Kentekenreglement

Geldend van 01-09-2002 t/m 30-05-2004

Besluit van 6 oktober 1994, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juni 1993, nr. RV 151906, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de Wegenverkeerswet 1994;

De Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 1993, nr. W09.93.0363);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1994, nr. R 183051; Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. wet : Wegenverkeerswet 1994;

  • b. voertuig : motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c en d, van de wet;

  • c. bijzonder kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 38 van de wet;

  • d. erkend bedrijf : natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning overeenkomstig artikel 62 van de wet is verleend;

  • e. bedrijfsvoorraad : te verhandelen, bewaren of te bewerken voertuigen waarvan een erkend bedrijf de eigendom heeft verkregen;

  • f. bedrijfsvoorraad deel II: deel II van een kentekenbewijs van een bij ministeriële regeling vastgesteld model, afgegeven aan een erkend bedrijf, ten behoeve van de voertuigen die in bedrijfsvoorraad zijn opgenomen;

  • g. bedrijfsvoorraadpas: pas als bedoeld in artikel 48, eerste lid;

  • h. handelaarskenteken: kenteken als bedoeld in artikel 3;

  • i. vrijwaringsbewijs : bewijs van een bij ministeriële regeling vastgesteld model, blijkens welk aan de verplichtingen van artikel 26, tweede lid, 27, derde lid, 27, achtste lid, onderdeel a, 28, tweede lid, 28a, vierde lid, of 29, eerste lid, is voldaan.

Hoofdstuk 2. Kentekens

Artikel 2. Opgave en inrichting kenteken

  • 1 De opgave van een kenteken geschiedt door afgifte van een kentekenbewijs dan wel door afgifte van een deel II of een bedrijfsvoorraad deel II van een kentekenbewijs.

  • 2 Het kenteken bestaat uit een combinatie van letters en cijfers dan wel een combinatie van één letter en cijfers.

Artikel 3. Handelaarskentekens

Aan een erkend bedrijf of aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, kan voor de in artikel 37, derde lid, van de wet bedoelde voertuigen een kenteken worden opgegeven bevattende wat betreft motorrijtuigen de lettergroep HA, HF of FH en twee groepen van twee cijfers dan wel wat betreft aanhangwagens de lettergroep OA en twee groepen van twee cijfers, mits wordt voldaan aan hoofdstuk 5.

Artikel 4. Bijzondere kentekens

  • 1 Aan leden van het Koninklijk Huis en aan buitenlandse diplomaten kan een kenteken worden opgegeven, bevattende de lettergroep AA, onderscheidenlijk CD, en aan hen die behoren tot het Internationaal Gerechtshof dan wel tot een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen internationale organisatie een kenteken, bevattende de lettergroep CDJ.

  • 2 Kentekens, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen:

    • a. waarvoor overeenkomstig de voorschriften van de Minister van Financiën een vrijstelling van belasting is verleend, of

    • b. waarvan de eigenaar of houder behoort tot het personeel van buitenlandse ambassades, consulaten en daarmee gelijkgestelde instellingen, voor zover daarvoor naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken aanleiding is.

  • 3 Kentekens, bevattende de lettergroep GV en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen, met uitzondering van bromfietsen, die in het grensverkeer voor landbouwdoeleinden worden gebezigd en waarvoor in Nederland geen kenteken is vereist.

  • 4 Kentekens, bevattende de lettergroep HH en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor bromfietsen, die deelnemen aan het verkeer in landen waar voor deze voertuigen een kenteken is vereist.

  • 5 Kentekens, bevattende de lettergroep ZZ en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen die zich in verband met hun constructie uitsluitend op de weg mogen bevinden met een ontheffing van de wegbeheerder dan wel van de Dienst Wegverkeer.

  • 6 Kentekens, bevattende twee groepen van drie letters en cijfers of een combinatie daarvan worden slechts opgegeven voor voertuigen die overeenkomstig de artikelen 31, 32 of 33 voorgoed buiten Nederland worden gebracht, mits het voertuig naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer technisch in goede staat is.

  • 7 Kentekens, bevattende de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W of X en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen die ter verkrijging van een kentekenbewijs met één of twee lettergroepen naar en van de plaats van weging en onderzoek moeten worden gereden.

  • 8 Kentekens, bevattende de enkele letter Z en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor voertuigen die binnen of buiten Nederland worden gebracht.

  • 9 Kentekens, bevattende de lettergroep BO en twee groepen van twee cijfers worden slechts opgegeven voor aanhangwagens die afkomstig zijn uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is vereist en die worden voortbewogen door een in Nederland geregistreerd motorrijtuig.

Artikel 5. Kentekenplaat

  • 1 Het kenteken wordt aangebracht op een plaat die behoort tot een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort.

  • 2 Het eerste lid geldt niet in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde plaat en de onderdelen daarvan zijn in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen voorzien van bij die regeling vast te stellen merken.

Hoofdstuk 3. Registratie van kentekens

Artikel 6. De inrichting van het kentekenregister

  • 1 Het kentekenregister bevat uitsluitend de volgende categorieën gegevens:

    • a. de naam, de voornaam of, in geval van meer voornamen, de eerste voornaam en de beginletters van de overige voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland, het geslacht en het adres van degene aan wie het kenteken is dan wel was opgegeven;

    • b. de naam, het adres en het inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel van de rechtspersoon waaraan het kenteken is dan wel was opgegeven;

    • c. de naam, de voornaam of, in geval van meer voornamen, de eerste voornaam en de beginletters van de overige voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland, het geslacht en het adres van degene die bij de aanvraag van een kentekenbewijs als gemachtigde van een rechtspersoon is opgetreden;

    • d. de naam en het adres van degene die een voertuig waarvoor nog geen kenteken is opgegeven, op Nederlands grondgebied heeft gebracht of in Nederland heeft vervaardigd;

    • e. de naam, het adres en de gegevens omtrent het legitimatiebewijs van degene die een voertuig voorgoed buiten Nederland brengt;

    • f. gegevens omtrent bij de aanvraag van een kentekenbewijs overgelegde legitimatiebewijzen;

    • g. gegevens omtrent de afgifte, de invordering alsmede de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs;

    • h. gegevens omtrent de erkenning bedrijfsvoorraad, bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 5 van de wet;

    • i. gegevens omtrent de schorsing, bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de wet;

    • j. gegevens omtrent de verplichting tot periodieke keuring, bedoeld in hoofdstuk V van de wet;

    • k. gegevens ten behoeve van de heffing van de motorrijtuigenbelasting, bedoeld in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en de belasting, bedoeld in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;

    • l. gegevens omtrent voertuigen waarvoor een kenteken is dan wel was opgegeven alsmede voertuigen die op Nederlands grondgebied zijn gebracht of in Nederland zijn vervaardigd, waarvoor nog geen kenteken is opgegeven;

