Zeevaartbemanningswet

Geldend van 01-09-2003 t/m 31-07-2004

Wet van 11 december 1997, houdende regels omtrent de bemanning van zeeschepen (Zeevaartbemanningswet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen vast te stellen voor het bemannen van Nederlandse zeeschepen;

Gelet op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede op Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • b. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren;

  • c. vissersvaartuig: een Nederlands schip dat bestemd is of gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of van andere levende rijkdommen van de zee;

  • d. zeilschip: een Nederlands schip dat bestemd en ingericht is om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;

  • e. pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend anders dan inde uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt;

  • f. zeilvaart: de bedrijfsmatige vaart met zeilschepen op zee;

  • g. kapitein: de gezagvoerder van een Nederlands schip;

  • h. opvarende: een ieder die zich aan boord bevindt;

  • i. bemanning: de gezagvoerder, de schepelingen en de overige opvarendendie in de monsterrol worden genoemd;

  • j. scheepsbeheerder: de natuurlijke of rechtspersoon, die, vanuit een vestiging in Nederland van een zeescheepvaartonderneming, de dagelijkse leiding heeft over het beheer van het schip, alsmede de personen die als leden van een maatschap het beheer voeren over het vissersvaartuig;

  • k. vaarbevoegdheid: de bevoegdheid om in een of meer functies aan boord van een schip dienst te doen;

  • l. vaarbevoegdheidsbewijs: een door het hoofd van de Scheepvaartinspectie afgegeven document waaruit de vaarbevoegdheid blijkt;

  • m. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.

  • m. bemanningsplan: een voorstel van de scheepsbeheerder houdende het aantal bemanningsleden met hun respectievelijke functies waarmee de scheepsbeheerder het betrokken schip, naast de kapitein, minimaal wenst te bemannen;

  • n. bemanningscertificaat: een certificaat, afgegeven door het hoofd van de Scheepvaartinspectie, houdende het minimum aantal bemanningsleden en hun functies aan boord van het betrokken schip, naast de kapitein of schipper;

  • o. beroepsvereisten: de krachtens deze wet gestelde vereisten ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden voor een functie of werkzaamheden waarop deze wet van toepassing is;

  • p. geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart: een verklaring als bedoeld in artikel 40;

Artikel 2

  • 1 Deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse schepen die op zee worden gebruikt, voor zover ten aanzien van vissersvaartuigen niet anders is bepaald.

  • 2 Deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse schepen, waarvoor een certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in de Schepenwet is vereist of is afgegeven, die worden gebruikt op wateren die ter plaatse als binnenwater worden aangemerkt.

  • 3 Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van:

    • a. schepen die voorzien zijn van een certificaat van deugdelijkheid voor onbemand gesleept vervoer;

    • b. oorlogsschepen;

    • c. reddingvaartuigen;

    • d. onoverdekte vissersvaartuigen, die in de regel niet buiten het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht;

    • e. pleziervaartuigen.

Hoofdstuk 2. De bemanning van zeeschepen

§ 1. Algemene bepalingen met betrekking tot de aanstelling en handhaving van een veilige bemanning

Artikel 3

  • 1 De zorg voor het bemannen van een schip met inachtneming van deze wet berust bij de scheepsbeheerder.

  • 2 De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem in staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te voldoen.

  • 3 De scheepsbeheerder houdt, ten behoeve van de met het toezicht op de naleving van deze wet belaste autoriteiten, per schip van elk daarop dienstdoend bemanningslid een overzicht bij van ten minste het volgende:

    • a. de opleiding;

    • b. de ervaring;

    • c. de vakbekwaamheid;

    • d. de medische geschiktheid.

  • 4 Ter uitvoering van de in het derde lid bedoelde verplichting worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de bemanning van de door de scheepsbeheerder beheerde schepen voldoet aan de wettelijke vereisten betreffende de lichamelijke en geestelijke geschiktheid. De scheepsbeheerder is verantwoordelijke voor deze verwerking.

Artikel 4

  • 1 De scheepsbeheerder bemant een schip zodanig dat redelijkerwijs alle werkzaamheden aan boord, met inachtneming van de geldende arbeids- en rusttijden, en gelet op de bedrijfsvoering, de risico’s op zee en van de lading, zonder gevaar voor de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer kunnen worden verricht.

  • 2 De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de bemanningsleden bij hun tewerkstelling aan boord vertrouwd zijn met hun specifieke taken en met alle regelingen, procedures aan boord en de kenmerken van het schip, die verband houden met hun taken zowel onder normale omstandigheden als in noodsituaties.

  • 3 De kapitein zorgt ervoor dat de bemanning van het schip te allen tijde berekend is voor het verrichten van de werkzaamheden aan boord.

§ 2. Bemanningscertificaat en bemanningsplan

Artikel 5

  • 1 Een schip is voorzien van een geldig bemanningscertificaat, afgegeven door het hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Een schip is ten minste bemand overeenkomstig het bemanningscertificaat.

Artikel 6

  • 1 Op het bemanningscertificaat worden de kenmerken van het schip en, zo nodig, de bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van het schip in relatie tot de bemanning vermeld.

  • 2 Een bemanningscertificaat wordt in tweevoud voor een bepaalde periode van ten hoogste vijf jaren afgegeven.

  • 3 De kapitein draagt er zorg voor dat een van de exemplaren van het geldige bemanningscertificaat op een duidelijk zichtbare plaats aan boord van het schip wordt opgehangen.

Artikel 7

  • 1 De scheepsbeheerder dient voor elk schip afzonderlijk een aanvraag voor een bemanningscertificaat in bij het hoofd van de Scheepvaartinspectie, en voegt daarbij een bemanningsplan voor het betrokken schip.

