Warenwetregeling Verontreinigingen in levensmiddelen

Geraadpleegd op 23-09-2023.
Geldend van 31-12-2004 t/m 31-12-2005

Warenwetregeling Verontreinigingen in levensmiddelen

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op: artikel 2 van verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1990 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PbEG L 82), artikel 2, tweede lid, van verordening (EG) nr. 194/97 van de Commissie van 31 januari 1997 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 31), richtlijn nr. 98/53/EG van de Commissie van 16 juli 1998 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 201), artikel 12, derde lid, en 13, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, alsmede artikel 1 van het Residubesluit;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. verordening (EEG) 737/90:

verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1990 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PbEG L 82);

b. beschikking 90/515/EEG;

beschikking nr. 90/515/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1990 tot vaststelling van de referentiemethoden voor het opsporen van residuen van zware metalen en arsenicum (PbEG L 286);

c. verordening (EG) 466/2001:

verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2001 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 77);

d. richtlijn 98/53/EG:

richtlijn nr. 98/53/EG van de Commissie van 16 juli 1998 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 201);

e. richtlijn 2002/26/EG:

richtlijn nr. 2002/26/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 maart 2002 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan ochratoxine A in levensmiddelen (PbEG L 75).

f. melk:

de waar die is afgescheiden door de melkklier van een of meer koeien, ooien, geiten of buffelkoeien;

g. richtlijn 2002/69/EG:

richtlijn nr. 2002/69/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 2002 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op dioxinen en de gehaltebepaling van dioxineachtige PCB’s in levensmiddelen (PbEG L 209);

h. richtlijn 2003/78/EG:

richtlijn nr. 2003/78/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 augustus 2003 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op patulinegehalte in levensmiddelen (PbEU L 203);

i. richtlijn 2004/16/EG:

richtlijn nr. 2004/16/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 februari 2004 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het tingehalte van levensmiddelen in blik (PbEU L 42).

Artikel 2

Het gehalte van de navolgende componenten polychloorbifenylen (verder te noemen: PCB’s) overschrijdt niet de hieronder vastgestelde maximale gehaltes aan PCB’s in de aldaar genoemde eet- en drinkwaren:

componenten

 

aanduiding

2,4-4

trichloorbifenyl

28

2,5-2’5’

tetrachloorbifenyl

52

2,4,5-2’5’

pentachloorbifenyl

101

2,4,5-3’4’

pentachloorbifenyl

118

2,3,4-2’4’5’

hexachloorbifenyl

138

2,4,5-2’4’5’

hexachloorbifenyl

153

2,3,4,5-2’4’5’

heptachloorbifenyl

180

Eet- en drinkwaren

Maximale gehalten aan PCB-componenten in mg/kg

 

28

52

101

118

138

153

180

vislever 1

1,50

0,60

1,20

1,20

1,50

1,50

2,0

aal en paling 1

0,50

0,20

0,40

0,40

0,50

0,50

0,60

overige vissoorten 1

0,10

0,04

0,08

0,08

0,10

0,10

0,12

melk en uit melk bereide produkten 2

0,05

0,02

0,04

0,04

0,05

0,05

0,06

eieren en eiprodukten 3

0,05

0,02

0,04

0,04

0,05

0,05

0,06

vlees en vleeswaren, afkomstig van runderen, varkens, schapen, paarden, geiten en pluimvee 4

0,05

0,02

0,04

0,04

0,05

0,05

0,06

Artikel 3

De gezamenlijke maximale radioactiviteit van cesium 134 en 137 in eet- en drinkwaren is niet hoger dan toegelaten bij verordening (EEG) 737/90.

Artikel 7

Het gehalte aan nitraat-ion van de hieronder opgenomen groenten die al dan niet zijn toebereid of geconserveerd, is niet hoger dan:

groente

geoogst in de periode

norm in mg/kg

andijvie

1 mei tot 1 november

2500

 

1 november tot 1 mei

3500

rode bieten

1 juli tot 1 april

3500

 

1 april tot 1 juli

4000

Artikel 8

In afwijking van bijlage I, deel 1, punt 1.1, van verordening (EG) 466/2001, bedraagt het nitraatgehalte van in Nederland geproduceerde, niet voor uitvoer bestemde spinazie ten hoogste:

  • a. 3500 mg/kg, voor spinazie die geoogst is in de periode van 1 april tot en met 31 oktober;

  • b. 4500 mg/kg, voor spinazie die geoogst is in de periode van 1 november tot en met 31 maart.

Artikel 10

  • 1 Voor de opsporing van kwik in vis en schaal-, schelp- en weekdieren wordt de in artikel 1, derde lid, van beschikking 90/515/EEG opgenomen referentie-analysetechniek toegepast.

  • 2 Als methode van onderzoek die bij uitsluiting beslissend is voor de vraag of met betrekking tot de in verordening (EG) 466/2001 bedoelde waren voldaan is aan de ter zake toegelaten gehalten aan aflatoxinen, worden aangewezen de in richtlijn 98/53/EG bedoelde analysemethoden.

  • 3 Als methoden van onderzoek die bij uitsluiting beslissend zijn voor de vraag of met betrekking tot de in verordening (EG) 466/2001 bedoelde waren voldaan is aan de ter zake toegelaten gehalten aan ochratoxine A, worden aangewezen de in richtlijn 2002/26/EG bedoelde analysemethoden.

  • 4 De methoden van onderzoek die worden gebruikt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan dioxinen en furanen, en de gehaltebepaling van dioxineachtige PCB’s, voldoen aan de criteria, bedoeld in bijlage II van richtlijn 2002/69/EG.

  • 5 Als methoden van onderzoek die bij uitsluiting beslissend zijn voor de vraag of met betrekking tot de in verordening (EG) 466/2001 bedoelde waren voldaan is aan de ter zake toegelaten gehalten aan patuline, worden aangewezen de in richtlijn 2003/78/EG bedoelde analysemethoden.

  • 6 Als methoden van onderzoek die bij uitsluiting beslissend zijn voor de vraag of met betrekking tot de in verordening (EG) 466/2001 bedoelde waren voldaan is aan de ter zake toegelaten tingehaltes van levensmiddelen in blik, worden aangewezen de in richtlijn 2004/16/EG bedoelde analysemethoden.

Artikel 13

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 1999, met uitzondering van artikel 10, tweede lid, dat in werking treedt met ingang van 30 december 2000.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

  1. Op productbasis. ^ [1]
  2. Op vetbasis, echter indien het product een vetgehalte heeft van 2% of minder worden de gehalten aan PCB-componenten betrokken op het product. De maximaal toegestane gehalten bedragen 1/50 van de aan het vet gerelateerde waarden. ^ [2]
  3. Op vetbasis, echter indien het product een vetgehalte heeft van 5% of minder worden de gehalten aan PCB-componenten betrokken op het product. De maximaal toegestane gehalten bedragen 1/20 van de aan het vet gerelateerde waarden. ^ [3]
  4. Op vetbasis, echter indien het product een vetgehalte heeft van 10% of minder wordt het gehalte aan PCB-componenten betrokken op het product.De maximaal toegestane gehalten bedragen dan 1/10 van de aan het vet gerelateerde waarden. ^ [4]
Naar boven