Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal

Geldend van 02-12-1994 t/m 31-12-2005

Besluit van 14 oktober 1993, houdende vaststelling van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 25 mei 1993, nr. 93030035/3245, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 11 januari 1993, nr. OR 92000270/S);

De Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 1993, nr. W05.93.0327);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 7 oktober 1993, nr. 9307 1358/3245, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

"Onze Minister": Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen,

"wet": de Wet op het voortgezet onderwijs,

"Informatie Beheer Groep": de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank,

"inspectie": de inspectie, bedoeld in artikel 113 van de wet,

"examen": het staatsexamen Nederlands als tweede taal,

"examenonderdeel": een onderdeel van het examen als bedoeld in artikel 4, derde lid,

"examenprogramma": het examenprogramma, bedoeld in artikel 8,

"examenreglement": het examenreglement, bedoeld in artikel 10, tweede lid,

"commissie": de staatsexamencommissie, bedoeld in artikel 3,

"examenleider": degene die door de commissie is belast met de leiding bij het afnemen van het examen,

"diploma": het diploma Nederlands als tweede taal,

"certificaat": een certificaat als bedoeld in artikel 16, tweede lid,

"kandidaat": degene die aan een of meer examenonderdelen deelneemt.

Artikel 2. Doelstellingen; programma's

  • 1 Dit besluit regelt het staatsexamen Nederlands als tweede taal. Het examen kent twee programma's: programma I en programma II.

  • 2 Programma I omvat een onderzoek naar de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op de uitoefening van functies boven het niveau van ongeschoolde arbeid door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die het niveau van het primair onderwijs hebben bereikt.

  • 3 Programma II omvat een onderzoek naar de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op de uitoefening van hogere functies door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die functioneren op het niveau van het middenkader.

Artikel 3. Staatsexamencommissie

  • 1 De Informatie Beheer Groep na overleg met Onze Minister benoemt de voorzitter, de secretaris en de overige leden van de staatsexamencommissie Nederlands als tweede taal voor een door hem te bepalen termijn.

  • 2 Het lidmaatschap eindigt:

    • a. door het verstrijken van de termijn waarvoor de benoeming is geschied, of

    • b. door ontslag, al dan niet op eigen verzoek.

  • 3 De commissie heeft tot taak:

    • a. het vaststellen van het examenprogramma en het examenreglement,

    • b. het vaststellen van de examenopgaven en de daarbij behorende beoordelingsnormen,

    • c. het doen uitoefenen van de functies van examenleider en toezichthouder,

    • d. het opstellen van voorschriften voor de wijze van beoordeling van het examenwerk,

    • e. het uitoefenen of doen uitoefenen van de functie van beoordelaar,

    • f. de zorg voor het goede verloop van de examens, en

    • g. het uitreiken of doen uitreiken van diploma's en certificaten.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de vergoeding van de kosten van de voorzitter, de secretaris en de overige leden van de commissie, de examenleiders, toezichthouders en beoordelaars, tot ten hoogste een bij die regeling te bepalen bedrag.

Artikel 4. Toelating tot en indeling van het examen

  • 1 De commissie stelt degenen die zulks wensen in de gelegenheid het examen of een of meer onderdelen daarvan af te leggen.

  • 2 Het examen wordt afgenomen volgens programma I onderscheidenlijk programma II.

  • 3 Een examen bestaat uit de examenonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken in de Nederlandse taal.

  • 4 Een kandidaat die niet een volledig examen wenst af te leggen, kiest aan welk examenonderdeel of aan welke examenonderdelen van welk programma hij wenst deel te nemen.

Artikel 5. Examengeld

  • 1 Voor deelneming aan een volledig examen volgens programma I is een bedrag verschuldigd van f 80,-. Voor deelneming aan een examenonderdeel volgens programma I is per onderdeel een bedrag verschuldigd van f 20,-.

  • 2 Voor deelneming aan een volledig examen volgens programma II is een bedrag verschuldigd van f 120,-. Voor deelneming aan een examenonderdeel volgens programma II is per onderdeel een bedrag verschuldigd van f 30,-.

Artikel 6. Onregelmatigheden

  • 1 Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig examenonderdeel aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt kan de commissie op voorstel van de examenleider het desbetreffende onderdeel ongeldig verklaren en de kandidaat op die grond het certificaat onthouden dan wel bepalen dat het certificaat eerst kan worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de commissie aan te wijzen onderdelen en op een door haar te bepalen wijze.