  • 2 De scheepsbeheerder kan voor een schip meer dan een bemanningssamenstelling voorstellen.

  • 3 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens ten minste in het bemanningsplan worden opgenomen.

Artikel 8

  • 1 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie neemt een besluit over elk van de ingediende bemanningssamenstellingen.

  • 2 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie besluit tot afgifte van een bemanningscertificaat voor het betrokken schip, indien naar zijn oordeel met de voorgestelde bemanningssamenstelling

    • a. de veiligheid van het schip en de veilige en milieuverantwoorde vaart zijn gewaarborgd;

    • b. de voor de bemanning geldende normen voor arbeids- en rusttijden niet worden overschreden;

    • c. ook overigens aan de vereisten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan worden voldaan; en

    • d. wordt voldaan aan het krachtens artikel 64 bepaalde.

  • 3 De scheepsbeheerder verstrekt desgevraagd nadere inlichtingen over het bemanningsplan.

  • 4 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de kapitein raadplegen alvorens te besluiten omtrent de afgifte van een bemanningscertificaat.

  • 5 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt ambtshalve de bemanningssamenstelling van het betrokken schip vast en geeft dienovereenkomstig een bemanningscertificaat af, indien hij van oordeel is, dat met de bemanningssamenstelling die door de scheepsbeheerder wordt voorgesteld niet of niet geheel kan worden voldaan aan het tweede lid, onderdelen a tot en met d.

  • 6 De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een afschrift van het bemanningsplan, dat is voorzien van de eventuele aanvullende gegevens die zijn verstrekt op grond van het derde lid, en dat behoort bij het geldige bemanningscertificaat.

Artikel 9

Indien voor een schip meer dan een bemanningssamenstelling geldt, worden alle bemanningssamenstellingen duidelijk onderscheiden in het bemanningscertificaat opgenomen.

Artikel 10

De kapitein tekent in het scheepsdagboek aan:

  • a. volgens welke bemanningssamenstelling het schip is bemand, indien in het bemanningscertificaat meer dan een samenstelling is opgenomen; en

  • b. de feiten of omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met de gegevens van het bemanningsplan.

Artikel 11

  • 1 De scheepsbeheerder meldt aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie alle wijzigingen van de gegevens van het bemanningsplan die hij voornemens is door te voeren.

  • 2 Op grond van de nieuwe gegevens beslist het hoofd van de Scheepvaartinspectie of de bemanningssamenstelling overeenkomstig het geldige bemanningscertificaat kan worden gehandhaafd. Zo nodig geeft hij een nieuw bemanningscertificaat af.

Artikel 12

  • 1 Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven bij de toepassing van artikel 4, derde lid, verzoekt de kapitein de scheepsbeheerder gemotiveerd hem voor een bepaald tijdstip de benodigde aanvullende middelen te verschaffen. Een mondeling verzoek wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.

  • 2 Indien de scheepsbeheerder niet tijdig of geen gevolg geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, stelt de kapitein het hoofd van de Scheepvaartinspectie daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 13

Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt het bemanningscertificaat in, indien is gebleken dat

  • a. het bemanningsplan onjuiste of onvolledige gegevens bevat, zodanig dat op grond van de juiste of volledige gegevens dit bemanningscertificaat niet zou zijn afgegeven, dan wel

  • b. het schip in strijd met de gegevens in het bemanningscertificaat wordt gebruikt en dit afwijkende gebruik naar zijn redelijk oordeel een andere bemanningssamenstelling noodzakelijk maakt.

Artikel 14

  • 1 Onverminderd artikel 8, vijfde lid, geeft het hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het schip ambtshalve een nieuw bemanningscertificaat af voor een andere bemanningssamenstelling dan waarmee het schip op grond van het laatst afgegeven bemanningscertificaat is bemand, indien hem is gebleken dat het voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 8, tweede lid, met dat certificaat niet langer gewaarborgd is.

  • 2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, nodigt het hoofd van de Scheepvaartinspectie de scheepsbeheerder uit een nieuw bemanningsplan in te dienen.

Artikel 15

  • 1 Nadat een nieuw bemanningscertificaat voor een schip is afgegeven wordt het oude bemanningscertificaat zo spoedig mogelijk aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie gezonden.

  • 2 De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat aan het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 16

Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, voor een bepaald schip en voor een periode van ten hoogste zes maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 5, tweede lid, bedoelde verplichting om het schip overeenkomstig het bemanningscertificaat te bemannen.

Artikel 17

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de samenstelling van de bemanning voor verschillende categorieën vissersvaartuigen.

  • 3 De scheepsbeheerder dient per vissersvaartuig een aanvraag in voor een bemanningscertificaat bij het hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 4 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens bij de aanvraag worden ingediend.

§ 3. Vaarbevoegdheden, kennis- en ervaringseisen

Artikel 18

  • 1 Een ieder die aan boord van een schip een functie verricht waarvoor krachtens deze wet eisen zijn gesteld, is in het bezit van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.

  • 2 De vaarbevoegdheden, die op de in het eerste lid bedoelde vaarbevoegdheidsbewijzen kunnen worden aangetekend, zijn:

    • a. kapitein alle schepen

      eerste stuurman alle schepen

      wachtstuurman alle schepen

      kapitein kleine schepen

      eerste stuurman kleine schepen

    • b. hoofdwerktuigkundige alle schepen

      tweede werktuigkundige alle schepen

      wachtwerktuigkundige alle schepen

      hoofdwerktuigkundige kleine schepen

      tweede werktuigkundige kleine schepen

    • c. eerste maritiem officier

      eerste maritiem officier kleine schepen

      maritiem officier

      maritiem officier kleine schepen

    • d. schipper zeevisvaart

      plaatsvervangend schipper zeevisvaart

      stuurman-werktuigkundige zeevisvaart

      stuurman zeevisvaart

      werktuigkundige zeevisvaart

    • e. radio-operator

    • f. gezel.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke de onderlinge rangorde is van de in het tweede lid genoemde vaarbevoegdheden.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort schip of het vaargebied.

