of meer agrarische opleidingscentra een fusie met elkaar aangaan, behoudt het agrarisch opleidingscentrum dat tengevolge van de fusie tot stand komt het aantal formatieplaatsen, bedoeld in het eerste lid, dat ieder van de agrarische opleidingscentra afzonderlijk vóór de fusie had, voor een periode van drie jaren na het jaar waarin de fusie plaatsvond.

  • 3 In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal formatieplaatsen uitgebreid met:

    • a. een halve formatieplaats per school voor voorbereidend beroepsonderwijs met een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving die uiterlijk op 1 augustus 1991 deel uitmaakte van het agrarisch opleidingscentrum, en

    • b. twee formatieplaatsen per school met een afdeling paardenhouderij en paardensport die uiterlijk op 1 augustus 1991 deel uitmaakte van een agrarisch opleidingscentrum.

  • 4 De prijs per leerling beroepsonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 2.3.2 van het besluit, bedraagt

    • a. voor de leerling beroepsonderwijs ƒ 8.502,-, en

    • b. voor de leerling leerwegondersteunend onderwijs ƒ 12.988,-.

  • 5 De prijs per leerling kan worden aangepast in verband met salarismaatregelen en prijsbijstellingen die voortvloeien uit de rijksbegroting.

Artikel 3.1.3. Bekostiging gehandicapten

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 2.2.2, vierde lid, van de wet stelt de minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast ten behoeve van de kosten voor gehandicapte deelnemers voor het beroepsonderwijs voor:

    • a. de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1 van de wet, met uitzondering van een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet;

    • b. de instituten, bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet;

    • c. de hogescholen, bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, gezamenlijk.

  • 2 De minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van de gehandicapte deelnemers over de instellingen, bedoeld in het tweede lid, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van de artikelen 2.2.3 en 2.2.4 van het besluit, berekende rijksbijdrage voor die instelling.

Paragraaf 2. Overgangsvoorschriften bekostiging

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.2.1. Vervangende gegevens diploma's beroepsbegeleidend onderwijs

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De gegevens ten behoeve van de bekostiging van het jaar 2000, bedoeld in artikel 6.1.1, eerste en vierde lid, van het besluit worden, voor zover het diploma's van opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs betreft, niet zijnde opleidingen op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, vastgesteld in bijlage 1 bij deze regeling.

  • 2 De gegevens ten behoeve van de bekostiging voor het jaar 2001, bedoeld in artikel 6.1.1, eerste en vierde lid, van het besluit worden, voorzover het diploma's van opleidingen beroepsbegeleidend onderwijs betreft, niet zijnde opleidingen op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, vastgesteld in bijlage 8 bij deze regeling.

Artikel 3.2.2. Vervangende gegevens VOA

[Vervallen per 01-01-2010]

Het deel van de rijksbijdrage voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet, wordt op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, van het besluit, berekend door het landelijk beschikbare budget ten behoeve van de voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals dat voor dat kalenderjaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het besluit te verdelen naar rato van het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar per instelling aan de opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, deelneemt, waarbij:

  • a. het aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet, met de factor 1 wordt vermenigvuldigd,

  • b. het aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdeel b, van de wet, met de factor 0,4 wordt vermenigvuldigd, en

  • c. het aantal deelnemers dat voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6.1.2 van het besluit, met de factor 1 wordt vermenigvuldigd.

Artikel 3.2.3. Vaststelling prijsfactoren/ deeltijdfactoren gelijkstelling opleidingen

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.2.4. Voorwaarden herstructureringsplan

[Vervallen per 01-01-2010]

Het plan, bedoeld in artikel 6.1.4, tweede lid, van het besluit, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. het beleid van de instelling ten aanzien van de besteding van de overgangsgelden is uiteengezet,

  • b. de in het plan opgenomen maatregelen zijn toereikend om een structureel lagere bekostiging van de instelling te kunnen opvangen, en

  • c. het bevat de perioden waarbinnen elk van de maatregelen wordt uitgevoerd.

Artikel 3.2.5. Risicodeelnemers

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 2 De minister keurt het verzoek goed indien:

    • a. het een deelnemer betreft ten aanzien van wie op 1 augustus van het jaar waarin deze deelnemer voor de eerste maal wordt ingeschreven aan de instelling de volledige leerplicht is geëindigd, maar die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt;

    • b. uit de onderwijsovereenkomst met de deelnemer blijkt dat voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet worden toegevoegd aan de opleiding of het deel waarvoor de deelnemer is ingeschreven;

    • c. het een deelnemer betreft die bij de inschrijving voor de opleiding of het deel daarvan niet in het bezit is van:

      • 1. een diploma beroepsonderwijs van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de wet,

      • 2. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen.

      • 3. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,

      • 4. een diploma voorbereidend beroepsonderwijs of lager beroepsonderwijs, dan wel een diploma verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma en de overige vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd, of

      • 5. een ander diploma of bewijs dat overeenkomt met onder 1 tot en met 4 verkregen diploma of bewijs, en

    • d. het bevoegd gezag van de instelling verklaart dat:

      • 1. ten aanzien van de deelnemer uiterlijk op 31 december van het jaar waarin deze deelnemer voor de eerste maal wordt ingeschreven aan de instelling, door de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een traject zal worden vastgesteld dat is gericht op inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden, of

      • 2. ten behoeve van de deelnemer uiterlijk op 31 december van het jaar waarin deze deelnemer voor de eerste maal wordt ingeschreven aan de instelling, een leerplaats beschikbaar zal worden gesteld waar de praktijk van het beroep kan worden geoefend.

  • 3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag van de instelling voor 1 november van het jaar waarin deze deelnemer voor de eerste maal wordt ingeschreven aan de instelling, ingediend bij de inspecteur. Daartoe vult het bevoegd gezag het als bijlage 10 bij deze regeling gevoegde formulier in. De minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het verzoek.

Paragraaf 3. Voorschriften wachtgelden

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.3.1. Afwijking besluit

[Vervallen per 01-01-2010]

In afwijking van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 van het besluit worden de in deze paragraaf opgenomen voorschriften vastgesteld.