    • m. gegevens omtrent het bepaalde in andere wettelijke regelingen ten aanzien van voertuigen dan de wet en de in onderdeel k bedoelde wettelijke regelingen;

    • n. gegevens omtrent in het buitenland geregistreerde voertuigen waarvoor de opgave van een kenteken wordt verzocht;

    • o. gegevens in verband met het verstrekken en gebruiken van gegevens uit het kentekenregister;

    • p. gegevens van administratieve aard, verband houdende met de tenaamstelling van kentekens;

    • q. gegevens omtrent de vermissing van voertuigen en de aangifte van diefstal of verduistering van voertuigen;

    • r. het sociaal-fiscaal nummer, het GBA-nummer en het door de houder van het kentekenregister toegekende persoonsidentificatienummer;

    • s. het gegeven dat degene aan wie een kenteken is opgegeven, is overleden, en

    • t. het gegeven dat ten aanzien van een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven, niet is voldaan aan de verplichting tot het betalen van motorrijtuigenbelasting als bedoeld in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, of de verplichtingen inzake opgelegde administratieve sancties als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden, voor zover zij verband houden met een tenaamstelling, maximaal negen jaar na het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister bewaard. De overige gegevens worden gedurende een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde periode bewaard.

Artikel 7. Het beheer van het kentekenregister

De dagelijkse leiding van het register berust bij de houder van het kentekenregister.

Artikel 8. Mededeling feiten aan register door autoriteiten

De in artikel 43, eerste lid, van de wet bedoelde autoriteiten doen mededeling aan de houder van het kentekenregister van de hun in de uitoefening van hun functie ter kennis gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen gegevens over te gaan dan wel anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze gegevens.

Artikel 9. Belanghebbenden

Voor de verstrekking van gegevens op grond van artikel 44 van de wet worden belanghebbenden onderscheiden in:

  • a. particulieren,

  • b. door Onze Minister of, in geval van verstrekking van gegevens omtrent de aangifte van diefstal of verduistering van een voertuig, door Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk dan wel, in geval van verstrekking van gegevens omtrent de verplichtingen, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, door Onze Minister en Onze Minister van Financiën, respectievelijk Onze Minister en Onze Minister van Justitie, gezamenlijk aangewezen beroepsbeoefenaren of categorieën van beroepsbeoefenaren,

  • c. personen of instanties met een publiekrechtelijke taak, niet zijnde autoriteiten als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet, en

  • d. door Onze Minister of, in geval van verstrekking van gegevens omtrent de aangifte van diefstal of verduistering van een voertuig, door Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk aangewezen organisaties die de belangen van de automobielbranche behartigen.

Artikel 10. Aanvraag van gegevens door belanghebbenden

  • 1 De aanvraag tot het verstrekken van gegevens wordt schriftelijk ingediend bij de houder van het kentekenregister onder opgave van de naam en het adres van de aanvrager alsmede de redenen van de aanvraag.

  • 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet in behandeling genomen dan nadat het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde tarief is voldaan.

  • 3 Indien de aanvrager persoonlijk bij de houder van het kentekenregister verschijnt teneinde een aanvraag tot het verstrekken van gegevens in te dienen, legitimeert deze zich ten genoege van de houder.

  • 4 Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag wordt ingediend door belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdelen b, c of d, mits overeenkomstig het door de Dienst Wegverkeer bepaalde, is vastgesteld dat de aanvrager tot één van de genoemde categorieën behoort en voldoende zekerheid is verkregen omtrent diens identiteit.

Artikel 11. Verstrekking van gegevens aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel a (particulieren)

  • 1 Nadat een belanghebbende als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, een verzoek om verstrekking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1 van de Wet persoonsregistraties heeft ingediend, vraagt de houder van het kentekenregister schriftelijk toestemming voor de verstrekking van deze gegevens aan degene op wie de gegevens betrekking hebben. De houder geeft daarbij aan voor welke doeleinden de verstrekking is verzocht.

  • 2 Het vragen van toestemming blijft achterwege indien uit het kentekenregister blijkt dat degene op wie de gegevens betrekking hebben zijn toestemming aan elke verstrekking aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, heeft onthouden, dan wel indien het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft, blijkens door de Dienst Wegverkeer aangewezen bescheiden is betrokken bij een verkeersongeval waarbij aan de aanvrager schade is toegebracht.

  • 3 Aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, worden persoonsgegevens niet verstrekt indien degene op wie deze gegevens betrekking hebben zijn toestemming daaraan onthoudt, dan wel zijn toestemming aan elke verstrekking aan particulieren heeft onthouden.

  • 4 In afwijking van het derde lid worden aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, de gevraagde gegevens zonder toestemming van degene op wie de gegevens betrekking hebben verstrekt, indien het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft, blijkens door de Dienst Wegverkeer aangewezen bescheiden, is betrokken bij een verkeersongeval waarbij aan de aanvrager schade is toegebracht.

Artikel 12

Aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel b, worden de gevraagde gegevens verstrekt, voor zover zij deze gegevens beroepshalve nodig hebben voor het realiseren van rechten en plichten met betrekking tot het desbetreffende voertuig die voor de aanvrager of diens cliënt bestaan of kunnen ontstaan, voortvloeiend uit wettelijk voorschrift of uit overeenkomst, een en ander voor zover bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, is bepaald.

Artikel 13. Verstrekking van gegevens aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel c (personen of instanties met een publiekrechtelijke taak)

Aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel c, worden de gevraagde gegevens verstrekt, voor zover zij deze gegevens behoeven voor de uitvoering van hun taak en de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 14. Verstrekking van gegevens aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel d (vertegenwoordigers van de automobielbranche)

  • 1 Aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel d, worden de gevraagde gegevens verstrekt, voor zover zij deze gegevens behoeven voor:

    • a. het verrichten van activiteiten die verband houden met een goede uitvoering van de wet,

    • b. wetenschappelijk onderzoek en statistiek, dan wel

    • c. voertuiginformatiesystemen ten behoeve van de automobielbranche, een en ander voor zover bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 9, onderdeel d, is bepaald.

  • 2 Aan de in het eerste lid bedoelde belanghebbenden worden uitsluitend gegevens verstrekt die de situatie weergeven op het moment van de verstrekking.

Artikel 15. Gebruik van gegevens

  • 1 Belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdelen a, b en c, mogen de aan hen verstrekte gegevens uitsluitend gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt.

  • 2 Belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel d, mogen de aan hen verstrekte gegevens gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt. Daarnaast mogen zij de aan hen verstrekte gegevens, met uitzondering van die omtrent de aangifte van diefstal of verduistering van een voertuig, gebruiken voor bij ministeriële regeling aangewezen doeleinden, indien degene op wie de gegevens betrekking hebben tegen een dergelijk gebruik geen bezwaar heeft gemaakt.

