Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag

Geraadpleegd op 05-10-2022.
Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater

Artikel 4

  • 1 Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, tweede volzin, van de wet wordt een gedeelte van een maand als een hele maand aangemerkt bij aanvang van de verbruiksperiode vóór de zestiende dag van de kalendermaand en bij einde van de verbruiksperiode na de vijftiende dag van de kalendermaand.

  • 2 Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien een gedeelte van een maand in aanmerking wordt genomen naar evenredigheid van het aantal dagen.

  • 4 De verklaring, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet, wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de exploitant;

    • c. naam en adres van de leverancier, en

    • d. het aantal alsmede een omschrijving van de onroerende zaken met plaatselijke en kadastrale aanduiding, die gemiddeld op de installatie zijn aangesloten.

Artikel 5

In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

  • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

  • b. naam en adres van de verbruiker;

  • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

  • d. naam en adres van de leveranciers;

  • e. de hoeveelheid leidingwater waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;

  • f. de periode van levering van het leidingwater, en

  • g. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.

Artikel 6

De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:

  • a. de hoeveelheid leidingwater die is geleverd;

  • b. de opbouw van de voorschotbedragen;

  • c. de herleiding van de voorschotbedragen naar de hoeveelheden leidingwater;

  • d. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;

  • e. de belasting begrepen in eindfacturen;

  • f. de belasting begrepen in facturen;

  • g. het aantal aansluitingen voor leidingwater;

  • h. de periode van aansluiting;

  • i. het aantal malen dat de bovengrens is toegepast;

  • j. de evenredige toedeling van de bovengrens bij afwijkende verbruiksperioden;

  • k. het eigen verbruik;

  • l. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;

  • m. de toepassing van de regeling, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet;

  • n. de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 19 van de wet.

Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting

Artikel 7

  • 1 Het gewicht van de afvalstoffen die ter verwijdering worden afgegeven, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de wet, wordt onder verantwoordelijkheid van de houder van een inrichting onmiddellijk vóór dan wel aansluitend op de afgifte bepaald in kilogrammen door weging met een meetinstrument dat voldoet aan de eisen die bij of krachtens de Metrologiewet worden gesteld aan een meetinstrument.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur voor afvalstoffen die per schip aan de inrichting worden afgegeven ter verwijdering met de houder van de inrichting afwijkende afspraken maken over de wijze waarop het gewicht van die afvalstoffen wordt bepaald.

  • 3 In afwijking van het eerste lid wordt het gewicht van afvalstoffen die worden verwijderd binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bepaald onmiddellijk vóór de verwijdering binnen de inrichting.

Artikel 8

De houder van de inrichting waaraan afvalstoffen ter verwijdering worden afgegeven die naar Nederland zijn overgebracht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet, neemt in zijn administratie een afschrift op van de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van EVOA.

Artikel 8a

Bij een aanvraag, als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de wet, geschiedt de vaststelling van de juistheid van de identiteit van de aanvrager door middel van eHerkenning op basis van minimaal betrouwbaarheidsniveau 2.

Artikel 8b

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Artikel 9

Een plaats waar geen kolen worden vervaardigd, maar die dient voor de opslag van kolen, kan uitsluitend als inrichting worden aangemerkt, indien de hoeveelheid kolen die aldaar gemiddeld over een jaar voorhanden is, meer bedraagt dan 20.000 kilogram.

Artikel 10

Het verzoek om een vergunning voor een inrichting, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:

  • a. een omschrijving van de aard van het bedrijf waaruit onder meer moet blijken of de vergunning mede wordt gevraagd voor de vervaardiging van kolen of uitsluitend voor de opslag van kolen;

  • b. een omschrijving van de administratie en de administratieve organisatie met betrekking tot de als inrichting aan te merken plaats, alsmede het adres waar de administratie wordt gehouden;

  • c. de hoeveelheid kolen die naar verwachting in de inrichting per jaar zal worden vervaardigd dan wel gemiddeld over een jaar voorhanden zal zijn;

  • d. het adres en de kadastrale aanduiding van de als inrichting aan te wijzen plaats, en

  • e. de persoon op wiens naam de vergunning dient te worden gesteld.

Artikel 11

De verklaring, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, bevat de volgende gegevens:

  • a. in het geval van uitslag, de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting;

  • b. in het geval van invoer, de naam en het adres van degene die de kolen levert;

  • c. de naam en het adres van de gebruiker;

  • d. de hoeveelheid kolen waarvoor vrijstelling wordt verleend;

  • e. de plaats van levering van de kolen;

  • f. de datum van levering van de kolen, en

  • g. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.

