Wet toezicht kredietwezen 1992

[Regeling vervallen per 01-01-2007.]
Geldend van 15-01-2003 t/m 31-07-2003

Wet van 23 december 1992, houdende bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen en de uitvoering van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG), en de uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (992/30/EEG)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG) alsmede aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (92/30/EEG), en dat het naar aanleiding daarvan alsmede in verband met het aanbrengen van enige andere aanpassingen van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) wenselijk is de bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Definities

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. kredietinstelling:

      • 1°. een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen; dan wel

      • 2°. een onderneming of instelling, anders dan bedoeld onder 1°, die gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

    • b. centrale kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°, die met betrekking tot een groep kredietinstellingen een mede beleidsbepalend karakter draagt;

    • c. financiële instelling: een onderneming of instelling, niet zijnde een kredietinstelling, die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verrichten van één of meer van de werkzaamheden genoemd onder 2 tot en met 12 in bijlage I van de Richtlijn dan wel van het verwerven of het houden van deelnemingen;

    • d. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking tot de uitvoering van deze wet door Onze minister, de Bank gehoord, als representatieve organisatie voor een groep van ondernemingen en instellingen is aangewezen;

    • e. Onze minister: Onze minister van Financiën;

    • f. Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

    • g. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige Staat ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het kredietwezen is opgedragen;

    • h. de Unie: de Europese Unie;

    • i. Lid-Staat: een staat die lid is van de Unie alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132);

    • j. de Richtlijn: Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);

    • k. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere Staat is gevestigd dan die waarin de kredietinstelling of de financiële instelling gevestigd is;

    • l. verrichten van diensten: het in een Staat, zonder gebruikmaking van een bijkantoor in die Staat, verrichten dan wel aanbieden van werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door een kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere Staat is gevestigd;

    • m. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling;

    • n. dochtermaatschappij: een onderneming of instelling als omschreven in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • o. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:

      • 1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of

      • 2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,

      die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;

    • p. elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager.

  • 2 De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin van deze wet.

Artikel 1a

[Vervallen per 01-01-2007]

Op een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 is verleend, is het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 51 niet van toepassing.

§ 2. Uitoefening van toezicht door de Bank

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank oefent toezicht uit:

    • a. [Red: vervallen;]

    • b. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen;

    • c. in het belang van hun liquiditeit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van niet in Nederland gevestigde kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°; en

    • d. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 hebben verkregen.

  • 2 De Bank werkt bij de uitoefening van toezicht op in één van de Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten. De Bank pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten.

  • 3 De Bank kan voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van toezicht op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling de betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.

Artikel 3

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister onderscheidenlijk de Bank maakt van de in artikel 81, onderscheidenlijk de artikelen 11 en 20 gegeven bevoegdheden mede gebruik om uitvoering te geven aan richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op kredietinstellingen.

  • 2 Onze minister kan aan de Bank voorschriften geven ter implementatie van richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op kredietinstellingen.

Artikel 4

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Bij koninklijk besluit kan, op advies van de Bank en nadat daarover het advies van de betrokken instantie is ingewonnen, worden bepaald, dat een bij een centrale kredietinstelling aangesloten groep van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° van het toezicht door de Bank, voorzover dit toezicht strekt in het belang van de solvabiliteit, liquiditeit en administratieve organisatie van die instellingen, is vrijgesteld, voorzover deze centrale kredietinstelling krachtens haar statuten en de statuten van de bij haar aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of krachtens een overeenkomst met de bij haar aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° dit toezicht op voldoende wijze uitoefent op deze instellingen.

  • 2 De centrale kredietinstelling richt zich bij het toezicht naar de aanwijzingen van de Bank.

§ 3. Bijzondere bepalingen met betrekking tot bijkantoren

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bepalingen van deze wet vinden ten aanzien van een buiten Nederland gevestigde onderneming of instelling, die door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, slechts toepassing voor zover het haar in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf betreft.

  • 2 De Bank kan ten aanzien van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling, die door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, bepalen, dat tot haar in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van kredietinstelling mede worden gerekend alle of bepaalde rechtsverhoudingen van die kredietinstelling rechtstreeks of middellijk met natuurlijke personen en rechtspersonen, welke in Nederland gevestigd zijn of aldaar hun bedrijf uitoefenen.

  • 3 De Bank kan voor de toepassing van de artikelen 16 en 17 en 31 tot en met 37 een kredietinstelling beschouwen als een bijkantoor, indien naar het oordeel van de Bank met betrekking tot die kredietinstelling voldaan wordt aan voorwaarden als omschreven in artikel 12, onder a tot en met e.

Hoofdstuk II. Kredietinstellingen die in Nederland zijn gevestigd

[Vervallen per 01-01-2007]

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Algemeen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 6

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een in Nederland gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.

  • 2 Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 3 De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 7

[Vervallen per 01-01-2007]

Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.

Artikel 7a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, niet toegestaan naast het ter beschikking krijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven andere dan de volgende werkzaamheden te verrichten:

    • a. het verrichten van met de uitgifte van elektronisch geld samenhangende diensten;

    • b. het uitgeven en beheren van andere betaalmiddelen, met uitsluiting van de werkzaamheden bedoeld onder punt 2 van bijlage I van de Richtlijn;

    • c. het vastleggen van informatie op een elektronische drager ten behoeve van andere ondernemingen of instellingen.

  • 2 Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, houdt uitsluitend een deelneming in een andere onderneming of instelling, indien die onderneming of instelling werkzaamheden verricht, die samenhangen met de bedrijfsvoering van de kredietinstelling.

  • 3 Onder een deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van de stemrechten in een onderneming.

§ 2. Aanvragen van de vergunning

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 8

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een in Nederland gevestigde onderneming of instelling, die voornemens is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, vraagt bij de Bank een vergunning aan.

  • 2 De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 9, gegevens omtrent:

    • a. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen;

    • b. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen van de onderneming of instelling dan wel van het orgaan van de onderneming of instelling dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft;

    • c. de identiteit en de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen;

    • d. de identiteit en de antecedenten van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen;

    • e. de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming of instelling, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;

    • f. een jaarrekening of openingsbalans, welke moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • g. een programma van werkzaamheden welke de onderneming of instelling voornemens is te verrichten;

    • h. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle;

    • i. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort; en

    • j. indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling betreft: een verklaring van de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar die kredietinstelling gevestigd is waaruit blijkt dat deze autoriteit de vestiging van een dochtermaatschappij of bijkantoor in Nederland heeft goedgekeurd.