Artikel 16. Beperkingen aan verstrekking en gebruik van gegevens

Op verzoek van degene van wie gegevens in het kentekenregister zijn opgenomen, wordt in het kentekenregister geregistreerd dat:

  • a. hij zijn toestemming onthoudt aan elke verstrekking van op hem betrekking hebbende gegevens aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel a,

  • b. op hem betrekking hebbende gegevens door belanghebbenden als bedoeld in artikel 9, onderdeel d, niet gebruikt worden voor de in artikel 15, tweede lid, bedoelde, bij ministeriële regeling aangewezen, doeleinden.

Hoofdstuk 4. Kentekenbewijzen

Artikel 17. Kentekenbewijs

  • 1 Een driedelig kentekenbewijs bestaat uit een deel I, een deel II en een overschrijvingsbewijs.

  • 2 Een driedelig kentekenbewijs, voor een voertuig in bedrijfsvoorraad afgegeven aan een erkend bedrijf, bestaat uit een deel I, een bedrijfsvoorraad deel II en een overschrijvingsbewijs.

  • 3 Een kentekenbewijs, bevattende de lettergroep AA, CD, CDJ dan wel de lettergroep FH, HA, HF of OA en twee groepen van twee cijfers bestaat uit een deel I.

  • 4 Een kentekenbewijs, bevattende de lettergroep HH, BO of GV en twee groepen van twee cijfers dan wel de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers alsmede een kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, zesde lid, bestaat uit een deel I.

  • 5 Een kentekenbewijs, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers, bestaat uit een deel I.

  • 6 Een kentekenbewijs dat wordt afgegeven indien met betrekking tot het voertuig bij een in artikel 22 of 26 van de wet bedoelde keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of dat voertuig al dan niet voldoet aan de voor toelating tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen en afgifte naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer verantwoord is, bestaat uit een deel I.

  • 7 Aan deel I van een kentekenbewijs kan bij de afgifte daarvan een bijlage worden toegevoegd, bevattende gegevens met betrekking tot het voertuig; deze bijlage maakt deel uit van het deel I.

Artikel 18. Ontvangstbewijzen

  • 2 Het ingevolge artikel 34, vierde lid, 38, tweede lid, of 39, derde lid, afgegeven ontvangstbewijs treedt voor de toepassing van de artikelen 26, 27 en 31 tot en met 33 in de plaats van het deel I van het kentekenbewijs.

Artikel 19. Uitzonderingen aanvraageisen

Artikel 19a. Weigering afgifte kentekenbewijs

  • 2 De in het eerste lid bedoelde weigering vindt slechts plaats indien onherroepelijk vaststaat dat de aanvrager tenminste vijf maal niet aan een of meer van de in dat lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.

Artikel 20. Geldigheidsduur van het kentekenbewijs

  • 1 Onverminderd het derde tot en met zevende lid, is een kentekenbewijs geldig totdat het op grond van het bepaalde in artikel 57 van de wet zijn geldigheid heeft verloren.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Een kentekenbewijs, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden.

  • 4 Een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, zesde lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

  • 5 Een kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, zesde lid, heeft een geldigheidsduur van twee weken.

  • 6 Een kentekenbewijs, bevattende de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W of X en twee groepen van twee cijfers heeft een geldigheidsduur van één dag.

  • 7 Een kentekenbewijs, bevattende de enkele letter Z en twee groepen van twee cijfers heeft een geldigheidsduur van ten hoogste een week.

  • 8 Een kentekenbewijs, bevattende de lettergroep BO en twee groepen van twee cijfers heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren.

Artikel 22. Vordering afgifte kentekenbewijs ter inzage

  • 1 De verplichting tot het ter inzage afgeven van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 160 van de wet heeft betrekking op alle delen van het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs, met uitzondering van het overschrijvingsbewijs.

Artikel 23. Rijden met ongeldig of ingevorderd kentekenbewijs

  • 1 Gedurende de tijd dat de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst ingevolge artikel 67 van de wet, mag:

    • a. op de dag waarop het voertuig waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven, naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsrapport als bedoeld in artikel 75 van de wet dan wel naar aanleiding van een aanvraag van een keuring als bedoeld in artikel 99 of artikel 106 van de wet aan een zodanige keuring wordt onderworpen, met dat voertuig via de kortste route naar en van de plaats van keuring worden gereden;

    • b. met een voertuig van 15 jaar of ouder waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven, op de weg worden gereden indien er naar het oordeel van Onze Minister van Financiën sprake is van een bijzondere gelegenheid en wordt voldaan aan de in het kader daarvan door die minister gestelde voorschriften en beperkingen.

  • 2 Wanneer het kentekenbewijs is ingevorderd overeenkomstig artikel 60 van de wet, mag op de dag waarop het voertuig als gevolg van artikel 39, vierde lid, aan de aldaar bedoelde ambtenaren moet worden getoond, met dat voertuig via de kortste route naar en van de plaats van onderzoek worden gereden.

  • 3 Wanneer het kentekenbewijs ongeldig is verklaard voor het rijden over de weg overeenkomstig artikel 38, mag op de dag waarop het voertuig waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven naar aanleiding van een aanvraag van een keuring als bedoeld in artikel 99 of artikel 106 van de wet aan een zodanige keuring wordt onderworpen, met dat voertuig via de kortste route naar en van de plaats van keuring worden gereden.

Artikel 24. Staan met ongeldig of ingevorderd kentekenbewijs

Een voertuig mag op de weg staan, wanneer het voor dat voertuig afgegeven kentekenbewijs ongeldig is verklaard voor het rijden over de weg overeenkomstig artikel 38, dan wel is ingevorderd overeenkomstig artikel 60 van de wet.

Artikel 25. Eerste afgifte van een driedelig kentekenbewijs

  • 1 De eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een driedelig kentekenbewijs wordt gevraagd, stelt het voertuig voor een onderzoek ter beschikking bij de Dienst Wegverkeer en vraagt bij deze dienst onder overlegging van een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een kentekenbewijs aan.

  • 2 De eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een driedelig kentekenbewijs wordt gevraagd en waarvoor reeds een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven krachtens artikel 46, tweede lid, onderdeel b, vraagt dit driedelig kentekenbewijs aan bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het deel I, het overschrijvingsbewijs en het in het eerste lid bedoelde legitimatiebewijs.

  • 3 De Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen in het eerste of tweede lid heeft voldaan, een kentekenbewijs, respectievelijk een deel II af.

  • 4 Indien de aanvraag wordt gedaan door een erkend bedrijf dat geen gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, geeft de Dienst Wegverkeer in plaats van een deel II een formulier af met gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad.

  • 5 Ingeval een formulier als bedoeld in het vierde lid is afgegeven, is het erkende bedrijf verplicht een bedrijfsvoorraad deel II met de op dat formulier vermelde gegevens in te vullen.

  • 6 In afwijking van het derde en vierde lid houdt de Dienst Wegverkeer de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.