Artikel 12

  • 1 De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting, bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

  • 2 Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:

    • a. de naam en het adres van degene die de kolen levert;

    • b. de naam en het adres van de gebruiker;

    • c. BSN of RSIN van de gebruiker;

    • d. de hoeveelheid kolen waarvoor teruggaaf wordt verzocht;

    • e. de plaats van levering van de kolen;

    • f. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht, en

    • g. het bedrag aan kolenbelasting dat wordt teruggevraagd.

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Artikel 14

  • 1 Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, onderdeel k, van de wet worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong van ten hoogste 3 massaprocent per partij, geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt als partij aangemerkt de op basis van één specificatie geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclisch organische oorsprong door degene die het materiaal gebruikt voor de opwekking van elektriciteit gedurende een door hem vastgestelde periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar is.

Artikel 16

  • 1 Artikel 50, vierde lid, van de wet is van toepassing indien degene aan wie het aardgas of de elektriciteit geleverd wordt, een verklaring heeft overgelegd aan de leverancier dat hij leveringen aan de verbruiker verricht.

  • 2 De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van degene die op zijn beurt leveringen aan de verbruiker verricht; en

    • c. naam en adres van de leverancier.

  • 3 Degene aan wie met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de wet aardgas of elektriciteit wordt geleverd, dient:

    • a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de heffing van de energiebelasting van belang zijnde bedrijfshandelingen, en

    • b. de hoeveelheid aardgas onderscheidenlijk elektriciteit te meten die wordt betrokken voor verbruik als bedoeld in artikel 50, derde lid, onderdeel c, van de wet.

  • 4 Wanneer degene aan wie het aardgas of de elektriciteit wordt geleverd niet langer leveringen aan de verbruiker verricht, meldt hij onmiddellijk schriftelijk aan de leverancier dat artikel 50, vierde lid, van de wet niet langer van toepassing is ten aanzien van aan hem geleverd aardgas of aan hem geleverde elektriciteit.

Artikel 16a

  • 1 De verklaring bedoeld in artikel b18a van het besluit wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de energieopslagfaciliteit;

    • c. naam en adres van de leverancier.

  • 2 De organisatorische eenheid die de energieopslagfaciliteit beheert, dient zijn administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de heffing van de energiebelasting van belang zijnde bedrijfshandelingen.

  • 3 De organisatorische eenheid meldt onmiddellijk schriftelijk aan zijn leverancier indien hij niet langer een energieopslagfaciliteit exploiteert.

  • 4 De verklaring kan worden samengevoegd met de verklaring, bedoeld in artikel 16.

Artikel 20

  • 2 De tarieven, genoemd in artikel 60, eerste lid, van de wet, vinden slechts toepassing indien de leverancier per aansluiting een door de verbruiker ondertekende verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat deze het aardgas gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, en waarin voorts zijn vermeld:

    • a. de dagtekening;

    • b. de naam en het adres van de verbruiker, en

    • c. de naam en het adres van de leverancier.

  • 3 De verklaring, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op al het via de aansluiting aan de verbruiker geleverde aardgas. Indien slechts een deel van dat aardgas wordt gebruikt voor het in het tweede lid vermelde doel, wordt dit in de verklaring vermeld en wordt dat deel uitgedrukt in een percentage van het geheel.

  • 4 Indien een gegeven als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, of in het derde lid wijzigt, geeft de verbruiker binnen zes weken een nieuwe verklaring af aan de leverancier.

  • 5 De verbruiker trekt de verklaring binnen zes weken schriftelijk in, indien het door hem afgenomen aardgas niet langer wordt gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten. In de te ondertekenen verklaring wordt de datum van wijziging van gebruik opgenomen.