  • 2 De examenleider doet zijn voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan hem bekend is geworden. Indien de onregelmatigheid eerst wordt ontdekt na aloop van het examen, kan de commissie de kandidaat het desbetreffende certificaat onthouden.

  • 3 De commissie hoort de examenleider en de kandidaat alvorens een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid te nemen en wijst bij haar beslissing op het bepaalde in het vierde lid. De commissie maakt haar beslissing zo mogelijk mondeling en in elk geval schriftelijk aan de kandidaat en in afschrift aan de inspectie bekend.

  • 4 De kandidaat kan tegen een beslissing van de staatsexamencommissie in beroep gaan bij de door de Informatie Beheer Groep in te stellen commissie van beroep. Van de commissie van beroep mogen leden van de staatsexamencommissie geen deel uitmaken. Het beroep wordt binnen drie dagen nadat de beslissing schriftelijk ter kennis van de kandidaat is gebracht, schriftelijk bij de commissie van beroep ingesteld. De commissie van beroep stelt een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep tenzij zij de termijn met redenen omkleed heeft verlengd met ten hoogste twee weken. De commissie van beroep stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen of opnieuw af te leggen. De commissie van beroep deelt haar beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat en aan de inspectie.

Hoofdstuk II. Inhoud van het examen

Artikel 7. Inhoud examen

Het examen strekt zich uit over de examenstof, omschreven in het examenprogramma.

Artikel 8. Examenprogramma

  • 1 Het examenprogramma omvat per programma en per examenonderdeel:

    • a. een omschrijving van de examenstof, en

    • b. de wijze waarop de beoordeling tot stand komt.

  • 2 Onze Minister kan algemene aanwijzingen geven omtrent de inhoud van het examenprogramma.

Hoofdstuk III. Regeling van het examen

Artikel 9. Afnemen van het examen

  • 1 Het examen wordt onder verantwoordelijkheid van de commissie afgenomen op een of meer door de commissie aan te wijzen plaatsen.

  • 2 Voor elke plaats waar het examen wordt afgenomen, wijst de commissie een examenleider en een voldoende aantal toezichthouders aan.

Artikel 10. Examenprogramma, examenreglement

  • 1 De commissie stelt uiterlijk één jaar voor aanvang van de examens het examenprogramma, de aanmeldingsprocedure en, indien het aantal beschikbare plaatsen beperkt is, het aantal kandidaten dat ten hoogste tot het examen kan worden toegelaten, vast en doet daarvan mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en, aan de inspectie en aan de Informatie Beheer Groep.

  • 2 Uiterlijk vier maanden voor aanvang van de examens stelt de commissie het examenreglement vast en doet daarvan mededeling in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en, aan de inspectie en aan de Informatie Beheer Groep. Het examenreglement omvat tenminste:

    • a. de wijze waarop de examenonderdelen worden afgenomen alsmede de duur daarvan,

    • b. de hulpmiddelen die mogen worden gebruikt bij het maken van de opgaven, en

    • c. regels omtrent vaststelling en bekendmaking van de resultaten en de uitslag.

  • 3 De commissie maakt de plaatsen en tijdstippen waarop de examenonderdelen worden afgenomen tijdig voor aanvang van het examen aan de kandidaten bekend.

Hoofdstuk IV. Examen

Artikel 12. Beoordeling examen

  • 1 Het werk van de kandidaten wordt door of namens de commissie beoordeeld. De commissie wijst daartoe twee beoordelaars aan die onafhankelijk van elkaar het werk beoordelen.

  • 2 Na de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, kan de commissie het werk aan een derde beoordelaar voorleggen, volgens voorschriften van de commissie.

Artikel 13. Verhindering examen

  • 1 Indien een kandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de commissie, verhinderd is bij een of meer examenonderdelen aanwezig te zijn, wordt hem de gelegenheid gegeven die examenonderdelen alsnog af te leggen op het moment waarop het eerst volgend examen plaatsvindt.

  • 2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, is niet opnieuw examengeld verschuldigd.

Hoofdstuk V. Uitslag, diplomering

Artikel 14. Vaststelling examenresultaten

  • 1 Het resultaat van elk examenonderdeel wordt uitgedrukt in "voldoende" dan wel "onvoldoende".

  • 2 De commissie stelt voor elk examenonderdeel het resultaat vast.