  • 3 De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

§ 3. Vergunningvereisten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 9

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank verleent de vergunning, tenzij:

    • a. de onderneming of instelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 10 en 11 bepaalde;

    • b. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen, die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;

    • c. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van één of meer personen, die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

    • d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;

    • e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

    • f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;

    • g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder f, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of

    • h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder f, g of h, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.

  • 2 De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere Lid-Staat.

  • 3 De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is dat de groep waartoe de onderneming of instelling behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de onderneming of instelling.

  • 4 De Bank kan tevens weigeren de vergunning te verlenen indien de onderneming of instelling tot een groep behoort en het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming onderscheidenlijk instelling, naar het oordeel van de Bank, wordt belemmerd door het recht van een Staat, die niet een Lid-Staat is, dat van toepassing is op een groepsmaatschappij of natuurlijke persoon die tot de groep behoort.

  • 5 Indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is kan de Bank weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is, dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent.

Artikel 10

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het dagelijks beleid van een kredietinstelling dient door ten minste twee personen te worden bepaald.

  • 2 De personen die het dagelijks beleid van een kredietinstelling bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

  • 3 Een kredietinstelling, die een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een ten minste uit drie leden bestaande raad van commissarissen te hebben als bedoeld in de artikelen 140 onderscheidenlijk 250 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4 Een kredietinstelling, die niet een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een ten minste uit drie leden bestaand orgaan te hebben dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.

  • 5 De Bank kan aan een kredietinstelling, die niet is een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarop artikel 158 of artikel 268 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het derde of vierde lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 11

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling dient te beschikken over een minimum bedrag aan eigen vermogen.

  • 2 Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt door de Bank bepaald.

  • 3 Het bedrag bedoeld in het eerste lid kan voor onderscheiden groepen kredietinstellingen verschillend worden bepaald.

  • 4 Bij de vaststelling van het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden rechtsvormen onder eigen vermogen wordt verstaan.

  • 5 De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling, voor een door de Bank te bepalen termijn, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van hetgeen zij op basis van het tweede en derde lid heeft bepaald. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

Artikel 12

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan ten aanzien van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° besluiten dat de artikelen 8, tweede lid, met uitzondering van onderdeel e, 9 eerste lid, met uitzondering van onderdeel f, of derde lid, 10, 11, 13, 14, 15, eerste lid, onderdeel c, onderdeel d - behoudens voor zover dit onderdeel betrekking heeft op artikel 9, eerste lid, onderdeel f - of onderdeel g, dan wel 30 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven, mits

    • a. de kredietinstelling is aangesloten bij een centrale kredietinstelling;

    • b. de centrale kredietinstelling erop toeziet dat de aangesloten kredietinstelling de richtlijnen en algemene voorschriften als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22 naleeft;

    • c. de centrale kredietinstelling en de bij haar aangesloten kredietinstellingen hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de aangesloten kredietinstelling door de centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;

    • d. de centrale kredietinstelling naar het oordeel van de Bank voldoende bevoegd is instructies te geven aan de aangesloten kredietinstelling; en

    • e. het ingevolge artikel 20 uitgeoefende toezicht op de centrale kredietinstelling en de aangesloten kredietinstelling op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.

  • 2 De Bank kan aan haar beslissing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.

§ 4. Bijzondere maatregelen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 13

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een wijziging van de gegevens bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, b, c, of d, wordt, voor zover het aantal of de identiteit van de daar genoemde personen betreft, vooraf aan de Bank gemeld.

  • 2 Een wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet doorgevoerd, indien de Bank het voornemen daartoe afwijst binnen 6 weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, of, indien de Bank om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen 6 weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen.

  • 3 Indien zich een wijziging van de antecedenten bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, b, c, of d, voordoet, stelt de kredietinstelling de Bank daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

Artikel 14

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan, indien:

    • a. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;

    • b. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e, voordoet; onderscheidenlijk

    • c. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar; of

    de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde, zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e, niet meer voordoet , onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.

  • 2 Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.

  • 3 Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 4 Een overdracht als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    • a. hij dient in staat te zijn de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

    • b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

  • 5 Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

  • 6 De Bank kan, indien zich bij een kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder d of e voordoet, aan de personen die via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid van de groep waartoe deze kredietinstelling behoort bepalen, de aanwijzing geven dat één of meer personen die het beleid of het dagelijks beleid van deze groep bepalen niet uit dien hoofde tevens het beleid of het dagelijks beleid van de kredietinstelling mogen mede bepalen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn, zich bij een kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder d of e niet meer voordoet.

Artikel 14a

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien een accountant naar het oordeel van de Bank niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de kredietinstelling naar behoren zal vervullen, kan de Bank bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die kredietinstelling af te leggen.

§ 5. Intrekken van de vergunning

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 15

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan een vergunning intrekken, indien:

    • a. de kredietinstelling daarom verzoekt;

    • b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;

    • c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;

    • d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde lid, voordoet;

    • e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

    • f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; of

    • g. de kredietinstelling niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid.

  • 2 De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 3 Een beschikking tot intrekking van de vergunning op de gronden bedoeld in het eerste lid treedt eerst in werking wanneer zij onherroepelijk is geworden. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, zodra zij onherroepelijk is geworden.

  • 4 Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in het eerste lid onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in artikel 82, eerste lid, op de onderneming of instelling van toepassing.

  • 5 De onderneming of instelling is vanaf de datum als bedoeld in het vierde lid gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op termijn opvorderbaar zijn, zo spoedig mogelijk op te zeggen en binnen een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen.

  • 6 Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid wordt de onderneming of instelling gedurende de afwikkelingstermijn voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Afdeling 2. Het door een kredietinstelling verrichten van één of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn buiten Nederland

[Vervallen per 01-01-2007]

Paragraaf 1. Bijkantoor in een andere Lid-Staat

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 16

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis te geven. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling als bedoeld in het derde lid niet is gedaan.

  • 2 De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

    • a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

    • b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

    • c. het adres van het bijkantoor; en

    • d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

  • 3 De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

  • 4 Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.

  • 5 Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, dan wel met betrekking tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

  • 6 Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

  • 7 Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

  • 8 Zodra de mededeling als bedoeld in het derde lid is ingetrokken, is het de kredietinstelling verboden nog langer werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat is

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 16a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.

  • 2 De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

    • a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

    • b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

    • c. het adres van het bijkantoor; en

    • d. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

  • 3 De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

  • 4 Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.

  • 5 Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

  • 6 Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

Artikel 16b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat is, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de Bank niet van haar instemming blijk heeft gegeven.

  • 2 De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid geschiedt onder opgave van:

    • a. de Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

    • b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

    • c. het adres van het bijkantoor; en

    • d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

  • 3 De Bank beslist binnen 6 weken na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid op het verzoek tot instemming.