Artikel 3.3.2. Begripsbepalingen

[Vervallen per 01-01-2010]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.3.3. Toevoeging aan de rijksbijdrage

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 2 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor het jaar 2001 en verder, het bedrag berekend volgens de volgende formule:

    (PI + InbI + EduI)

    x W

    (PL + InbL + EduL)

    In deze formule en voor zover van toepassing de formule, bedoeld in artikel 3.3.4, wordt verstaan onder:

    • PI: de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten, zoals omschreven in het eerste lid, van de desbetreffende instelling voor het kalenderjaar voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar;

    • InbI: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of de overeenkomsten inburgering van de desbetreffende instelling in het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar is gemoeid, blijkend uit de jaarrekening van de instelling;

    • EduI: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of overeenkomsten educatie van de desbetreffende instelling in het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar is gemoeid, blijkend uit de jaarrekening van de instelling;

    • PL: de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten, zoals omschreven in het eerste lid, van de instellingen voor het kalenderjaar voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar;

    • InbL: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomsten inburgering van de instellingen in het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar is gemoeid, blijkend uit de jaarrekeningen van de instellingen;

    • EduL: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomsten educatie van de instellingen in het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar is gemoeid, blijkend uit de jaarrekeningen van de instellingen;

    • W: het in artikel 20.01 van de begroting van de uitgaven van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en in de artikelen 16.07 en 16.08 van de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van het desbetreffende kalenderjaar, opgenomen wachtgeldbudget voor de instellingen.

  • 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor het jaar 2000, het bedrag berekend volgens de formule, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid in die formule wordt verstaan onder:

    • PI: de rijksbijdrage, berekend met inachtneming van artikel 2, artikel 7, derde lid, en artikel 8, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, en de rijksbijdrage, berekend met inachtneming van de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, en 6 van de Overgangsregeling bekostiging opleidingen tot vepleegkundige en verzorgende beroepen WEB tot 2000, voor de desbetreffende instelling voor het jaar 1999,

    • PL: de rijksbijdrage, berekend met inachtneming van artikel 2, artikel 7, derde lid, en artikel 8, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, en de rijksbijdrage, berekend met inachtneming van de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, en 6 van de Overgangsregeling bekostiging opleidingen tot verpleegkundige en verzorgende beroepen WEB tot 2000, van de instellingen voor het jaar 1999,

    • Inbl: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of overeenkomsten inburgering van de desbetreffende instelling is gemoeid in het jaar 1999,

    • Edul: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of overeenkomsten educatie van de desbetreffende instelling is gemoeid in het jaar 1999,

    • InbL: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of overeenkomsten inburgering van de instellingen is gemoeid in het jaar 1999, en

    • EduL: de hoogte van het bedrag dat met de overeenkomst of overeenkomsten educatie van de instellingen is gemoeid in het jaar 1999.

  • 4 De uitkomsten van de in het tweede en derde lid bedoelde berekeningen wordt rekenkundig afgerond op twee cijfers achter de komma.

  • 5 De minister kan voor zover het betreft educatie en inburgering, in afwachting van de indiening van de jaarrekeningen door de instellingen, een voorlopig bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage.

Artikel 3.3.4. Vermindering van de rijksbijdrage

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister brengt op de rijksbijdrage van een instelling voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:

    (PI + InbI + EduI)

    x (A + B + C + D)

    (PL + InbL + EduL)

    In deze formule wordt verstaan onder:

    • A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de instellingen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;

    • B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de instellingen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet, zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet, zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;

    • C: 40% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de instellingen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998;

    • D: 100% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een instelling die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel b, van de wet of een bestuursoverdracht dan wel een splitsing als bedoeld in artikel 9.1.3 van de wet, indien het bevoegd gezag van deze instelling niet tevens een andere instelling onder zijn bestuur heeft.

  • 2 Vervolgens worden door de minister op de rijksbijdrage van een instelling voor een kalenderjaar in mindering gebracht:

    • a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de instelling voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 1 augustus 1995 en 31 juli 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet, zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet, zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en

    • b. 60% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar van gewezen personeel van de instelling voortvloeiend uit een ontslag dat op of na 1 augustus 1998 is geëffectueerd.

  • 3 De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 3.3.5. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen, bedoeld in artikel 3.3.4, eerste lid, betrekking hebben, over tot een voorlopige inhouding op de rijksbijdrage.

  • 2 De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar.

Paragraaf 4. Voorkoming sociale problematiek instellingen als gevolg van invoering educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.4.1. Aanvullende vergoeding instelling in verband met wijziging rijksbijdrage gemeente

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister verhoogt de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs van een instelling voor het kalenderjaar 2000, zoals berekend op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.4.1 van het besluit, indien E.2000 lager is dan E.1999, volgens de volgende formule: (E.1999 - E.2000) x 20% x 2,38376. In de eerste volzin wordt verstaan onder: E.1999: het totaal van de bedragen die door gemeenten op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet, aan de desbetreffende instelling zijn toegekend en beschikbaar gesteld voor het kalenderjaar 1999, gecorrigeerd naar het prijspeil dat ten grondslag ligt aan Bekendmaking rijksbijdrage educatie 2000 (Uitleg OCenW-Regelingen 1999, nr.23); E.2000: het totaal van de door de minister berekende bedragen die de bij E.1999 bedoelde gemeenten, op grond van het verschil tussen de nieuwe berekening en de oude berekening, zoals die voor de desbetreffende gemeenten zijn vastgesteld op grond van artikel 6.2.1 van het besluit, bij ongewijzigd beleid van de betreffende gemeente aan de desbetreffende instelling voor het kalenderjaar 2000 zouden toekennen.

  • 2 In geval voor 1 januari 2000 samenvoeging van instellingen als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel b, van de wet, plaatsvindt, worden de bedragen zoals omschreven in E.1999, bedoeld in het eerste lid, van instellingen die bij de samenvoeging betrokken zijn, opgeteld. De op deze wijze verkregen bedragen van E1999 worden gebruikt voor de berekening van E.2000 van de nieuwe instelling.

  • 3 In geval voor 1 januari 2000 afspraken tussen instellingen inzake een splitsing als bedoeld in artikel 9.1.3, derde lid, van de wet, worden gemaakt over opleidingen educatie, verstrekken de betrokken bevoegde gezagorganen tezamen een opgave van E.1999 van elk bij de splitsing betrokken instelling afzonderlijk.

