Arbeidsomstandighedenregeling

Geldend van 01-01-2003 t/m 29-06-2003

Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

Paragraaf 1.1a. Certificatie

Artikel 1.1a. Jaarverslag

In het jaarverslag van een certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, van het besluit worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

  • a. de door de instelling afgegeven, ingetrokken dan wel geweigerde certificaten;

  • b. wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende accreditaties, reglementen en procedures;

  • c. wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende taakverdeling;

  • d. wijzigingen in de bestuurssamenstelling;

  • e. wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;

  • f. aan derden uitbestede werkzaamheden;

  • g. structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;

  • h. het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;

  • i. door de instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan;

  • j. tegen de beslissingen van de instelling ingediende bezwaren en ingestelde beroepen en de wijze van afhandeling daarvan;

  • k. een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.

Paragraaf 1.2. Algemene bepalingen over opleidingen

Artikel 1.3. Materiaal

De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.

Artikel 1.4. Docenten

De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.

Artikel 1.5. Faciliteiten

  • 1 De opleidingsinstelling beschikt over adequate opleidingsfaciliteiten.

  • 2 De opleidingsinstelling biedt de opleiding ten minste twee maal per jaar aan en voert haar ten minste eenmaal per jaar uit.

  • 3 De opleidingsinstelling legt de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokkenen bij de opleiding schriftelijk vast.

  • 4 De opleidingsinstelling treft adequate maatregelen om de veiligheid van de cursisten zoveel mogelijk te waarborgen.

Artikel 1.6. Toetsing eindtermen

  • 1 De toetsing van de eindtermen vindt plaats door middel van een examen.

  • 2 De opleidingsinstelling neemt de examens af aan de hand van een deugdelijk en op schrift gesteld examenreglement.

Artikel 1.7. Diploma

De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.

Artikel 1.8. Administratie

De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.

Paragraaf 1.4. Melding arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel 1.10. Gegevens arbeidsongevallen

De schriftelijke mededeling van arbeidsongevallen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet omvat ten minste de gegevens, bedoeld in bijlage I bij deze regeling.

Artikel 1.11. Gegevens beroepsziekten

  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder beroepsziekte: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.

  • 2 De mededeling van een beroepsziekte, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet omvat ten minste de volgende, niet tot een individuele natuurlijke persoon herleidbare, gegevens:

    • a. de diagnose;

    • b. het geslacht en het geboortejaar van de werknemer;

    • c. de aard en de mate van de belasting in arbeid of arbeidsomstandigheden;

    • d. de aard van de werkzaamheden ten tijde van het ontstaan van de beroepsziekte;

    • e. het beroep van de werknemer ten tijde van de blootstelling, en

    • f. de economische activiteit van de werkgever ten tijde van de blootstelling.

Paragraaf 1.6. Fiscale faciliëring arbo-investeringen

Artikel 1.16. Aanwijzing bedrijfsmiddelen

Als bedrijfsmiddelen in het belang van de arbeidsomstandigheden, bedoeld in artikel 3.32, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 26a, derde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen worden aangewezen de bedrijfsmiddelen, opgenomen in bijlage II bij deze regeling, mits zij in overeenstemming zijn met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage en bestaan uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 1.17. Gelijkstelling bedrijfsmiddelen

Met bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 1.16 worden gelijkgesteld bedrijfsmiddelen die rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel rechtmatig zijn geproduceerd in een staat die partij is bij een overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die ten minste aan gelijkwaardige technische en veiligheidseisen voldoen.

Hoofdstuk 2. Arbodiensten

Paragraaf 2.1. Taken van arbodiensten

Artikel 2.1. Risico-inventarisatie en -evaluatie

Bij de uitvoering van zijn taken op grond van artikel 14, derde lid, onder a, van de wet verricht de arbodienst de volgende werkzaamheden:

  • a. het toetsen of de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, volledig en betrouwbaar is;

  • b. het toetsen of in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld onder a, de actuele inzichten op het terrein van arbeidsomstandigheden zijn verwerkt;

  • c. het op basis van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld onder a, uitbrengen van een advies aan de werkgever. Dit advies gaat in op de in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet, voorgestelde wijze waarop de geconstateerde tekortkomingen kunnen worden verholpen en de prioriteiten en de volgorde waarin de maatregelen worden genomen.

Artikel 2.2. Ziekteverzuimbegeleiding

Bij de uitvoering van zijn taken op grond van artikel 14, derde lid, onder b, van de wet ondersteunt de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de arbodienst vast:

  • a. op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b. op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens over het verzuim van werknemers;

  • c. op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd.

Artikel 2.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Bij de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de arbodienst vast:

  • a. op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b. op welke wijze de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zijn geregeld;

  • c. hoe met bedrijven afspraken worden gemaakt over de wijze waarop werknemers van het recht op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek gebruik kunnen maken;

  • d. op welke indicaties groepsgewijze arbeidsgezondheidskundige onderzoeken plaats kunnen vinden;

  • e. op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit arbeidsgezondheidskundige onderzoeken voortvloeien;

  • f. op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd.

Artikel 2.4. Aanstellingskeuring

Bij de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de arbodienst vast:

  • a. op welke wijze de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b. op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit het onderzoek in het kader van de aanstellingskeuring voortvloeien;

  • c. op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen wordt gewaarborgd.

Artikel 2.5. Arbeidsomstandighedenspreekuur

Bij de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 14, derde lid, onder d, van de wet legt de arbodienst vast:

  • a. op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd;

  • b. welke gegevens uit het arbeidsomstandighedenspreekuur worden vastgelegd;

  • c. op welke wijze wordt geadviseerd ten aanzien van onderwerpen die op het arbeidsomstandighedenspreekuur aan de orde komen;

  • d. op welke wijze wordt omgegaan met gegevens uit het arbeidsomstandighedenspreekuur die een relatie hebben met het werk of de werkplek;

  • e. op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuele werknemers die op het arbeidsomstandighedenspreekuur komen is gewaarborgd.

Artikel 2.6. Melding gegevens

  • 1 De arbodienst meldt een wijziging van zijn organisatievorm terstond aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in artikel 2.7.

  • 2 Indien zich een wijziging voordoet in de gegevens, bedoeld in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a of b, of 2.13, eerste lid, onder a, meldt de arbodienst onderscheidenlijk de werkgever dit zo spoedig mogelijk aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2.2. Certificatie

Artikel 2.7. Aanwijzing certificerende instelling

Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria, opgenomen in het Reglement Certificatie Arbodiensten van 17 februari 1998 van de Stichting Beheer Certificatie Arbodiensten.

Artikel 2.8. Medeling inzake certificaat

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 doet mededeling aan de minister van de afgifte, de weigering of de intrekking van een certificaat als bedoeld in artikel 2.11, onder opgave van de redenen. Van de afgifte of de intrekking van een certificaat doet zij tevens mededeling in de Staatscourant.

Artikel 2.9. Klachtenprocedure

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft een procedure voor het behandelen van klachten aangaande de dienstverlening door arbodiensten. Vastgelegd wordt op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd, welke procedures daarbij worden gevolgd en op welke wijze klachten zo nodig zullen leiden tot correcties en preventieve maatregelen.

Artikel 2.10. Verrichten controle

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 verricht jaarlijks controle bij de arbodienst ten behoeve waarvan door de instelling een certificaat arbodienst is afgegeven.

Artikel 2.11. Afgifte certificaat arbodienst

  • 3 Een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.12. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat externe arbodienst

  • 1 Een externe arbodienst verstrekt aan de minister dan wel, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, de volgende gegevens:

    • a. met betrekking tot de deskundigen die voor de arbodienst werkzaam zijn:

    • b. met betrekking tot de organisatie-eisen, bedoeld in artikel 2.10 van het besluit:

      • 1º. een actueel bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de statuten van de arbodienst, en

      • 2º. een afschrift van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dan wel van de publiekrechtelijke aanstelling van de deskundigen in vaste dienst, waarbij de omvang van het dienstverband wordt vermeld;

    • c. met betrekking tot de werkgevers aan wie bijstand wordt verleend:

      • 1º. een lijst van verzorgde bedrijven, waarin opgenomen zijn de namen, adressen en telefoonnummers van die bedrijven en hun vestigingen, de economische hoofdactiviteit en het aantal werknemers per bedrijf of vestiging, en

      • 2º. een overzicht van het totaal aantal verzorgde werknemers.

  • 2 Indien een externe arbodienst niet de in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde gegevens verstrekt, wordt de aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling genomen.

Artikel 2.13. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat interne arbodienst

  • 1 De werkgever verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, de volgende gegevens:

    • a. met betrekking tot de deskundigen die voor de arbodienst werkzaam zijn:

      • 1º. een overzicht van het aantal deskundigen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit;

      • 2º. een overzicht van het aantal deskundigen dat per vakgebied, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, binnen de arbodienst werkzaam is;

      • 3º. een afschrift van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of publiekrechtelijke aanstelling in vaste dienst van de deskundigen in vaste dienst, waarbij de omvang van het dienstverband en het aantal formatieplaatsen worden vermeld;

      • 4º. van elk van de deskundigen een afschrift van het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit of een EG-verklaring als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, en

      • 5º. het aantal deskundigen op andere vakgebieden en de aard van die deskundigheden;

    • b. met betrekking tot zijn bedrijf of de vestigingen van zijn bedrijf:

      • 1º. naam, adres en telefoonnummer van het bedrijf of vestigingen, de economische hoofdactiviteit en het aantal werknemers van het bedrijf of van elke vestiging, en

      • 2º. een overzicht van het totaal aantal verzorgde werknemers;

  • 2 Indien de werkgever niet de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde gegevens verstrekt, wordt de aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling genomen.

Artikel 2.14. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager een opleiding heeft gevolgd die voldoet aan de opleidingseisen voor de hoofdstroom arbeid en gezondheid, bedoeld in het Besluit CSG no. 1-1996 van het College voor Sociale Geneeskunde, die heeft geleid tot registratie als sociaal-geneeskundige voor arbeid en gezondheid.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 2.15. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in de regeling Certificering van arbeidshygiënisten van juni 1997 van de Stichting ter Certificering van Arbeidshygiënisten.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.16. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen voor de certificatie van veiligheidskundigen niveau 3, bedoeld in de Regelingen Schema Veiligheidskundigen van 3 juli 1997 van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.17. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde

  • 1 Een certificaat arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de certificatie-eisen voor arbeids- en organisatiedeskundigen, bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 6.11 van Bijlage 6.1 van het Kwaliteitshandboek stichting registratie arbeids- en organisatiedeskundigen van 13 januari 1998 van de Stichting Registratie Arbeids- en Organisatie-deskundigen.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 2.18. Verstrekken gegevens certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, arbeidshygiëne, veiligheidskunde en arbeids- en organisatiekunde

De aanvrager van een certificaat als bedoeld in de artikelen 2.14 tot en met 2.17 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag de relevante gegevens met betrekking tot opleiding, kennis en beroepservaring in verband met de eisen, bedoeld in de desbetreffende artikelen.