Artikel 16c

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

§ 3. Verrichten van diensten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 17

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is één van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door middel van het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de eerste maal in die Lid-Staat uit te oefenen, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank steeds van haar voornemen schriftelijk kennis.

  • 2 De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

    • a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is de werkzaamheden te verrichten;

    • b. de werkzaamheden welke de kredietinstelling voornemens is te verrichten.

  • 3 De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

Afdeling 3. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A, onder 1°

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 18

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 19 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

§ 3. Solvabiliteitstoezicht

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 20

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de solvabiliteit van die instellingen.

  • 2 De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

  • 3 De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden:

    • a. bepalingen inzake het eigen vermogen, dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot

      • (1). de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

      • (2). de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;

      • (3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

      • (4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

      • (5). de onder (1), (2), (3) of (4) vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van het eigen vermogen te boven gaan;

    • b. het verbod, de beperking of het aan voorschriften binden van

      • (1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

      • (2). de verplichtingen buiten de balanstelling;

      • (3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

      • (4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

    • c. bepalingen inzake de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van

      • (1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

      • (2). de verplichtingen buiten de balanstelling;

      • (3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

      • (4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

    • d. bepalingen inzake de reikwijdte van consolidatie.

  • 4 De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, mits de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 5 In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.

§ 4. Liquiditeitstoezicht

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 21

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de liquiditeit van die instellingen.

  • 2 De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

  • 3 De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot

    • (1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;

    • (2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter beschikking verkregen gelden te boven gaan.

  • 4 De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 5 In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.

§ 5. Toezicht op de administratieve organisatie

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 22

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan aan de kredietinstellingen aanbevelingen en algemene richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven met betrekking tot de administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle alsmede met het oog op het voorkomen van belangenconflicten.

  • 2 De aanbevelingen en algemene richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de aanbevelingen en algemene richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De aanbevelingen en algemene richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

  • 3 De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de algemene richtlijnen verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 4 In de aanbevelingen en algemene richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent de aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven.

  • 5 De aanbevelingen worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

§ 5a. Toezicht op de bedrijfsvoering met het oog op de integriteit van die bedrijfsvoering

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

§ 6. Structuurtoezicht

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 23

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een kredietinstelling verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar:

    • a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen dan wel een uitkering te doen uit de post omvattende de dekking voor algemene bankrisico's bedoeld in artikel 424 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

    • b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven dan wel te vergroten, indien deze deelneming 10 procent of meer bedraagt;

    • c. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel over te nemen;

    • d. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;

    • e. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;

    • f. een beherend vennoot tot de kredietinstelling te doen toetreden.

  • 2 Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:

    • a. de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of zou kunnen komen met de voor de kredietinstelling geldende richtlijnen als bedoeld in artikel 20, derde lid, onder a, (4) en (5), onder b, (4) en onder c, (4); of

    • b. de Bank van oordeel is dat de handeling anderszins in strijd zou zijn of zou kunnen komen met een gezond bankbeleid; of

    • c. de Bank van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen; of

    • d. Onze minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.

  • 3 Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b en c, onderscheidenlijk het tweede lid, onder d, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

  • 4 Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde kredietinstelling gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

  • 5 Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde kredietinstelling de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

Artikel 24

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen.

  • 2 Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:

    • a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid;

    • b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;

    • c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen; of

    • d. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.

  • 3 Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c, onderscheidenlijk het tweede lid, onder d, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

  • 4 Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

  • 5 Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen bezwaar is verkregen dan wel de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze minister dan wel vanwege Onze minister van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

  • 6 Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

Artikel 25

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan, ter uitvoering van bepalingen in richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, aan houders van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, die financiële instelling zijn waarvan de dochtermaatschappijen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of financiële instellingen zijn en waarvan ten minste één dochtermaatschappij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° is die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, algemene voorschriften geven om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op laatstbedoelde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die in strijd is met een gezond bankbeleid.

  • 2 De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake:

    • a. de omvang van het eigen vermogen van de houder als bedoeld in het eerste lid in verhouding tot de financiële risico’s van die houder en op geconsolideerde basis van de groep waarvan die houder aan het hoofd staat;

    • b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van de financiële risico’s als bedoeld onder a;

    • c. de reikwijdte van consolidatie; en

    • d. de door de houder als bedoeld in het eerste lid te verstrekken inlichtingen alsmede de vorm waarin deze inlichtingen dienen te worden verstrekt.

  • 3 In de algemene voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent algemene voorschriften worden gegeven.

  • 4 De Bank kan voor een houder als bedoeld in het eerste lid ontheffing van de algemene voorschriften verlenen, mits die houder, in overeenstemming met de Richtlijn, door een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat bij het toezicht op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt betrokken.

  • 5 Met betrekking tot de algemene voorschriften zijn de artikelen 24, zesde lid, en 26, zesde lid, aanhef en onder d, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn als bedoeld in artikel 24, zesde lid, door de Bank wordt vastgesteld.

Artikel 25a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De voorschriften worden overeenkomstig artikel 24, derde lid, door Onze minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden.

  • 3 Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de Bank, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste lid is verleend.

  • 4 De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 26

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 24, eerste lid, wordt beslist door Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister door de Bank.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend bij de Bank. De Bank zendt de aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze minister behoudens in de gevallen waarin zij vanwege Onze minister beslist.

  • 3 Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.

  • 4 Van de verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de Bank aan de betrokken kredietinstelling mededeling gedaan.

  • 5 Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover Onze minister of de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden bij de beschikking of derden.

  • 6 Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister door de Bank worden gewijzigd of ingetrokken:

    • a. op verzoek van de houder;

    • b. indien aan de houder een verklaring van geen bezwaar wordt verleend die betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was verleend;

    • c. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    • d. indien niet alsnog binnen de termijn als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, respectievelijk artikel 24, zesde lid, aan alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde voorschriften wordt voldaan.

  • 7 Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke

    • a. naar het oordeel van de Bank tot strijd met een gezond bankbeleid respectievelijk tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid leiden of zouden kunnen leiden;

    • b. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;

    • c. naar het oordeel van de Bank of Onze minister tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen leiden of zouden kunnen leiden;

    en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de Bank aan de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen en nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.

  • 8 Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de Bank aan de betrokken kredietinstelling mededeling gedaan.

  • 9 Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover Onze minister of de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden bij de beschikking of derden.

Artikel 27

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling zodanig wijzigt, dat de omvang van deze deelneming onder de 5, 10, 20, 33 of 50 procent daalt of, dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.

  • 2 Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder de 5, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

  • 3 De Bank stelt Onze minister eens per jaar in kennis van de gegevens waarover zij ingevolge het eerste en het tweede lid beschikt.