  • 5 Bij algemene maatregel van bestuur worden de vaarbevoegdheden, genoemd in het tweede lid, onderdeel d, nader onderscheiden naar scheepslengte, voortstuwingsvermogen of vaargebied.

  • 6 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke specifieke beperkingen gelden voor de vaarbevoegdheden waarop houders van bijzondere verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid of diploma's, afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, recht hebben.

Artikel 19

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:

    • a. voor de verkrijging van de vaarbevoegdheden, genoemd in artikel 18, tweede lid, vastgesteld:

      • 1°. de beroepsvereisten;

      • 2°. de opgedane ervaring;

      • 3°. de eisen van medische geschiktheid, en

      • 4°. de wijze waarop wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de onder ten 1° en ten 2° bedoelde eisen;

    • b. de geldigheidsduur van het vaarbevoegdheidsbewijs, alsmede de wijze van eerste afgifte, vervanging of vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs geregeld;

    • c. de grenzen bepaald van de schepen, waarop de volgende vaarbevoegdheden mogen worden uitgeoefend:

      • 1°. kapitein kleine schepen;

      • 2°. eerste stuurman kleine schepen;

      • 3°. hoofdwerktuigkundige kleine schepen;

      • 4°. tweede werktuigkundige kleine schepen;

      • 5°. eerste maritiem officier kleine schepen, en

      • 6°. maritiem officier kleine schepen.

  • 2 Aan de voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs benodigde beroepsvereisten kan worden voldaan door:

    • a. het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen van een aan een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde of aangewezen hogeschool verbonden opleiding voor een nautisch beroep dan wel het met goed gevolg hebben afgelegd van het examen van een nautische beroepsopleiding waarvoor op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs eindtermen zijn vastgesteld, of

    • b. het hebben gevolgd van een door Onze Minister erkende opleiding.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

    • a. de aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning;

    • b. de intrekking van de erkenning.

  • 4 Onze Minister stelt de criteria vast op grond waarvan een aanvraag voor de in het tweede lid bedoelde erkenning wordt beoordeeld.

Artikel 20

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs.

  • 3 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie vergewist zich ervan dat een persoon de Nederlandse nationaliteit bezit, dan wel de nationaliteit van een van de staten, bedoeld in artikel 30, alvorens aan deze een van de vaarbevoegdheden als kapitein, onderscheidenlijk schipper, af te geven die zijn genoemd in artikel 18, tweede lid.

Artikel 21

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald voor welke bij internationale regeling aangewezen bijzondere functies of werkzaamheden het bezit van een certificaat of enig ander document voorgeschreven is, alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.

Artikel 22

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld met inachtneming waarvan Onze Minister vaarbevoegdheidsbewijzen, diploma’s of certificaten erkent die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

  • 2 Aan de houder van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat dat ingevolge het eerste lid is erkend, wordt, indien hij ook overigens voldoet aan de eisen gesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 2° en ten 3°, en hij dienst gaat doen op een Nederlands schip, een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven, waarop een officiële verklaring is opgenomen dat dit vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven op grond van een erkend vaarbevoegdheidsbewijs.

  • 3 Een verklaring als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s en in artikel 14 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen voor een beroep waarvoor de vaarbevoegdheden genoemd in artikel 18 geldig zijn, wordt met een erkend vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met inachtneming waarvan het hoofd van de Scheepvaartinspectie een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in het tweede lid afgeeft.

  • 5 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in het tweede lid.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 712, datum inwerkingtreding 30-12-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-06-2002.

1 Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld met inachtneming waarvan Onze Minister vaarbevoegdheidsbewijzen, diploma’s of certificaten erkent die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.

2 Aan de houder van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat dat ingevolge het eerste lid is erkend, wordt, indien hij ook overigens voldoet aan de eisen gesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 2° en ten 3°, en hij dienst gaat doen op een Nederlands schip, een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven, waarop een officiële verklaring is opgenomen dat dit vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven op grond van een erkend vaarbevoegdheidsbewijs.

3 Een verklaring als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s en in artikel 14 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen voor een beroep waarvoor de vaarbevoegdheden genoemd in artikel 18 geldig zijn, wordt met een erkend vaarbevoegdheidsbewijs, diploma of certificaat als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld.

4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met inachtneming waarvan de inspecteur-generaal een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in het tweede lid afgeeft.

5 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden overgelegd bij de aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 23

  • 1 Onze Minister onderzoekt schriftelijke verklaringen over of aanwijzingen van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord van houders van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de artikelen 18 of 22.

  • 2 Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs, te wiens aanzien een gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat, daarvan in kennis. Hij is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te onderwerpen aan een onderzoek met inachtneming van door Onze Minister te geven aanwijzingen.

  • 3 Bij gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen geneeskundige of medisch specialist naar de algemene lichamelijke geschiktheid dan wel naar de geschiktheid van het gezichts- of gehoororgaan op de voet van het bepaalde krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 3°.

  • 4 Bij gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen deskundige op de voet van het bepaalde krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°.

  • 5 Indien bij een periodiek onderzoek of bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde eisen voor de algemene lichamelijke geschiktheid of aan de eisen voor de geschiktheid van het gezichts- of gehoororgaan, weigert de geneeskundige of medisch specialist een nieuwe geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart af te geven. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de desbetreffende geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart ongeldig verklaren.

  • 7 Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in het tweede lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige reden daartoe blijkt, kan het hoofd van de Scheepvaartinspectie zonder nader onderzoek het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs ongeldig verklaren.