  • 6 Onder verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, wordt verstaan het verwarmen van kassen waarin tuinbouwproducten worden gekweekt. Als verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten wordt mede aangemerkt:

    • de verwarming van bloembollenschuren voor bloemknopbevordering en kwaliteitsbehandeling van de bloembollen;

    • de verwarming van de grond via een buizennet voor de behandeling van bloembollen;

    • de verwarming voor de teelt en het drogen van tuinbouwzaden;

    • de verwarming voor het prepareren van plantuitjes met het doel de kwaliteit van consumptie-uitjes te verbeteren;

    • de opwekking van stoom voor het ontsmetten van tuinbouwgronden;

    • de opwekking van stoom voor het kiemvrij maken van mest die wordt gebruikt voor het kweken van champignons;

    • de verwarming van champignoncellen;

    • de bestrijding van nachtvorst in boomgaarden met behulp van kachels;

    • de verwarming voor het forceren van asperges, rabarber en witlof;

    • de verwarming voor het in cellen in bloei trekken van trekheesters;

    • de verwarming voor het prepareren van aardbeiplanten.

Artikel 20a

  • 1 De omstandigheid, bedoeld in artikel 21c, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, blijkt uit de beschikking van de ontvanger waarbij hij het verzoek om uitstel van betaling afwijst omdat naar zijn oordeel:

    • de betalingsproblemen structureel zijn en het bedrijf van de verbruiker niet voldoende levensvatbaar is; of

    • uit door de verbruiker verstrekte gegevens blijkt dat het bedrijf van de verbruiker niet voldoende solvabel is.

Artikel 20b

  • 1 De verklaring, bedoeld in artikel 21d, eerste lid, van het besluit, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. naam en adres van de leverancier;

    • d. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaring betrekking heeft;

    • e. de verklaring dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 2 De verklaring, bedoeld in artikel 21d, tweede lid, van het besluit, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. naam en adres van de leverancier;

    • d. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaring betrekking heeft;

    • e. de verklaring dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 70a, derde lid, van de wet;

    • f. de verklaring dat de walstroominstallatie beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze walstroominstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, of dat de walstroominstallatie beschikt over een comptabele meetinrichting als bedoeld in artikel a18a van het besluit.

Artikel 21

  • 1 Voor de toepassing van artikel 63, vierde lid, van de wet wordt een gedeelte van een maand als een hele maand aangemerkt bij aanvang van de verbruiksperiode vóór de zestiende dag van de kalendermaand en bij einde van de verbruiksperiode na de vijftiende dag van de kalendermaand.

  • 2 Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien een gedeelte van een maand in aanmerking wordt genomen naar evenredigheid van het aantal dagen.

Artikel 22

De verklaring, bedoeld in artikel 22, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het besluit, wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de dagtekening;

  • b. naam en adres van de exploitant;

  • c. naam en adres van leverancier, en

  • d. het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft.

Artikel 23

  • 1 Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de wet, heeft betrekking op slechts één aansluiting en wordt gedaan binnen dertien weken na afloop van het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht.

  • 2 In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de wet, worden ten minste de volgende gegevens vermeld:

    • a. het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

    • d. naam en adres van de leverancier of leveranciers;

    • e. de EAN-code van de aansluiting via welke de elektriciteit geleverd is waarop het verzoek betrekking heeft;

    • f. de hoeveelheid elektriciteit die in het kalenderjaar waarover teruggaaf wordt verzocht via de aansluiting, bedoeld in onderdeel d, geleverd is, voor zover deze elektriciteit zakelijk is verbruikt en niet op grond van artikel 64, eerste of derde lid, van de wet van energiebelasting is vrijgesteld.

  • 3 Bij het verzoek worden overgelegd:

    • a. de factuur of facturen waaruit blijkt hoeveel energiebelasting ter zake van de in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde elektriciteit in rekening is gebracht;

    • b. de verklaringen, bedoeld in artikel 66, derde en vierde lid, van de wet.

  • 4 Indien het verzoek langs elektronische weg wordt ingediend, worden de factuur of facturen, bedoeld in het derde lid, niet bij het verzoek overgelegd maar desgevraagd aan de inspecteur verstrekt.

  • 5 De verklaring, bedoeld in artikel 66, derde lid, van de wet, wordt door de verbruiker ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de verbruiker.

  • 6 De verklaringen, bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de wet, worden door de verbruiker ondertekend en bevatten ten minste:

    • a. de dagtekening;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. de EAN-code van de aansluiting waarop de verklaringen betrekking hebben;

    • d. het kalenderjaar waarop de verklaringen betrekking hebben.

  • 7 De verbruiker richt zijn administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van de teruggaafregeling, bedoeld in artikel 66 van de wet, van belang zijnde bedrijfshandelingen.