  • 7 Het eerste en het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een driedelig kentekenbewijs wordt aangevraagd voor een voertuig waarvoor door de Dienst Wegverkeer reeds eerder een driedelig kentekenbewijs is afgegeven en blijkens het kentekenregister:

    • a. dat voertuig voorgoed buiten gebruik is gesteld,

    • b. dat voertuig voorgoed buiten Nederland is gebracht,

    • c. dat voertuig definitief is bestemd voor gebruik buiten de weg, of

    • d. voor dat voertuig nadien een kentekenbewijs met een bijzonder kenteken is afgegeven.

Artikel 25a

  • 3 Indien de aanvraag wordt gedaan door een in Nederland gevestigde rechtspersoon, die is ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register, machtigt deze het erkende bedrijf de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in te dienen. Degene die blijkens het register bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen verstrekt aan het erkende bedrijf:

    • a. een kopie van zijn rijbewijs als bedoeld in artikel 107 of artikel 108, eerste lid, onderdeel h, van de wet, voor zover de aldaar bedoelde registratie heeft plaatsgevonden, tezamen met een kopie van de mededeling van registratie, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen;

    • b. een gewaarmerkt uittreksel, uit het in de aanhef bedoelde register;

    • c. een ondertekende machtiging welke vermeldt:

      • 1°. naam en adres van de aanvrager,

      • 2°. het inschrijfnummer van het Handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996,

      • 3°. naam en geboortedatum van degene die de rechtspersoon vertegenwoordigt,

      • 4°. naam en adres van het erkende bedrijf waar de aanvraag wordt ingediend, en

      • 5°. het kenteken van het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4 Het erkende bedrijf dient de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in en meldt de bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 62, vierde lid, van de wet, voorgeschreven gegevens vermeld op deel I en het overschrijvingsbewijs, het rijbewijsnummer en, indien van toepassing, het nummer van het bewijs van registratie, bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel h, van de wet. In geval van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid meldt het bedrijf ook de geboortedatum van de aanvrager. In geval van een aanvraag als bedoeld in het derde lid meldt het bedrijf ook de vestigingsdatum, vermeld op het uittreksel, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, en de gegevens vermeld in de machtiging.

  • 5 De Dienst Wegverkeer geeft, indien aan de verplichtingen in het eerste tot en met vierde lid is voldaan, een deel II af. Het erkende bedrijf verstrekt het deel II tezamen met het deel I en het overschrijvingsbewijs zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.

  • 6 De Dienst Wegverkeer houdt de beslissing op de aanvraag aan, indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.

Artikel 26. Wijziging van de tenaamstelling: overdracht tussen particulieren

  • 1 Degene aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is, ingeval hij ophoudt eigenaar of houder te zijn van het voertuig waarvoor dat kentekenbewijs is afgegeven, verplicht:

    • a. het deel II en het overschrijvingsbewijs terstond over te dragen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden;

    • b. het deel I van het kentekenbewijs onder zich te houden, totdat hij het in het derde lid bedoelde vrijwaringsbewijs en het oude deel II heeft ontvangen.

  • 2 Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden is verplicht binnen een week nadat hij het deel II en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om afgifte van een nieuw deel II te verzoeken onder overlegging van het deel II, het overschrijvingsbewijs en een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.

  • 3 De Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het tweede lid heeft voldaan, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel II af.

  • 4 Degene die het vrijwaringsbewijs heeft ontvangen, is verplicht dit terstond, te zamen met het oude deel II, te doen toekomen aan degene die het deel I, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft gehouden.

  • 5 Degene die het deel I, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder zich heeft gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan degene van wie hij het vrijwaringsbewijs en het oude deel II heeft verkregen.

  • 6 In afwijking van het derde lid houdt de Dienst Wegverkeer de beslissing op het verzoek, bedoeld in het tweede lid, aan indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.

  • 7 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien de eigenaar, respectievelijk de houder van een voertuig, aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven, met de houder, respectievelijk de eigenaar van het voertuig overeenkomt dat het kenteken aan deze houder, respectievelijk eigenaar wordt opgegeven.

Artikel 27. Wijziging van de tenaamstelling: overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad

  • 2 Degene aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht:

    • a. aan het erkende bedrijf terstond het deel II van het kentekenbewijs en het overschrijvingsbewijs over te dragen;

    • b. het deel I van het kentekenbewijs onder zich te houden totdat hij het in het vijfde lid bedoelde vrijwaringsbewijs en het oude deel II heeft ontvangen.

  • 3 Het erkende bedrijf is verplicht binnen een week, nadat hij het deel II en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.

  • 4 De Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichtingen van het derde lid heeft voldaan, een formulier af met gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad.

  • 5 Het erkende bedrijf is verplicht:

    • a. een vrijwaringsbewijs en een bedrijfsvoorraad deel II met de in het vierde lid bedoelde gegevens in te vullen;

    • b. aan degene van wie hij het deel II en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs alsmede het oude deel II terstond ter hand te stellen;

    • c. het bedrijfsvoorraad deel II onder zich te houden.

  • 6 Degene die het deel I, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder zich heeft gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan het erkende bedrijf van wie hij het vrijwaringsbewijs en het oude deel II heeft verkregen.

  • 7 De Dienst Wegverkeer houdt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het derde lid, aan indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.

  • 8 In afwijking van het derde en vijfde lid, is een erkend bedrijf, indien dit gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, verplicht:

    • a. de overdracht van het voertuig ten behoeve van diens bedrijfsvoorraad terstond na de overdracht te melden aan de Dienst Wegverkeer;

    • b. het vrijwaringsbewijs en het bedrijfsvoorraad deel II met de middels datacommunicatie ter beschikking gestelde gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad in te vullen;

    • c. aan degene van wie hij het deel II en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs en het oude deel II terstond ter hand te stellen;

    • d. het bedrijfsvoorraad deel II onder zich te houden.

  • 9 Het tweede en het zesde lid zijn niet van toepassing indien een of meer delen van het kentekenbewijs verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan en het erkende bedrijf bij de in het achtste lid, onderdeel a, bedoelde melding tevens meldt dat het voertuig voorgoed buiten gebruik wordt gesteld, mits degene aan wie het driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden:

    • a. aan het erkende bedrijf terstond de niet verloren geraakte of teniet gegane delen van het kentekenbewijs overdraagt,

    • b. verklaart dat de niet aan het erkende bedrijf overgedragen delen van het kentekenbewijs verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan, en

    • c. bij het erkende bedrijf de bij ministeriële regeling aangewezen documenten overlegt.

Artikel 28. Wijziging van de tenaamstelling: overdracht van een voertuig uit bedrijfsvoorraad

  • 1 Indien een voertuig waarvoor een driedelig kentekenbewijs is afgegeven, ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf, is artikel 26 of, in geval van overdracht ten behoeve van een bedrijfsvoorraad, artikel 27 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel II in de plaats treedt van het gewone deel II.