Paragraaf 2.3. EG-verklaring

Artikel 2.19. Aanvraag

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 2.20. Vereisten

Bij de schriftelijke aanvraag, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, wordt aangegeven dan wel overgelegd:

  • a. een gewaarmerkte kopie van het diploma dan wel de diploma’s, bedoeld in artikel 2 dan wel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s waarvan gelijkstelling door middel van een EG-verklaring wordt verlangd alsmede een gewaarmerkte kopie van de daarbij behorende cijferlijst of beoordelingen;

  • b. een overzicht van relevante studiegegevens, in ieder geval bevattende de totale cursusduur, de bestudeerde hoofdvakken, en eventueel andere vakken, gegevens omtrent gevolgde stages, gemaakte verslagen en publicaties en, indien beschikbaar, tevens een globale leerstofomschrijving van deze vakken met de daarbij behorende studietijd;

  • c. een schriftelijke verklaring van een daartoe bevoegde instantie in de lidstaat waar het diploma is behaald of erkend waaruit blijkt welke bevoegdheid de aanvrager in de lidstaat op grond van zijn diploma heeft;

  • d. indien de opleiding overwegend buiten de lidstaat is genoten, een bewijsstuk gewaarmerkt door de daartoe bevoegde instantie in de lidstaat waar het diploma is behaald of erkend, dat ten minste drie jaren beroepservaring is opgedaan;

  • e. indien de aanvraag en de in dit artikel bedoelde stukken in een andere dan de Nederlandse of Engelse taal zijn gesteld, een, zo mogelijk, door een beëdigd tolk vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.

Artikel 2.21. Afgifte

  • 1 Een EG-verklaring wordt afgegeven indien:

    • 1º. de vakgebieden van de opleiding die ten grondslag heeft gelegen aan het door de aanvrager behaalde diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s niet of in geringe mate verschillen van de wezenlijke vakgebieden van de Nederlandse opleidingen die de diploma’s afgeven die zijn vereist voor afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, en

    • 2º. de cursusduur van de gevolgde opleiding minder dan een jaar korter is dan die van de Nederlandse opleidingen, bedoeld onder 1°, of

    • 3º. de cursusduur van de gevolgde opleiding ten minste een jaar korter is dan de cursusduur van de Nederlandse opleiding, bedoeld onder 1°, indien de aanvrager aantoont te beschikken over ten minste twee jaar beroepservaring, of

    • 4º. de aanvrager een deeltijdse opleiding heeft gevolgd, dan wel een opleiding heeft gevolgd die in de lidstaat waar het diploma is afgegeven of erkend gelijkwaardig is verklaard met de aldaar vereiste opleiding.

Artikel 2.22. Proeve van bekwaamheid en aanpassingsstage

  • 1 Bij een proeve van bekwaamheid wordt de volgende procedure gevolgd:

    • a. op grond van de door aanvrager overgelegde gegevens wordt een lijst opgesteld van de vakgebieden die, in vergelijking met de vereiste Nederlandse opleiding, meer dan in geringe mate verschillen van de opleiding die de aanvrager heeft gevolgd, en waarvan de kennis een wezenlijke voorwaarde is om in Nederland een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit te verkrijgen;

    • b. de proeve van bekwaamheid heeft betrekking op de onder a bedoelde vakgebieden en wordt afgenomen door een in het kader van de aanvraag aan te wijzen Nederlandse instelling die een relevante opleiding verzorgt;

    • c. in het kader van de aanvraag wordt op basis van de omvang van de af te leggen proeve de hoogte van het door de aanvrager aan de desbetreffende instelling te betalen examengeld bepaald;

    • d. aan aanvrager wordt schriftelijk meegedeeld op welke vakgebieden de proeve betrekking zal hebben, welke instelling de proeve af zal nemen en wat de hoogte van het examengeld is;

    • e. de desbetreffende instelling doet de aanvrager schriftelijk opgave van de te bestuderen literatuur;

    • f. de desbetreffende instelling stelt de criteria vast voor de beoordeling van de proeve;

    • g. de desbetreffende instelling biedt binnen vier maanden nadat de aanvrager te kennen heeft gegeven de proeve van bekwaamheid te willen afleggen en hij tevens het examengeld heeft betaald, de gelegenheid tot het afleggen van de proeve;

    • h. de proeve wordt naar keuze van de aanvrager in de Nederlandse of Engelse taal afgenomen;

    • i. de desbetreffende instelling deelt het resultaat van de proeve zo spoedig mogelijk mee aan de aanvrager en aan de minister.

  • 2 Een aanpassingsstage wordt als volgt vormgegeven:

    • a. de aanvrager verricht gedurende een in het kader van de aanvraag te bepalen periode van ten hoogste drie jaar werkzaamheden op het desbetreffende vakgebied;

    • b. de aanvrager verricht tijdens deze periode werkzaamheden onder verantwoordelijkheid en begeleiding van een deskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit op het desbetreffende vakgebied;

    • c. na overleg tussen de aanvrager en diens begeleider kan de begeleider besluiten dat aan de stage een aanvullende opleiding wordt gekoppeld;

    • d. de stage wordt beoordeeld op de vraag of de aanvrager de vakgebieden bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, in voldoende mate beheerst, en

    • e. het resultaat van de beoordeling wordt zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de aanvrager en de minister.

  • 3 Indien de proeve van bekwaamheid niet met positief resultaat is afgelegd of de aanpassingsstage negatief is beoordeeld, heeft de aanvrager het recht nog een maal, naar keuze, een proeve van bekwaamheid af te leggen of een aanpassingsstage te doorlopen.

Paragraaf 2.4. Vrijstelling

Artikel 2.23. Vrijstelling bijstand arbodienst bij ziekteverzuim

Ten behoeve van werkgevers die uitsluitend:

  • a. personen onder hun gezag arbeid laten verrichten zonder arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling;

  • b. personen arbeid laten verrichten op incidentele oproep, jegens wie na afloop van de oproep geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bestaat;

wordt tot 1 januari 2005 vrijstelling verleend van artikel 14, derde lid, laatste volzin, van de wet wat betreft de bijstand door een arbodienst met betrekking tot de taak, bedoeld in artikel 14, derde lid, onder b, van de wet.

Artikel 2.24. Vrijstelling bijstand arbodienst bij risico-inventarisatie en -evaluatie

  • 1 Ten behoeve van werkgevers die personen arbeid laten verrichten voor een tijdsduur van in totaal ten hoogste 40 uren per week, wordt tot 1 januari 2005 vrijstelling verleend van artikel 14, derde lid, lid, laatste volzin, van de wet wat betreft de bijstand door een arbodienst met betrekking tot de taak, bedoeld in artikel 14, derde lid, onder a, van de wet.

  • 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt buiten beschouwing gelaten de tijdsduur van arbeid die een werkgever laat verrichten door personen, die geen werknemer zijn in de zin van de Ziektewet omdat de arbeid onbezoldigd wordt verricht.

  • 3 Bij de toepassing van het eerste lid wordt buiten beschouwing gelaten de tijdsduur van arbeid verricht door een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

Hoofdstuk 3. Bouwproces en winningsindustrieën met behulp van boringen

Paragraaf 3.2. Winningsindustrieën met behulp van boringen

ArtikelDefinities 3.2

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. risico-analyse:

    systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;

    b. acceptatiecriteria:

    de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;

    c. prestatienormen:

    duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;

    d. mijnbouwwerk:

    een werk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet;

    e. mijnbouwinstallatie:

    een installatie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;

    f. veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:

    een systeem als bedoeld in artikel 2.42e van het besluit;

    g. veiligheids- en gezondheidsdocument:

    een document als bedoeld in artikel 2.42f van het besluit.

  • 2 De risico's, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden kwalitatief en, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald.

  • 3 De grenzen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, worden deze grenzen kwalitatief bepaald.

Artikel 3.3. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.

Artikel 3.4. Vastlegging veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt schriftelijk vastgelegd.

  • 2 In de beschrijving van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt aangegeven wat de onderdelen van dit systeem inhouden en hoe de samenhang is tussen deze onderdelen.

Artikel 3.5. Doorlichting veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt regelmatig doorgelicht op basis van internationaal erkende normen voor het doorlichten van zorgsystemen.

  • 2 De aard en de frequentie van de doorlichting wordt zodanig gekozen dat de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem telkens na een periode van drie jaar kan worden bepaald.

Artikel 3.6. Veiligheids- en gezondheidsdocument

  • 1 Er wordt een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende mijnbouwwerken:

    • a. ieder mijnbouwwerk op het land;

    • b. iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie;

    • c. iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, en

    • d. iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd;

  • 2 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is op de mijnbouwwerken, bedoeld in het eerste lid, aanwezig.

Artikel 3.7. Veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

  • 1 Voor zover niet reeds bij het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, hiermee rekening is gehouden, wordt er een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende bijzondere werkzaamheden:

    • a. het boren van een boorgat;

    • b. het uitvoeren van werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat, en

    • c. het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden op een mijnbouwwerk of op of in de nabijheid van een mijnbouwinstallatie, indien het gelijktijdig uitvoeren van deze werkzaamheden een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid vormt.

  • 2 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is bij de uit te voeren werkzaamheden aanwezig.

Artikel 3.8. Onderdelen veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen a en b, bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. het voorontwerprapport;

    • b. het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;

    • c. het addendum gebruik;

    • d. het addendum grote wijzigingen, en

    • e. het addendum verlaten en verwijderen.

  • 2 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen c en d, bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;

    • b. het addendum gebruik, en

    • c. het addendum grote wijzigingen.

ArtikelInhoud veiligheids- en gezondheidsdocument 3.9

Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:

  • a. een duidelijke en nauwkeurige beschrijving van het mijnbouwwerk alsmede van de werkzaamheden die op het mijnbouwwerk worden uitgevoerd, met inbegrip van een aanduiding van de voorzieningen die in het ontwerp van het mijnbouwwerk zijn opgenomen ter uitsluiting of vermindering van de risico's;

  • b. in aanvulling op onderdeel a, de informatie, bedoeld in bijlage IIIA;

  • c. de informatie, bedoeld in bijlage IIIB, met betrekking tot het brandbestrijdingsplan;

  • d. de informatie, bedoeld in onderdeel c, is gebaseerd op de opgave, bedoeld in artikel 2.42f, eerste lid, onder a, van het besluit;

  • e. een opgave van de acceptatiecriteria;

  • f. een lijst van alle geïdentificeerde en geanalyseerde risico's, inclusief een samenvatting van het onderzoek dat in dit kader is verricht voor het mijnbouwwerk op het land of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie als bedoeld in bijlage IIIC bij deze regeling of voor de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie of een andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd, bedoeld in bijlage IIID bij deze regeling;

  • g. een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;

  • h. een beoordeling van de doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem voor het mijnbouwwerk met inbegrip van de resultaten en de noodzakelijk bevonden wijzigingen of aanvullingen van dat zorgsysteem;

  • i. een samenvatting, in niet-technische terminologie, van het onderzoek, bedoeld in bijlage IIIC en IIID bij deze regeling, dat is verricht in het kader van het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument;

  • j. een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;

  • k. een opgave van de prestatienormen;

  • l. de grenzen waarbinnen de op het mijnbouwwerk gebruikte apparatuur en beheerssystemen normaal kunnen functioneren;

  • m. een actieplan met tijdpad voor de realisatie van de maatregelen, bedoeld in onderdeel j;

  • n. een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria;

  • o. een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen, en

  • p. een schriftelijke verklaring dat de risico's ten minste binnen de van tevoren vastgestelde acceptatiecriteria en prestatienormen vallen.

Artikel 3.10. Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, bevat:

    • a. een overzichtstekening waarop de combinaties, bedoeld in het tweede lid, zijn aangegeven;

    • b. een opgave van de acceptatiecriteria;

    • c. een beoordeling en een evaluatie van de gevaren en de daarmee samenhangende risico's die specifiek zijn voor de locatie en voor de werkzaamheden waarop het veiligheids- en gezondheidsdocument betrekking heeft;

    • d. een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;

    • e. een evaluatie van alle beheerssystemen die bijdragen aan de vermindering van de risico's;

    • f. een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;

    • g. een opgave van de prestatienormen;

    • h. een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria, en

    • i. een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen.

ArtikelToezenden gegevens 3.11

  • 1 Het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt voorafgaand aan de aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikelen 8.1 van de Wet milieubeheer en 40 van de Mijnbouwwet, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

  • 2 Het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht weken voor het in gebruik nemen van een mijnbouwwerk in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

  • 3 Het addendum gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt voor de eerste maal vijf jaar na toezending van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik en vervolgens eenmaal in de vijf jaar in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

  • 4 Het addendum grote wijzigingen, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht weken voor de aanvang van het aanbrengen van de wijzigingen in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

  • 5 Het addendum verlaten en verwijderen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, wordt acht weken voor het verlaten van een mijnbouwwerk of het verwijderen van een vast opgestelde mijnbouwinstallatie in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

ArtikelToezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument 3.12

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, wordt vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

  • 2 Dit veiligheids- en gezondheidsdocument gaat vergezeld van een werkprogramma indien het de volgende werkzaamheden betreft:

    • a. het boren van een boorgat;

    • b. het uitvoeren van werkzaamheden in een bestaand boorgat.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt de informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, op verzoek van een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet in tweevoud aan hem toegezonden.

Artikel 3.13. Naleving veiligheids- en gezondheidsdocument

  • 2 De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, beoordeelt regelmatig en systematisch de naleving en de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidsdocument.

  • 3 Indien de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, herziet de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats het veiligheids- en gezondheidsdocument. De herziene delen van het veiligheids- en gezondheidsdocument worden, alvorens het gewijzigde veiligheids- en gezondheidsdocument wordt uitgevoerd, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

Artikel 3.14. Noodplan

Hoofdstuk 4. Gevaarlijke Stoffen

Paragraaf 4.1. Veiligheid aan op of in tankschepen

Artikel 4.1. Algemene bepalingen

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. brandbare vloeistoffen: vloeistoffen waarvan het vlampunt niet hoger is dan 100°C;

  • b. K0-, K1- en K2-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager of gelijk aan 55°C, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, voor zover niet begrepen onder KT-vloeistoffen;

  • c. K3-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, geen KT-vloeistoffen zijnde, waarvan het vlampunt hoger is dan 55°C;

  • d. KT-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging, bedwelming of verstikking kunnen opleveren;

  • e. T-vloeistoffen: vloeistoffen, niet zijnde brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging bedwelming of verstikking kunnen opleveren;

  • f. K1-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin K0-, K1- of K2-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • g. K3-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin geen andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • h. KT-ruimte:een tot een schip behorende ruimte waarin KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • i. T-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin T-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • j. K1-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een K1-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • k. K3-schip: een schip, in de ladingtanks waarvan noch andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen geen T-vloeistoffen of resten van een van die vloeistoffen anders dan in verpakking voorkomen;

  • l. KT-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een KT-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • m. T-schip: een schip, niet zijnde een K1- of KT-schip, waarvan een of meer van de ladingtanks een T-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • n. vuur: vuur, vonkvorming, open licht of elk oppervlak met een temperatuur welke gelijk is aan of hoger is dan de minimumontstekingstemperatuur van de vloeistoffen of de gassen die de ladingtanks bevatten of waarvan resten in die tanks voorkomen;

  • o. werk met vuur: werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;

  • p. koud werk: werkzaamheden waarbij geen vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;

  • q. schoonmaken: iedere handeling die gericht is op of verband houdt met het schoon-, gasvrij- of droogmaken van een K1-, KT-, K3- of T-ruimte;

  • r. ladingzone: de ladingtanks en alle rechtstreeks aan deze tanks grenzende tanks of andere ruimten, welke als afscheiding dienen tussen de ladingtanks en de overige ruimten van het schip;

  • s. gasdeskundige: een deskundig persoon als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, van het besluit die voldoet aan de artikelen 4.14 en 4.15;

  • t. veiligheids- en gezondheidsverklaring: een door een gasdeskundige na een doeltreffend onderzoek afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, van het besluit, overeenkomstig een van de bij bijlage IVA van deze regeling vastgestelde modellen.

Artikel 4.3. Veiligheidsmaatregelen

Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.

Artikel 4.4. Schoonmaken

  • 1 Alvorens werknemers de schoon te maken ruimten betreden, is vastgesteld dat zulks zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid kan geschieden.

  • 2 Een schoon te maken ruimte wordt niet betreden zolang als gevolg van werkzaamheden in een aangrenzende ruimte de temperatuur van de schotten aanmerkelijk hoger kan worden dan de omgevingstemperatuur.

  • 3 Een schoon te maken ruimte wordt evenmin betreden zolang in een aangrenzende ruimte een explosief mengsel aanwezig is en deze ruimte niet is gesloten.

  • 4 Tijdens het schoonmaken worden aan dek en in de ladingzone geen andere werkzaamheden verricht dan die welke verband houden met het schoonmaken.

Artikel 4.5. Onderzoek

Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.

Artikel 4.6. Voorkomen gevaren

  • 1 Het schoonmaken van K1-, K3- en KT-ruimten is erop gericht de concentratie van gassen en dampen onder de onderste explosiegrens te houden of op veilige wijze tot onder die grens terug te brengen. Indien tijdens het schoonmaken een gassamenstelling optreedt, welke gevaar oplevert voor een ontploffing, wordt de duur van deze toestand zo kort mogelijk gehouden. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan ontstaan.

  • 2 Het schoonmaken van K1-, K3-, KT- en T-ruimten wordt zo uitgevoerd, dat binnen en buiten die ruimten naar redelijke verwachting geen gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging kan ontstaan. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan optreden.

Artikel 4.7. Veiligheidsvoorwaarden

  • 1 Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is noch naar redelijke verwachting kan ontstaan.

  • 2 Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen gevaar bestaat voor vonkvorming of ontstekingsgevaar door elektrostatische ladingen.

  • 3 Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone niet gerookt wordt.

  • 4 Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien er binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen onbevoegden kunnen komen.

  • 5 De ladingtanks in de gehele ladingzone van K1,- K3- en KT-schepen worden niet geopend dan nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.

  • 6 De ladingtanks in de gehele ladingzone van T-schepen worden niet geopend dan nadat aan het vierde lid is voldaan.

Artikel 4.8. Veiligheids- en gezondheidsverklaring

De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.

Artikel 4.9. Onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen

  • 1 Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt slechts plaats nadat een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel 4.10 gestelde regels heeft plaatsgevonden en in verband met dit onderzoek een volledig en correct ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt aan de werkgever die de onderhouds-, herstellings-, verbouwings-, of sloopwerkzaamheden zal uitvoeren.

  • 2 Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt voorts slechts plaats voor zover die werkzaamheden en de ruimten waarin deze worden uitgevoerd, zijn vermeld in de in het eerste lid bedoelde veiligheids- en gezondheidsverklaring als zijnde toegestaan.

  • 3 Een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt bij een gasdeskundige aangevraagd.

  • 4 Bij de aanvraag worden alle inlichtingen verstrekt, welke met het oog op de afgifte van de veiligheids- en gezondheidsverklaring van belang zijn, terwijl desverlangd nadere inlichtingen ter zake worden verstrekt.

Artikel 4.10. Onderzoek gasdeskundige

  • 1 Het in artikel 4.9 bedoelde onderzoek wordt ingesteld door de gasdeskundige, die de uitslag van dat onderzoek vermeldt op de door hem uit te reiken veiligheids- en gezondheidsverklaring.

  • 2 De gasdeskundige strekt dit onderzoek uit over alle ruimten ten aanzien waarvan hij dit in verband met de aard van de te verrichten werkzaamheden noodzakelijk acht. Bij het onderzoek betrekt de gasdeskundige zo nodig een goed geoutilleerd laboratorium. Hij maakt gebruik van deugdelijke, in goede staat verkerende meet- en andere hulpapparatuur.

  • 3 Hij stelt vast of de te onderzoeken ruimten:

    • a. K1-, KT-, K3- of T-ruimten zijn;

    • b. veilig voor mensen zijn in die zin, dat:

      • 1º. werknemers die ruimten zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen betreden, en

      • 2º. geen gevaar voor bedwelming, verstikking, vergiftiging of letsel bestaat, met dien verstande dat een ruimte ten aanzien waarvan het voorgaande niet is gebleken, op de veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet veilig voor mensen”;

    • c. veilig voor vuur zijn in die zin, dat:

      • 1º. de resten van brandbare vloeistoffen daaruit zijn verwijderd zodat geen gevaar bestaat voor brand;

      • 2º. eventueel nog aanwezige brandbare gassen of dampen nergens een concentratie in de lucht vormen, welke hoger ligt dan 20% van de onderste explosiegrens;

      • 3º. de aangrenzende ruimten hetzij voldoen aan het onder 1° en 2° gestelde, hetzij tot de top zijn gevuld met water waarop zich geen K0-, K1-, K2- of KT-vloeistoffen bevinden, hetzij op andere wijze brand- en explosie-veilig zijn gemaakt,

      met dien verstande, dat een ruimte ten aanzien waarvan het voorgaande niet is gebleken, op de veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt aangeduid als “niet veilig voor vuur”.

  • 4 De gasdeskundige reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:

    • a. de ruimten waarin koud werk moet worden verricht, veilig voor mensen zijn;

    • b. de ruimten waarin werk met vuur moet worden verricht, zowel veilig voor mensen als veilig voor vuur zijn;

    • c. de toestand waarin andere dan de onder a en b bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij zijn afgesloten, zodanig zijn dat de in de verklaring aangewezen werkzaamheden zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers uitgevoerd kunnen worden.

  • 5 Hij reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in een deel van de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hem ten minste zes uren na de in het vierde lid bedoelde vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat de in dat lid vermelde ruimten nog steeds voldoen aan de daarbij gestelde eisen.

  • 6 In afwijking van het vierde lid reikt hij een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:

    • a. de gehele ladingzone veilig voor mensen als bedoeld in het derde lid, onder b, en veilig voor vuur als bedoeld in het derde lid, onder c, is, en

    • b. de toestand waarin andere dan de onder a bedoelde ruimten zich bevinden en de wijze waarop zij zijn afgesloten, zodanig zijn dat de in de veiligheids- en gezondheidsverklaring aangewezen werkzaamheden veilig uitgevoerd kunnen worden en indien hem ten minste zes uren na die vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat geen wijziging heeft plaatsgevonden in de onder a en b bedoelde toestand.

  • 7 Een veiligheids- en gezondheidsverklaring is niet van toepassing op leidingen in of buiten het tankschip en is alleen geldig als zij volledig en juist is ingevuld en zolang de toestand op grond waarvan de verklaring is verleend ongewijzigd is.

Artikel 4.11. Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring

Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:

  • a. de aard van de werkzaamheden, de plaats of plaatsen waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en de periode waarin zij zullen worden verricht, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • b. de plaatsen waar vonken of gloeiende metaaldelen kunnen neerkomen door de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • c. de plaatsen waar aanmerkelijke temperatuurverhoging kan optreden als gevolg van de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • d. door een gasdeskundige een gedagtekende verklaring is uitgereikt waaruit blijkt dat op de onder a tot en met c bedoelde plaatsen de resten van brandbare vloeistoffen zijn verwijderd, zodat geen brandgevaar bestaat;

  • e. door een gasdeskundige een volledig en juist ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven waaruit blijkt dat ruimten waarin gewerkt moet worden en aangrenzende ruimten veilig voor mensen zijn of geïnertiseerd als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.

Artikel 4.12. Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone

  • 1 Binnen 25 meter van de ladingzone op een K1, of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c, en waarvoor, in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt, is de aanwezigheid van vuur slechts toegestaan indien door een gasdeskundige voor de aanvang van de werkzaamheden een verklaring is afgegeven waaruit blijkt, dat de ladingzone veilig voor mensen is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.