Paragraaf 5. Ambtshalve vaststelling

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 3.5.1. Ambtshalve vaststelling

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Indien de minister van een instelling het formulier Bekostigingstelling beroepsonderwijs van bijlage 4 behorende bij het besluit niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring heeft ontvangen, stelt de minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar ambtshalve vast, op de wijze bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2 Bij de toepassing van artikel 2.2.2 van het besluit wordt voor een instelling, bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs:

    • a. in afwijking van artikel 2.2.3, eerste lid, van het besluit, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;

    • b. in afwijking van artikel 2.2.4 van het besluit, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep vastgesteld op 90% van de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar;

    • c. in afwijking van artikel 3.2.2 het aantal deelnemers bedoeld in de onderdelen a, b en c van deze bepaling vastgesteld op 90% van het aantal deelnemers dat is gehanteerd bij de berekening van de rijksbijdrage van het voorgaande kalenderjaar.

  • 4 De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar het in het eerste lid bedoelde formulier, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij de minister.

  • 5 Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3 respectievelijk artikel 2.2.4 van het besluit en artikel 3.2.2 van de regeling leidt tot een lagere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid onderdelen a, b respectievelijk c wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van die lagere waarde.

  • 6 Indien uit het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat toepassing van artikel 2.2.3 respectievelijk artikel 2.2.4 van het besluit en artikel 3.2.2 van de regeling leidt tot een gelijke of hogere waarde dan vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de instelling berekend op grond van het tweede lid.

Hoofdstuk 4. Voorschriften bekostiging educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 1. Voorschriften educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 4.1.1. Samenwerkende gemeenten

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De gemeente kan de rijksbijdrage tezamen met een of meer andere gemeenten besteden.

  • 2 In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid, wijzen de samenwerkende gemeenten een gemeente of een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan die namens die gemeenten de rijksbijdrage ontvangt, verantwoordt en waarbij met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de wet eventuele opschorting of terugvordering van de rijksbijdrage als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, plaatsvindt.

  • 3 In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid, ontvangt de minister voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden verstrekt daarvan een mededeling.

  • 4 Indien gemeenten de uitkering tezamen met een of meer andere gemeenten besteden, wordt de informatie, bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, namens die gemeenten gezamenlijk ingediend door de in het tweede lid aangewezen gemeente of publiekrechtelijke rechtspersoon.

Artikel 4.1.2. Voorwaarde toekennen rijksbijdrage aan gemeente

[Vervallen per 01-01-2010]

De rijksbijdrage per gemeente wordt aan de gemeente toegekend onder de voorwaarde dat gedurende de periode van 1 januari tot 31 december van het jaar waarvoor de middelen worden toegekend, één of meer overeenkomsten als bedoeld in artikel 2.3.4, eerste lid, van de wet van kracht zijn, op grond waarvan die gemeente zich verplicht tot toekenning en beschikbaarstelling van het totale bedrag van de rijksbijdrage voor deze periode ten behoeve van activiteiten gedurende de looptijd van de overeenkomst of overeenkomsten.

Artikel 4.1.3. Vermindering door de gemeente van de bedragen educatie aan instellingen

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Indien een gemeente besluit tot een vermindering van het bedrag van de verplichting ten opzichte van een bepaalde instelling, gedurende of na afloop van het kalenderjaar waarvoor de desbetreffende rijksbijdrage is toegekend, is die vermindering niet eerder van kracht dan nadat:

    • a. tussen het gemeentebestuur en het bevoegd gezag van de instelling een redelijke termijn voor de vermindering is overeengekomen, of,

    • b. de schade is vergoed die de instelling lijdt doordat zij in vertrouwen op het voortduren van de overeenkomst anders heeft gehandeld dan zij bij vermindering met toepassing van een redelijke termijn zou hebben gedaan.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing indien de vermindering het gevolg is van een vermindering van de rijksbijdrage voor de desbetreffende gemeente voor de desbetreffende periode.

Artikel 4.1.4. Verantwoording gemeenten over inzet educatiemiddelen

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Voor 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden verstrekt, dient de gemeente bij de minister een verantwoording in waaruit blijkt dat de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet, door de gemeente in het betreffende jaar rechtmatig is besteed dan wel verplicht. Indien de activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2, vierde lid, waarvoor de gemeente zich heeft verplicht, niet of niet volledig door de instellingen zijn geleverd en de gemeente uit dien hoofde in enig jaar aanspraken heeft jegens de instelling, besteedt de gemeente de middelen die voortvloeien uit deze aanspraken, uiterlijk in het jaar volgend op het jaar waarin die middelen zijn terugontvangen, en verantwoordt de gemeente die middelen in het jaar volgend op het jaar waarin de middelen zijn besteed.

  • 2 De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid afgegeven door een door de gemeente aangewezen accountant, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan de minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlerapporten van de accountant.

  • 3 Ten behoeve van de verklaring van de accountant wordt door de minister een controleprotocol opgesteld.

  • 4 De minister kan tot uiterlijk 1 juli van het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden verstrekt, nadere regels stellen ten aanzien van de rekening en verantwoording.

Paragraaf 2. Opschorting en terugvordering rijksbijdrage educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 4.2.1. Opschorting rijksbijdrage educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 4.2.2. Terugvordering rijksbijdrage educatie

[Vervallen per 01-01-2010]

De rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet, per gemeente kan binnen een periode van vijf jaren na de vaststelling door de minister worden ingetrokken of ten nadele van de gemeente worden gewijzigd op de volgende gronden:

  • a. handelen in strijd met de wettelijke voorschriften dan wel met de verplichtingen of voorwaarden die op grond van wettelijke regels zijn verbonden aan de rijksbijdrage bedoeld in de aanhef;

  • b. handelen in strijd met het controleprotocol, bedoeld in artikel 4.1.4, derde lid, of met de doelstelling van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van de wet;

  • c. indien de vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten.

Hoofdstuk 5. Voorschriften bekostiging landelijke organen

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 5.1 . Aanvullende middelen

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De minister kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.2 van de wet, ten behoeve van specifieke, door de minister aan te duiden activiteiten van beperkte duur en onder door hem te stellen voorwaarden aanvullende bedragen toevoegen. De minister maakt in voorkomend geval zijn voornemens hiertoe bij gelegenheid van de indiening van het voorstel van wet inzake de rijksbegroting voor het jaar waarop de aanvullende bedragen betrekking hebben, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend.