  • 2 Indien een voertuig ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf en dit bedrijf het voertuig tot eigen gebruik bestemt, vraagt het bedrijf binnen een week een nieuw deel II aan bij de Dienst Wegverkeer, onder overlegging van het bedrijfsvoorraad deel II, het overschrijvingsbewijs en een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.

  • 3 De Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het tweede lid heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een nieuw deel II af.

Artikel 28a

  • 1 In geval van overdracht van een voertuig dat ophoudt te behoren tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel f, kan, in afwijking van artikel 28, een aanvraag van een nieuw deel II, gericht aan de Dienst Wegverkeer, bij dat bedrijf worden ingediend. In afwijking van artikel 28 is dit artikel van toepassing.

  • 3 Indien de aanvraag wordt ingediend door een in Nederland gevestigde rechtspersoon, die dient te zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register, machtigt deze het erkende bedrijf de aanvraag bij de Dienst Wegverkeer in te dienen. Degene die blijkens het register bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen verstrekt aan het erkende bedrijf:

    • a. een kopie van diens rijbewijs als bedoeld in artikel 107 of artikel 108, eerste lid, onderdeel h, van de wet, voor zover de aldaar bedoelde registratie heeft plaatsgevonden, tezamen met een kopie van de mededeling van registratie, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen;

    • b. een gewaarmerkt uittreksel uit het in de aanhef bedoelde register;

    • c. een ondertekende machtiging welke vermeldt:

      • 1°. naam en adres van de aanvrager,

      • 2°. het inschrijfnummer van het Handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996,

      • 3°. naam en geboortedatum van degene die de rechtspersoon vertegenwoordigt,

      • 4°. naam en adres van het erkende bedrijf waar de aanvraag wordt ingediend, en

      • 5°. het kenteken van het voertuig waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4 Het erkende bedrijf meldt de bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 62, vierde lid, van de wet, voorgeschreven gegevens vermeld op het overschrijvingsbewijs, op het uittreksel, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, op het bedrijfsvoorraad deel II, het rijbewijsnummer en, indien van toepassing, het nummer van het bewijs van registratie, bedoeld in artikel 108, eerste lid,onderdeel h van de wet. In geval van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid meldt het bedrijf ook de geboortedatum van de aanvrager. In geval van een aanvraag als bedoeld in het derde lid meldt het bedrijf ook de vestigingsdatum en de gegevens vermeld in de machtiging.

  • 5 De Dienst Wegverkeer geeft, indien aan de verplichtingen in het tweede tot en met vierde lid is voldaan, een nieuw deel II en een vrijwaringsbewijs af en verstrekt dit aan het erkende bedrijf. Het erkende bedrijf stelt het nieuwe deel II tezamen met het deel I en het overschrijvingsbewijs terstond in handen van de aanvrager, of doet deze, in geval van een aanvraag als bedoeld in het derde lid, zo spoedig mogelijk aan de aanvrager toekomen.

Artikel 29. Wijziging van de tenaamstelling: overlijden van een kentekenhouder

  • 1 In afwijking van de artikelen 26, tweede lid, en 27, derde lid, is, in geval van overlijden van degene aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven, degene die als erfgenaam eigenaar of houder van het voertuig is geworden, verplicht binnen vijf weken nadat hij eigenaar of houder is geworden bij de Dienst Wegverkeer om afgifte van een nieuw deel II te verzoeken onder overlegging van het deel II of het bedrijfsvoorraad deel II, het overschrijvingsbewijs en een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.

  • 2 De Dienst Wegverkeer geeft aan degene die aan de verplichting van het eerste lid heeft voldaan, zowel een vrijwaringsbewijs als een nieuw deel II af.

Artikel 30. Wijziging van de tenaamstelling: bijzondere procedure

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan voor een voertuig een driedelig kentekenbewijs afgeven zonder dat aan de in de artikelen 26 tot en met 29 bedoelde verplichtingen is voldaan, indien de aanvraag voor het kentekenbewijs wordt ingediend door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die verklaart eigenaar of houder van het voertuig te zijn en indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer aannemelijk is gemaakt dat niet aan bedoelde verplichtingen kan worden voldaan.

  • 2 De Dienst Wegverkeer kan in verband met het bepaalde in het eerste lid verlangen dat de aanvrager van het kentekenbewijs het voertuig toont, een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs overlegt en een of meer delen van het kentekenbewijs inlevert.

Artikel 31. Verval van de tenaamstelling: overdracht van een voertuig aan een in het buitenland woonachtig of gevestigd persoon

  • 1 Degene aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is, in geval van overdracht van een voertuig aan een in het buitenland woonachtige natuurlijke persoon of een in het buitenland gevestigde rechtspersoon, verplicht:

    • a. het deel II en het overschrijvingsbewijs terstond over te dragen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden;

    • b. het deel I van het kentekenbewijs onder zich te houden, totdat hij het in het vierde lid bedoelde deel van de verklaring heeft ontvangen.

  • 2 Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht binnen een week nadat hij het deel II en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen bij de Dienst Wegverkeer het deel II en het overschrijvingsbewijs, een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs alsmede een ingevulde en ondertekende verklaring van een bij ministeriële regeling vastgesteld model in drievoud over te leggen.

  • 3 De Dienst Wegverkeer plaatst op het deel II een aantekening, vult de verklaring in en geeft het deel II, de verklaring in tweevoud alsmede het legitimatiebewijs terug aan degene die aan de in het tweede lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.

  • 4 Degene die de verklaring in tweevoud heeft ontvangen, is verplicht het daartoe bestemde deel van de verklaring terstond te doen toekomen aan degene die het deel I onder zich heeft gehouden.

  • 5 Degene die het deel I onder zich heeft gehouden, is verplicht dit terstond af te geven aan degene van wie hij het in het vierde lid bedoelde deel van de verklaring heeft verkregen.

  • 6 In geval van overdracht van een tot de bedrijfsvoorraad van een erkend bedrijf behorend voertuig waarvoor een driedelig kentekenbewijs is afgegeven aan een in het buitenland woonachtige natuurlijke persoon of een in het buitenland gevestigde rechtspersoon, zonder dat het erkende bedrijf gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c, is het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel II in de plaats treedt van het deel II.

Artikel 32. Verval van de tenaamstelling: overdracht van een voertuig uit bedrijfsvoorraad aan een in het buitenland woonachtig of gevestigd persoon

  • 2 Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is verplicht terstond bij het erkende bedrijf een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs alsmede een ingevulde en ondertekende verklaring van een bij ministeriële regeling vastgesteld model in drievoud over te leggen.