§ 7. Bijzondere maatregelen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 28

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien de Bank constateert, dat een kredietinstelling de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 of 22 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

  • 2 Zo nodig doet de Bank de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

  • 3 Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de aanwijzing een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank

    • a. de kredietinstelling aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;

    • b. de kredietinstelling aanzeggen, dat de Bank zal overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de kredietinstelling zulks verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Bank en de kredietinstelling is gevoerd;

    • c. met de voorzitter van de representatieve organisatie van de groep kredietinstellingen, waartoe de kredietinstelling behoort, dienaangaande in overleg treden, wanneer de Bank zulks in het belang van crediteuren acht. De voorzitter kan zich bij dit overleg doen bijstaan door ten hoogste twee functionarissen van zijn organisatie, tenzij de Bank zulks niet wenselijk acht. De Bank doet de kredietinstelling mededeling van het overleg.

  • 4 Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan de onderdelen a en c van het derde lid Artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 5 Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder a, is het volgende van toepassing:

    • a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;

    • b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;

    • c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder a, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;

    • d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door andere vervangen;

    • e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder a, zijn degenen, die deel uit maken van het orgaan van de kredietinstelling dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling; de kredietinstelling kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;

    • f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen, beslist zij dat de betrokken organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.

  • 6 Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de kredietinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien de Bank de aanwijzing intrekt, zal de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.

Artikel 29

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien de Bank door de toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat ervan in kennis is gesteld dat een bijkantoor in die Lid-Staat van een in Nederland gevestigde kredietinstelling de voor die kredietinstelling in die andere Lid-Staat op het bijkantoor van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

  • 2 Zo nodig doet de Bank de mededeling als bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een, zo nodig na overleg met de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in het eerste lid opgestelde, aanwijzing om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

  • 3 Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing is gevolg gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in artikel 16, derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

§ 8. Jaarrekening

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 30

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ten minste haar jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Bank in te dienen. De jaarrekening moet worden ingediend in de vorm waarin zij overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte is goedgekeurd of bij gebreke van goedkeuring is vastgesteld, dan wel, bij gebreke van vaststelling, in de vorm waarin zij is opgemaakt. Daarop wordt vermeld of zij al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd.

  • 2 De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.

  • 3 De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het eerste of tweede lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4 De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen en die:

    • a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 zijn gesteld;

    • b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

    • c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of

    • d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

  • 5 Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

  • 6 De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Afdeling 4. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A, onder 2°

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 30a

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Artikel 30b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de liquiditeit en de solvabiliteit van die instellingen.

  • 2 De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.

  • 3 De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden:

    • a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;

    • b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van:

      • 1°. de beleggingen en overige activa;

      • 2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;

      • 3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

    • c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.

  • 4 De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 5 In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.

Artikel 30c

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank kan aan de kredietinstellingen aanbevelingen en algemene richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle, alsmede met het oog op het voorkomen van belangenconflicten.

  • 2 De aanbevelingen en algemene richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de aanbevelingen en algemene richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De aanbevelingen en algemene richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.

  • 3 De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de algemene richtlijnen verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

  • 4 In de aanbevelingen en algemene richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent de aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven.

  • 5 De aanbevelingen worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 30ca

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 30d

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is gedaan.

  • 2 Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.

  • 3 Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid deelt zij de natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.

  • 4 Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

  • 5 Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming de mededeling, bedoeld in het derde lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

Artikel 30e

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

Artikel 30f

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kredietinstellingen, bedoeld in deze afdeling.

Hoofdstuk III. Kredietinstellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd

[Vervallen per 01-01-2007]

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Bijkantoor

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 31

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland uit te oefenen, tenzij

    • a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen;

    • b. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:

      • (1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

      • (2). het adres van het bijkantoor;

      • (3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;

      • (4). de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling; en

      • (5). gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling in de andere Lid-Staat op de verplichtingen van het bijkantoor; en

    • c. de Bank de ontvangst van de kennisgeving als bedoeld onder b aan de onderneming of instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder b heeft ontvangen.

  • 2 Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling die krachtens het eerste lid het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland mag uitoefenen, echter niet toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden door de vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt uitgesloten dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder b, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

  • 3 De in de andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder b, sub (1), (2), (3) of (5) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.

  • 4 Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 5 De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

§ 2. Verrichten van diensten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 32

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, verboden al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten in Nederland, tenzij

    • a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen; en

    • b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.

  • 2 Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling die krachtens het eerste lid opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten in Nederland, echter niet toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden door de vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt uitgesloten dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder b, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

  • 3 Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 4 De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 32a

[Vervallen per 01-01-2007]

Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, tenzij;

  • a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, benodigde vergunning heeft verkregen; en

  • b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke een opgave van de voorgenomen werkzaamheden bevat.

§ 3. Bijzondere bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 33

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien een Lid-Staat de Richtlijn niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen en instellingen het tweede en derde lid gelden.

  • 2 Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van artikel 31, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.

  • 3 Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32, artikel 82 van toepassing.

  • 4 Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c; de aan deze onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Toezicht

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 34

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 19 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.

§ 2. Bijzondere maatregelen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 35

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien de Bank constateert, dat een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, de richtlijnen als bedoeld in artikel 21 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen, is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.

  • 2 Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is, daarvan in kennis stellen en die toezichthoudende autoriteit verzoeken te bewerkstelligen dat alsnog binnen een door de Bank te stellen termijn aan de aanwijzing gevolg wordt gegeven.

  • 3 Indien de Bank niet binnen de laatstbedoelde door haar gestelde termijn een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, is, nadat de Bank de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat daarvan in kennis heeft gesteld, artikel 28, derde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.

  • 4 Indien de Bank bij een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Bank, niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid, met betrekking tot het bijkantoor maatregelen treffen die zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van de belangen van de crediteuren van het bijkantoor.

  • 5 De Bank kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid, met betrekking tot het bijkantoor tevens maatregelen treffen, ingeval zij daartoe een verzoek heeft gekregen van de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is.

  • 6 De Bank doet van de maatregelen als bedoeld in het vierde en vijfde lid onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

§ 3. Boekhouding en verslaglegging

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 36

[Vervallen per 01-01-2007]

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, dient voor zijn bedrijf hier te lande ten minste een zodanige boekhouding te voeren, dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Artikel 37

[Vervallen per 01-01-2007]

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996 bij de Bank in te dienen.

Hoofdstuk IV. Kredietinstellingen die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, zijn gevestigd

[Vervallen per 01-01-2007]

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Algemeen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 38

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland uit te oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.

  • 2 Het is een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.

  • 3 Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 4 De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 38a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

  • 2 Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 3 De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

§ 2. Vergunning

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 39

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h en j, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid, vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid.