  • 2 De omvang van de aanvullende bedragen bedraagt ten hoogste 2% van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.2 van de wet. Indien de minister bij gelegenheid van de indiening van de in het eerste lid bedoelde begroting aantoont dat voor de in dat lid bedoelde activiteiten een groter bedrag noodzakelijk is, kan van het in de eerste volzin bedoelde percentage worden afgeweken.

  • 3 De minister beslist binnen negen maanden na ontvangst van een aanvraag voor een aanvullend bedrag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen negen maanden kan worden afgegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 5.3. Vervangende gegevens landelijke organen voor het jaar 2001

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 4.2.5, tweede lid, van het besluit wordt, onverminderd het achtste lid, het aantal normatieve bpv-plaatsen:

    • a. ten aanzien van de beroepsbegeleidende leerweg berekend door het aantal deelnemers dat op 1 oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven in de beroepsbegeleidende leerweg en waarvoor een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet is afgesloten, op te tellen bij het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de opleidingen bbo als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    • b. ten aanzien van de beroepsopleidende leerweg berekend door het aantal voltijds deelnemers in de beroepsopleidende leerweg en het aantal voltijds leerlingen van de opleidingen mbo, als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dat op 1 oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven, vermenigvuldigd met 35%, op te tellen bij het aantal deeltijds deelnemers en het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg respectievelijk de opleidingen deeltijds mbo, vermenigvuldigd met 10%.

  • 2 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt het aantal leerbedrijven voor elk landelijk orgaan in de beroepsbegeleidende leerweg vastgesteld door het op grond van artikel 5.4 opgegeven aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 te delen door het totaal aantal normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het eerste lid, van dat landelijk orgaan en de uitkomst te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat landelijk orgaan.

  • 3 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel d, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt het aantal leerbedrijven voor elk landelijk orgaan in de beroepsopleidende leerweg vastgesteld door het op grond van artikel 5.4 opgegeven aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 te delen door het totaal aantal normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het eerste lid, van dat landelijk orgaan, en de uitkomst te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in het eerste lid onderdeel b, van dat landelijk orgaan.

  • 4 Een landelijk orgaan kan schriftelijk verzoeken om berekening van het aantal normatieve bpv-plaatsen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan de hand van:

    • a. het aantal praktijkovereenkomsten zoals vermeld op het formulier bedoeld in het vijfde lid in plaats van het aantal deelnemers bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; of

    • b. het aantal door hem afgesloten leerovereenkomsten, zoals vermeld op het door de minister vastgestelde en door de accountant van het landelijk orgaan gecontroleerde formulier betreffende de telling leerovereenkomsten en leerbedrijven 1998/1999 in plaats van het aantal leerlingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 5 Een landelijk orgaan maakt voor het in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde verzoek gebruik van het door de minister bij brief kenmerk IGP/GGV-2000/195927 M van 12 oktober 2000 voor het desbetreffende landelijk orgaan vastgestelde formulier en voorziet dit van een verklaring omtrent de getrouwheid van de gegevens door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 6 Een landelijk orgaan maakt in het, in het vierde lid onder b, bedoelde verzoek aannemelijk dat de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde leerlinggegevens niet volledig overeenkomen met de door het landelijk orgaan verrichte werkzaamheden.

  • 7 De in het vierde lid bedoelde verzoeken dienen zo snel mogelijk doch uiterlijk op 10 november 2000 in het bezit van de minister te zijn.

  • 8

    • a. Indien het verzoek, bedoeld in het vierde lid onder a, voldoet aan de bij dit artikel gestelde voorwaarden, berekent de minister het aantal normatieve bpv-plaatsen aan de hand van het aantal deelnemers met een praktijkovereenkomst op 1 oktober 1998, zoals vermeld op het formulier genoemd in het vijfde lid, in plaats van het aantal deelnemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

    • b. Indien het verzoek, bedoeld in het vierde lid onder b, voldoet aan de bij dit artikel gestelde voorwaarden, berekent de minister het aantal normatieve bpv-plaatsen aan de hand van het aantal leerlingen met een leerovereenkomst op 31 oktober 1998, 31 december 1998 respectievelijk 1 april 1999, vermenigvuldigd met 25%, 50% respectievelijk 25% in plaats van het aantal leerlingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 5.3a. Vervangende gegevens landelijke organen voor het bekostigingsjaar 2002

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 4.2.5, tweede lid, van het besluit wordt per landelijk orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de beroepsbegeleidende leerweg berekend door het aantal normatieve bpv-plaatsen zoals voor dat landelijk orgaan berekend voor het bekostigingsjaar 2001 en het aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1 oktober 2000 te middelen. Bij deze berekening wordt onder deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg verstaan:

  • 2 In afwijking van artikel 4.2.5, tweede lid, van het besluit wordt per landelijk orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de beroepsopleidende leerweg berekend door bij elkaar op te tellen:

    • 35% van het gemiddelde van het aantal voltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 1998 en het aantal voltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 2000 en

    • 10% van het gemiddelde van het aantal deeltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 1998 en het aantal deeltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 2000.

    Bij deze berekening wordt verstaan onder:

    • a. voltijds deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: de voltijds deelnemer die op de bedoelde datum als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg dan wel aan een opleiding middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet en

    • b. deeltijds deelnemer: de deeltijds deelnemer die op de bedoelde datum als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg of aan een opleiding deeltijds middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

  • 3 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt voor elk landelijk orgaan het aantal leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg vastgesteld door achtereenvolgens:

    • het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 en het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000 te middelen;

    • de uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste en het tweede lid, en

    • de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste lid.

  • 4 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel d, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt voor elk landelijk orgaan het aantal leerbedrijven in de beroepsopleidende leerweg vastgesteld door achtereenvolgens:

    • het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 en het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000 te middelen;

    • de uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste en het tweede lid en

    • de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het tweede lid.