  • 3 Het erkende bedrijf is verplicht overeenkomstig het krachtens artikel 62, derde lid, van de wet bepaalde:

    • a. het legitimatiebewijs te controleren;

    • b. de overdracht van het voertuig aan de in het buitenland woonachtige persoon of de in het buitenland gevestigde rechtspersoon terstond te melden aan de Dienst Wegverkeer;

    • c. op het kentekenbewijs een aantekening te plaatsen alsmede de verklaring in drievoud in te vullen;

    • d. aan degene aan wie het voertuig wordt overgedragen het deel I en het bedrijfsvoorraad deel II van het kentekenbewijs te zamen met de verklaring in tweevoud ter stond ter hand te stellen;

    • e. het overschrijvingsbewijs en het daartoe bestemde deel van de verklaring onder zich te houden.

Artikel 33. Verval van de tenaamstelling: voorgoed buiten Nederland brengen van een voertuig

  • 1 Degene aan wie een driedelig kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, is, ingeval hij het voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, verplicht het deel II, een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een ingevulde en ondertekende verklaring in drievoud van een bij ministeriële regeling vastgesteld model alsmede, voor zover bij ministeriële regeling bepaald, het overschrijvingsbewijs bij de Dienst Wegverkeer over te leggen.

  • 2 De Dienst Wegverkeer plaatst op het deel II een aantekening, vult de verklaring in en geeft het deel II, de verklaring in tweevoud alsmede het legitimatiebewijs terug aan degene die aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen heeft voldaan.

  • 3 Ingeval een erkend bedrijf een tot zijn bedrijfsvoorraad behorend voertuig voorgoed buiten Nederland brengt, is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrijfsvoorraad deel II in de plaats treedt van het deel II.

  • 4 In afwijking van het eerste tot en met derde lid, is, ingeval het erkende bedrijf gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c, het erkende bedrijf verplicht het voorgoed buiten Nederland brengen van het voertuig te melden overeenkomstig het krachtens artikel 62, derde lid, van de wet bepaalde.

Artikel 34. Aanvraag en afgifte nieuw deel I

  • 1 Indien het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven niet meer overeenstemt met de gegevens op het deel I, vraagt degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, onverwijld bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het deel I een nieuw deel I aan.

  • 2 Indien het kentekenbewijs is ingevorderd ingevolge artikel 60 van de wet, geeft de Dienst Wegverkeer op verzoek een nieuw deel I af. Degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden, dient hiertoe bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het bij de invordering afgegeven ontvangstbewijs een aanvraag in. De Dienst Wegverkeer geeft niet eerder een nieuw deel I af dan nadat het voertuig is goedgekeurd overeenkomstig artikel 105 van de wet.

  • 4 De Dienst Wegverkeer geeft voor een deel I dat wordt ingeleverd bij een door Onze Minister aangewezen instantie in verband met een wijziging aan het voertuig die niet behoeft te worden goedgekeurd ingevolge artikel 98 van de wet, een ontvangstbewijs af.

Artikel 35. Aanwijzing deel I in verband met tarieven

  • 1 Als deel van een kentekenbewijs waarvan het tarief mede een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag ter dekking van de in artikel 4q, tweede lid, van de wet, bedoelde kosten omvat, wordt aangewezen het deel I van het kentekenbewijs.

  • 2 Als deel van een kentekenbewijs waarvan het tarief mede een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag ter dekking van de in artikel V, tweede lid, van de wet van 29 maart 1996 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994, houdende regeling van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (Stb. 257), bedoelde kosten omvat, wordt aangewezen het deel I van het kentekenbewijs.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen kentekenbewijzen worden aangewezen waarvoor het eerste en tweede lid niet gelden.

Artikel 36. Vervangende kentekenbewijzen

  • 1 De aanvraag van een vervangend kentekenbewijs of deel daarvan geschiedt bij de Dienst Wegverkeer door degene aan wie het kentekenbewijs waarvoor een vervangend kentekenbewijs of deel daarvan wordt aangevraagd, is afgegeven.

  • 2 De Dienst Wegverkeer kan verlangen dat bij de aanvraag van een of meer vervangende delen van een kentekenbewijs, een of meer van de overige delen van het kentekenbewijs worden ingeleverd alsmede dat een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs wordt overgelegd.

  • 3 Indien een kentekenbewijs is afgegeven aan de houder van een voertuig en deze een vervangend kentekenbewijs of deel daarvan aanvraagt, kan de Dienst Wegverkeer in door deze dienst te bepalen gevallen verlangen dat de eigenaar voor de afgifte van het vervangend kentekenbewijs of deel daarvan toestemming verleent. In deze gevallen kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat het vervangende kentekenbewijs of deel daarvan naar de eigenaar of een door deze aangewezen persoon wordt gezonden.

Artikel 37. Ongeldigverklaring en inlevering

  • 2 De Dienst Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien voor het voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, een nieuw kenteken is opgegeven.

  • 3 De Dienst Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat:

    • a. het voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, voorgoed buiten gebruik is gesteld,

    • b. het voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, voorgoed buiten Nederland is gebracht,

    • c. het voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, definitief is bestemd voor gebruik buiten de weg,

    • d. degene aan wie dat bewijs is afgegeven, opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn,

    • e. de reden waarom het kentekenbewijs bevattende de lettergroep BN, CD, CDJ, GN, GV, HH of ZZ is afgegeven, is vervallen,

    • f. de eigenaar of houder van het voertuig onvrijwillig het bezit of het houderschap van het voertuig heeft verloren,

    • g. het voertuig is gaan behoren tot een der ingevolge artikel 37 van de wet van de kentekenplicht uitgezonderde categorieën van voertuigen,

    • h. sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel k, dan wel,

    • i. degene aan wie dat bewijs is afgegeven, niet langer in Nederland woonachtig of gevestigd is.

  • 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, verklaart de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig, mits het voorgoed buiten gebruik stellen van het voertuig overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 62, derde lid, van de wet wordt gemeld door een erkend bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel d.

  • 5 In afwijking van het vierde lid verklaart de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs ongeldig indien de melding geschiedt door een ander dan een erkend bedrijf dat de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel d, heeft verkregen, mits de melding betrekking heeft op een voertuig dat behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie van voertuigen en wordt voldaan aan nadere bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden.

  • 6 In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, verklaart de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig mits ten aanzien van de bestemming van het voertuig wordt voldaan aan nadere bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden.

  • 7 In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel f, verklaart de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig mits van het verlies van het bezit of het houderschap van het voertuig aangifte is gedaan bij een der in artikel 141 of 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen.

Artikel 38. Ongeldigverklaring voor het rijden over de weg

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan een kentekenbewijs ongeldig verklaren voor het rijden over de weg indien naar het oordeel van deze dienst niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 52, tweede lid, van de wet in het kentekenbewijs vermelde voorschriften dan wel indien het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven, niet voldoet aan een of meer van de in artikel 58, tweede lid, onderdeel b, c of d van de wet, bedoelde eisen.