Artikel 40

[Vervallen per 01-01-2007]

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 9 en onverminderd het bepaalde in artikel 15 weigert de Bank een door een onderneming of instelling gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid of trekt zij een verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid in, indien de onderneming of instelling in de Staat waar zij is gevestigd niet een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning bezit, dan wel uit de overgelegde informatie blijkt dat deze onderneming of instelling, gelet op haar solvabiliteit, liquiditeit of haar organisatie en structuur, redelijkerwijs niet in staat is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen of te controleren.

Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Toezicht

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 41

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 2. Bijzondere maatregelen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 42

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen.

§ 3. Boekhouding en verslaglegging

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 43

[Vervallen per 01-01-2007]

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, voert voor zijn bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding, die zodanig is dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Artikel 44

[Vervallen per 01-01-2007]

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996, bij de Bank in te dienen.

Hoofdstuk V. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling in een andere Lid-Staat door financiële instellingen die in Nederland zijn gevestigd

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Ondertoezichtstelling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 45

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Op aanvraag van een financiële instelling die dochtermaatschappij is van één of meer kredietinstellingen die een vergunning bedoeld in artikel 6 heeft of hebben verkregen, en die haar bedrijf door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, kan de Bank aan die financiële instelling een verklaring van ondertoezichtstelling verlenen en daarbij het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 24, 26 en 27 bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaren op die financiële instelling.

  • 2 De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het verlenen van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 46, gegevens omtrent:

    • a. de identiteit van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is;

    • b. een programma van werkzaamheden welke de financiële instelling verricht dan wel voornemens is te verrichten; en

    • c. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle.

  • 3 De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 46

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank verleent de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, slechts indien:

  • a. de financiële instelling aantoont, dat het haar, voor zover op haar werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing zijn, is toegestaan deze werkzaamheden te verrichten;

  • b. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, ten minste 90 procent van de stemrechten in de financiële instelling bezit of bezitten;

  • c. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, met instemming van de Bank de verplichtingen van de financiële instelling garandeert of garanderen; en

  • d. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, naar het oordeel van de Bank mede zorgdraagt of zorgdragen voor een gezonde bedrijfsvoering bij de financiële instelling.

Artikel 47

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank kan een verklaring van ondertoezichtstelling intrekken, indien:

  • a. de financiële instelling daarom verzoekt;

  • b. de onderneming of instelling, aan welke de verklaring van ondertoezichtstelling is verleend, opgehouden heeft een financiële instelling te zijn;

  • c. de financiële instelling niet meer voldoet aan het bepaalde in artikel 46, onder a;

  • d. met betrekking tot de financiële instelling niet meer wordt voldaan aan het in artikel 46, onder b, c of d bepaalde of het in de artikelen 24, 26 of 27, eerste lid, bepaalde niet wordt nageleefd;

  • e. de financiële instelling het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22 of 27, tweede lid, bepaalde niet naleeft; of

  • f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van ondertoezichtstelling zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

§ 2. Bijkantoor

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 48

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een financiële instelling, die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient de Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.

  • 2 De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

    • a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling het bijkantoor heeft gevestigd dan wel voornemens is te vestigen;

    • b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

    • c. het adres van het bijkantoor; en

    • d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

  • 3 De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling en de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

  • 4 Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20 en 22, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.

  • 5 Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, c of d, voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de financiële instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

  • 6 Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20 en 22, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

§ 3. Verrichten van diensten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 49

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een financiële instelling, die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, door middel van het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de eerste maal na de verkrijging van de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, in die Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, dient de Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.

  • 2 De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

    • a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling de werkzaamheden voornemens is te verrichten;

    • b. de werkzaamheden welke de financiële instelling voornemens is te verrichten.

  • 3 De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

Hoofdstuk VI. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling in Nederland door financiële instellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Bijkantoor

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 50

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de werkzaamheden vermeld in het programma van werkzaamheden als bedoeld onder a, (1), door middel van een bijkantoor in Nederland te verrichten, indien

    • a. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:

      • (1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

      • (2). het adres van het bijkantoor;

      • (3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;

      • (4). de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling; en

      • (5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is; en

    • b. de Bank de ontvangst van de kennisgeving bedoeld onder a aan de financiële instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder a heeft ontvangen.

  • 2 De in een andere Lid-Staat gevestigde financiële instelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, sub (1), (2) of (3) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.

§ 2. Verrichten van diensten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 51

[Vervallen per 01-01-2007]

Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de in de kennisgeving vermelde werkzaamheden door middel van het verrichten van diensten in Nederland te verrichten, indien de financiële instelling een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.

Hoofdstuk VII. Register

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 52

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Er is een register dat door de zorg van de Bank wordt gehouden.

  • 2 De Bank draagt zorg voor de inschrijving van iedere kredietinstelling:

    • a. die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen;

    • b. die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen;

    • c. die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen;

    • d. die krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar werkzaamheden door middel van het verlenen van diensten mag verrichten;

    en van iedere financiële instelling:

    • e. die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen;

    • f. die krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland mag verrichten; en

    • g. die krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag verrichten.

  • 3 De Bank draagt zorg voor de doorhaling van een inschrijving van iedere kredietinstelling:

    • a. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 6 is ingetrokken;

    • b. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid is ingetrokken;

    • c. die niet langer krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen;

    • d. die niet langer krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar werkzaamheden door middel van het verlenen van diensten mag verrichten;

    en van iedere financiële instelling:

    • e. waarvan de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, is ingetrokken;

    • f. die niet langer krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland mag verrichten; en

    • g. die niet langer krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag verrichten.

  • 4 Van de inschrijving dan wel de doorhaling van een inschrijving in het register van een kredietinstelling of financiële instelling wordt door de zorg van de Bank binnen twee weken na de dag, waarop deze heeft plaats gehad, mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 5 In de maand januari van elk jaar wordt door de zorg van de Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst.

  • 6 Een afschrift van het register ligt voor een ieder kosteloos ter inzage ten kantore van de Bank.

Hoofdstuk VIII. Informatie-inwinning, geheimhouding, informatie-uitwisseling en samenwerking

[Vervallen per 01-01-2007]

Afdeling 1. Informatie-inwinning

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Informatie-inwinning door de Bank bij niet-geregistreerde ondernemingen en instellingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 53

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling, van welke zij vermoedt, dat zij een kredietinstelling in de zin van artikel 1 is of dat zij handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn om dit te beoordelen.

§ 2. Informatie-inwinning door de Bank ten behoeve van haar toezicht op kredietinstellingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 54

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank is bevoegd bij een kredietinstelling die ingevolge artikel 52 tweede lid, onder a, b of c, is geregistreerd, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die zij meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij deze wet opgelegd.

