Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Geraadpleegd op 05-10-2022.
Geldend van 01-01-2020 t/m 31-12-2020

Annuleren

Artikel 2

  • 1 Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de erfbelasting, de belastingplichtige die niet binnen de in artikel 45 van de Successiewet 1956 bedoelde termijn van acht maanden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

  • 3 In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de schenkbelasting, de belastingplichtige begiftigde, alsmede de schenker die de belastbare schenking heeft gedaan, die niet binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

  • 4 Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde tijdvakken.

  • 5 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.

  • 6 Het eerste lid is niet van toepassing, indien over het tijdvak waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd, dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.

Annuleren
Naar boven