Huursubsidiebesluit

Geldend van 01-08-2003 t/m 25-03-2004

Besluit van 25 juni 1997 tot uitvoering van de Huursubsidiewet, met uitzondering van de bepalingen van die wet betreffende de beheersing van de huurlasten en de huursubsidieuitgaven (Huursubsidiebesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 maart 1997, nr. MJZ 97092973, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 4, derde lid, 11, tweede lid, 28, derde lid, en 46 van de Huursubsidiewet, alsmede op artikel 34, derde lid, van de Huisvestingswet, 70, vijfde en zesde lid, van de Woningwet, 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, 9, zevende lid, van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden, 7a, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet en 102 van de Organisatiewet sociale voorzieningen 1997;

De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, nr. W08.97.0165);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 juni 1997, nr. MJZ 97109564, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. DEFINITIES

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 3. Onzelfstandige woonruimte

Artikel 3

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt kan op voet van artikel 11, tweede lid, van de wet, slechts door Onze Minister worden aangewezen indien:

    • a. de woonruimte geschikt en bestemd is voor begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom is van een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is, en

    • b. de woonruimte zodanig is verdeeld dat, indien een huishouden over drie of meer kamers beschikt dan het aantal personen waaruit dat huishouden bestaat, dit naar het oordeel van Onze Minister aanvaardbaar is in verband met een goede volkshuisvesting.

  • 2 Onze Minister kan de aanwijzing intrekken indien:

    • a. niet langer is voldaan aan het eerste lid;

    • b. de rekenhuur anders dan door middel van huursubsidie wordt gesubsidieerd, of

    • c. de aanwijzing naar zijn oordeel redelijkerwijs niet geacht kan worden een doel binnen de volkshuisvesting te dienen.

  • 3 De aanwijzing van een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt die is verhuurd ten behoeve van begeleid wonen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, kan voorts worden ingetrokken indien:

    • a. het begeleid wonen of de daarmee vergelijkbare woonvorm niet gericht is op integratie en acceptatie van de bewoners in de nabije omgeving;

    • b. het geen kleinschalig project betreft, of

    • c. de begeleiding niet plaatsvindt door een instantie voor lichamelijke, psychiatrische of maatschappelijke hulpverlening die, naar het oordeel van Onze Minister na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voldoende deskundig is.

  • 4 De aanwijzing van een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt die is verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, kan voorts worden ingetrokken indien:

    • a. niet alle huurders van de desbetreffende wooneenheden zijn genoemd in één overeenkomst van huur en verhuur, of

    • b. in de desbetreffende wooneenheden niet ten minste drie huishoudens zijn gehuisvest.

  • 5 De aanwijzing van een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt die is verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, kan voorts worden ingetrokken indien niet ten minste 80 procent van de huurders van de desbetreffende onzelfstandige woonruimte op de peildatum 65 jaar of ouder is.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 110, datum inwerkingtreding 26-03-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2002.

1 Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van de wet, kan op voet van artikel 11, tweede lid, van de wet, slechts door Onze Minister worden aangewezen indien:

  • a. de desbetreffende woonruimten geschikt en bestemd zijn voor:

    • 1°. begeleid wonen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm, of

    • 2°. groepswonen door ouderen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm;

  • b. de desbetreffende huurovereenkomst naar haar aard niet van korte duur is;

  • c. de rekenhuur niet anders dan door middel van huursubsidie wordt gesubsidieerd, en

  • d. de desbetreffende woonruimten zodanig zijn verdeeld dat elke huurder over minimaal één privé-vertrek beschikt.

2 Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kan voorts slechts worden aangewezen indien:

  • a. de desbetreffende woonruimten bestemd zijn voor huurders die zonder zorg of begeleiding niet zelfstandig kunnen wonen;

  • b. het begeleid wonen of de daarmee vergelijkbare woonvorm gericht is op integratie en acceptatie van de bewoners in de nabije omgeving;

  • c. de zorg of begeleiding plaatsvindt door een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten zorginstelling of een andere deskundige, erkende hulpverleningsinstantie;

  • d. er een gescheiden huur- en zorgovereenkomst is, en

  • e. de desbetreffende woonruimten niet bestemd zijn om uitsluitend te worden bewoond door minderjarige huurders.

3 Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, kan voorts slechts worden aangewezen indien:

  • a. alle huurders van de desbetreffende woonruimten zijn genoemd in één overeenkomst van huur en verhuur;

  • b. in de desbetreffende woonruimten ten minste drie huishoudens zijn gehuisvest, en

  • c. ten minste 80 procent van de huurders van de desbetreffende woonruimten op de peildatum 65 jaar of ouder is.

4 Onze Minister kan de aanwijzing intrekken indien niet langer wordt voldaan aan het eerste, tweede of derde lid.

Hoofdstuk 4. Bij de aanvraag te verstrekken bescheiden

Terugwerkende kracht

Voor dit hoofdstuk is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 110, datum inwerkingtreding 26-03-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit hoofdstuk. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2002.