Artikel 55

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b is geregistreerd, dient bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, inzake haar bedrijf in, die de Bank nodig heeft voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij artikel 2 van deze wet opgelegd. Op verzoek van de Bank dient een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c is geregistreerd, deze staten, al dan niet periodiek, binnen de daartoe vastgestelde termijn bij de Bank in.

  • 2 De vorm, waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten welke zij moeten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking moeten hebben, de termijnen, binnen welke zij moeten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten worden door de Bank bepaald en kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.

  • 3 Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht noodzakelijk acht, kan zij een kredietinstelling opdragen staten als bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan ingevolge het tweede lid is bepaald.

  • 4 De verplichtingen als omschreven in het eerste lid gelden niet voor zover aan een kredietinstelling een ontheffing als bedoeld in de artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, derde lid is verleend.

  • 5 De staten als bedoeld in het eerste lid moeten periodiek zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.

  • 6 De accountant, bedoeld in het vijfde lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid kennis heeft gekregen en die:

    • a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 zijn gesteld;

    • b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

    • c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of

    • d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

  • 7 Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het zesde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

  • 8 De accountant die op grond van het zesde of zevende lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

  • 9 De Bank kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting als omschreven in het eerste lid en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 56

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 of 22.

  • 2 Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in artikel 21.

Artikel 56a

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank is bevoegd de personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d en e, op te roepen. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen. De oproeping geschiedt op een door de Bank te bepalen wijze. De personen zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Artikel 57

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank is bevoegd bij

  • a. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, onder d, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt;

  • b. iedere dochtermaatschappij van een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd;

  • c. iedere houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waarvan de betrokken kredietinstelling dochtermaatschappij is;

  • d. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 25, tweede lid, onder c, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt; en

  • e. iedere dochtermaatschappij van een houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waarvan tevens de betrokken kredietinstelling dochtermaatschappij is;

alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die de Bank meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van haar toezicht op de betrokken kredietinstelling.

Artikel 58

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 57, onder a of d, dient een zodanige boekhouding te voeren, dat zij de Bank de inlichtingen als bedoeld in artikel 57 kan verschaffen.

  • 2 Indien de Bank van oordeel is dat een onderneming of instelling niet aan het bepaalde in het eerste lid voldoet, kan zij aan die onderneming of instelling een voorschrift met betrekking tot het voeren van haar boekhouding geven.

Artikel 59

[Vervallen per 01-01-2007]

De artikelen 54, 55 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen.

§ 3. Grensoverschrijdende verificatie ter plaatse

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 60

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 57 in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:

    • a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

    • b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

  • 2 Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of artikel 48, eerste lid, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:

    • a. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

    • b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

Artikel 61

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Ingeval, in overeenstemming met de Richtlijn, ten behoeve van het toezicht op kredietinstellingen in een andere Lid-Staat door dan wel omtrent een in Nederland gevestigde onderneming of instelling inlichtingen aan de toezichthoudende autoriteiten van die Lid-Staat zijn verstrekt, zal de Bank na daartoe door de toezichthoudende autoriteit van de desbetreffende Lid-Staat te zijn verzocht:

    • a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

    • b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat toestaan zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.

  • 2 Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of artikel 50, eerste lid, zal, ten behoeve van het toezicht in de andere Lid-Staat:

    • a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

    • b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

§ 4. Bijzondere bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 62

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Iedere onderneming of instelling is verplicht de inlichtingen, die krachtens de artikelen 53, 54, 55, 57, 59 of 61 bij haar worden ingewonnen, binnen een door of namens de Bank te stellen termijn te verstrekken.

  • 2 Iedere onderneming of instelling is verplicht de Bank, of degene die in opdracht van de Bank inlichtingen als bedoeld in het eerste lid bij haar inwint, desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid van de verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van zakelijke gegevens en bescheiden en daarbij zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.

  • 3 Een derde, die de in het tweede lid bedoelde zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze daartoe over te leggen dan wel toegankelijk te maken.

  • 4 Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat zich krachtens artikel 61 van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigt.

Artikel 63

[Vervallen per 01-01-2007]

De bij of krachtens deze wet te verschaffen inlichtingen en opgaven moeten tijdig, naar waarheid en op niet misleidende wijze worden verstrekt.

Afdeling 2. Geheimhouding

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 64

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a, eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

  • 2 Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a , eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

  • 3 Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering welke betrekking hebben op het als getuige of deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak.

  • 4 Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een kredietinstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

  • 5 In afwijking van het eerste en tweede lid is de Bank bevoegd met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen.

Afdeling 3. Informatie-uitwisseling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 65

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:

    • a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

    • b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

    • c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

    • d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

    • e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

    • f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

  • 2 Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister onderscheidenlijk de Bank deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3 Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:

    • a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; dan wel

    • b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede

    • c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

Artikel 65a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die belast is met het toezicht uit hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de curator die betrokken is bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel van een kredietinstelling.

  • 2 Onze minister onderscheidenlijk de Bank verstrekt geen gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:

    • a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

    • b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.

  • 3 Artikel 64, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste lid verstrekte gegevens.

Artikel 66

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, is Onze Minister onderscheidenlijk de Bank bevoegd ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen, inlichtingen te vragen aan of een onderzoek in te stellen of te doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn respectievelijk haar toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

  • 2 Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, is verplicht deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze minister onderscheidenlijk de Bank te stellen termijn te verstrekken.

  • 3 Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld, dient aan de persoon die het onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld slechts kan worden verplicht tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden voor zover deze op de uitoefening van zijn beroep of bedrijf betrekking hebben.

Artikel 66a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister onderscheidenlijk de Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 66, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.

  • 2 De verplichting, omschreven in het derde lid van artikel 66, geldt eveneens jegens de in het eerste lid bedoelde functionaris.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.

Artikel 67

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 6 met betrekking tot een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

  • 2 De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Afdeling 4. Samenwerking met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op verzekeraars, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 67a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De Bank voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. De Bank draagt er zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze Minister.

  • 3 Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de Bank in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.

Artikel 68

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De Bank pleegt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De Bank werkt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.

  • 4 De Bank verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren de gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b en d, onderscheidenlijk de voornemens of antecedenten van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c en e, voor zover de Bank van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.

  • 5 De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid.

Hoofdstuk IX. Liquidatie

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 69

[Vervallen per 01-01-2007]

Een kredietinstelling die in Nederland is gevestigd dan wel een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling, welke tot algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar bedrijf dan wel tot ontbinding heeft besloten, is verplicht aan de Bank mededeling te doen van de wijze waarop de liquidatie onderscheidenlijk de ontbinding zal plaatsvinden ten minste dertien weken, voordat aan het besluit uitvoering wordt gegeven; de Bank kan deze termijn verkorten. De Bank wordt aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 23, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ingeval een kredietinstelling als bedoeld in de eerste volzin besluit tot ontbinding en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste lid, en 23c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 23, eerste lid, en 23a, eerste lid, gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de vennootschapsovereenkomst als statuten.