Artikel 5.3b. Vervangende gegevens landelijke organen voor het bekostigingsjaar 2003

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 4.2.5, tweede lid, van het besluit wordt voor het bekostigingsjaar 2003 per landelijk orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de beroepsbegeleidende leerweg berekend door het aantal normatieve bpv-plaatsen zoals voor dat landelijk orgaan berekend voor het bekostigingsjaar 2001 en het aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te middelen. Bij deze berekening wordt onder deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg verstaan:

    • a. de deelnemer die op één of meer van de bedoelde data als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsbegeleidende leerweg en voor wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet is afgesloten, en

    • b. de deelnemer die op één of meer van de bedoelde data als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan een opleiding beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

  • 2 In afwijking van artikel 4.2.5, tweede lid, van het besluit wordt voor het bekostigingsjaar 2003 per landelijk orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de beroepsopleidende leerweg berekend door bij elkaar op te tellen:

    • a. 35% van het gemiddelde van het aantal voltijds deelnemers op 1 oktober 1998, op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001, en

    • b. 10% van het gemiddelde van het aantal deeltijds deelnemers op 1 oktober 1998, op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001.

    Bij deze berekening wordt verstaan onder:

    • a. voltijds deelnemer: de voltijds deelnemer die op één of meer van de bedoelde data als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg dan wel aan een opleiding middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet en

    • b. deeltijds deelnemer: de deeltijds deelnemer die op één of meer van de bedoelde data als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg of aan een opleiding deeltijds middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

  • 3 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel c, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt voor het bekostigingsjaar 2003 voor elk landelijk orgaan het aantal leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg vastgesteld door achtereenvolgens:

    • a. het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te middelen;

    • b. de uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste en het tweede lid, en

    • c. de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste lid.

  • 4 In afwijking van artikel 4.2.7, tweede lid, onderdeel d, en artikel 4.2.8 van het besluit wordt voor het bekostigingsjaar 2003 voor elk landelijk orgaan het aantal leerbedrijven in de beroepsopleidende leerweg vastgesteld door achtereenvolgens:

    • a. het aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te middelen;

    • b. de uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste en het tweede lid en

    • c. de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het tweede lid.

Artikel 5.4. Verstrekking van gegevens ten behoeve van de bekostigingsjaren 2001 en 2002

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 2 Het landelijk orgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, over 1999 uiterlijk 5 dagen na publicatie van deze regeling. Het landelijk orgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, over 2000 uiterlijk 23 oktober 2000.

Artikel 5.4a. Verstrekking van gegevens ten behoeve van het bekostigingsjaar 2003

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 4.2.8 van het besluit verstrekt het landelijk orgaan voor het beroepsonderwijs vóór 15 november 2001 aan de minister een opgave van het aantal door dat landelijk orgaan erkende leerbedrijven op de peildatum 1 oktober 2001.

Artikel 5.4b. Verstrekking van gegevens ten behoeve van het bekostigingsjaar 2004

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In afwijking van artikel 4.2.8 van het besluit verstrekt het landelijk orgaan vóór 15 december 2002 aan de minister een opgave van het aantal door dat landelijk orgaan erkende leerbedrijven op de peildatum 1 oktober 2002.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

[Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 1. Budgetcorrectie beroepsonderwijs voor 1999

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6.1.1. Budgetcorrectie 1999

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld in artikel 8 van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 wordt vastgesteld op 4,85%.

  • 2 In afwijking van artikel 3 van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 past de minister de budgetcorrectie, bedoeld in het eerste lid, toe op de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs van een instelling, waarin niet is begrepen de toevoeging aan en vermindering van de rijksbijdrage inzake werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel, bedoeld in de artikelen 11c en 11d, van deze Overgangsregeling, zoals luidend op 31 juli 1998.

  • 3 De budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld in artikel 7 van de Regeling huisvesting bve-sector, wordt vastgesteld op 2,48%.

  • 4 De budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld in artikel 6 van de Overgangsregeling bekostiging opleidingen tot verpleegkundige en verzorgende beroepen WEB tot 2000, wordt voor de in dat artikel genoemde componenten, vastgesteld op 7,98%.

Paragraaf 2. Aanvullende voorschriften landelijke organen

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6.2.1. Quotum LOB's

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 De berekening van het Quotum LOB's, zoals omschreven in artikel 8d, eerste lid, onderdeel e, van de Regeling bekostiging landelijke organen voor het beroepsonderwijs onder de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) geschiedt voor het jaar 1998 en het jaar 1999 op grond van bijlage 3 behorende bij deze regeling.

Artikel 6.2.2. Aanvullende vergoeding OVDB

[Vervallen per 01-01-2010]

De minister verleent aan het bestuur van het landelijk orgaan OVDB Landelijk Orgaan van het Beroepsonderwijs Gezondheidszorg, Dienstverlening, Welzijn en Sport voor het kalenderjaar 2000 aanspraak op een aanvullende vergoeding ten behoeve van extra taken als gevolg van de overname van de instituten voor de opleiding tot verpleegkundige of ziekenverzorgende, bedoeld in artikel 12.3.1, negende lid, van de wet, van ƒ 4.962.967,-.

Paragraaf 3. Voorschriften uit de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 die worden gecontinueerd

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6.3.1. Bijzondere bepalingen in verband met de beëindiging van de afdelingen havo/mbo en vhbo

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 [Red: Vervallen.]

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 De minister stelt de aanvullende vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikbaar volgens het voor de rijksbijdrage geldende kasritme.

Paragraaf 5. Overgangsvoorschriften inzake hardheidsclausule huisvesting

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6.5.1. Overgangsvoorschriften inzake hardheidsclausule huisvesting

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 In aanvulling op artikel 6.1.3, eerste lid, van het besluit wordt artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector uitsluitend betrokken bij de berekening van het bedrag voor de huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar, indien:

    • a. het bevoegd gezag voor 15 februari van het betreffende jaar een aanvraag indient bij de minister voor een aanvullende vergoeding;

    • b. het verzoek wordt ingediend door het bevoegd gezag van een instelling ten aanzien waarvan in 1997 een aanvraag is gehonoreerd op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, zoals luidend op 19 december 1997 dan wel afgewezen op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van die regeling;

    • c. het een aanvraag betreft in verband met de huurpenningen voor een schoolgebouw die door het bevoegd gezag verschuldigd zijn op grond van een huurovereenkomst die door het bevoegd gezag, dan wel diens rechtsvoorganger, voor 1 januari 1997 is gesloten:

      • a. zonder uitdrukkelijke instemming van de minister, blijkend uit een beschikking, of

      • b. voor een langere duur dan wel onder andere voorwaarden dan waarvoor door de minister instemming, blijkend uit een beschikking, is verleend.

