Wet overige OCenW-subsidies

Geldend van 01-08-2003 t/m 12-02-2004

Wet van 12 maart 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Wet overige OCenW-subsidies)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het noodzakelijk maakt een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van subsidies op de beleidsterreinen van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voorzover een dergelijk kader ontbreekt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

  • b. projectsubsidie: subsidie die anders dan per boekjaar wordt verstrekt.

Artikel 2. Subsidiebevoegdheid

  • 1 Onze Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het regeringsbeleid inzake:

    • a. het onderwijs,

    • b. het onderzoek,

    • c. de cultuur.

  • 2 Bij de subsidieverstrekking aan onderwijsinstellingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt voorzien in een behandeling van die instellingen naar dezelfde maatstaf.

Artikel 3. Reikwijdte

  • 2 Onze Minister kan in afwijking van een andere wet als bedoeld in het eerste lid, in dringende gevallen subsidie op grond van deze wet verstrekken ten behoeve van extra activiteiten van bepaalde omvang en duur of extra voorzieningen, een en ander gericht op een specifieke bestemming der middelen. Verstrekking van subsidie als bedoeld in de eerste volzin, vindt slechts plaats indien die subsidie incidenteel van aard is of de subsidieverstrekking vooruitloopt op de totstandkoming van wetgeving terzake. Deze subsidieverstrekking geschiedt dan:

    • a. op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling,

    • b. voor ten hoogste vier jaren, en

    • c. voorzover het betreft onderwijsinstellingen zonder onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en met behandeling van die instellingen naar dezelfde maatstaf.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een der kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 4. Vereisten subsidieverstrekking

  • 1 Onze Minister verstrekt slechts subsidie op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, tenzij het een subsidie betreft:

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald, alsmede de criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

  • 3 Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover,

    • b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,

    • c. delegatie van de bevoegdheid besluiten te nemen met betrekking tot de subsidie,

    • d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend,

    • e. de verplichtingen van de subsidieontvanger,

    • f. de vaststelling van de subsidie,

    • g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling,

    • h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten,

    • i. het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, of

    • j. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.

  • 4 Indien subsidie wordt verleend op grond van het eerste lid, onder a of b, kan Onze Minister bij de subsidieverlening een termijn vaststellen waarbinnen op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt beslist.

Artikel 5. Subsidieplafond

Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor op grond van deze wet subsidie kan worden verstrekt. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8. Subsidiëring mede door andere bestuursorganen

Indien Onze Minister subsidie verstrekt voor activiteiten die mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan Onze Minister afwijken van de bij of krachtens deze wet aan de subsidie te verbinden verplichtingen, voorzover

  • a. dit wenselijk is met het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde of op te leggen verplichtingen, en

  • b. daardoor het belang met het oog waarop die verplichtingen zouden moeten worden opgelegd, niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 9. Intrekking wegens strijd met verdragen

  • 1 Een aanvraag kan worden afgewezen en een beschikking tot subsidieverstrekking op grond van deze wet kan worden ingetrokken of gewijzigd voorzover subsidieverstrekking in strijd zou zijn respectievelijk in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen.

  • 2 Bij de intrekking of wijziging kan worden bepaald, dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

  • 3 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 10. Toezichthouders

  • 1 Onze Minister kan voor door hem verstrekte subsidies bij besluit een of meer toezichthouders aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Hoofdstuk 2. Per boekjaar verstrekte subsidies

Artikel 11. Toepassing

  • 2 Indien de aard van de subsidie of de hoogte van het bedrag van de subsidie daartoe aanleiding geeft, kan van het eerste lid vrijstelling of ontheffing worden verleend. Vrijstelling wordt verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Ontheffing wordt verleend door Onze Minister.

  • 3 Onze Minister kan het boekjaar gelijk stellen aan een andere periode van een jaar dan het kalenderjaar.

Artikel 12. Egalisatiereserve

Bij subsidies voor langer dan een boekjaar vormt de ontvanger een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de subsidieverlening kan de omvang van de egalisatiereserve in aanmerking worden genomen.

Artikel 13. Accountantsonderzoek

  • 1 Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle.

  • 2 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de departementale accountantsdienst in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. De daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.

Artikel 14. Vergoedingsplicht

  • 2 Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden activa gewaardeerd op hun actuele waarde. De waardebepaling van een onroerende zaak geschiedt door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de activiteiten van de subsidieontvanger door een derde worden voortgezet en de activa en passiva met toestemming van Onze Minister tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.

Hoofdstuk 3. Projectsubsidies

Artikel 16. Vereisten subsidieaanvraag

  • 1 De aanvraag omvat in ieder geval:

    • a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen, en

    • b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden begrote inkomsten en uitgaven van de aanvrager.

  • 2 Voorzover de aanvrager van een projectsubsidie voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, organen van internationale organisaties, natuurlijke of rechtspersonen dan wel van derden, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

Artikel 17. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 2 De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard.

Artikel 18. Aanvraag tot subsidievaststelling

De aanvraag omvat in elk geval een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht en een financiële verantwoording.

Artikel 19. Financiële verantwoording

  • 1 De financiële verantwoording sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend.

  • 2 Verschillen tussen begroting en realisatie worden toegelicht, tenzij deze van geringe betekenis zijn.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21. Overgangsbepaling

Deze wet is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend of vastgesteld.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 12 maart 1998

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Uitgegeven de negentiende mei 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Terug naar begin van de pagina