Hoofdstuk X. Noodregeling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 70

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Op een verzoek of vordering tot faillietverklaring van een kredietinstelling die in Nederland is gevestigd dan wel een bijkantoor in Nederland van een buiten Nederland gevestigde kredietinstelling - een eigen aangifte daaronder begrepen - wordt niet beslist, dan nadat de rechtbank de Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelens daaromtrent kenbaar te maken. Indien het verzoek of de vordering betrekking heeft op een bijkantoor van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling, raadpleegt de Bank alvorens haar gevoelens kenbaar te maken de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat.

  • 2 De wettelijke bepalingen inzake surséance van betaling zijn op een kredietinstelling dan wel een bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, niet van toepassing. De schuldsaneringsregeling natuurlijke personen kan niet van toepassing worden verklaard.

Artikel 71

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen dan wel van een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen dan wel van een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren, dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.

  • 2 Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling waarop het verbod van artikel 6 van toepassing is dan wel van een bijkantoor in Nederland van een buiten Nederland gevestigde kredietinstelling waarop het verbod van artikel 31 of artikel 38, eerste lid van toepassing is, naar het oordeel van de Bank zodanig is dat te voorzien is dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor zijn verplichtingen ter zake van de door hem verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.

  • 3 De Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de betrokken kredietinstelling dan wel bijkantoor.

  • 4 De rechtbank behandelt het verzoek met de meeste spoed.

  • 5 De rechtbank is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen door deskundigen, daartoe door haar aangewezen, van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken kredietinstelling dan wel bijkantoor. De artikelen 53 en 62, eerste tot en met derde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

  • 6 De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor en de Bank zijn gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.

  • 7 Indien het verzoek wordt toegewezen, bevat de beschikking van de rechtbank de benoeming van een of meer bewindvoerders; de Bank kan voor de benoeming voordrachten doen.

  • 8 Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekend gemaakt in de Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen. Het uittreksel vermeldt naam en woonplaats van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.

  • 9 In afwijking van de laatste volzin van het achtste lid, werkt de beschikking, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet terug ten aanzien van een door een kredietinstelling vóór het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven, gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b van de Faillissementswet.

  • 10 De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste of het tweede lid, bedoelde beschikking heeft gegeven, gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

  • 12 De rechtbank vermeldt op de beschikking het tijdstip waarop de beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.

  • 13 De griffier van de rechtbank stelt de Bank terstond in kennis van de beschikking. De Bank stelt daarna terstond de door Onze minister op grond van artikel 212d van de Faillissementswet aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten van de Europese Unie en van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in kennis van de beschikking.

  • 14 Wanneer het verzoek aanhangig is tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring - eigen aangifte daaronder begrepen -, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst, totdat op het eerstgenoemde verzoek is beschikt. Wordt een verklaring als bedoeld in het eerste of tweede lid, gegeven, dan vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.

  • 15 Bij een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid, bepaalt de rechtbank de duur op ten hoogste anderhalf jaar. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kan de Bank eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot uitspreken van de verklaring. Zolang bij afloop van de geldigheidsduur van de verklaring op een verzoek tot verlenging nog niet is beschikt, blijft de verklaring gehandhaafd. Indien het verzoek tot verlenging wordt toegewezen, is het zevende lid van toepassing.

Artikel 72

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden van de organen van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor uit.

  • 2 De bewindvoerders waken voor de belangen der gezamenlijke schuldeisers.

  • 3 De organen van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor zijn verplicht alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking te verlenen.

  • 4 Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, wordt voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist. De bewindvoerder, aan wie bij de beschikking van de rechtbank, bedoeld in artikel 71, zevende lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

  • 5 De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en de Bank gehoord, althans behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van hemzelf, de andere bewindvoerders, de Bank of een of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.

  • 6 De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun bevoegdheden telkens na verloop van drie maanden alsmede na beëindiging daarvan zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank.

  • 7 Het loon van de deskundigen, aangewezen ingevolge artikel 71, vijfde lid, alsook het loon en de verschotten van de bewindvoerders worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.

Artikel 73

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De rechtbank is bevoegd bij of na een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, op verzoek van de Bank dan wel op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer schuldeisers of ambtshalve, de Bank gehoord, zodanige regelingen te treffen, als zij ter beveiliging van de belangen der schuldeisers van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor nodig oordeelt.

  • 2 Op verzoek van de bewindvoerders benoemt de rechtbank een van haar leden tot rechter-commissaris die toezicht houdt op de vereffening welke plaats heeft ingevolge artikel 76. Met betrekking tot beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in de eerste zin bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid van artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover de daarin opgesomde artikelen in artikel 76 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel het bijkantoor.

Artikel 74

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, heeft ten gevolge, dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar verplichtingen; aangevangen executies worden geschorst; gelegde beslagen vervallen. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde verplichtingen.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 76 geldt het bij het eerste lid bepaalde niet ten aanzien van vorderingen welke voortvloeien uit handelingen, met de kredietinstelling dan wel het bijkantoor na de verklaring verricht, noch voor vorderingen als bedoeld in artikel 232 van de Faillissementswet, en wel voor zover zulks het geval is.

Artikel 75

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De rechtbank kan de bewindvoerders machtigen over te gaan tot overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor, welke hij in de uitoefening van zijn bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, of van een deel daarvan, dan wel tot gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling.

  • 2 Indien bij overdracht van verbintenissen als bedoeld in het eerste lid, de bedingen in de overeenkomsten, waaruit die verbintenissen voortvloeien, worden gewijzigd, hebben de bewindvoerders daartoe de bijzondere machtiging van de rechtbank nodig met dien verstande, dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 74, tweede lid, daarbij niet kunnen worden gewijzigd. De wijziging laat onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 76 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Met betrekking tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is het bepaalde in artikel 71, zesde en achtste lid, eerste en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen openbaar door bekendmaking in de Staatscourant en in ten minste drie door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.

  • 5 De overdracht en de wijzigingen van de bedingen in de overeenkomsten worden alsdan van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst.

  • 6 Gedurende de liquidatie, bedoeld in het eerste lid, regelt de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldingsduur van lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het advies van de bewindvoerders en de Bank heeft ingewonnen.

  • 7 Zodra de liquidatie is beëindigd, doen de bewindvoerders daarvan mededeling in de Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.