  • 2 Ingeval het deel I van een voor het rijden over de weg ongeldig verklaard kentekenbewijs op grond van het bepaalde krachtens artikel 57, derde lid, van de wet is ingeleverd, doet de Dienst Wegverkeer na ontvangst van dat deel I een ontvangstbewijs toekomen aan degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven.

Artikel 39. Invordering kentekenbewijs

  • 2 De verplichting tot overgifte, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, heeft betrekking op alle delen van het kentekenbewijs, met uitzondering van het overschrijvingsbewijs.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren geven het deel II van het kentekenbewijs, indien dit was afgegeven, na inzage terug aan degene van wie het is ingevorderd en reiken voor deel I onverwijld een ontvangstbewijs uit. Zij doen dit deel met vermelding van de reden van invordering zo spoedig mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.

  • 4 Indien de invordering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van de wet, mogen de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaren het deel I van het kentekenbewijs gedurende ten hoogste vier weken onder zich houden. Zij geven dit deel tegen teruggave van het ontvangstbewijs aan de houder daarvan terug, indien binnen deze termijn naar hun oordeel is aangetoond dat het voertuig in overeenstemming is gebracht met de bij of krachtens de wet vastgestelde eisen. Van het onder zich houden, respectievelijk het teruggeven, stellen zij de Dienst Wegverkeer in kennis.

  • 5 Indien dit bij de vordering van de houder van een kentekenbewijs wordt geëist, is deze verplicht tot het op een daarbij te bepalen tijd en plaats ter beschikking houden van het voertuig, waarvoor het bewijs is afgegeven.

  • 6 Indien de vordering betrekking heeft op een kentekenbewijs dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig artikel 3.7.3, eerste lid, van het Voertuigreglement is voorzien van een constructieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een termijn van een week.

Artikel 40. Verval van de tenaamstelling in het kentekenregister

  • 1 De tenaamstelling in het register vervalt zodra:

    • a. krachtens artikel 26, derde lid, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel II zijn afgegeven;

    • b. krachtens artikel 27, vierde lid, een formulier is afgegeven;

    • c. de gegevens als bedoeld in artikel 27, achtste lid, onderdeel b, aan het erkende bedrijf ter beschikking zijn gesteld;

    • d. krachtens artikel 28, derde lid, of artikel 28a, vijfde lid, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel II zijn afgegeven;

    • e. krachtens artikel 29, tweede lid, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel II zijn afgegeven;

    • f. krachtens artikel 30 een kentekenbewijs is afgegeven;

    • g. krachtens de artikelen 31, derde lid, 32, derde lid, onderdeel c, of 33, tweede en vierde lid, op het kentekenbewijs een aantekening is geplaatst;

    • h. de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs ongeldig heeft verklaard ingevolge artikel 37, eerste, tweede of derde lid;

    • i. de Dienst Wegverkeer het handelaarskentekenbewijs ongeldig heeft verklaard ingevolge artikel 45, eerste lid;

    • j. een erkend bedrijf een melding als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c of d, heeft gedaan;

    • k. de Dienst Wegverkeer een certificaat van vernietiging, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), heeft ontvangen dat door een daartoe bevoegde verwerker, zoals bedoeld in deze richtlijn, in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen is afgegeven;

    • l. de Dienst Wegverkeer de tenaamstelling vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.

  • 2 Degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het register is vermeld, kan de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De Dienst Wegverkeer gaat over tot het doen vervallen van de tenaamstelling indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

Artikel 40a

Een wijziging van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) gaat voor de toepassing van artikel 40 en artikel 46 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Hoofdstuk 5. Handelaarskentekenbewijzen

Artikel 41. Basis handelaarskentekenbewijzen

Voor voertuigen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de wet, geldt het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven niet, mits dat voertuig een kenteken voert als bedoeld in artikel 3, dat behoort bij een ingevolge artikel 42 afgegeven handelaarskentekenbewijs waarvan gebruik wordt gemaakt overeenkomstig de in dit hoofdstuk bedoelde voorschriften.

Artikel 42. Aanvraag

  • 1 Een handelaarsketekenbewijs kan worden aangevraagd door en worden afgegeven aan:

    • a. een erkend bedrijf, dan wel

    • b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die exploitant is van een of meer ondernemingen, waar voertuigen bedrijfsmatig voor derden worden hersteld of bewerkt.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

  • 3 De aanvrager stelt de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid te onderzoeken of te zijnen aanzien aan het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 43. Weigering afgifte

Onverminderd artikel 42 wordt de afgifte van handelaarskentekenbewijzen geweigerd indien een of meer aan de aanvrager afgegeven handelaarskentekenbewijzen op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel d, ongeldig zijn verklaard binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van zes maanden.

Artikel 44. Gebruik

  • 1 Een handelaarskenteken mag slechts worden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven dan wel een door deze aangewezen persoon. Het gebruik is slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.

  • 2 Een handelaarskenteken mag worden gebruikt voor voertuigen die ter bewerking of herstel aan degene aan wie het kenteken is opgegeven ter beschikking zijn gesteld.

  • 3 Een handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven.

  • 4 Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven.

  • 5 Voor overtreding van het eerste tot en met vierde lid is degene aan wie het handelaarskenteken is opgegeven aansprakelijk.

Artikel 45. Ongeldigverklaring

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan een handelaarskentekenbewijs ongeldig verklaren indien degene aan wie het handelaarskentekenbewijs is afgegeven:

  • 2 Degene die een ongeldig verklaard handelaarskentekenbewijs onder zich heeft, levert dit onverwijld in bij de Dienst Wegverkeer.

  • 3 Indien degene die een ongeldig verklaard handelaarskentekenbewijs onder zich heeft niet voldoet aan de verplichting van het tweede lid, kan het handelaarskentekenbewijs worden ingenomen door de daartoe bevoegde ambtenaren.

Hoofdstuk 6. Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad

Artikel 46. Onderwerp erkenning

  • 1 Een erkenning als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet, wordt verleend teneinde voertuigen met behulp van een bedrijfsvoorraadpas in bedrijfsvoorraad op te nemen.

  • 2 Aan de erkenning kan worden verbonden:

    • a. de bevoegdheid om voertuigen met behulp van een voor datacommunicatie geschikte voorziening in bedrijfsvoorraad op te nemen,

    • b. de bevoegdheid tot het aanvragen van nog niet tenaamgestelde kentekenbewijzen,

    • c. de bevoegdheid tot het versneld melden dat tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen voorgoed buiten Nederland worden gebracht, alsmede het verstrekken van kentekenbewijzen die een kenteken bevatten als bedoeld in artikel 4, zesde lid,

    • d. de bevoegdheid tot het melden dat tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen voorgoed buiten gebruik worden gesteld, alsmede het verstrekken van een certificaat van vernietiging, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), met dien verstande dat de melding alleen wordt gedaan nadat het certificaat van vernietiging is verstrekt, en

    • e. de bevoegdheid om in geval van overdracht van een voertuig uit de bedrijfsvoorraad van het betrokken bedrijf namens de aanvrager van een kentekenbewijs de aanvraag in te dienen, overeenkomstig artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    • f. de bevoegdheid om in geval van verkoop van een voertuig uit eigen bedrijfsvoorraad namens de aanvrager middels een voor datacommunicatie geschikte voorziening bij de Dienst Wegverkeer, overeenkomstig artikel 50, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet een aanvraag voor een kentekenbewijs of een deel II in te dienen en dit aan de aanvrager uit te reiken.