Artikel 24

  • 1 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in de artikelen 18 of 22 in, indien:

    • a. uit een onderzoek naar de bekwaamheid, bedoeld in artikel 23, vierde lid, blijkt dat de houder niet meer voldoet aan de in artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 1°, bedoelde beroepsvereisten;

    • b. een van de voor de houder voorgeschreven geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart ingevolge artikel 23 ongeldig is verklaard, of indien de houder blijvend medisch ongeschikt voor de zeevaart is verklaard.

  • 2 Een vaarbevoegdheidsbewijs kan door het hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts worden ingetrokken indien is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn opgegeven dan wel dat valse of vervalste documenten zijn overgelegd.

  • 3 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, ter voorkoming van een noodsituatie of gevaar voor het scheepvaartverkeer, de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs voor ten hoogste 24 uur een verbod opleggen aan boord van een schip een functie uit te oefenen of werkzaamheden te verrichten.

  • 4 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie trekt een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22 in, indien de geldigheid van het buitenlandse diploma, certificaat of bevoegdheidsbewijs op grond waarvan dat vaarbevoegdheidsbewijs is afgegeven, door of vanwege de bevoegde buitenlandse autoriteit is geschorst of ingetrokken.

  • 5 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt de bevoegde buitenlandse autoriteit in kennis van de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel ten aanzien van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22.

Artikel 25

  • 1 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien van een bemanningslid, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, voor een bepaald schip, en voor een periode van ten hoogste zes maanden, ontheffing verlenen van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs.

  • 2 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan aan de houder van een vaarbevoegdheid, geldig op kleine schepen, ontheffing geven van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichting om in het bezit te zijn van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, voorzover die bevoegdheid wordt gebruikt aan boord van een schip, dat als gevolg van een verbouwing niet meer als klein schip is aan te merken, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. de ontheffing geldt voor de duur van de opleiding van de houder ten behoeve van een bevoegdheid geldig op alle schepen, met een maximum van twee jaren, en

    • b. de houder heeft in de vijf jaren, voorafgaand aan de aanvraag, twee jaren aan boord van dit schip, of aan boord van een naar het oordeel van het hoofd van de Scheepvaartinspectie identiek schip, dienst gedaan.

Artikel 25a

  • 1 Ter uitvoering van de artikelen 20 tot en met 24 worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of degene die aan boord van een schip werkzaamheden verricht waarvoor het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, voldoet of niet meer voldoet aan de wettelijke vereisten betreffende de medische geschiktheid in verband met de afgifte of het behoud van een vaarbevoegdheidsbewijs. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.

  • 2 Ter uitvoering van artikel 25 worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan een bemanningslid, onderscheidenlijk aan de houder van een vaarbevoegdheid, ontheffing kan worden verleend van de verplichting in het bezit te zijn van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie is verantwoordelijke voor deze verwerking.

Hoofdstuk 3. De kapitein

Artikel 27

  • 1 De kapitein is belast met de handhaving van de openbare orde aan boord en oefent aan boord over alle opvarenden gezag uit.

  • 2 De kapitein belast een bemanningslid niet met werkzaamheden aan boord, waarvoor een vaarbevoegdheid of beroepskwalificatie vereist is, indien dat bemanningslid niet blijkens zijn geldige vaarbevoegdheidsbewijs of, indien dat is toegestaan, blijkens een document als bedoeld in artikel 21 bevoegd is die werkzaamheden aan boord te verrichten.

  • 3 De opvarenden zijn verplicht de bevelen van de kapitein na te komen die door de kapitein worden gegeven in het belang der veiligheid of tot handhaving van de orde, met inbegrip van de openbare orde.

Artikel 28

De kapitein oefent zijn gezag uit zodra hij aan boord is en het gezag heeft aanvaard of overgenomen, en zolang hij het gezag niet heeft overgedragen of de scheepsbeheerder hem het gezag niet heeft ontnomen.

Artikel 29

  • 1 Op Nederlandse schepen worden alleen personen als kapitein aangesteld die de nationaliteit bezitten van:

    • a. het Koninkrijk der Nederlanden, dan wel

    • b. van een andere staat, doch uitsluitend indien zij ingevolge artikel 30 zijn vrijgesteld van de in de aanhef en onderdeel a genoemde eis.

  • 2 Bij ministeriële regeling kan, onder het stellen van voorwaarden of beperkingen, ten behoeve van vissersvaartuigen vrijstelling worden verleend van het in het eerste lid bedoelde vereiste.

Artikel 30

  • 1 Personen die de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn vrijgesteld van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig zijn.

  • 2 Aan personen die de nationaliteit bezitten van een andere staat kan bij regeling van Onze Minister vrijstelling worden verleend van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig zijn, mits het betreft:

    • a. staten waarmee, ingevolge een daartoe strekkend besluit van de Raad van de Europese Unie, toetredingsonderhandelingen gaande zijn en die voorkomen op een lijst die bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld, of

    • b. een staat die niet behoort tot een van de staten, bedoeld onder a.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kan slechts worden verleend indien:

    • a. het Koninkrijk der Nederlanden voor Nederland met die staat een schriftelijke afspraak heeft gemaakt voor de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in Voorschrift I/10 van de Bijlage van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), en

    • b. de goedkeuringsprocedure opgenomen in artikel 18, derde lid, in verbinding met artikel 23, tweede lid, van Richtlijn nr. 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 136), is voltooid.

  • 4 Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen beperkingen of nadere voorschriften worden verbonden.

  • 5 Door werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw wordt, ter regulering van de arbeidsmarkt voor kapiteins met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk die van een staat als bedoeld in het eerste lid, voor hun sector een privaatrechtelijke regeling vastgesteld omtrent afgifte aan een scheepsbeheerder van een schriftelijke toestemming tot het aanstellen van een persoon met een andere nationaliteit in de functie van kapitein.

  • 6 Elk der regelingen, bedoeld in het vijfde lid, bevat bepalingen ten aanzien van de afgifte, respectievelijk de weigering van een verklaring als bedoeld in het vijfde lid, door een paritair samengestelde commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.

  • 7 De regeling als bedoeld in het vijfde lid, bevat daarnaast in elk geval:

    • a. een klachtenprocedure ten behoeve van eerste stuurlieden, respectievelijk eerste maritieme officieren die naar hun oordeel op onjuiste gronden niet zijn aangesteld in de functie van kapitein op een Nederlands schip;

    • b. de vaststelling van de werkzaamheden van de commissie, bedoeld in het zesde lid, en

    • c. de wijze van verkrijging van betrouwbare en zo volledig mogelijke informatie als omschreven in het achtste lid, welke jaarlijks vóór 1 april aan Onze Minister dient te worden verstrekt.

  • 8 De informatie, bedoeld in het zevende lid, onder c, omvat:

    • a. het aantal zeevarenden op de Nederlandse vloot, gerangschikt naar functie, leeftijd en nationaliteit;

    • b. het aantal Nederlandse officieren dat in het verstreken jaar voor het eerst, anders dan als stagiair, is gemonsterd op Nederlandse zeeschepen;

    • c. het aantal beschikbare stageplaatsen;

    • d. het aantal Nederlandse studenten dat als stagiair is geplaatst, en

    • e. het aantal buitenlandse studenten dat als stagiair is geplaatst, alsmede de nationaliteit van deze stagiairs.

  • 9 Onze Minister kan, indien de informatie als bedoeld in het achtste lid, hem daartoe gerede aanleiding geeft, alsmede op een daartoe strekkend verzoek van een of van beide Commissies als bedoeld in het zesde lid, aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie aanwijzing geven de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, voor een bepaalde periode geheel of gedeeltelijk op te schorten.

  • 10 Voorafgaand aan de vaststelling van een regeling als bedoeld in het tweede lid pleegt Onze Minister overleg over het ontwerp van een regeling met de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.

  • 11 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de vrijstelling van de eisen neergelegd in artikel 29, eerste lid, voor de gevallen waarin de privaatrechtelijke regeling, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dat vijfde lid tot stand is gekomen, dan wel vervallen is zonder dat door de werkgevers- en werknemersorganisaties in de desbetreffende sector is voorzien in vervanging van die regeling.

Artikel 31

  • 1 In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een Nederlands schip, niet zijnde een vissersvaartuig, treedt als kapitein op de eerste stuurman, onderscheidenlijk de eerste maritiem officier.

  • 2 In geval geen eerste stuurman of eerste maritiem officier aanwezig is, treedt als kapitein op een door de scheepsbeheerder aangewezen persoon.

  • 3 In geval van belet of ontstentenis van de kapitein van een vissersvaartuig treedt als kapitein op de plaatsvervangend schipper of, bij afwezigheid van een plaatsvervangend schipper, een door de scheepsbeheerder aangewezen persoon.

Artikel 32

  • 1 De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat de kapitein op grond van de door hem gegeven zienswijze bij de toepassing van artikel 4, derde lid, of bij toepassing van artikel 8, vierde lid, niet benadeeld wordt in zijn positie in de zeescheepvaartonderneming.

  • 2 De kapitein kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de scheepsbeheerder gevolg dient te geven aan hetgeen in het eerste lid is bepaald.

Hoofdstuk 4. Monstering en medische keuring van de bemanning

§ 1. Monstering

Artikel 33

  • 1 Aan boord van een schip is een monsterrol, die wordt opgemaakt en gewijzigd door de kapitein.

  • 2 In de monsterrol worden ten minste de namen en functies opgenomen van de bemanningsleden die de functies vervullen, genoemd in het bemanningscertificaat, alsmede van de bemanningsleden die door de scheepsbeheerder dan wel de kapitein, met toepassing van respectievelijk artikel 4, eerste lid, en artikel 4, derde lid, naast de eerstbedoelde bemanningsleden aan boord zijn geplaatst.

  • 3 De monsterrol heeft een geldigheidsduur van niet meer dan twaalf maanden.

  • 4 De kapitein stelt het hoofd van de Scheepvaartinspectie binnen een week dan wel in de eerstvolgende haven in kennis van een door hem opgemaakte monsterrol of van wijzigingen in de monsterrol.

Artikel 34

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

    • a. wordt bepaald welke gegevens van de bemanning voorts worden opgenomen in de monsterrol;

    • b. wordt het model van de monsterrol vastgesteld;

    • c. worden de wijze en frequentie van opmaken en wijzigen van de monsterrol bepaald;

    • d. kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de het hoofd van de Scheepvaartinspectie van een opgemaakte of gewijzigde monsterrol in kennis wordt gesteld.

  • 3 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in bijzondere gevallen van de verplichting, genoemd in artikel 33, eerste lid, en van de bepalingen krachtens het eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen ten behoeve van een bepaald schip en gedurende een bepaalde periode. Aan deze ontheffing kunnen beperkingen en voorwaarden worden verbonden.

Artikel 35

De bemanningsleden, bedoeld in artikel 33, tweede lid, zijn in het bezit van een geldig monsterboekje of een voorlopig monsterboekje, waaruit de gegevens, die op de monsterrol worden vermeld, worden overgenomen.

Artikel 36

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot

  • a. het monsterboekje of het voorlopig monsterboekje, alsmede de afgifte ervan;

  • b. de in het monsterboekje en het voorlopig monsterboekje op te nemen gegevens, en

  • c. de gegevens die anderen dan de kapitein in het monsterboekje of het voorlopig monsterboekje mogen aantekenen.

Artikel 37

  • 1 Een monsterboekje is tot tien jaar na de datum van afgifte geldig.

  • 2 Een voorlopig monsterboekje is tot 3 maanden na de datum van afgifte geldig.

Artikel 38

  • 1 De kapitein tekent van een bemanningslid in het monsterboekje aan:

    • a. de dag van aanmonstering;

    • b. de dag van afmonstering;

    • c. de functie waarin het bemanningslid heeft dienst gedaan, en

    • d. de naam en de roepletters van het schip.

  • 2 In het monsterboekje wordt het loon noch enige gedragsbeoordeling opgenomen.

Artikel 39

  • 1 Indien het bemanningslid van mening is, dat de kapitein of de ander, bedoeld in artikel 36, aanhef en onderdeel c, in zijn monsterboekje vermeldingen in strijd met artikel 38 heeft gedaan of nagelaten, kan hij daarover een klacht indienen bij het hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze beslist, zo nodig na verhoor of behoorlijke oproeping van belanghebbenden, en brengt de door hem nodig geachte verbetering in het boekje aan.

  • 2 De bevoegdheid van het bemanningslid tot het indienen van een klacht als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van vier weken na de dag van afmonstering in een Nederlandse haven en van zes maanden na de dag van afmonstering buiten Nederland.

§ 2. Medische keuring van de bemanning

Artikel 40

  • 1 Elk bemanningslid is in het bezit van een of meer van de in het tweede lid genoemde geldige geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, waaruit blijkt dat hij is gekeurd door een geneeskundige of medisch specialist die door Onze Minister daartoe is aangewezen, en dat hij voldoet aan de eisen van medische geschiktheid, vastgesteld krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten 3.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart zijn de geneeskundige verklaringen:

    • a. betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid;

    • b. betreffende het gezichtsorgaan, en

    • c. betreffende het gehoororgaan.

Artikel 41

De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, bedoeld in artikel 40, eerste lid, worden bij aanmonstering overgelegd.

Artikel 42

  • 1 Indien de geneeskundige of medisch specialist na de keuring weigert aan de gekeurde de vereiste geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft de gekeurde het recht zich nogmaals te laten keuren door een door Onze Minister als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist.

  • 2 Het oordeel van de als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist is bindend.

  • 3 De gekeurde, aan wie geweigerd is een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart af te geven, heeft het recht zich opnieuw door een scheidsrechter te laten onderzoeken, indien er medische gronden zijn om te veronderstellen dat de reden voor de eerdere afkeuring is vervallen.

  • 4 De gekeurde die tijdens het onderzoek heeft meegedeeld dat hij van mening is dat hij op medische gronden ongeschikt voor de zeevaart moet worden bevonden, heeft het recht zich door een scheidsrechter te laten onderzoeken, indien de keurende geneeskundige of medische specialist geen bezwaren heeft geconstateerd tegen afgifte aan hem van een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.

Artikel 43

  • 1 De geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart, afgegeven door een geneeskundige of medisch specialist die niet ingevolge artikel 42 als scheidsrechter is aangewezen, nadat een andere geneeskundige of medisch specialist de afgifte van een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart heeft geweigerd, is ongeldig.

  • 2 Indien uit een volgende keuring blijkt dat de gekeurde niet aan de gestelde eisen van medische geschiktheid voldoet, vervalt de geldigheid van de desbetreffende, eerder afgegeven, verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.

Artikel 44

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot

    • a. de medische keuring, bedoeld in artikel 40, eerste lid;

    • b. de herkeuring door als scheidsrechters aangewezen geneeskundigen of medisch specialisten;

    • c. de aanwijzing van geneeskundigen, medisch specialisten en scheidsrechters, alsmede de intrekking van deze aanwijzing;

    • d. de geldigheidsduur van de geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart.

  • 2 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor een bepaalde periode van de verplichting te voldoen aan de geldende medische normen ontheffing verlenen, indien een als scheidsrechter aangewezen geneeskundige of medisch specialist daartoe gemotiveerd adviseert.

Artikel 45

Indien korte tijd voor vertrek van een schip de bemanning moet worden aangevuld, kan, indien dringende omstandigheden nopen tot het aanmonsteren van personen die niet in het bezit zijn van een of meer geldige geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, door het hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing worden verleend van de in artikel 40, eerste lid, bedoelde verplichting.

Artikel 46

Indien de monsterrol moet worden opgemaakt of aangevuld in een haven buiten Nederland, waar geen geneeskundigen of medisch specialisten als bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanwezig zijn, wordt ten aanzien van de geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart het ter plaatse geldende gebruik gevolgd.

Artikel 47

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 45 en 46, wordt bij de eerste gelegenheid een medische keuring door een geneeskundige of medisch specialist als bedoeld in artikel 40, eerste lid, verricht.

Artikel 48

  • 1 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bijzondere categorieën opvarenden in het bezit moeten zijn van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.

  • 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bemanningsleden op bepaalde schepen vrijgesteld zijn van onderdelen van de medische keuring.

Hoofdstuk 5. Toezicht en opsporing

Artikel 49

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen.

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 50

De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is bevoegd ter uitoefening van zijn bevoegdheden ingevolge deze wet elke plaats te betreden, met inbegrip van woongedeelten van schepen.

Artikel 51

  • 1 De in artikel 49, eerste lid, bedoelde toezichthouder is bevoegd zaken en schepen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de in artikel 50 bedoelde plaatsen.

  • 2 Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden, in geval van gegrond vermoeden dat in strijd wordt gehandeld met enige verplichting ingevolge deze wet, van de kapitein van een schip te vorderen dat deze het schip gaande houdt dan wel naar een door hem aangewezen veilige ligplaats of ankerplaats brengt.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan.