Artikel 15. Uitslag

  • 1 De commissie stelt de uitslag van het examen vast.

  • 2 De kandidaat is geslaagd voor een examen indien voor alle examenonderdelen van een programma het resultaat voldoende is.

Artikel 16. Diploma's en certificaten

  • 1 Aan de kandidaat die is geslaagd voor een examen, wordt een diploma uitgereikt.

  • 2 Aan de kandidaat die voor een of meer examenonderdelen een voldoende resultaat heeft behaald, wordt een certificaat uitgereikt. Op het certificaat wordt ten minste vermeld het examenonderdeel waarvoor het certificaat is verleend.

  • 3 Een diploma, als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens uitgereikt aan degene die certificaten overlegt van alle examenonderdelen, bedoeld in artikel 4, derde lid.

  • 4 De commissie stelt modellen van de diploma's en de certificaten voor programma I onderscheidenlijk programma II vast.

  • 5 Duplicaten van diploma's en certificaten worden niet uitgereikt.

Hoofdstuk VI. Overige bepalingen

Artikel 17. Bewaren, inzage examenwerk en resultaten

  • 1 De commissie bewaart het examenwerk gedurende zes maanden na afloop van het examen ter kennisneming voor de kandidaat.

  • 2 Na afloop van de zes maanden kan het werk worden vernietigd.

  • 3 De commissie kan, met goedvinden van de kandidaat, de examenresultaten aan derden bekend maken.

Artikel 18. Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin dit besluit niet voorziet en waaromtrent een onmiddellijke beslissing noodzakelijk is, beslist de commissie. De commissie deelt haar beslissing zo spoedig mogelijk mede aan de betrokken examenleiders en aan de inspectie.

Artikel 19. Niet op voorgeschreven wijze afgelegd examen

Indien een of meer examenonderdelen of het gehele examen naar het oordeel van de inspectie niet op de voorgeschreven wijze zijn afgelegd dan wel kunnen worden afgelegd, dan wel indien het afnemen van een examenonderdeel of het examen niet op behoorlijke wijze is geschied en de commissie niet of niet naar behoren voorzieningen treft, beslist de inspectie hoe alsdan moet worden gehandeld.

Artikel 20. Afwijking wijze van examineren

De commissie kan toestaan dat een gehandicapte kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die kandidaat. In dat geval bepaalt de commissie na overleg met de inspectie de wijze waarop het examen zal worden afgelegd, zodanig dat de eisen die bij het examen aan de kandidaat worden gesteld, zoveel mogelijk gelijk zijn aan die voor de andere kandidaten. De commissie doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de kandidaat en aan de inspectie.

Artikel 21. Gegevens ten behoeve van toetsontwikkeling

  • 1 Ten behoeve van de toetsontwikkeling is de commissie gerechtigd de gegevens te verzamelen van kandidaten omtrent:

    • a. nationaliteit,

    • b. vooropleiding, en

    • c. leeftijd.

  • 2 De commissie kan ten behoeve van de toetsontwikkeling de kandidaat verzoeken om meer gegevens dan die bedoeld in het eerste lid. De commissie deelt de kandidaat mede dat hij niet verplicht is deze gegevens te verstrekken.

  • 3 De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bewaard op een niet op de persoon herleidbare wijze. De gegevens kunnen langer worden bewaard dan het examenwerk, bedoeld in artikel 17.

Artikel 22. Geheimhouding

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 23. Gelijkstelling certificaten

Certificaten, voor 1 januari 1994 toegekend door de Tijdelijke voorbereidingscommissie Staatsexamens Nederlands als tweede taal, ingesteld bij besluit van Onze Minister van 12 maart 1992 (Uitleg OenW-Regelingen 1992, nr. 8) worden aangemerkt als certificaten, verkregen op grond van dit besluit. Degene die certificaten overlegt van alle examenonderdelen, behorend tot een programma, als geëxamineerd door de Tijdelijke voorbereidingscommissie Staatsexamens Nederlands als tweede taal, ontvangt een diploma als bedoeld in artikel 16, eerste lid.

Artikel 24. Examens voor 1 januari 1994

Bij ministeriële regeling kunnen in afwijking van dit besluit regels worden gegeven omtrent de examens en examenonderdelen die worden afgenomen voor 1 januari 1994.

Artikel 25. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 26. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 14 oktober 1993

Beatrix

De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Uitgegeven de twaalfde november 1993

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina