Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

Geldend van 01-01-2010 t/m 17-03-2010

Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

Artikel 2

  • 1 De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in artikel 3 van de wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand geplaatst.

  • 2 Het verschil in hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten van de dagopening van de deuren bij de voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.

  • 3 De hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.

  • 4 De lengte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt.

  • 5 De lengte van de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig.

  • 6 De lengte die de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken, is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig, en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt uitgegaan dat die laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand.

  • 7 De hoogte van de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, is de afstand tussen het laagste punt van de bovenzijde van de wand en het hoogste punt van de laadvloer.

  • 8 De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, dient verticaal en in een hoek van 90° ten opzichte van de lengte-as te zijn geplaatst en wel:

    • a. indien het motorrijtuig niet is voorzien van een dubbele cabine: ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel;

    • b. indien het motorrijtuig is voorzien van een dubbele cabine: direct achter de achterste zitplaatsen.

  • 9 De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt dient:

    • a. te zijn vervaardigd uit ondoorzichtig en vormvast materiaal, waarbij een vast raam met een hoogte van 40 cm is toegestaan;

    • b. geheel vlak te zijn;

    • c. uit één geheel te bestaan, waarbij voorzieningen zijn toegestaan ten behoeve van het aan het desbetreffende motorrijtuig noodzakelijk te plegen onderhoud; en

    • d. zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

  • 10 Een laadruimte is niet voorzien van zijruiten indien de zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn vervangen door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

  • 11 De laadruimte dient in haar geheel te zijn voorzien van een vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer dient zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

Artikel 4

Met motorrijwielen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie of vier wielen die:

  • 1. geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee personen;

  • 2. niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie;

  • 3. zijn geconstrueerd met een frame;

  • 4. een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel of de voorwielen; en

  • 5. waarin de motor en versnellingsbak centraal zijn geplaatst.

Artikel 6

  • 1 De toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet wordt verleend aan een ondernemer die een zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

  • 2 De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de data van de tenaamstelling van de kentekens van motorrijtuigen waarvoor een kenteken is aangevraagd.

  • 3 De inspecteur kan aan degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet is verleend de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor een kenteken is aangevraagd, te tonen op een door de inspecteur aan te wijzen plaats.

  • 4 Indien niet wordt voldaan aan het in het eerste, tweede of derde lid bepaalde, kan de inspecteur de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet bij voor bezwaar vatbare beschikking weigeren of intrekken.

Artikel 6a

  • 1 Voor de toepassing van de artikelen 9, elfde lid, 9a, tweede lid en 9c, vierde lid, blijkt de omvang van de emissie van CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:

    • a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring inzake de omvang van de CO2-emissie, gemeten overeenkomstig richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375), met dien verstande dat de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort wordt gehanteerd indien de meting met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd;

    • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een voor de auto overgelegd document als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 42), opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG danwel de overgelegde goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement, bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG.

  • 2 Bij de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde individuele keuring van de auto wordt door belanghebbende het goedkeuringsformulier, bedoeld in bijlage X behorende bij richtlijn 70/220/EEG, overgelegd. Uit dit goedkeuringsformulier dient te blijken wat de gemeten emissie van deeltjes is. Indien uit het goedkeuringsformulier zelf niet blijkt wat de gemeten emissie van deeltjes is, kan het aantonen daarvan geschieden door overlegging van het bij het goedkeuringsformulier behorende testrapport. Het testrapportnummer dient volledig overeen te komen met het nummer dat is vermeld op het goedkeuringsformulier.

Artikel 7

  • 1 Het voldoen aan de in artikel 9b, tweede lid, van de wet vermelde voorwaarde blijkt uit:

    • a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring en ook geen individuele goedkeuring is verleend, een testrapport van een individuele keuring opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (Pb L 76);

    • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een voor de auto overgelegd document bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 42), opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG danwel de overgelegde goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG waarin de gemeten emissie van deeltjes per kilometer is vermeld en is vastgelegd overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG of daarmee gelijkwaardig.

  • 2 Bij de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde individuele keuring van de auto wordt door belanghebbende het goedkeuringsformulier, als bedoeld in bijlage X behorende bij richtlijn nr. 70/220/EEG overgelegd. Uit dit goedkeuringsformulier dient te blijken wat de gemeten emissie van deeltjes is. Indien uit het goedkeuringsformulier zelf niet blijkt wat de gemeten emissie van deeltjes is, kan het aantonen daarvan geschieden door overlegging van het bij het goedkeuringsformulier behorende testrapport. Het testrapportnummer dient volledig overeen te komen met het nummer dat is vermeld op het goedkeuringsformulier.

Artikel 8

  • 1 De afschrijving bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet bedraagt met betrekking tot personenauto's of motorrijwielen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet:

    • -

      6 percent per maand voor de eerste drie maanden die zijn verstreken na het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst als zodanig in gebruik is genomen; en

    • -

      2,5 percent voor iedere volgende maand, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet..

  • 3 Indien een gebruikt motorrijtuig essentiële gebreken vertoont waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, niet vastgesteld dan nadat deze gebreken zijn hersteld. Van essentiële gebreken is in elk geval sprake zolang het motorrijtuig blijkens een vermelding in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, bestemd is voor sloop of wacht op keuring.

  • 4 De opgaaf, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de wet, bestaat uit:

    • a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de desbetreffende passage uit die koerslijst; of

    • b. een taxatierapport, opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip waarop aan het motorrijtuig een kenteken wordt toegekend dan wel ten hoogste een maand vóór het tijdstip van aanvang van het gebruik met het motorrijtuig van de weg in Nederland, door een onafhankelijke, erkende taxateur aan de hand van een fysieke opname van het motorrijtuig in de staat waarin het op dat tijdstip verkeert, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in Nederland.

  • 5 Bij toepassing van de artikelen 10, zesde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet, na toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid, van de wet, welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.

    Indien sinds het tijdstip waarop het motorvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen een periode is verstreken van ten minste

    Maar minder dan

    Is het percentage

    En voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met

    0 dagen

    1 maand

    0

    5

    1 maand

    3 maanden

    5

    3

    3 maanden

    5 maanden

    11

    2,5

    5 maanden

    9 maanden

    16

    2,25

    9 maanden

    1 jaar en 6 maanden

    25

    1,444

    1 jaar en 6 maanden

    2 jaar en 6 maanden

    38 

    0,917

    2 jaar en 6 maanden

    3 jaar en 6 maanden

    49

    0,833

    3 jaar en 6 maanden

    4 jaar en 6 maanden

    59

    0,75

    4 jaar en 6 maanden

    5 jaar en 6 maanden

    68

    0,5

    5 jaar en 6 maanden

    6 jaar en 6 maanden

    74

    0,416

    6 jaar en 6 maanden

    7 jaar en 6 maanden

    79

    0,416

    7 jaar en 6 maanden

    8 jaar en 6 maanden

    84

    0,333

    8 jaar en 6 maanden

    9 jaar en 6 maanden

    88

    0,333

    9 jaar en 6 maanden

     

    92

    0,083

  • 7 In afwijking van het eerste lid en het tweede lid wordt de afschrijving vastgesteld aan de hand van de in het vijfde lid opgenomen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.

Artikel 8c

  • 1 De in artikel 13a, tweede lid, van de wet bedoelde periode van terbeschikkingstelling van een bestelauto bedraagt vier weken, verminderd met voorafgaande aansluitende periodes van terbeschikkingstelling van enige bestelauto door de ondernemer aan dezelfde persoon.

  • 2 Indien een ondernemer een bestelauto waarvoor op de voet van artikel 13a, eerste lid, van de wet vrijstelling van belasting is verleend ter beschikking stelt aan een derde, neemt hij in zijn administratie de volgende gegevens en bescheiden op:

    • a. de naam, het adres en een kopie van het legitimatiebewijs van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld; en

    • b. een kopie van het contract tussen de ondernemer en degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, waaruit het kenteken van de bestelauto en de periode van terbeschikkingstelling blijkt.

  • 3 Ingeval de in het tweede lid bedoelde ondernemer de bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde die voldoet aan het gestelde in artikel 13a, tweede lid, van de wet, verstrekt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld aan de ondernemer een verklaring:

  • 4 De ondernemer die een bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in het derde lid, neemt in zijn administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden de volgende gegevens en bescheiden op:

    • a. het BTW-identificatienummer van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, en een afdruk van de verificatie van dit nummer uit het Europese datasysteem van BTW-identificatienummers; en

    • b. de in het derde lid bedoelde verklaring van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld.