Artikel 52

  • 1 Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden, indien er voorafgaand aan het vertrek naar zee

    • a. geen bemanningscertificaat voor het schip is afgegeven of het bemanningscertificaat ongeldig is;

    • b. de door hem aangetroffen bemanning niet ten minste in overeenstemming is met het bemanningscertificaat; of

    • c. van het schip kennelijk een ander gebruik wordt of zal worden gemaakt dan overeenkomstig de beperkingen of voorwaarden vermeld in het bemanningscertificaat.

  • 2 De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is eveneens bevoegd een schip aan te houden, indien de toezichthouder de toegang tot het schip wordt geweigerd of indien geen medewerking aan diens onderzoek wordt gegeven.

  • 3 De aanhouding wordt opgeheven, zodra de reden voor de aanhouding is komen te vervallen.

Artikel 53

  • 1 De ambtenaar stelt het hoofd van de Scheepvaartinspectie onverwijld in kennis van de aanhouding en van de redenen voor de aanhouding.

  • 2 Van een besluit tot aanhouding van een schip of tot opheffing van de aanhouding wordt voorts de betrokken ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, in kennis gesteld.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde ambtenaar verleent geen expeditie voor het betrokken schip indien hij een mededeling van aanhouding heeft ontvangen en zolang hij geen mededeling van opheffing heeft ontvangen.

Artikel 55

Met het opsporen van feiten, die bij of krachtens deze wet strafbaar zijn gesteld, zijn belast:

Hoofdstuk 6. Verbodsbepalingen

Artikel 56

  • 1 Het is verboden met een schip naar zee te gaan, een schip naar zee te doen gaan of op zee een schip te gebruiken of te doen gebruiken, zonder dat aan boord van het schip een geldig bemanningscertificaat voorhanden is.

  • 2 Het is verboden om een schip waarvoor een certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in de Schepenwet is vereist of is afgegeven, te gebruiken op wateren die ter plaatse als binnenwater worden aangemerkt, zonder dat aan boord van het schip een geldig bemanningscertificaat voorhanden is.

Artikel 57

Het is verboden

  • a. om een schip te bemannen met minder bemanningsleden dan is aangegeven in het bemanningscertificaat;

  • b. een schip zodanig te bemannen dat niet ten minste de op het bemanningscertificaat aangegeven functies worden verricht door tot het verrichten van die functies bevoegde bemanningsleden, of

  • c. het schip te gebruiken in strijd met de voorwaarden van het bemanningscertificaat.

Artikel 58

  • 1 Het is verboden het houden van uitkijk, dan wel het optreden als chef van de wacht op de brug of als chef van de wacht in de machinekamer of machinekamers, op te dragen aan of te laten verrichten door bemanningsleden die tot het verrichten van die werkzaamheden niet bevoegd zijn.

  • 2 Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge artikel 18 een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, te verrichten, indien men hiertoe niet door middel van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs bevoegd is verklaard.

  • 3 Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge artikel 21 een certificaat of een ander document is vereist, te verrichten, indien men hiertoe niet door middel van een geldig certificaat of document bevoegd is verklaard.

Artikel 59

Het is verboden na te laten de monsterrol op te maken, opnieuw op te maken of bij te stellen, dan wel na te laten het hoofd van de Scheepvaartinspectie ingevolge artikel 33, vierde lid, in kennis te stellen van de opgemaakte monsterrol of van een wijziging hiervan.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

§ 1. Bezwaar en beroep

Artikel 61

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit van het hoofd van de Scheepvaartinspectie of tegen een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie tot aanhouding van een schip, kan iedere belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.

§ 2. Tarieven

Artikel 62

Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld voor

  • a. de afgifte van bemanningscertificaten;

  • b. de beoordeling van een bemanningsplan;

  • c. de afgifte, vervanging of vernieuwing van vaarbevoegdheidsbewijzen;

  • d. de afgifte of vervanging van een monsterboekje of een voorlopig monsterboekje;

  • e. examens;

  • f. het verlenen van ontheffingen;

  • g. vergoedingen van gecommitteerden en deskundigen;

  • h. de afgifte, vervanging of vernieuwing van bijzondere documenten, bedoeld in artikel 21, en

  • i. de behandeling van een aanvraag voor en de afgifte van diploma's, getuigschriften en verklaringen.

§ 3. Aanwijzing gecommitteerden en deskundigen

Artikel 63

Onze Minister kan gecommitteerden of deskundigen aanwijzen, die bevoegd zijn de examens bij te wonen die worden afgenomen ter verkrijging van de bij of krachtens deze wet bedoelde vaarbevoegdheden, diploma’s of certificaten.

§ 4. Uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties

Artikel 64

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede van andere verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, regels met betrekking tot de bemanning van schepen worden gesteld ter waarborging van de veilige en milieuverantwoorde vaart.

§ 5. Centraal register bemanningsgegevens

Artikel 65

Er is een Centraal register bemanningsgegevens, waarin het hoofd van de Scheepvaartinspectie de afgegeven monsterboekjes en voorlopige monsterboekjes, de afgegeven en ingetrokken vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in de artikelen 18 en 22, de gegeven vrijstellingen en ontheffingen, en de hem toegezonden gegevens van de monsterrollen, registreert.

Artikel 66

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens in het Centraal register bemanningsgegevens worden geregistreerd.

§ 6. Openbaar register van bemanningscertificaten

Artikel 67

  • 1 Er is een openbaar register van bemanningscertificaten, dat door het hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt gehouden.

  • 2 Dit register kan door eenieder kosteloos worden geraadpleegd.

  • 3 Desgevraagd wordt tegen ten hoogste de kostprijs een afschrift verstrekt van het bemanningscertificaat voor een bepaald schip.