  • 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gehonoreerd indien het bevoegd gezag naar het oordeel van de minister aannemelijk heeft gemaakt dat:

    • a. dit bevoegd gezag, dan wel diens rechtsvoorganger, gelet op de eigen taak, positie en verantwoordelijkheid in redelijkheid geen verwijt te maken valt over de ontstane situatie,

    • b. dit bevoegd gezag al het mogelijke in het werk stelt om de betreffende huurovereenkomst binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk te ontbinden, dan wel op te zeggen, dan wel de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen, en

    • c. de onder zijn beheer staande instelling, zonder een aanvullende vergoeding, bedoeld in het eerste lid, in zodanige financiële omstandigheden komt te verkeren dat het voortbestaan van de instelling in het geding komt.

  • 3 Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan op welk schoolgebouw, respectievelijk welke schoolgebouwen, de door hem, dan wel diens rechtsvoorganger, gesloten huurovereenkomst betrekking heeft, alsmede het aantal vierkante meters brutovloeroppervlak en de verschuldigde huursom per jaar van dat gebouw. Het bevoegd gezag legt aan de minister een gewaarmerkt afschrift over van de desbetreffende huurovereenkomst.

  • 4 De minister berekent de aanvullende vergoeding volgens de formule:

    Vt = O x (Ht - Nt)

    In deze formule wordt verstaan onder:

    • Vt: aanvullende vergoeding van het betreffende kalenderjaar;

    • O: vierkante meters brutovloeroppervlak van het gebouw waarvoor de aanvullende vergoeding wordt aangevraagd;

    • Ht: huurbedrag per vierkante meter brutovloeroppervlak van het betreffende gebouw;

    • Nt: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter brutovloeroppervlak in het betreffende kalenderjaar, vastgesteld volgens de formule:

      Nt =

      Lt

      x N 1999

      L1999

    In deze formule wordt verstaan onder:

    • Lt: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten beroepsonderwijs in het betreffende kalenderjaar;

    • L1999: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten beroepsonderwijs in 1999;

    • N1999: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter brutovloeroppervlak in 1999, zijnde € 52,90.

  • 5 Indien de uitkomst van het onderdeel (Ht - Nt) van de formule, bedoeld in het vierde lid, negatief is, wordt het verzoek om een aanvullende vergoeding afgewezen.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

[Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 6.6.1. Intrekking andere regelingen

[Vervallen per 01-01-2010]

De navolgende regelingen worden met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken:

  • a. de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, met uitzondering van artikel 14g, vierde lid, dat vervalt op 1 september 2000 en artikel 14g, negende lid, dat vervalt op 1 april 2000;

  • b. de Overgangsregeling bekostiging opleidingen tot verpleegkundige en verzorgende beroepen WEB tot 2000;

  • c. de Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector;

  • d. de Regeling bekostiging landelijke organen voor het beroepsonderwijs onder de WEB;

  • e. de Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie;

  • f. de Regeling bekostiging agrarische opleidingscentra tot 2000;

  • g. de Regeling bekostiging LOBAS.

Artikel 6.6.2. Inwerkingtreding; expiratie

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1 Deze regeling treedt, met uitzondering van de artikelen 6.3.1, 6.3.2 en 6.4.1, in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze is geplaatst en werkt terug tot en met 27 oktober 1999. De regeling wordt voor het eerst toegepast ten aanzien van het jaar 2000.

Artikel 6.6.3. Bekendmaking

[Vervallen per 01-01-2010]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1, 2a en 2b, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van deze plaatsing en ter inzage legging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 6.6.4. Citeertitel

[Vervallen per 01-01-2010]

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling WEB.

De

minister

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

drs. L.M.L.H.A. Hermans

Bijlage 1. [Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.]

[Vervallen per 01-01-2010]

Bijlage 2a. [Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.]

[Vervallen per 01-01-2010]

Bijlage 2b. [Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.]

[Vervallen per 01-01-2010]

Bijlage 3

[Vervallen per 01-01-2010]

(N.B. De bijlagen 1, 2a en 2b liggen ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)

Verdeling wachtgeldkosten naar rato daling

[Vervallen per 01-01-2010]

Maximale instroom t.l.v. het collectief

Landelijk Orgaan Ber.ond.

Absolute daling WCBO-WEB

Absolute daling WCBO-WEB

Totale max. instroom t.l.v. 't collectief 1998-2001

Verdeling wachtgeldquotum

Verdeling Quotum 1998 en 1999

Kolom 1

Gegevens 1997 kolom 2

Gegevens 1998 kolom 3

Gegevens 97/'98 kolom 4

Gegevens 98/'99 kolom 5

1998 kolom 6

1999 kolom 7

Kolom 8

SOM

ƒ 2.928.618

ƒ 3.369.326

ƒ 965.379

ƒ 1.002.548

ƒ 241.345

ƒ 250.637

ƒ 491.982

SVB

ƒ 1.433.953

ƒ 1.740.627

ƒ 472.683

ƒ 517.926

ƒ 118.171

ƒ 129.482

ƒ 247.653

SVS

ƒ 556.240

ƒ 623.646

ƒ 183.357

ƒ 185.567

ƒ 45.839

ƒ 46.392

ƒ 92.231

INNOVAM

ƒ 3.325.746

ƒ 3.866.750

ƒ 1.096.286

ƒ 1.150.557

ƒ 274.072

ƒ 287.639

ƒ 561711

VEV

ƒ 1.250.342

ƒ 1.163.720

ƒ 412.158

ƒ 346.267

ƒ 103.040

ƒ 86.567

ƒ 189.607

VAPRO

ƒ 724.896

ƒ 832.400

ƒ 238.952

ƒ 247.682

ƒ 59.738

ƒ 61.920

ƒ 121.658

SBW

ƒ 474.964

ƒ 359.567

ƒ 156.565

ƒ 106.990

ƒ 39.141

ƒ 26.747

ƒ 65.888

VOCAR

ƒ 1.095.261

ƒ 1.447.732

ƒ 361.038

ƒ 430.775

ƒ 90.259

ƒ 107.694

ƒ 197.953

SH&M

ƒ 592.924

ƒ 631.237

ƒ 195.449

ƒ 187.825

ƒ 48.862

ƒ 49.956

ƒ 95.818

SOBB

ƒ 1.034.949

ƒ 1.142.549

ƒ 341.157

ƒ 339.967

ƒ 85.289

ƒ 84.992

ƒ 170.281

KOC

ƒ 618.982

ƒ 510.132

ƒ 204.039

ƒ 151.791

ƒ 51.010

ƒ 37.948

ƒ 88.958

SVO

ƒ 1.006.598

ƒ 1.190.764

ƒ 331.811

ƒ 354.314

ƒ 82.953

ƒ 88.578

ƒ 171.531

INTECHNUM

ƒ 3.158.409

ƒ 3.286.132

ƒ 1.041.126

ƒ 977.793

ƒ 260.282

ƒ 244.448

ƒ 504.730

TOTAAL

ƒ 18.201.882

ƒ 20.164.582

ƒ 6.000.000

ƒ 6.000.000

ƒ 1.500.000

ƒ 1.500.000

ƒ 3.000.000

Bijlage 4. Model voor strategisch beleidsplan internationaliseringsactiviteiten Instellingen