  • 2 De aanwezigheid van vuur, bedoeld in het eerste lid, is voorts toegestaan indien blijkt uit de verklaring, bedoeld in voornoemd lid, dat:

  • a. de brandbare gassen in de atmosfeer van de ladingzone nergens een concentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens vormen, of

  • b. de toestand van de in de ladingzone aanwezige atmosfeer zodanig is dat bij verdunning daarvan met lucht geen brandbaar of explosief mengsel ontstaat.

Artikel 4.13. Melding werkzaamheden

Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen ontvangt de in artikel 24, eerste lid, van de wet daartoe aangewezen ambtenaar voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig en juist ingevuld meldingsformulier overeenkomstig het bij bijlage IVB bij deze regeling vastgestelde model.

Artikel 4.14. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.7, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van een diploma van een opleiding die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en opleidt tot de eindtermen, bedoeld in bijlage IVC bij deze regeling. Het diploma is niet langer dan één jaar geleden afgegeven;

    • b. op de hoogte is van de laatste stand van de techniek;

    • c. in een periode van een jaar, direct voorafgaand aan de eerste aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, onder toezicht van een gasdeskundige:

      • 1º. voor ten minste veertig veiligheids- en gezondheidsverklaringen al het noodzakelijke onderzoek, bedoeld in artikel 4.10, heeft verricht, waarvan ten minste vijfentwintig K1- of KT-schepen, en

      • 2º. voor ten minste tien verklaringen als bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12 al het noodzakelijke onderzoek heeft verricht, of

    • d. in een periode van twee jaar, direct voorafgaand aan een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, ten minste twintig veiligheids- en gezondheidsverklaringen heeft afgegeven, waarvan ten minste tien voor K1- of KT-schepen.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste drie jaar.

  • 3 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt eenmaal voor een periode van drie jaar verlengd, indien de aanvrager van een verlenging in een periode van twee jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag van een verlenging ten minste twintig veiligheids- en gezondheidsverklaringen heeft afgegeven, waarvan ten minste tien voor K1- of KT-schepen.

Artikel 4.15. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

  • 1 De aanvrager van een certificaat als bedoeld in artikel 4.14 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de eerste aanvraag van het certificaat de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, onder a;

    • b. door een gasdeskundige gewaarmerkte afschriften van afgegeven veiligheids- en gezondheidsverklaringen waarvoor de aanvrager al het noodzakelijke onderzoek, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, onder c, heeft verricht.

  • 2 Bij een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in het eerste lid, onder a;

    • b. door de aanvrager afgegeven veiligheids- en gezondheidsverklaringen, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, onder d.

  • 3 Bij een aanvraag voor verlenging van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanvrager door hem afgegeven veiligheids- en gezondheidsverklaringen, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, onder d.

Paragraaf 4.2. Veilig werken met explosieven

Artikel 4.16. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid springmeester

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van een diploma van een opleiding die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en opleidt tot de eindtermen met betrekking tot de soort arbeid die hij verricht, bedoeld in bijlage V bij deze regeling;

    • b. op de hoogte is van de laatste stand van de techniek;

    • c. in een periode van drie jaar, direct voorafgaand aan de eerste aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, onder toezicht van een springmeester ten minste tweemaal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht, of

    • d. in een periode van drie jaar, direct voorafgaand aan een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, ten minste tweemaal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste drie jaar.

Artikel 4.17. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

  • 1 De aanvrager van een certificaat als bedoeld in artikel 4.16 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, bij de eerste aanvraag van het certificaat de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder a;

    • b. een overzicht van de werkzaamheden verricht in de periode, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder c.

  • 2

Bij een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

  • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in het eerste lid, onder a;

  • b. een overzicht van de werkzaamheden verricht in de periode, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder d.

Paragraaf 4.2a. Veilig werken met professioneel vuurwerk

Artikel 4.17a. Definities

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. groot vuurwerk:

    professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik buiten tijdens een evenement of voorstelling;

    b. pyrotechnische speciale effecten:

    professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling met geringe publieksafstanden en waarvan door de fabrikant of importeur is aangegeven dat het voor dit gebruik geschikt is.

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling aangemerkt als groot vuurwerk.

Artikel 4.17b. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.8a, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van een diploma van een opleiding die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en opleidt tot de eindtermen met betrekking tot de soort arbeid die hij verricht, bedoeld in bijlage VA bij deze regeling;

    • b. op de hoogte is van de laatste stand van de techniek;

    • c. in een periode van vijf jaar, direct voorafgaand aan de eerste aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, onder toezicht van een gecertificeerde persoon ten minste tienmaal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht, of

    • d. in een periode van vijf jaar, direct voorafgaand aan een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, tenminste tienmaal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht.

    De voorwaarden onder c en d gelden niet als de aanvrager het certificaat uitsluitend aanvraagt ten behoeve van het verrichten van arbeid, als bedoeld in het vijfde lid, onder c.

  • 2 Een bewijs van vakbekwaamheid dat, met betrekking tot het veilig werken met professioneel vuurwerk, door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is voorgeschreven en dat naar het oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, qua vereist niveau van vakbekwaamheid gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar.

  • 4 Op het certificaat worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. de soort arbeid;

    • b. de geldigheidsduur.

  • 5 Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a , heeft betrekking op een of meer van de volgende soorten van arbeid:

    • a. arbeid, bestaande uit het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van groot vuurwerk, alsmede uit het bewerken van groot vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit;

    • b. arbeid, bestaande uit het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van pyrotechnische speciale effecten, alsmede uit het bewerken van pyrotechnische speciale effecten in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit;

    • c. arbeid, bestaande uit het verwerken, verpakken en herverpakken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 4.17c. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

  • 1 De aanvrager van een certificaat als bedoeld in artikel 4.17b verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, bij de eerste aanvraag van het certificaat de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, onder a;

    • b. een overzicht van de werkzaamheden verricht in de periode, bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, onder c.

  • 2 Bij een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in het eerste lid, onder a;

    • b. een overzicht van de werkzaamheden verricht in de periode, bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, onder d.

  • 3 Het gestelde in het eerste en tweede lid, onder b, geldt niet voor de aanvrager, bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, laatste zin,

Artikel 4.17d. Gegevens werkplan professioneel vuurwerk

Het werkplan, bedoeld in artikel 4.8a, eerste lid, van het besluit omvat tenminste de gegevens, bedoeld in bijlage VB bij deze regeling.

Paragraaf 4.3. Verbod recirculatie

Artikel 4.18. Verboden stoffen

  • 1 Het is verboden om lucht opnieuw in circulatie te brengen indien deze lucht, als gevolg van aanwezigheid van of werkzaamheden met een stof op de arbeidsplaats, een stof bevat die behoort tot één van de volgende gevaarscategorieën:

    • a. kankerverwekkende en mutagene stoffen als bedoeld in artikel 4.11 van het besluit;

    • b. stoffen die voldoen aan criteria, vastgesteld op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen voor toekenning van de R-zin ‘kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing (R42)’.

Paragraaf 4.4. Wettelijke grenswaarden

Artikel 4.19. Gevaarlijke stoffen

  • 2

De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Artikel 4.19a. Biologische grenswaarden

Als grenswaarde als bedoeld in artikel 4.8b, tweede lid van het besluit, wordt voor lood vastgesteld: 70 (µg/100 ml bloed.

Artikel 4.20. Kankerverwekkende en mutagene stoffen

  • 2 De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Paragraaf 4.4a. Nadere voorschriften over het werken met lood

Artikel 4.20a. Meetfrequentie en analyse van lood in de lucht

  • 1 In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, van het besluit wordt de concentratie van lood in de lucht om de drie maanden gemeten. Er kan worden volstaan met eenmaal per jaar meten, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling plaatsvindt, en

    • a. het loodgehalte in het bloed van geen enkele werknemer, gemeten overeenkomstig artikel 4.10b van het besluit, meer bedraagt dan 60 µg/100 ml bloed, of

    • b. uit twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken, dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m3 lucht of dat de omstandigheden van de blootstelling niet merkbaar variëren.

  • 2 De bepaling van de concentratie van lood in de lucht, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt met behulp van de atomaire arbsorptiespectrometrie of een andere analysemethode, die gelijkwaardige resultaten oplevert.

Artikel 4.20b. Controle van lood in het bloed

  • 1 In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het besluit, worden de werknemers ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid gesteld tot het meten van het loodgehalte in het bloed.

  • 2 De frequentie van het meten van het loodgehalte in bloed kan worden teruggebracht tot eenmaal per jaar, indien het loodgehalte van geen enkele werknemer meer bedraagt dan 50 µg/100 ml bloed en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m³ lucht.

  • 4 De resultaten van de meting, bedoeld in het eerste lid, worden getoetst aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.19a. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Paragraaf 4.5. Meetmethodes asbest

Artikel 4.22. Monsterneming

Monsters worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 mm frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn, die de oren verbindt.

Artikel 4.23. Te gebruiken materialen

Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt van:

  • a. membraanfilters van gemengde esters van cellulose of cellulosenitraat, met een poriëngrootte van 0,8 tot 1,2 micrometer met gedrukte vierkanten en een doorsnede van 25 mm en een optimale belasting van 100/400 vezels per mm²;

  • b. een open filterhouder, voorzien van een cilindervormige kap die zich tussen 33 en 44 mm voor het filter bevindt, waardoor een cirkelvormig oppervlak van ten minste 20 mm doorsnee wordt blootgesteld, waarvan de kap bij het gebruik naar beneden is gericht;

  • c. een draagbaar pompje met batterijvoeding dat de werknemer tijdens de monsterneming meedraagt, waarvan de luchtsnelheid regelmatig is en wordt afgesteld op 1 liter per minuut ± 5%; deze luchtsnelheid blijft tijdens de periode van de monsterneming gehandhaafd binnen ± 10% van aanvankelijke stroomsnelheid, waarbij voor de duur van de monsterneming een marge van 2% is toegestaan.

Artikel 4.24. Vezeltelling

  • 1 De voor de vezeltelling te gebruiken binoculaire microscoop heeft de volgende kenmerken:

    • a. Koehler-verlichting;

    • b. onder de voorwerptafel is een centreerring, een Abbe- of achromatische fasecontrastcondensor ingebouwd, waarbij het fasecontrast onafhankelijk van het mechanisme van de condensorcentrering wordt ingesteld;

    • c. een positief par-focaal achromatisch fasecontrastobjectief, met een vergroting van 40 maal en met een numerieke opening van 0,65 tot 0,70 en een fase-ring-absorptie van 65 tot 85%;

    • d. een algeheel gecompenseerd oculair met een vergroting van 12,5;

    • e. ten minste één oculair is geschikt voor een graticule en moet te focussen zijn;

    • f. een Walton-Beckett ringvormige oculairgraticule met een zichtbare diameter in het objectvlak van 100 micrometer, ± 2 micrometer, bij gebruik van het gespecificeerde objectief en oculair, en geverifieerd met een micrometer op een voorwerptafel.

  • 2 De microscoop wordt aan het begin van de dag van gebruik opgesteld volgens de voorschriften van de fabrikant, waarbij de waarnemingsgrens wordt gecontroleerd aan de hand van een fase-contrastproefplaatje. De codes op de AIA-proefglaasjes of op de blokken op het HSE/NLP/Mark 2 proefglaasje zijn bij gebruik volgens de door de fabrikant aangegeven wijze zichtbaar tot aan code 5 respectievelijk blok 5.

Artikel 4.25. Voorschriften bij telling

Telling van de vezels op het filter, bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande voorschriften:

  • a. alleen telbare vezels worden geteld; onder telbare vezel wordt verstaan een vezel die voldoet aan de definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, onder e, van het besluit die geen deeltje met een maximum diameter groter dan 3 micrometer raakt;

  • b. telbare vezels waarvan de twee uiteinden zich binnen de graticulezone bevinden, worden als één vezel geteld;

  • c. telbare vezels waarvan zich één uiteinde binnen de graticulezone bevindt, worden als een halve vezel geteld;

  • d. een vezelcluster dat over zijn lengte op één of meer plaatsen stevig en niet gespleten schijnt te zijn maar dat op andere plaatsen in afzonderlijke vezels uiteen schijnt te vallen, is één telbare vezel indien het voldoet aan de definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, onder e, van het besluit; de diameter wordt gemeten dwars door het niet-gespleten deel en niet door het gespleten deel;

  • e. bij vezelclusters in de vorm van een bundel, waarin de afzonderlijke vezels elkaar raken of kruisen, worden deze vezels apart geteld indien zij voldoende van elkaar kunnen worden onderscheiden om vast te stellen dat zij voldoen aan de definitie van een vezel; wanneer dit niet het geval is, dan is de bundel een telbare vezel, indien hij als geheel aan de definitie voldoet;

  • f. het filter dan wel een deel daarvan wordt op een voorwerpglaasje geplaatst, doorzichtig gemaakt volgens de acetontriacetinemethode en met een dekglaasje bedekt;

  • g. graticulezones waar zal worden geteld, worden a-select in het hele blootgestelde oppervlak van het filter gekozen;

  • h. indien meer dan een achtste van een graticulezone is bedekt met een vezelcluster dan wel deeltjes wordt de graticulezone overgeslagen en wordt een andere zone geteld;

  • i. er worden 100 vezels geteld, waarbij minimaal 20 graticulezones worden onderzocht of er worden 100 graticulezones onderzocht.

Artikel 4.26. Berekening

  • 1 Het gemiddelde aantal vezels per graticulezone wordt berekend door het aantal getelde vezels te delen door het aantal onderzochte graticulezones. De bijdrage tot het tellen als gevolg van vlekken op het filter en verontreiniging wordt beneden 3 vezels per 100 graticulezones gehouden en wordt gemeten met behulp van blancofilters.

  • 2 De concentratie van vezels in de lucht is (het gemiddeld aantal vezels per graticulezone x de gehele blootgestelde zone van het filter)/(graticulezone x doorgeleid luchtvolume).

Paragraaf 4.6. Deskundig toezicht asbestsloop

Artikel 4.27. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid verwijdering asbest en crocidoliet

  • 1 Een certificaat van vakbekwaamheid verwijdering asbest en crocidoliet als bedoeld in artikel 4.54, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van een diploma van een opleiding die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en opleidt tot de eindtermen, bedoeld in bijlage VIII bij deze regeling;

    • b. op de hoogte is van de laatste stand van de techniek.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste drie jaar.

Artikel 4.28. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

  • 1 De aanvrager van een certificaat als bedoeld in artikel 4.27 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de eerste aanvraag een afschrift van het diploma, bedoeld in artikel 4.27, eerste lid.

  • 2 Bij een hernieuwde aanvraag voor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a. een afschrift van het diploma, bedoeld in het eerste lid;

    • b. relevante gegevens met betrekking tot zijn beroepservaring op het gebied van het slopen en verwijderen van asbest.

Paragraaf 4.7. Bijzondere voorschriften asbest

Artikel 4.29. Vrijstelling verwerken, bewerken en in voorraad houden

Ten behoeve van het verwerken en in voorraad houden van asbesthoudende pakkingen en afdichtingen van verbrandingsmotoren, bedoeld om te functioneren onder hoge temperaturen en hoge druk, die tot 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen en waarvoor vervanging door niet of minder schadelijke stoffen niet mogelijk is, wordt tot 1 januari 2005 vrijstelling verleend van artikel 4.41, tweede en derde lid, van het besluit.

Artikel 4.30. Uitzonderingen slopen

  • 1 Als categorieën van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 4.42, vijfde lid, van het besluit, worden aangewezen:

    • a. het verwijderen van asbest- dan wel crocidoliethoudende pakkingen dan wel delen daarvan uit procesinstallaties dan wel verwarmingstoestellen met een nominale belasting lager dan 2250 kilowatt;

    • b. het verwijderen van asbestcement- dan wel crocidoliethoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen of delen daarvan, voorzover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas- water- en rioolleidingnet;

    • c. het verwijderen van asbest- dan wel crocidoliethoudende rem- en frictiematerialen;

    • d. het verwijderen van hechtgebonden asbest- dan wel crocidoliethoudende geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;

    • e. het verwijderen van asbest- dan wel crocidoliethoudende beglazingskit uit kassen.

  • 2 Op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid onder a, zijn de artikelen 4.54, tweede en vierde lid, en 4.55, eerste lid, onder c, d en g, van het besluit niet van toepassing indien wordt voldaan aan het voorschrift dat de betrokken werkzaamheden, voor zover zij plaatsvinden in het kader van het periodiek onderhoud van installaties tijdig worden gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet, waarbij, indien dit bekend is, wordt aangegeven op welke locaties de betrokken werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in de vorige volzin, bestaan uit het verwijderen in de buitenlucht van door het gebruik niet-aangehechte asbesthoudende plaatpakkingen en spiraalgewonden pakkingen dan wel delen daarvan, zijn de artikelen 4.19, onderdelen e en f, 4.20, eerste tot en met het vierde lid, 4.51, 4.52 en 4.53 van het besluit niet van toepassing.

  • 3 Op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid onder b, zijn niet van toepassing:

    • a. artikel 4.19, onderdelen e en f, van het besluit voor zover het de verplichting betreft om de plaatsen waar met asbest wordt gewerkt te markeren door waarschuwingsborden;

    • b. 4.20, vierde lid, van het besluit voor zover het de beschikbaarheid van douches betreft, en

    • c. de artikelen 4.52, 4.53, 4.54, vierde lid, en 4.55, eerste lid, onder c, d en g, van het besluit.

  • 4 Op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn de artikelen 4.54, tweede en vierde lid, en 4.55, eerste lid, onder c, d en g, van het besluit, niet van toepassing.

  • 5 Op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder d, zijn de artikelen 4.54, vierde lid, en 4.55, eerste lid, onder c, d en g, van het besluit, niet van toepassing.

  • 6 Op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder e, zijn de artikelen 4.19, onderdelen e en f, 4.52, 4.53, 4.54, tweede en vierde lid, en 4.55, eerste lid, onder c, d en g, van het besluit niet van toepassing.

  • 7 De uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig een deugdelijke werkmethode, die is gebaseerd op een doeltreffende beoordeling van het blootstellingsniveau en zodanige beheersmaatregelen bevat dat blootstelling zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Paragraaf 4.8. Werken met zandsteen

Artikel 4.31. Afgifte certificaat zandsteenbedrijf

  • 1 Een certificaat zandsteenbedrijf als bedoeld in artikel 4.60, derde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de werknemers van de aanvrager die zijn belast met het be- of verwerken van zandsteen een opleiding tot natuurbesteenbewerker met goed gevolg hebben afgerond.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar.

Artikel 4.32. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

De aanvrager van een certificaat als bedoeld in artikel 4.31 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag de volgende gegevens:

  • a. een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de werknemers die zijn belast met het be- of verwerken van zandsteen alsmede de gegevens met betrekking tot de door hun gevolgde opleiding, bedoeld in artikel 4.31, eerste lid, zijn opgenomen;

  • b. beschrijvingen van de werkmethoden en beheersmaatregelen voor de be- en verwerking van zandsteen.

Paragraaf 4.8a. Vluchtige organische stoffen

Artikel 4.32a. Lijmen en verven in binnensituaties

  • 1 Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen handelingen in woningen of andere gebouwen, bestaande uit:

    • a. het lijmen van bekleding op vloeren, trappen, wanden of plafonds van de betreffende woningen of andere gebouwen, inclusief de voorbewerking;

    • b. het aanbrengen van verf, lak, beits, vernis of vulmiddel op bestanddelen van en bekleding van vloeren in de betreffende woningen of andere gebouwen, inclusief de voorbewerking;

    • c. het aanbrengen van olie- of wasachtige producten en het aanbrengen van een parketimpregneermiddel op parket of anderszins houten bestanddelen van, en bekleding van vloeren in de betreffende woningen of andere gebouwen, inclusief de voorbewerking.

  • 2 Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op handelingen in woningen of andere gebouwen, bestaande uit:

    • a. het voorbewerken van muren of andere bestanddelen van de betreffende woningen of andere gebouwen op plaatsen waar deze muren of andere bestanddelen ernstig verontreinigd zijn door brand- of rookschade of door nicotineaanslag;

    • b. het voorbewerken in de zin van versterken van sterk poreuze of poederende bestanddelen van de betreffende woningen of andere gebouwen;

    • c. het repareren met behulp van verf of lak van beschadigingen aan stalen constructies bij nieuwbouw van woningen of andere gebouwen;

    • d. het geheel of gedeeltelijk herstellen van historische afwerkings- of toplagen in een techniek die gelijk is aan of overeenkomt met die historische afwerking, waarbij deze herstelwerkzaamheden gericht zijn op herstel of instandhouding van een architectuurhistorische eenheid binnen een beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988;

    • e. het aanbrengen van traditioneel imitatieschilderwerk, zoals marmer- en houtnerfschilderwerk, alsmede het vergulden met behulp van goudverf, exclusief de voorbewerking;

    • f. het aanbrengen van een product op beglazingskit in gebouwen voorzover deze opgeleverd zijn voor 1 januari 2001, teneinde deze kit geschikt te maken voor de toepassing van watergedragen verfproducten.

  • 3 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten hoogste 5 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.

  • 4 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor zover het betreft het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 75 gram vluchtige organische stoffen per liter product.

  • 5 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor zover het betreft het aanbrengen van overige verf en andere genoemde producten, zijn watergedragen, uitsluitend met water te verdunnen, en bevatten ten hoogste 125 gram vluchtige organische stoffen per liter product.

  • 6 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten hoogste 125 gram vluchtige organische stoffen per liter product.

  • 7 Met ingang van 1 januari 2002 bedragen de gehaltes aan vluchtige organische stoffen van producten als bedoeld in het vierde en vijfde lid, 60 respectievelijk 100 gram per liter product.

  • 8 Met ingang van 1 januari 2002 bedraagt het gehalte aan vluchtige organische stoffen van producten als bedoeld in het zesde lid 100 gram per liter product.

Artikel 4.32b. Offsetdrukken

  • 1 Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:

    • a. het drukken met behulp van een offsetpers;

    • b. het dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk;

    • c. het niet-dagelijks reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij offsetdruk.

  • 2 Het vochtwater dat wordt gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat ten hoogste 8 volumeprocenten isopropylalcohol of andere mono-alcoholen bij automatische doseersystemen en ten hoogste 10 volumeprocenten bij handmatige doseersystemen en bij rotatie-offsetpersen die voor het eerst in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1985.

  • 3 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.

  • 4 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C.

Artikel 4.32c. Zeefdrukken

  • 1 Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:

    • a. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij zeefdruk;

    • b. het zeefdrukken van papier en karton dat is bestemd voor toepassingen in binnenruimten en dat zwaarder is dan 135 gram per vierkante meter.

  • 2 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 21 °C.

  • 3 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.

Artikel 4.32d. Illustratiediepdrukken

  • 2 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C.

Artikel 4.32e. Verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken

  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. lakkeren:

    het aanbrengen van een lak op een flexibel materiaal of van een kleefstof op een flexibel materiaal ten behoeve van de latere afsluiting van dat materiaal;

    b. lamineren of cacheren:

    het hechten van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat.

  • 2 Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:

    • a. het drukken, lakkeren, lamineren of cacheren met behulp van een verpakkingsdiepdrukpers, flexopers, lakkeer-, lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een afzuigsysteem;

    • b. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen;

    • c. het lamineren of cacheren met behulp van een lamineer- of cacheermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;

    • d. het drukken of lakkeren van papier en karton met behulp van een flexodrukpers of lakkeermachine die niet is aangesloten op een installatie voor terugwinning of vernietiging van vluchtige organische stoffen;

    • e. het reinigen van machines of machineonderdelen, gereedschappen of materialen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder c en d, tenzij deze werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een afgesloten installatie of een installatie die wordt afgezogen.

  • 3 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten ten hoogste 50 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, indien daarbij bijzondere eisen aan de kwaliteit of bestendigheid van het gefabriceerde product worden gesteld, mits op jaarbasis het gewicht van de vluchtige organische stoffen van de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, ten hoogste 80% bedraagt van het gewicht van de opgebrachte vaste stof.

Artikel 4.32f. Herstellen autoschade

  • 2 Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:

    • a. het aanbrengen of toepassen van primer, surfacer, sealer of 1- en 2-laags aflaksystemen of van speciale dan wel overige producten als bedoeld in bijlage VIIIA bij deze regeling, ten behoeve van het herstellen van lakschade of vernieuwing van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen;

    • b. het reinigen van gereedschappen die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld onder a, of oppervlakken van onderdelen van motorrijtuigen ten behoeve van de herstel- of vernieuwingswerkzaamheden, bedoeld onder a.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden ten behoeve van het herstellen van lakschade of het vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen die zijn gebouwd vóór 1970;

  • 4 Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten in gebruiks- of spuitklare vorm, ten hoogste het gehalte aan vluchtige organische stoffen dat met betrekking tot deze producten is vastgesteld bij bijlage VIIIA bij deze regeling.

Artikel 4.32g. Gelijkstelling vervangende producten

Met producten als bedoeld in de artikelen artikel 4.32a, derde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, en 4.32f, vierde lid, worden gelijkgesteld producten die rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel rechtmatig zijn geproduceerd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen als de producten, bedoeld in voornoemde artikelen.

Paragraaf 4.9.

Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid

Artikel 5.1. Apparatuur en meubilair

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat:

  • a. de tekens op het beeldscherm voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot zijn, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels;

  • b. het beeld op het scherm stabiel is;

  • c. de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond gemakkelijk door de gebruiker is bij te stellen;

  • d. het beeldscherm vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar is;

  • e. het beeldscherm vrij is van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;

  • f. het toetsenbord hellend kan worden geplaatst en geen geheel vormt met het beeldscherm;

  • g. er voor het toetsenbord voldoende ruimte is voor handen en armen van de gebruiker;

  • h. het toetsenbord een mat oppervlak heeft;

  • i. de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik;

  • j. de symbolen op de toetsen voldoende contrastrijk zijn en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar;

  • k. de werktafel of het werkvlak een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk maakt en een reflectiearm oppervlak heeft, voldoende groot is en een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk maakt;

  • l. een voor het werk noodzakelijke documenthouder stabiel en regelbaar is, en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt.

Artikel 5.2. Inrichting van de werkplek

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de werkplek voldoen aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat:

  • a. de verlichting van de werkruimte zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;

  • b. mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op de werkplek worden vermeden;

  • c. er geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm optreden;

  • d. de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de werkplek valt te verminderen;

  • e. het geluid dat de apparatuur voortbrengt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord veroorzaakt;

  • f. de apparatuur geen voor de werknemers hinderlijke warmte voortbrengt;

  • g. de vochtigheidsgraad steeds toereikend is.

Artikel 5.3. Programmatuur

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet aan ergonomische eisen, waarbij in ieder geval in acht wordt genomen dat:

  • a. de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak;

  • b. de programmatuur gemakkelijk te gebruiken en aan te passen is aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker;

  • c. er zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik wordt gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;

  • d. de systemen de gebruiker gegevens verschaffen over de werking ervan;

  • e. de systemen de informatie zichtbaar maken in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker.

Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk

Paragraaf 6.1. Certificatie

ArtikelAanwijzingscriteria certificerende instelling 6.1

  • 2 Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, zesde lid, onderscheidenlijk zevende lid, van het besluit, is aangewezen een instelling die:

    • a. op grond van een daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde regeling een examen behorend bij de opleiding duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij de brandweer afneemt;

    • b. op grond van een daartoe door de Minister van Defensie vastgestelde regeling een opleiding duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij het Ministerie van Defensie verzorgt en de bijbehorende examens afneemt.

  • 3 Als certificerende instelling als bedoeld in het tweede lid kan tevens worden aangewezen een opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot doel heeft personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of beroep:

    • a. arbeid als duikploegleider verrichten of zullen gaan verrichten;

    • b. duikarbeid verrichten of zullen gaan verrichten;

    • c. duikers adequaat medisch begeleiden of zullen gaan begeleiden,

      en die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, en 6.6

Artikel 6.2. Verstrekken gegevens

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.1, eerste en derde lid verstrekt aan de minister op diens verzoek alle informatie met betrekking tot de door haar verzorgde opleiding en stelt hem tijdig op de hoogte van voorgenomen wijzigingen van de inhoud van de opleiding en het bijbehorende examen.

Artikel 6.3. Afgifte certificaat duikploegleider, duikarbeid, en duikploegleider en duikmedische begeleiding

  • 1 Een certificaat duikploegleider, duikarbeid of duikmedische begeleiding als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, zesde lid, onderscheidelijk zevende lid, van het besluit wordt door de instelling, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid en derde lid, afgegeven indien de cursist met goed gevolg het examen, behorend bij de opleiding, bedoeld in de laatstgenoemde artikelleden, heeft afgelegd. Het certificaat wordt aangemerkt als een schriftelijk bewijs als bedoeld in artikel 1.7.

  • 2 Een certificaat duikploegleider, duikarbeid of duikmedische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, dat door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, qua vereist niveau van vakbekwaamheid gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan de certificaten, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste 2 jaar. 4.

  • 4 Op het certificaat worden de volgende gegevens vermeld:

    • de categorie duikploegleider, duikarbeid onderscheidenlijk duikmedische begeleiding;

    • de geldigheidsduur;

    • de geldigheidsvoorwaarden.

Artikel 6.3a. Afgifte certificaat duikerarts

  • 1 Een certificaat als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van het certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit;

    • b. met goed gevolg het examen, behorend bij de opleiding, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, heeft afgelegd, en

    • c. blijk heeft gegeven over voldoende relevante en actuele kennis en beroepservaring te beschikken.

  • 2 Een certificaat als bedoeld in het eerste lid is geldig voor een periode van ten hoogste twee jaar; na afloop van die periode kan de geldigheidsduur van een certificaat op aanvraag telkens met ten hoogste twee jaar worden verlengd, indien de aanvrager kan aantonen dat hij de noodzakelijke kennis heeft bijgehouden en in de afgelopen periode nodige ervaring als duikerarts heeft gehad.

  • 3 De aanvrager van een certificaat verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, de relevante gegevens met betrekking tot opleiding, diploma's en kennis en beroepservaring als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Op de certificaten, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. de categorie duikerarts;

    • b. de geldigheidsduur, en

    • c. de geldigheidsvoorwaarden.

Artikel 6.4. Vergoeding

Voor de afgifte van een opleiding als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.3a is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste € 273, bijkomende kosten en BTW alsmede opleidings- en examenkosten daaronder niet begrepen.

Paragraaf 6.2. Opleidingen

Artikel 6.5. Categorieën opleidingen

  • 1 Een opleiding als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, leidt op tot het uitvoeren van:

    • a. arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste lid van het besluit;

    • b. arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid van het besluit.

  • 2 Een opleiding als bedoeld in artikel 6.1, tweede en derde lid, omvat:

    • a. een opleiding duikploegleider;

    • b. een of meer van de volgende categorieën van duikarbeid:

      • 1º. duikarbeid met Self-contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA);

      • 2º. duikarbeid met Surface Supply Equipment;

      • 3º. duikarbeid met droge duikklok, of

    • c. een of meer van de volgende categorieën van duikmedische begeleiding:

      • 1º. duikmedische begeleiding bij duikarbeid als bedoeld in artikel 6.16, vierde lid, van het besluit;

      • 2º. duikmedische begeleiding als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder a, van het besluit;

      • 3º. duikmedische begeleiding bij saturatieduiken.

Artikel 6.6. Inhoud opleidingen

Een opleiding als bedoeld in artikel 6.5 leidt ten minste op tot de eindtermen behorende bij de desbetreffende categorie arbeid als duikploegleider, duikarbeid, duikmedische begeleiding respectievelijk uitvoering van onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, bedoeld in bijlage IX bij deze regeling.

Paragraaf 6.4. Vrijstelling

ArtikelVrijstelling certificaat duikarbeid leerlingen 6.8

Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.

Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen

Paragraaf 7.1. Certificatie hijskranen

Artikel 7.1. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. mobiele kranen:

hijskranen voor haakbedrijf op rupsen of banden alsmede torenvormige hijskranen voor haakbedrijf op rupsen of banden met een bedrijfslastmoment van ten minste 10 tonmeter, met uitzondering van op voertuigen bevestigde laadkranen die uitsluitend zijn bestemd of worden gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig;

b. torenkranen:

torenvormige hijskranen die vast zijn opgesteld of die verrijdbaar zijn op rails met een bedrijfslastmoment van ten minste 10 tonmeter.

Artikel 7.2. Onderzoeken en beproevingen categorieën hijskranen

  • 1 Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 7.19, negende lid, van het besluit verricht de onderzoeken en beproevingen, bedoeld in artikel 7.19, eerste en tweede lid, van het besluit met betrekking tot:

    • a. mobiele kranen of torenkranen die na te zijn vervaardigd of ingrijpend te zijn gewijzigd, voor de eerste maal in gebruik worden genomen;

    • b. de ondersteuning van een kraan als bedoeld onder a.

  • 2 Een certificerende instelling als bedoeld in het eerste lid, verricht het onderzoek en de beproeving, bedoeld in artikel 7.19, vijfde lid, van het besluit met betrekking tot mobiele kranen of torenkranen die in gebruik zijn, voor de eerste maal na verloop van 33 maanden en ten hoogste 37 maanden na het verstrijken van de maand waarin de kraan voor de eerste maal in gebruik is genomen en vervolgens telkens na verloop van twee jaren.

Artikel 7.3. Afgifte certificaat van goedkeuring

Een certificaat van goedkeuring als bedoeld in artikel 7.19, tiende lid, van het besluit wordt door de certificerende instelling, bedoeld in artikel 7.2, afgegeven aan de aanvrager indien de mobiele kraan onderscheidenlijk de torenkraan, bedoeld in artikel 7.2, voldoet aan de eisen, omschreven in de desbetreffende beoordelingsformulieren en beproevingsprogramma's, bedoeld in bijlage XA bij deze regeling.

Paragraaf 7.2. Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen

Artikel 7.4. Modellen certificaten beproevingen en onderzoekingen

Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Artikel 7.5. Model register

Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Paragraaf 7.3. Certificatie machinisten hijskranen en funderingsmachines

Artikel 7.6. Categorieën torenkranen, mobiele kranen en mobiele hei-installaties

  • 1 Een persoon is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van het besluit indien hij een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als omschreven in de onderdelen a tot en met c, bedient:

    a. torenkraan:

    torenvormige hijskraan waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tonmeter of meer bedraagt of de giek 20 meter of hoger boven het vlak van de ondersteuning van de kraan bevestigd is;

    b. mobiele kraan:

    verrijdbare, niet aan een vaste baan gebonden hijskraan die geen torenkraan is en waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 ton-meter of meer bedraagt, met uitzondering van:

    • 1º. een op een voertuig bevestigde laadkraan die uitsluitend ingericht is of althans uitsluitend wordt gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig of een samenstel van voertuigen;

    • 2º. een grondverzetmachine die ontgravingen maakt en direct daarop aansluitend leidingwerk in die ontgravingen legt of ten behoeve van het uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten plaatst;

    c. mobiele hei-installatie:

    verrijdbare of verrolbare funderingsmachine die is ingericht of bestemd om palen of andere langwerpige voorwerpen in de grond te maken, te drijven of daaruit te verwijderen alsmede om met een en ander rechtstreeks verband houdende verrichtingen uit te voeren, met inbegrip van het met een maximumbedrijfslastmoment van 10 tonmeter of meer verplaatsen van lasten.

  • 2 Met betrekking tot een certificaat als bedoeld in het eerste lid, worden onderscheiden

  • a. een certificaat van vakbekwaamheid voor machinisten van torenkranen, onderverdeeld in de categorieën:

    • 1°. mobiele torenkraan;

    • 2°. toptorenkraan;

    • 3°. loopkattorenkraan;

  • b. een certificaat van vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele kranen, onderverdeeld in de categorieën:

    • 1°. mobiele kraan op rupsen;

    • 2°. autotruck/ruwterreinkraan/wegterreinkraan;

    • 3°. grondverzetmachine met hijsfunctie;

    • 4°. autolaadkraan;

  • c. een certificaat van vakbekwaamheid voor machinisten van mobiele hei-installaties, onderverdeeld in de categorieën:

    • 1°. mobiele hei-installatie met leiders;

    • 2°. mobiele hei-installatie met makelaar en tafel;

    • 3°. mobiele hei-installatie met trilblok;

    • 4°. mobiele hei-installatie met schroefboorpaalmachine.

Artikel 7.7. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid

  • 1 Een certificaat als bedoeld in artikel 7.6 wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:

    • a. in het bezit is van een diploma van een opleiding die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en opleidt tot de eindtermen met betrekking tot de bediening van een kraan of heistelling van de desbetreffende categorie, bedoeld in bijlage XB bij deze regeling;

    • b. in een periode van vijf jaar, direct voorafgaand aan een hernieuwde aanvraag van een certificaat als bedoeld in de aanhef, ten minste twee jaar ervaring heeft opgedaan met de bediening van een kraan van de desbetreffende categorie, waarvan ten minste een half jaar valt in de laatste drie jaar van de periode van vijf jaar, en

    • c. de ervaring, bedoeld onder b, kan aantonen overeenkomstig de aanwijzingen van de certificerende instelling, of

    • d. indien niet aan onderdeel b en c wordt voldaan, met goed gevolg een praktijktoets heeft afgelegd, waaruit blijkt dat hij over de vereiste vakbekwaamheid beschikt.

  • 2. Een certificaat als bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 7.8. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

De aanvrager van een certificaat als bedoeld artikel 7.6 verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de eerste aanvraag een afschrift van het diploma, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onder a.

Hoofdstuk 8. Veiligheids- en Gezondheidssignalering

Artikel 8.2. Permanente signalering

  • 1 De signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden.

  • 2 De signalering voor de lokalisatie en identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door middel van borden of een veiligheidskleur.

  • 4 De signalering van gevaren van stoten tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur of borden.

  • 5 De markering van verkeerswegen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur.

Artikel 8.3. Occasionele signalering

  • 1 De signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling.

  • 2 Het leiden van personen die handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen.

Artikel 8.4. Vrije keuze van signalering

  • 1 Bij gelijke doeltreffendheid van de signalering bestaat een vrije keuze tussen:

    • a. de lichtsignalen, de akoestische signalen of de mondelinge mededeling;

    • b. het hand- of armsein of de mondelinge mededeling;

    • c. een veiligheidskleur of een bord voor het signaleren van gevaar van struikelen, of vallen door hoogteverschil.

  • 2 De volgende signaleringswijzen kunnen gelijktijdig worden gebruikt:

    • a. het lichtsignaal en het akoestisch signaal;

    • b. het lichtsignaal en de mondelinge mededeling;

    • c. het hand- of armsein en de mondelinge mededeling.

  • 3 De doeltreffendheid van een signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen.

Artikel 8.5. Gebruik van kleuren

Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:

  • a. met de kleur rood aangeduid:

    • 1°. een verbodssignaal;

    • 2°. gevaar of alarm;

    • 3°. identificatie en lokalisatie van brandbestrijdingsmateriaal en brandweeruitrusting;

  • b. met de kleur geel of oranje-geel aangeduid een waarschuwingssignaal;

  • c. met de kleur blauw aangeduid een gebodssignaal;

  • d. met de kleur groen aangeduid:

    • 1°. een reddingssignaal of een eerste hulp-signaal;

    • 2°. een veilige situatie.

Artikel 8.6. Noodinstallatie

Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.

Artikel 8.7. Controle licht- en geluidssignalen

  • 1 De licht- en geluidssignalen zijn voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende vaak herhaald.

  • 2 Een licht- of geluidssignaal geeft bij inwerkingstelling het begin van een actie aan: de duur ervan is zo lang als de actie vereist.

  • 3 De licht- en geluidssignalen worden na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld.

Artikel 8.8. Bescherming specifieke werknemers

Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.

Artikel 8.9. Algemene eisen veiligheidsborden

  • 1 De pictogrammen waarvan veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor het begrip overbodige details worden weggelaten.

  • 2 De borden zijn gemaakt van materiaal met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid.

  • 3 De borden bezitten dusdanige afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn.

Artikel 8.10. Soorten borden

  • 1 Verbodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat.

  • 2 Waarschuwingsborden kenmerken zich door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.

  • 3 Gebodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een wit pictogram op blauwe achtergrond, waarbij de blauwe kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.

  • 4 Reddingsborden kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm, een wit pictogram op groene achtergrond, waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.

  • 5 Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat.

  • 6 De in bijlage XIA bij deze regeling opgenomen borden, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties.

Artikel 8.11. Plaatsing van borden

  • 1 De borden worden, rekening houdend met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd, hetzij bij de toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en zichtbare plaats.

  • 2 Bij slechte natuurlijke verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren, reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt.

  • 3 Een bord wordt verwijderd zodra de situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat.

Artikel 8.12. Reservoirs gevaarlijke stoffen

  • 1 Reservoirs die gebruikt worden bij werkzaamheden met dan wel de opslag van:

    • a. gevaarlijke enkelvoudige stoffen als omschreven in de richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), of

    • b. gevaarlijke meervoudige stoffen als omschreven in de richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200), alsmede zichtbare leidingen die de onder a dan wel b, bedoelde stoffen bevatten of waardoor deze stoffen worden getransporteerd, zijn voorzien van de in de onder a dan wel b, bedoelde richtlijnen voorgeschreven gevaarssymbolen.

  • 2 Het vorige lid is niet van toepassing op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of die vaak wisselen van inhoud mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde gevaarssymbolen kunnen:

    • a. worden vervangen door waarschuwingsborden als weergegeven in artikel 8.10 met hetzelfde pictogram of symbool;

    • b. worden aangevuld met extra informatie zoals de naam of de formule van de gevaarlijke stof en met bijzonderheden over de gevaren;

    • c. voor het transport van reservoirs op de arbeidsplaats worden aangevuld met of vervangen door borden die krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen dan wel de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Artikel 8.13. Aanbrengen van signalering op reservoirs

De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.

Artikel 8.14. Plaatsing op reservoirs

  • 2 De op leidingen gebruikte gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten.

Artikel 8.15. Signalering bij opslag gevaarlijke stoffen

  • 1 De signalering van plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen als bedoeld 8.12 tenzij, rekening houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen van de afzonderlijke verpakkingen of op de reservoirs ter zake volstaan.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde borden of gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst.

Artikel 8.16. Wijze van gebruik lichtsignalen

Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.

Artikel 8.17. Uniformiteit

  • 1 Het lichtoppervlak dat een signaal uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde achtergrond.

  • 3 Wanneer het signaal een pictogram bevat, voldoet dit aan artikel 8.10.

Artikel 8.18. Bijzondere lichtsignalen

  • 1 Wanneer een voorziening een continu en een onderbroken signaal kan uitzenden, wordt het onderbroken signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.

  • 2 Wanneer een onderbroken lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een geluidssignaal, is de code van het signaal identiek.

  • 3 Een voorziening om een lichtsignaal uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog gehouden of uitgerust met een reservelamp.

Artikel 8.19. Vereisten geluidssignalen

  • 1 Een geluidssignaal:

    • a. heeft een geluidsniveau dat duidelijk hoger is dan het niveau van het omgevingslawaai, zodat het goed hoorbaar is, doch niet te luid of pijnlijk voor de oren;

    • b. is gemakkelijk herkenbaar;

    • c. is gemakkelijk te onderscheiden van een ander geluidssignaal en andere omgevingsgeluiden.

  • 2 Wanneer een voorziening een geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd.

  • 3 Het geluid van een ontruimingssignaal is continu.

Artikel 8.20. Algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling

  • 1 De mondelinge mededeling vindt plaats tussen een spreker of zender en een of meer toehoorders, en wel in de vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden, eventueel gecodeerd.

  • 2 De mondelinge boodschappen zijn zo kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk.

  • 3 De mondelinge mededeling is direct door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel van de menselijke stem of spraaksynthese, verspreid door een middel ad hoc.

Artikel 8.21. Gebruikte taal

De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.

Artikel 8.22. Algemene vereisten inzake hand en armseinen

  • 1 Een hand- of armsein is precies en eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar.

  • 2 Het gelijktijdig gebruik van beide armen verloopt symmetrisch en geeft slechts één enkel signaal weer.

Artikel 8.23. Seingever

  • 1 De seingever geeft met behulp van hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de seinen.

  • 2 De seingever wijdt zijn aandacht uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden.

  • 3 De seingever kan de gehele besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te worden.

  • 4 Wanneer niet aan de in het derde lid, genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende seingevers ingeschakeld.

Artikel 8.24. Ontvanger van seinen

De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.

Artikel 8.25. Kenbaarheid seingever

De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.

Artikel 8.26. Voorkomen onduidelijkheid seinen

De in bijlage XIB bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.

Artikel 8.27. Signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen

  • 1 De signalering van gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood afgewisseld met wit, binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft.

  • 2 De gele en zwarte of rode en witte banden worden onder een hoek van circa 45° aangebracht en hebben ongeveer dezelfde afmetingen.

Artikel 8.28. Afstemming signalering op obstakel of gevaarlijke plaats

De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.

Artikel 8.29. Vereisten inzake markering van verkeerswegen

  • 1 Wanneer de bescherming van de werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed zichtbare kleur aangegeven.

  • 2 Bij het aanbrengen van de strepen wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 9.1. Vergoeding

  • 2 Voor het bepalen van het tarief per certificaat worden de duur van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, en het aantal en de soort van de verrichtingen die daarbij worden uitgevoerd alsmede de aard en de hoogte van de bijkomende kosten zo nauwkeurig mogelijk omschreven.

Artikel 9.2. Vergoeding extra kosten certificatie en wijze van betaling

  • 1 Voor zover ten gevolge van een verzoek of handeling dan wel nalaten van de aanvrager van een certificaat als bedoeld in deze regeling, extra kosten worden gemaakt in verband met de afgifte van het certificaat, worden deze kosten doorberekend aan de aanvrager.