Artikel 47. Aanvraag

  • 1 Een erkenning als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet, kan worden aangevraagd door en worden verleend aan:

    • a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die exploitant is van een of meer ondernemingen waar voertuigen bedrijfsmatig worden ingekocht of gefabriceerd met het doel deze te verkopen,

    • b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die exploitant is van een of meer ondernemingen waar voertuigen bedrijfsmatig worden ingekocht met het doel deze te bewaren of te bewerken, en

    • c. bij ministeriële regeling aan te wijzen personen of instanties die voertuigen in eigendom hebben, zonder deze zelf te hebben ingekocht, met het doel deze te verkopen.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

  • 3 De aanvrager stelt de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid te onderzoeken of te zijnen aanzien aan het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 48. Bedrijfsvoorraadpassen en formulieren

  • 1 Bij het verlenen van de erkenning verstrekt de Dienst Wegverkeer aan het erkende bedrijf een of meer bedrijfsvoorraadpassen van een bij ministeriële regeling vastgesteld model, waarmee de registratie van voertuigen in bedrijfsvoorraad kan plaatsvinden alsmede formulieren die bestemd zijn om te dienen als vrijwaringsbewijs en als bedrijfsvoorraad deel II.

  • 2 Op aanvraag verstrekt de Dienst Wegverkeer aan een erkend bedrijf meerdere bedrijfsvoorraadpassen en formulieren als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Voor versleten of zoekgeraakte bedrijfsvoorraadpassen verstrekt de Dienst Wegverkeer op aanvraag aan het erkende bedrijf vervangende passen. Voor versleten bedrijfsvoorraadpassen geeft de Dienst Wegverkeer niet eerder vervangende passen af dan nadat de versleten passen zijn ingeleverd.

  • 4 De Dienst Wegverkeer kan verlangen dat de aanvrager van nieuwe en vervangende bedrijfsvoorraadpassen, bedoeld in het tweede en derde lid, de bij ministeriële regeling aangewezen bescheiden overlegt die verband houden met de aanvraag.

Artikel 49. Intrekking erkenning

  • 1 Indien dit bij de intrekking, wijziging of schorsing van de erkenning als bedoeld in artikel 65 van de wet, is bepaald, levert degene aan wie de erkenning is dan wel was verleend alle aan hem verstrekte bedrijfsvoorraadpassen en formulieren onverwijld in bij de Dienst Wegverkeer.

  • 2 Indien degene aan wie de erkenning is dan wel was verleend niet voldoet aan het eerste lid, kunnen de bedrijfsvoorraadpassen en formulieren worden ingenomen door de daartoe bevoegde ambtenaren.

Hoofdstuk 7. Schorsing

Artikel 50. Aanvraag schorsing

  • 1 De aanvrager van een schorsing als bedoeld in artikel 67 van de wet legt ten behoeve van deze aanvraag bij de Dienst Wegverkeer het deel II van het kentekenbewijs, het overschrijvingsbewijs alsmede een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs over.

  • 2 De Dienst Wegverkeer plaatst op het deel II een bij ministeriële regeling vastgestelde aantekening.

Artikel 51. Einde schorsing

Indien de schorsing eindigt ingevolge artikel 68 van de wet, wordt bij de Dienst Wegverkeer, onder overlegging van deel II van het kentekenbewijs, het overschrijvingsbewijs alsmede een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een nieuw deel II aangevraagd.

Artikel 52. Gebruik van de weg zonder einde schorsing

Een schorsing eindigt niet door gebruik van de weg indien:

  • a. het voertuig waarvan de geldigheid van het kentekenbewijs is geschorst een kenteken voert als bedoeld in artikel 3, dat behoort bij een ingevolge artikel 42 afgegeven handelaarskentekenbewijs dat voldoet aan hoofdstuk 5 en waarvan gebruik wordt gemaakt overeenkomstig de in dat hoofdstuk bedoelde voorschriften, dan wel

  • b. artikel 23, eerste lid, van toepassing is.

Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen

Artikel 54

  • 1 Kentekenbewijzen en ter vervanging van die bewijzen uitgereikte duplicaten, afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, worden vóór een bij ministeriële regeling vastgesteld tijdstip vervangen door een kentekenbewijs, afgegeven op basis van de wet.

  • 2 Overeenkomstig het eerste lid vervangen kentekenbewijzen en duplicaten verliezen hun geldigheid op het in het eerste lid bedoelde tijdstip; zij worden onverwijld ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.

Artikel 55

  • 1 De artikelen 5, 7, eerste en tweede lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid en 16 van het Reglement kentekenregistratie, zoals deze bepalingen luidden vóór het tijdstip waarop zij op grond van artikel 59 zijn ingetrokken, blijven voor wat betreft het in die bepalingen bepaalde ten aanzien van registratiebewijzen en aanvullingsbladen van kracht tot een bij ministeriële regeling vastgesteld tijdstip. Tot dat tijdstip kan de Dienst Wegverkeer tevens een voorlopig registratiebewijs afgeven van een bij ministeriële regeling vastgesteld model.

Artikel 57

  • 1 De artikelen 17 en 23 van het Reglement kentekenregistratie, zoals deze artikelen luidden vóór het tijdstip waarop zij op grond van artikel 59 zijn ingetrokken, blijven van kracht ten aanzien van op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven kentekenbewijzen die vóór bedoeld tijdstip met toepassing van genoemde artikelen 17 en 23 ongeldig zijn verklaard en moeten worden ingeleverd, indien op eerderbedoeld tijdstip die inlevering nog niet heeft plaatsgevonden.

  • 2 Op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven kentekenbewijzen die nog niet op grond van artikel 54, eerste lid, zijn vervangen, worden voor de toepassing van de artikelen 37 en 45 gelijkgesteld met kentekenbewijzen, afgegeven op basis van de wet.

Artikel 58

Voor de toepassing van dit besluit wordt een op basis van het Reglement kentekenregistratie afgegeven kopie deel III gelijkgesteld met een overschrijvingsbewijs tot het tijdstip dat het kopie deel III is vervangen door een zodanig bewijs.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 59. Intrekking RKR

Het Reglement kentekenregistratie wordt ingetrokken met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 60. Inwerkingtreding

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage , 6 oktober 1994

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de eerste november 1994

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Terug naar begin van de pagina