[Vervallen per 01-01-2010]

1. Gegevens van de instelling

[Vervallen per 01-01-2010]

De instelling dient de volgende gegevens te vermelden:

  • Brinnummer;

  • Naam instelling;

  • Postadres;

  • Bezoekadres;

  • Contactpersoon van de instelling voor de internationalisering

2. Strategisch beleidsplan

[Vervallen per 01-01-2010]

Het strategisch beleidsplan internationalisering moet inzicht geven in de internationale activiteiten die de instelling voornemens is te realiseren en de resultaten die daarmee worden beoogd.

Doelstellingen

Het bevoegd gezag zal allereerst moeten aangeven welke doelstellingen voor het internationaliseringsbeleid van de instelling in de periode 1998 tot 2002 van toepassing zullen zijn. Het heeft daarbij de keuze uit één of meer van de in artikel 14g, zesde en zevende lid gedefinieerde doelstellingen.

ad zesde lid 'Mobiliteit'

  • a. Uitwisseling van deelnemers

  • b. Curriculumvergelijking

  • c. Managementbezoek

  • d. Docententraining

ad zevende lid 'Internationale samenwerkingsprojecten gericht op innovatie'

  • a. Samenwerkingsproject innovatie beroepsonderwijs

  • b. Voorbereiding van een samenwerkingsproject

Uitwerking per doelstelling

Per gekozen doelstelling dient vervolgens te worden aangegeven:

  • a. Is dit onderdeel van het plan meerjarig, d.w.z. voor de gehele periode, of eenjarig, d.w.z. voor het komende schooljaar.

  • b. Omschrijving van het te realiseren resultaat in zo concreet mogelijke bewoordingen.

  • c. De buurlanden waarop de activiteiten gericht zijn.

  • d. Een korte omschrijving van de uitvoering van de activiteiten

  • e. De tijdsplanning

  • f. De partners in Nederland waarmee wordt samengewerkt

  • g. De partners in het buurland/buurlanden waarmee wordt samengewerkt

  • h. De begroting

  • i. Het deel van de bijdrage op grond van art. 14g eerste lid van deze regeling dat wordt ingezet voor deze doelstelling

  • j. De bijdragen uit andere middelen van de instelling

  • k. De bijdragen van derden

  • l. De relatie van de activiteiten met een project van een EU-programma (Leonardo) voor zover aanwezig. Hierbij moet worden aangetoond dat de activiteiten complementair zijn aan het EU-programma en er geen sprake is van overlapping.

Bijlage 5. Model voor de inhoudelijke verantwoording van internationaliseringsactiviteiten in het kader van de regeling

[Vervallen per 01-01-2010]

Per in het strategisch beleidsplan internationalisering opgenomen doelstelling wordt in de inhoudelijke verantwoording op de volgende onderwerpen ingegaan.

Deel I. Behaalde resultaten

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1a. Kwalitatieve doelen

  • 1b. Kwantitatieve doelen (prestaties)1

  • 1c. Producten of instrumenten

  • 1d. Overige resultaten.

Deel II. Kwalitatieve analyse

[Vervallen per 01-01-2010]

2a. Verklaring behaalde resultaten

Resultaten

Uitgevoerde activiteiten

   

-

 

-

 

-

 

2b. Verklaring achterblijvende resultaten

Doelstellingen die niet behaald zijn:

Oorzaken:

Beleidsconsequenties:

2c. Welke activiteiten waren succesvol en welke minder succesvol. Per categorie maximaal drie activiteiten noemen.

succesvolle activiteiten

minder succesvolle activiteiten

   

1.

 

2.

 

3.

 

Bijlage 6. Model voor strategisch beleidsplan internationaliseringsactiviteiten Landelijke Organen

[Vervallen per 01-01-2010]

1. Gegevens van het Landelijk Orgaan

[Vervallen per 01-01-2010]

Het landelijk orgaan dient de volgende gegevens te vermelden:

  • Brinnummer;

  • Naam landelijk orgaan;

  • Postadres;

  • Bezoekadres;

  • Contactpersoon van het landelijk orgaan voor de internationalisering

2. Strategisch beleidsplan

[Vervallen per 01-01-2010]

Het strategisch beleidsplan internationalisering moet inzicht geven in de internationale activiteiten die het landelijk orgaan voornemens is te realiseren en de resultaten die daarmee worden beoogd.

Doelstellingen

Het bevoegd gezag zal allereerst moeten aangeven welke doelstellingen voor het internationaliseringsbeleid van het landelijk orgaan in de periode 1998 tot 2002 van toepassing zullen zijn. Het heeft daarbij de keuze uit één of meer van de in artikel 9b, zesde en zevende lid gedefinieerde doelstellingen.

ad zesde lid 'Internationale samenwerkingsprojecten Mobiliteit'

  • a. Samenwerkingsproject transparantie kwalificatiestructuur

  • b. Samenwerkingsproject erkennen van praktijkplaatsen

  • c. Voorbereiding van een samenwerkingsproject mobiliteit

ad zevende lid 'Internationaal samenwerkingsproject, gericht op innovatie'

  • a. Samenwerkingsproject innovatie beroepsonderwijs

  • b. Voorbereiding van een samenwerkingsproject

Uitwerking per doelstelling

Per gekozen doelstelling dient vervolgens te worden aangegeven:

  • a. Is dit onderdeel van het plan meerjarig, d.w.z. voor de gehele periode, of eenjarig, d.w.z. voor het komenb.de schooljaar.