Verklaring van de voorzitter van de huurcommissie

Artikel 4

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Bij de aanvraag wordt een verklaring van de voorzitter van de huurcommissie verstrekt als de aanvraag betrekking heeft op een woning:

    • a. waarvoor de huurder voor de eerste keer een aanvraag doet tot toekenning van huursubsidie, en

    • b. die:

      • 1°. een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is, die niet wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente, of

      • 2°. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, die door Onze Minister is aangewezen krachtens artikel 11, tweede lid, van de wet.

  • 2 Het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, is van overeenkomstige toepassing, als de toegelaten instelling of de gemeente een andere verhuurder vertegenwoordigt.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 110, datum inwerkingtreding 26-03-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2002.

1 Onze Minister verzoekt aan de voorzitter van de huurcommissie van het ressort waarin de woning is gelegen een verklaring af te geven die betrekking heeft op een woning:

  • a. waarvoor de huurder een aanvraag doet tot toekenning van huursubsidie, en

  • b. die:

    • 1°. een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is, die niet wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet of een gemeente, of

    • 2°. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, die door Onze Minister is aangewezen krachtens artikel 11, tweede lid, van de wet.

2 Het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, is van overeenkomstige toepassing, als de toegelaten instelling of de gemeente een andere verhuurder vertegenwoordigt.

Artikel 5

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De verklaring van de voorzitter van de huurcommissie wordt als volgt verkregen:

  • a. de huurder vult het aanvraagformulier volledig in dat door Onze Minister is vastgesteld en door burgemeester en wethouders verkrijgbaar is gesteld, en

  • b. de huurder dient dit aanvraagformulier vervolgens in bij de voorzitter van de huurcommissie van het ressort waarin de woning is gelegen.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 110, datum inwerkingtreding 26-03-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2002.

Dit onderdeel vervalt.

Artikel 6

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De voorzitter van de huurcommissie vermeldt op de verklaring de hoogte van de huurprijs en of deze redelijk is, beoordeeld naar de bij of krachtens de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gestelde regels.

  • 3 De verklaring van de voorzitter van de huurcommissie bevat voorts de volgende gegevens:

    • a. of de aanvraag een woning betreft waarvoor huursubsidie kan worden toegekend;

    • b. of tot de woning een garage behoort;

    • c. of tot de woning een bedrijfsruimte behoort;

    • d. of servicekosten zijn verschuldigd die voor de bepaling van het recht op en de hoogte van de huursubsidie in aanmerking worden genomen.

Terugwerkende kracht

Stb. 2004, 110, datum inwerkingtreding 26-03-2004, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2002.

De voorzitter van de huurcommissie vermeldt op de verklaring de hoogte van de huurprijs en of deze al dan niet redelijk is, beoordeeld naar de bij of krachtens de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gestelde regels. Indien de voorzitter van de huurcommissie van oordeel is dat de huurprijs niet redelijk is, vermeldt hij tevens het puntenaantal van de woning op basis van het waarderingsstelsel, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte.

HOOFDSTUK 5. INFORMATIEPLICHT

Artikel 7

  • 1 Als de personen en de instanties, bedoeld in artikel 46 van de wet, die kosteloos gegevens en afschriften van stukken verstrekken aan burgemeester en wethouders en Onze Minister worden aangewezen:

    • a. toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet;

    • b. verhuurders;

    • c. al dan niet voormalige werkgevers van de huurder en tot diens huishouden behorende personen;

    • d. instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie of water leveren;

    • e. ziektekostenverzekeraars, ziekenfondsen, uitvoerende organen van publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren, en

    • f. indicatieorganen als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

  • 2 Voor de uitvoering van hoofdstuk 4A van de wet worden als personen en instanties die kosteloos aan burgemeester en wethouders gegevens en afschriften van stukken verstrekken, bovendien aangewezen:

    • a. burgemeester en wethouders van andere gemeenten;

    • b. bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen, belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 7 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;

    • c. het College van toezicht sociale verzekeringen;

    • d. de Sociale Verzekeringsbank;

    • e. het Landelijk instituut sociale verzekeringen;

    • f. de uitvoeringsinstellingen, bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    • g. de sectorraden, bedoeld in artikel 56 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

  • 3 Als de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, van medische aard zijn, vindt de verstrekking daarvan slechts plaats voor zover door degene op wie die gegevens betrekking hebben, schriftelijke toestemming is verleend.

  • 4 De in het eerste en tweede lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden schriftelijk of, desgevraagd, in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.

HOOFDSTUK 6. WIJZIGING VAN ANDERE BESLUITEN

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de werking van de Wet individuele huursubsidie blijven van toepassing het Besluit individuele huursubsidie en het Besluit verklaring huurgegevens individuele huursubsidie.

Artikel 15

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.

  • 2 Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt gepubliceerd wordt uitgegeven op of na 1 juli 1997, werkt het terug tot en met 1 juli 1997.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 25 juni 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

D. K. J. Tommel

Uitgegeven de eerste juli 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Terug naar begin van de pagina