§ 7. Staatsexamens

Artikel 68

Onze Minister kan examencommissies aanwijzen, bij welke aan degenen, die geen opleiding aan een door het Rijk bekostigde instelling hebben gevolgd, gelegenheid wordt geboden examen af te leggen voor de hierna genoemde getuigschriften, onderscheidenlijk verklaringen:

  • - als maritiem officier;

  • - als stuurman/werktuigkundige kleine schepen;

  • - schipper/machinist beperkt werkgebied;

  • - stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW4;

  • - stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW5;

  • - stuurman/werktuigkundige voor de zeevisvaart SW6;

  • - stuurman grote zeilvaart;

  • - stuurman kleine zeilvaart;

  • - stoomvoortstuwing.

Artikel 69

Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald voor de functies, tot welke de in artikel 68 genoemde getuigschriften en verklaringen toegang verlenen.

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 70

  • 1 De verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, die op grond van Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 zijn afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

  • 2 Verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, waarop geen einddatum is vermeld, zijn geldig tot de eerste dag van de maand volgend op het bereiken van het 65ste jaar van de houder.

Artikel 71

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke vaarbevoegdheidsbewijzen, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 3, van deze wet, de houder van een geldige Nederlandse verklaring van geschiktheid en bekwaamheid, van een zeevaartdiploma of een diploma voor de zeevisvaart aanspraak heeft.

  • 2 De vaarbevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zijn ten minste gelijkwaardig aan de bevoegdheid ingevolge de verklaring van geschiktheid en bekwaamheid die, of het diploma voor de zeevisvaart dat voor vervanging in aanmerking komt.

  • 3 Onder de zeevaartdiploma's, bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan de diploma's, voor inwerkingtreding van deze wet verkregen op grond van het Besluit van 3 april 1941 (Stb. B 32), houdende bepalingen betreffende gelijkstelling van de Zeevaartdiploma’s uitgereikt door of vanwege den Gouverneur van Curaçao met de diploma’s uitgereikt door de commissie ingesteld ingevolge de Wet op de Zeevaartdiploma’s (Staatsblad 1935 No. 456), alsmede de diploma's, voor inwerkingtreding van deze wet verkregen op grond van het Besluit van 12 september 1942 (Stb. C 55), houdende gelijkstelling van diploma’s voor stuurlieden en machinisten.

  • 4 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende beroepsvereisten worden gesteld waaraan de houder van een van de diploma's, genoemd in artikel 76 moet voldoen alvorens hij in aanmerking komt voor de afgifte van het daarbij genoemde vaarbevoegdheidsbewijs.

Artikel 72

De documenten, houdende de minimum voorgeschreven bemanningssamenstelling met de functies van de bemanningsleden, die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid overeenkomstig de einddatum van het certificaat van deugdelijkheid waar zij bij behoren.

Artikel 73

Scheepsbeheerders van schepen, die zijn bemand overeenkomstig de modellen van het Besluit zeevaartdiploma’s en Hoofdstuk VII van het Schepenbesluit 1965 of het Bemanningseisenbesluit, waarvan de bemanningssamenstelling niet wordt gewijzigd na inwerkingtreding van deze wet, kunnen een beperkt bemanningsplan indienen bij de aanvraag van het eerste bemanningscertificaat.

Artikel 74

De geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid overeenkomstig de daarop aangegeven einddatum.

Artikel 75

Op aanvragen voor bemanningsdocumenten, verklaringen van geschiktheid en bekwaamheid, monsterboekjes en geneeskundige verklaringen voor de zeevaart, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en op dat tijdstip nog in behandeling zijn, wordt besloten met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 76

  • 1 Tot 1 februari 2002 kan examen worden afgelegd ter verkrijging van het diploma

    • - als eerste stuurman voor de grote handelsvaart;

    • - als tweede stuurman voor de grote handelsvaart;

    • - als derde stuurman voor de grote handelsvaart;

    • - als stuurman voor de kleine handelsvaart en het aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart;

    • - C als scheepswerktuigkundige;

    • - B als scheepswerktuigkundige;

    • - A als scheepswerktuigkundige;

    • - als motordrijver;

    • - voor de zeevisvaart SW VI;

    • - voor de zeevisvaart SW V;

    • - voor de zeevisvaart S IV-v;

    • - voor de zeevisvaart W IV-v.

  • 2 Tot 1 februari 2007 worden aan houders van een verklaring dat het desbetreffende examen met goed gevolg werd afgelegd de in het eerste lid genoemde diploma’s afgegeven, alsmede de diploma’s

    • - als stuurman voor de grote sleepvaart;

    • - het voorlopig diploma als scheepswerktuigkundige;

    • - als assistent scheepswerktuigkundige.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden met inachtneming van de in het eerste lid genoemde einddatum, de tijdstippen bepaald waarop de respectievelijke in dat lid genoemde examens voor de laatste maal worden afgenomen.

Artikel 77

Bij algemene maatregel van bestuur worden de beroepsvereisten bepaald voor de functies, tot welke de in artikel 76, eerste lid, genoemde diploma’s toegang verlenen.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 79

  • 1 [Red: Wijzigt het Wetboek van Koophandel.]

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt de Wet op de zeevaartdiploma’s ingetrokken.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt de Wet op de Zeevischvaartdiploma's, Stb. 1935, 455, ingetrokken.

  • 4 Het Besluit van 12 september 1942, houdende gelijkstelling van diploma’s voor stuurlieden en machinisten (Stb. C 55), wordt ingetrokken.

Artikel 81

[Red: WIjzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.]

Artikel 82

Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op de artikelen 19, eerste lid, en 77 van deze wet:

Artikel 84

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 11 december 1997

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de negenentwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Terug naar begin van de pagina