  • b. Omschrijving van het te realiseren resultaat in zo concreet mogelijke bewoordingen.

  • c. De buurlanden waarop de activiteiten gericht zijn.

  • d. Een korte omschrijving van de uitvoering van de activiteiten

  • e. De tijdplanning

  • f. De partners in Nederland waarmee wordt samengewerkt

  • g. De partners in het buurland/buurlanden waarmee wordt samengewerkt

  • h. De begroting

  • i. Het deel van de bijdrage op grond van art. 9b eerste lid van deze regeling dat wordt ingezet voor deze doelstelling

  • j. De bijdragen uit andere middelen van het landelijk orgaan

  • k. De bijdragen van derden

  • l. De relatie van de activiteiten met een project van een EU-programma (Leonardo) voorzover aanwezig. Hierbij moet worden aangetoond dat de activiteiten complementair zijn aan het EU-programma en er geen sprake is van overlapping.

Bijlage 7. Model voor de inhoudelijke verantwoording van internationaliseringsactiviteiten in het kader van de regeling

[Vervallen per 01-01-2010]

Per in het strategisch beleidsplan internationalisering opgenomen doelstelling wordt in de inhoudelijke verantwoording op de volgende onderwerpen ingegaan.

Deel I. Behaalde resultaten

[Vervallen per 01-01-2010]

  • 1a. Kwalitatieve doelen

  • 1b. Kwantitatieve doelen (prestaties)2

  • 1c. Producten of instrumenten

  • 1d. Overige resultaten.

Deel II. Kwalitatieve analyse

[Vervallen per 01-01-2010]

2a. Verklaring behaalde resultaten

Resultaten

Uitgevoerde activiteiten

   

-

 

-

 

-

 

2b. Verklaring achterblijvende resultaten

Doelstellingen die niet behaald zijn:

Oorzaken:

Beleidsconsequenties:

2c. Welke activiteiten waren succesvol en welke minder succesvol. Per categorie maximaal drie activiteiten noemen.

succesvolle activiteiten

minder succesvolle activiteiten

   

1.

 

2.

 

3.

 

Bijlage 8. [Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.]

[Vervallen per 01-01-2010]

Bijlage 9

[Vervallen per 01-01-2010]

Lob

Absolute daling 100% wcbo

Totale max

instroom

Bedrag voor:

Wachtgelden

t.l.v. het

Restant

quotum

Cumulatief

1998+1999

t.o.v.

t.l.v.

quotum

100% web

collectief

1998-2001

kolom 1

kolom 2

kolom 3

kolom 4

kolom 7

kolom 8

kolom 9

kolom 10

kolom 11

kolom 12

2000

2000

2001

2000

2001

1999

2000

2001

2000+2001

Som

3.721.124

945.801

1.000.944

236.450

250.236

978.668

978.668

Bouwradius

2.137.834

630.563

575.055

157.641

143.764

549.057

549.057

(svb)

Svs

545.442

180.706

146.718

45.176

36.680

20.693

153.394

174.087

Innovam

4.783.421

886.996

1.286.691

221.749

321.673

85.562

1.019.571

1.105.133

Vev

805.868

497.858

216.771

124.464

54.193

368.263

368.263

Vapro

1.233.482

311.879

331.793

77.970

82.948

282.577

282.577

Sbw

903.437

258.080

243.016

64.520

60.754

191.163

191.163

voc

1.141.741

345.024

307.116

86.256

76.779

360.988

360.988

(voccar)

sh&m

510.598

177.066

37.346

44.267

34.337

48.114

60.59

5 65.713

174.422

Sobb

1.073.759

317.515

288.830

79.379

72.208

213

321.654

321.867

Koc

516.434

154.417

138.915

38.604

34.729

162.290

162.290

Svo

1.159.706

299.341

311.948

74.835

77.987

324.354

324.354

Intechnium

3.772.846

977.877

1.014.857

244.469

253.714

123.968

111.215

767.730

1.002.913

TenL

16.876

4.219

4.219

4.219

Totaal

22.305.692

6.000.000

6.000.000

1.500.000

1.500.000

278.550

171.810

5.549.640

6.000.000

Bijlage 11

[Vervallen per 01-01-2010]

In onderdeel 3, Gegevenslijst, wordt onder A8, Code Doelgroep, de volgende toegevoeging gelezen:

Subgegeven Risicodeelnemer

Definitie

Een risicodeelnemer is een deelnemer ten aanzien van wie het bevoegd gezag goedkeuring van de minister heeft ontvangen omdat:

  • a. het een deelnemer betreft ten aanzien van wie op 1 augustus van het kalenderjaar de volledige leerplicht is geëindigd, maar die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt;

  • b. uit de onderwijsovereenkomst met de deelnemer blijkt dat voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet worden toegevoegd aan de opleiding of het deel waarvoor de deelnemer is ingeschreven;

  • c. het betreft een deelnemer die bij de inschrijving voor de opleiding of het deel daarvan niet in het bezit is van:

    • 1. een diploma beroepsonderwijs van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, van de wet,

    • 2. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,

    • 3. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,

    • 4. een ander diploma voorbereidend beroepsonderwijs of lager beroepsonderwijs, dan een diploma verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma en de overige vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd, of

    • 5. een diploma of bewijs dat overeenkomt met onder 1 tot en met 4 verkregen diploma of bewijs;

  • d. het bevoegd gezag van de instelling verklaart dat voor 1 juni van het volgende kalenderjaar:

Type onderwijs

Beroepsonderwijs

Groep

Doelgroep

Type

Alfanumeriek

Eenheid

N.v.t.

Lengte

Code

005

Integriteit

Constraint

Validiteit

Verplicht

J

Pre-WEB-Opleiding

N

Doel

Bekostiging

Begindatum

1 augustus 2001

Einddatum

31 juli 2004

  1. Bij de kwantitatieve doelen dient melding te worden gemaakt van het percentage personen van het vrouwelijke en van het mannelijke geslacht dat heeft deelgenomen aan de internationaliseringsactiviteiten.

    ^ [1]
  2. Bij de kwantitatieve doelen dient melding te worden gemaakt van het percentage personen van het vrouwelijke en van het mannelijke geslacht dat heeft deelgenomen aan de internationaliseringsactiviteiten.

    ^ [2]
Terug naar begin van de pagina