  • 5 Indien de in het derde lid bedoelde verklaring niet langer juist is, brengt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking stelt daarvan op de hoogte, onder intrekking van de eerder afgegeven verklaring.

Artikel 8d

  • 1 De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de wet, is de som van de percentages die ingevolge de navolgende tabel van toepassing zijn voor elke maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken tussen het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is geworden en het tijdstip waarop de omstandigheid, bedoeld in artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, zich voordoet, toegepast op het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet, na toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid, van de wet. Indien bij aanvang van een maand een tijdsduur is verstreken sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen van

    ten minste

    maar minder dan

    is het percentage voor die maand

    0 dagen

    1 maand

    5

    1 maand

    3 maanden

    3

    3 maanden

    5 maanden

    2,5

    5 maanden

    9 maanden

    2,25

    9 maanden

    1 jaar en 6 maanden

    1,444

    1 jaar en 6 maanden

    2 jaar en 6 maanden

    0,917

    2 jaar en 6 maanden

    3 jaar en 6 maanden

    0,833

    3 jaar en 6 maanden

    4 jaar en 6 maanden

    0,75

    4 jaar en 6 maanden

    5 jaar en 6 maanden

    0,5

    5 jaar en 6 maanden

    6 jaar en 6 maanden

    0,416

    6 jaar en 6 maanden

    7 jaar en 6 maanden

    0,416

    7 jaar en 6 maanden

    8 jaar en 6 maanden

    0,333

    8 jaar en 6 maanden

    9 jaar en 6 maanden

    0,333

    9 jaar en 6 maanden

     

    0,083

  • 2 Indien sinds het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is geworden minder dan drie maanden zijn verstreken, wordt de vermindering voor een nog niet verstreken maand in afwijking van het eerste lid naar tijdsgelang per dag berekend, waarbij de vermindering per dag wordt gesteld op een dertigste deel van de vermindering voor die maand ingevolge de tabel.

  • 4 Indien de belasting voor een gebruikt motorrijtuig is geheven met toepassing van een andere vermindering dan de vermindering zoals deze voor motorrijtuigen van die leeftijd voortvloeit uit de tabel opgenomen in artikel 8, vijfde lid, wordt de teruggaaf aangepast. Voor de berekening van de teruggaaf wordt daartoe de som van de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk het percentage, bedoeld in het derde lid, toegepast op het resultaat van de volgende formule:

    (geheven belasting × 100) / (100 – tabelpercentage)

    Daarbij is geheven belasting de belasting die voor dat motorrijtuig met toepassing van die andere vermindering is geheven, en tabelpercentage het percentage dat van toepassing zou zijn geweest indien de belasting zou zijn geheven met toepassing van de vermindering ingevolge de tabel in artikel 8, vijfde lid.

Artikel 8e

  • 1 Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van artikel 15a van de wet mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.

  • 2 Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet, wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte.

Artikel 9

  • 1 De zekerheid bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet wordt bepaald aan de hand van het bedrag van de belasting dat degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend gemiddeld per aangiftetijdvak verschuldigd is ter zake van de registratie van de motorrijtuigen waarvoor door hem kentekens zijn aangevraagd.

  • 2 De zekerheid bedraagt ten hoogste 100 percent van het in het eerste lid bedoelde bedrag met een maximum van € 9 000 000.

  • 3 Het bedrag van de zekerheid kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden gewijzigd.

  • 4 Degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend kan een verzoek tot verlaging van de zekerheid indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Artikel 11

In afwijking van artikel 31, eerste lid, van de wet, worden met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen die na 31 december 1992 worden geregistreerd en waarvoor vóór 1 januari 1993 bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's of bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen verschuldigd is geworden, die belastingen inclusief de daarover ter zake verschuldigde omzetbelasting verrekend met de belasting van personenauto's en motorrijwielen, voor zover die omzetbelasting niet in aanmerking komt voor aftrek op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb. 329).

Artikel 12

Met betrekking tot naheffingsaanslagen in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's en de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen blijven de bepalingen van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) zoals deze luidden op 31 december 1992 van toepassing.

Artikel 13

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.

  • 2 Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

De

Staatssecretaris

van Financiën,

M. J. J. van Amelsvoort

Terug naar begin van de pagina