Artikel 24

  • 1 1. In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. de verbruiksperiode waarop het verzoek betrekking heeft;

    • b. naam en adres van de gebruiker van de onroerende zaak;

    • c. BSN of RSIN van de gebruiker van de onroerende zaak;

    • d. naam en adres van de exploitant van de installatie voor blokverwarming;

    • e. de hoeveelheid warmte die in de verbruiksperiode is verbruikt, en

    • f. de stand van de warmtehoeveelheidsmeter aan het begin en aan het einde van de verbruiksperiode.

  • 2 In de afrekening, bedoeld in artikel 24, derde lid, van het besluit, worden vermeld de totale hoeveelheid warmte die in het blokverwarmingscomplex is verbruikt in de verbruiksperiode waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft, alsmede het aandeel van de gebruiker daarin.

Artikel 25

  • 1 In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

    • d. naam en adres van de leveranciers;

    • e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

    • f. de hoeveelheden aardgas en elektriciteit waarvoor teruggaaf wordt verzocht;

    • g. de periode van levering van aardgas en elektriciteit; en

    • h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.

  • 2 In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

    • d. naam en adres van de leverancier;

    • e. de EAN-code van de aansluiting;

    • f. de totaal verbruikte hoeveelheid elektriciteit; en

    • g. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.

  • 3 De administratie van degene die een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

Artikel 26

  • 3 In de verzoeken om teruggaaf, bedoeld in artikel 69, eerste, tweede en derde lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

    • d. naam en adres van de leverancier;

    • e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en); en

    • f. de totaal verbruikte hoeveelheden aardgas en elektriciteit.

Artikel 27

  • 1 De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting als bedoeld in de artikelen 70 of 70a van de wet, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

  • 2 In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 70 van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. BSN of RSIN van de verbruiker;

    • d. naam en adres van de leveranciers;

    • e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

    • f. de hoeveelheid en het soort product waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;

    • g. de periode van levering van het product; en

    • h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.

  • 3 In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 70a van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van degene die het verzoek om teruggaaf doet;

    • c. BSN of RSIN van degene die het verzoek om teruggaaf doet;

    • d. naam en adres van de leveranciers;

    • e. de EAN-code(s) van de aansluiting(en);

    • f. de hoeveelheid aardgas waarvoor teruggaaf wordt verzocht per leverancier;

    • g. de periode van levering van het aardgas; en

    • h. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd.

Artikel 28

  • 1 De administratie van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 53, eerste lid, van de wet, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:

    • a. de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die zijn geleverd;

    • b. de opbouw van de voorschotbedragen;

    • c. de herleiding van de voorschotbedragen naar de hoeveelheden aardgas en elektriciteit;

    • d. de belasting begrepen in voorschotnota's en voorschotbedragen;

    • e. de belasting begrepen in eindfacturen;

    • f. de belasting begrepen in facturen;

    • g. het aantal aansluitingen voor aardgas en elektriciteit;

    • h. de periode van aansluiting;

    • i. het aantal malen dat de belastingvermindering is toegepast;

    • j. de evenredige toedeling van belastingverminderingen bij afwijkende verbruiksperioden;

    • k. het eigen verbruik;

    • l. de contracten ten aanzien van de onbemeterde aansluitingen;

    • m. de toepassing van artikel 50, vierde lid, van de wet;

    • n. de toepassing van de tarieven, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet;

    • o. de toepassing van de tarieven, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet;

    • p. de toepassing van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 64, van de wet.

Artikel 29

  • 1 De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van:

    • a. de door de installatie geproduceerde hoeveelheid elektriciteit alsmede de aan het distributienet geleverde hoeveelheid elektriciteit;

    • b. de verbruikte hoeveelheid fossiele brandstof en de energie-inhoud daarvan;

    • c. de verbruikte hoeveelheid biomassa die als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;

    • d. de verbruikte hoeveelheid biomassa die niet als zuivere biomassa kan worden aangemerkt en de energie-inhoud daarvan;

    • e. het netto elektrisch rendement van de installatie.

  • 2 De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa wordt verwerkt op een wijze als bedoeld in het eerste lid, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de toepassing van artikel 14 van belang zijnde bedrijfshandelingen.

  • 3 De administratie van een installatie waarin biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen, dient zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen welke van belang zijn voor de jaarlijkse vaststelling van de door de installatie gewonnen en aan het distributienet geleverde hoeveelheid stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, of biogas.

De

Staatssecretaris

van Financiën,

W.A.F.G. Vermeend

Naar boven