  • 2 De kosten verbonden aan de afgifte van een certificaat, voor zover de afgifte gebeurt door de minister, worden bij de aanvraag voldaan door overmaking op gironummer 552712 (Postbank), ten name van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Postbus 90801, 2509 LV te 's-Gravenhage. Indien de minister voor de afgifte van een certificaat een certificerende instelling heeft aangewezen, worden de kosten, verbonden aan de afgifte van het certificaat, bij de aanvraag voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de instelling.

  • 3 Met ingang van 1 december 1999 wordt in het tweede lid “gironummer 552712 (Postbank)” vervangen door: bankrekeningnummer 19.23.21.366 (Rabobank).

Artikel 9.2a. Overgangsbepalingen certificering arbodiensten

  • 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt een arbodienst ten behoeve waarvan op het moment van inwerkingtreding van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 1998, nr. ARBO/AIS/98/01120, Directie Arbeidsomstandigheden tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de verzelfstandiging van de certificering van arbodiensten (Stcrt. 111) op grond van artikel 31a van de wet een certificaat was verleend, aangemerkt als een gecertificeerde arbodienst. De voorschriften die aan het certificaat waren verbonden zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De arbodienst, bedoeld in het eerste lid, gaat zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen vier maanden na aanwijzing van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7, een relatie aan met zo een instelling. De arbodienst doet hiervan mededeling aan de minister.

  • 3 Een arbodienst als bedoeld in het eerste lid, haalt binnen twee maanden na aanwijzing van een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7, het dossier af bij de minister en stelt dit dossier zo spoedig mogelijk ter beschikking van de certificerende instelling waarmee hij een relatie aangaat.

  • 4 Arbodiensten die op het moment van inwerkingtreding van de regeling, bedoeld in het eerste lid, een verzoek om certificaatverlening bij de minister hebben ingediend en waarvan de behandeling nog niet is afgerond, dragen het verzoek om certificaatverlening zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee maanden, over aan de op grond van artikel 2.7 aangewezen certificerende instelling.

Artikel 9.2b. Overgangsbepaling Commissie voor advies inzake bezwaar en beroep

Op een bezwaar- of beroepschrift op grond van de wet en de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten, dat voor 1 januari 2002 door Onze Minister is ontvangen, is paragraaf 1.5 van toepassing zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan die datum.

Artikel 9.2c. Overgangsbepaling certificering vakbekwaamheid professioneel vuurwerk

  • 1 Het vakbekwaamheidsbewijs inzake het bezigen van professioneel vuurwerk dat is afgegeven vóór 3 augustus 2000 wordt tot en met 31 december 2002 gelijkgesteld met een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, indien de bezitter van een dergelijk bewijs zich vóór 1 april 2002 heeft laten inschrijven bij een opleiding als bedoeld in artikel 417b, eerste lid, onder a.

  • 2 Het vakbekwaamheidsbewijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Beleidsregels vergunning professioneel vuurwerk, wordt aangemerkt als diploma als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, onder a.

  • 3 Artikel 4.17b, eerste lid, onder c, geldt niet tot en met 31 december 2002, mits de aanvrager in een periode van vijf jaar, direct voorafgaand aan de eerste aanvraag van een certificaat als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid,

    • a. als bezitter van een vakbekwaamheidsbewijs dat is afgegeven vóór 3 augustus 2000 tenminste tien maal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht of

    • b. als bezitter van een vakbekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Beleidsregels vergunning professioneel vuurwerk tenminste tien maal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht of

    • c. onder toezicht van een persoon als bedoeld onder a of b tenminste tien maal de desbetreffende soort arbeid heeft verricht.

Artikel 9.2d. Overgangsbepaling certificering duikploegleiders

  • 1 Artikel 6.3, eerste lid, geldt ten aanzien van de ploegleider, bedoeld in artikel 6.16, derde lid, van het besluit, met uitzondering van de ploegleider bij de brandweer, niet tot 1 januari 2004 mits de aanvrager van het certificaat duikploegleider blijk heeft gegeven te beschikken over voldoende relevante en actuele kennis en beroepservaring

  • 2 Artikel 6.3, eerste lid, geldt ten aanzien van de ploegleider bij de brandweer niet tot 1 januari 2005 mits de aanvrager van het certificaat duikploegleider blijk heeft gegeven te beschikken over voldoende relevante en actuele kennis en beroepservaring.

Artikel 9.2e. Overgangsbepaling certificering duikerartsen

Artikel 6.3a, eerste lid, onder a en b, geldt niet mits de aanvrager in een periode van een jaar, direct voorafgaand aan de eerste aanvraag van een certificaat als bedoeld in artikel 6.3a, eerste lid, tenminste 10 personen belast met het verrichten van duikarbeid, heeft gekeurd.

Artikel 9.3. Intrekking oude op de wet gebaseerde regelingen

De volgende regelingen worden ingetrokken:

  • a. de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 1987, inzake de aanwijzing van jeugdige krantenbezorgers,

  • b. de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 september 1987, (Stcrt. 197)

  • c. de Regeling Adviescommissie bezwaar en beroep arbeidsomstandigheden.

Artikel 9.5. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.

's-Gravenhage, 12 maart 1997

De

Staatssecretaris

voornoemd,

w.g. F.H.G. de Grave

Bijlage I. behorend bij artikel 1.10

Gegevens ten behoeve van de schriftelijke mededeling van een arbeidsongeval, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998

1. Werkgever

Naam:

Adres:

(geen Postbusnummer)

Postcode en plaats:

Registratienummer Kamer van Koophandel:

(voorzover van toepassing)

Aantal werkzame personen:

2. Getroffene(n)

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Geboortedatum en geslacht:

Nationaliteit:

De getroffene is: werknemer/stagiair/uitzendkracht/leerling/student/overig 1

Datum indiensttreding:

Soort letsel:

Plaats van het letsel:

Noodzaak ziekenhuisopname: ja/nee*

Dodelijke afloop: ja/nee*

Vermoedelijke verzuimduur:

3. Omstandigheden van het arbeidsongeval

Plaats van het arbeidsongeval:

Indien het arbeidsongeval niet plaatsvond op het adres van de werkgever tevens:

Naam bedrijf (voorzover van toepassing):

Adres:

Postcode en plaats:

Datum en tijdstip arbeidsongeval:

Direct voorafgaand aan het arbeidsongeval door getroffene verrichte werkzaamheden:

Aard van het arbeidsongeval:

Eventueel betrokken arbeidsmiddelen of stoffen:

Bijlage II. behorend bij artikel 1.16

  • 1 Deze lijst wordt aangehaald als: Arbolijst 2003.

  • 2 De in de bijlage begrepen bedrijfsmiddelen die in aanmerking kunnen komen voor de regeling, dienen de aangegeven bestemming te hebben voor zover aangegeven en ten minste te bestaan uit de bestanddelen vermeld achter “en bestaande uit”; indien zij uit deze bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter “(eventueel)” daaraan worden toegevoegd. Tot die bestanddelen kunnen tevens gerekend worden voorzieningen (zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.

  • 3 De Arbolijst is afgestemd op de VAMIL-lijst. Dit komt onder meer tot uiting in overeenkomstige eisen ten aanzien van geluid en het gebruik van biologisch-afbreekbare olie. Aldus moeten bedrijfsmiddelen waarvoor een beroep wordt gedaan op de regeling en waarvan het eventuele hydraulische systeem meer dan drie liter olie bevat, gevuld zijn met biologisch-afbreekbare en niet-toxische olie (zie in dat verband ook de VAMIL-lijst).

    Verder kan een aantal bedrijfsmiddelen van de Arbolijst - als onvoldoende voorzorgsmaatregelen worden genomen - ongewenste milieu-effecten veroorzaken. Denkbaar is bijvoorbeeld dat - ter voorkoming van de blootstelling van werknemers - schadelijke stoffen worden geloosd in het oppervlaktewater of worden geëmitteerd in de buitenlucht. Bedoelde bedrijfsmiddelen zijn in de Arbolijst gemarkeerd met het symbool # (het betreft de bedrijfsmiddelen: S 006, S 010, S 016, S 029, S 033, S 035, S 042, S 047, S 053, S 054, S 055, S 057, S 059, S 060, S 062, S 064, F 149, F 215 en F 226). Het verdient aanbeveling - alvorens men tot aanschaf van zo'n bedrijfsmiddel overgaat - eerst contact op te nemen met de gemeentelijke of provinciale milieudienst.

  • 1 De met een asterisk gemarkeerde bedrijfsmiddelen dienen, overeenkomstig de daarvoor geldende EEG-richtlijnen, vergezeld te zijn van een EG-verklaring van overeenstemming en van een gebruiksaanwijzing, die beide zijn opgesteld in de Nederlandse taal.

  • 2 De Arbolijst 2003 bestaat voor een deel uit bedrijfsmiddelen die ook al op de voorgaande Arbolijsten (1998, 1999, 2000, 2001 en 2002) voorkwamen. Nieuwkomers op de lijst zijn met een uitroepteken gemarkeerd (ook bedrijfsmiddelen met een enigszins gewijzigde omschrijving zijn voorzien van een uitroepteken).

  • 3 In enkele gevallen heeft de regeling betrekking op een onderdeel van een groter bedrijfsmiddel. Een voorbeeld daarvan is bedrijfsmiddel 'F 110 Vrachtwagen- of buscabine'. Alleen indien een bepaald type cabine wordt aangeschaft, komen de kosten daarvan in aanmerking voor een beroep op de regeling; de gehele vrachtwagen of bus daarentegen komt niet voor een beroep op de regeling in aanmerking. Om nu in de praktijk verwarring te voorkomen, wordt bij sommige bedrijfsmiddelen het beroep op de regeling aan een maximumbedrag gebonden.

Categorie-indeling

De bedrijfsmiddelen op deze lijst zijn ingedeeld in de volgende categorieën:

S. Investeringen ter voorkoming dan wel vermindering van de blootstelling aan toxische en andere stoffen.

L. Investeringen ter voorkoming dan wel vermindering van de blootstelling aan lawaai.

F. Investeringen ter voorkoming dan wel vermindering van de blootstelling aan fysieke belasting en ter bevordering van de reïntegratie.

Diverse op de lijst voorkomende bedrijfsmiddelen bieden meer dan één arbovoordeel. In die gevallen is het bedrijfsmiddel toegedeeld aan een van de hiervoor genoemde categorieën.

Bedrijfsmiddelen

1. Investeringen ter voorkoming/vermindering van de blootstelling aan toxische en andere stoffen

*S 006 Ventilatiesysteem voor kapsalons

bestemd voor: het afzuigen van stoffen en dampen afkomstig van haarverzorgingsprodukten en het aanvoeren van zuivere lucht,

bestaande uit:

- geluidsarme afzuigvoorzieningen nabij behandelplaatsen van voldoende capaciteit;

- leidingen;

- instelvoorziening afzuig- en aanvoercapaciteit;

- voorverwarmingsvoorziening voor aan te voeren verse lucht (met warmte wisselaar).

*S 007 Cirkelzaag met schuiftafel (formaatzaag) volgens norm NEN-EN 1870-1:1999

bestemd voor: het onder goede arbeidsomstandigheden op maat zagen van hout, houtachtige plaatmaterialen en kunststofplaten,

verder bestaande uit:

• afzuigpunten die zodanig zijn uitgevoerd dat de stofemissiewaarde maximaal 1 mg/m3 lucht bedraagt;

• (eventueel) aansluitleiding op bestaande afzuiginstallatie;

• (eventueel) automatische klepregeling.

*S 008 Freesmachine met één verticale as (tafelfreesmachine) volg