Artikel 76

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op de vorderingen waarop artikel 74, eerste lid, van toepassing is, voor zover dit gelet op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor verantwoord is te achten en mits is voldaan aan de volgende leden.

  • 2 De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank nedergelegd.

  • 3 Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats, waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. De bewindvoerders geven van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis en doen daarvan aankondiging in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen. Vanaf de dag waarop deze aankondiging heeft plaatsgevonden vallen de vorderingen die bevoorrecht zijn hetzij op zekere bepaalde goederen van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor hetzij op al zijn goederen onder de werking van artikel 74, eerste lid. De artikelen 110 tot en met 113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel het bijkantoor.

  • 4 Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen.

  • 5 Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en het eerste en derde lid van artikel 262 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel het bijkantoor. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge het derde lid van dit artikel voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 75, eerste lid, slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.

  • 6 De bestuurders van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 71, eerste of tweede lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders te vragen. De vragen aan de bestuurders gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor welke ingevolge artikel 75 worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voor zover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.

  • 7 Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.

  • 8 Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

  • 9 De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 bedoelde termijn geldt de in de eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

  • 10 In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, voor zover artikel 75, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 77

[Vervallen per 01-01-2007]

Nadat de rechtbank een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, heeft gegeven dan wel verlengd, kan zij in afwijking van het bepaalde in artikel 1 van de Faillissementswet een kredietinstelling dan wel een bijkantoor slechts in staat van faillissement verklaren, indien een naar goed koopmansgebruik opgemaakte balans van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor een tekort aanwijst, ongeacht of de kredietinstelling dan wel het bijkantoor verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De faillietverklaring vindt plaats, de Bank gehoord, op verzoek van de bewindvoerders, op de vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve onder intrekking van bedoelde verklaring. Alsdan zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de verklaring, gelden de volgende bepalingen:

  • a. het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 van de Faillissementswet vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het geven van de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid;

  • b. boedelschulden, na het geven van de verklaring ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden;

  • c. de intrekking van de verklaring en de faillietverklaring worden door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen; en

  • d. overigens is, voor zover niet reeds ingevolge artikel 76 tot volledige uitvoering gekomen, het bepaalde in titel I van de Faillissementswet van toepassing.

Artikel 77a

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien een faillietverklaring wordt uitgesproken met toepassing van artikel 77 dan wel binnen vier weken na het einde van de bijzondere voorziening, geldt dat het tijdstip waarop de termijnen vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend vanaf de aanvang van de bijzondere voorziening.

Artikel 78

[Vervallen per 01-01-2007]

De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, intrekken. Artikel 71, zesde en achtste lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79

[Vervallen per 01-01-2007]

Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde of zevende lid, artikel 77, onder c, of artikel 78, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden verkregen.

Artikel 80

[Vervallen per 01-01-2007]

Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 71, eerste of tweede lid, en 75, eerste en tweede lid, staat geen hoger beroep open. Beroep in cassatie tegen deze beschikkingen moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken en de zakelijke inhoud ervan wordt door de bewindvoerders in de Staatscourant en in een of meer daarbij aan te wijzen nieuwsbladen bekendgemaakt.

Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 81

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister kan bepalen dat

    • a. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de Bank de behandeling van door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 voor een bepaalde termijn opschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, dan wel dat de Bank slechts een door Onze minister te bepalen aantal door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 zal verlenen; en

    • b. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26 de behandeling van door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor een bepaalde termijn worden opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 26, derde lid, dan wel dat slechts een door Onze minister te bepalen aantal door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, zullen worden verleend; en

    • c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.

    • d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31 onderscheidenlijk 32 dan wel 32a het bepaalde in de artikelen 38 tot en met 44 onderscheidenlijk 82 van toepassing is op in een Staat, niet zijnde een Staat die lid is van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die dochtermaatschappij zijn van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen zijn van in één van de Lid-Staten gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning hebben verkregen.

  • 3 De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.

  • 4 Onze minister kan bepalen dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 38, eerste lid weigert dan wel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften met inachtneming van door Onze minister te stellen richtlijnen.

  • 5 Indien een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het tweede lid die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid onder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften heeft verkregen, een handeling verricht zonder dat alle bij die vergunning gestelde beperkingen respectievelijk alle aan de vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, is die kredietinstelling gehouden binnen een door de Bank te stellen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken of aan de niet nagekomen beperkingen alsnog te voldoen respectievelijk de niet nagekomen voorschriften alsnog te vervullen.

Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Verbod op het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van het publiek

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 82

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.

  • 3 Onze minister kan vrijstelling of, op verzoek en de Bank gehoord, ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen, naar zijn oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Een ontheffing kan worden geweigerd, indien naar het oordeel van Onze Minister de betrouwbaarheid van één of meer personen die het beleid van de betrokken onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, of die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de betrokken onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

  • 4 Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

§ 2. Bescherming van het woord "bank"

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 83

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Aan ondernemingen en instellingen, die niet ingevolge artikel 52, tweede lid, zijn geregistreerd, is het verboden het woord "bank" of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in hun naam of bij de uitoefening van hun bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat de desbetreffende onderneming of instelling niet werkzaam is op financiële markten.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op:

    • a. de Bank;

    • b. de representatieve organisaties; en

    • c. iedere in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die van de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen.

  • 3 Onze minister kan vrijstelling of, op verzoek en de Bank gehoord, ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.

  • 4 Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

§ 3. Collectieve garantieregeling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 84

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie voor nader te bepalen schuldvorderingen van natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen tot een nader te bepalen maximum op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, zijn geregistreerd, tegen het risico, dat een zodanige onderneming of instelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomt.

  • 2 Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) verplicht zijn aan de uitvoering van die regeling mede te werken.

  • 3 Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).

  • 4 Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft, een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.

  • 5 Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 6 Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die bepalingen.

§ 4. Minimumconditieregeling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 85

[Vervallen per 01-01-2007]

Bij koninklijk besluit kunnen, nadat de Bank daarover advies heeft uitgebracht, aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, zijn geregistreerd voorschriften worden gegeven omtrent de rente en de overige voorwaarden die zij met betrekking tot de direct opvraagbare tegoeden van natuurlijke personen, verenigingen en stichtingen in acht moeten nemen.

Paragraaf 5. Verstrekking van informatie aan het publiek

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 85a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door kredietinstellingen en financiële instellingen die zijn geregistreerd ingevolge artikel 52, tweede lid.

  • 2 Onze minister kan, op aanvraag, bepalen dat een kredietinstelling of een financiële instelling niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels indien de kredietinstelling of de financiële instelling aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze minister kan een besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.

  • 3 Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 5 Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    • a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

    • b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.

  • 6 Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 6. Omwisseling elektronisch geld

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 85b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld vertegenwoordigt een waarde die ten minste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

  • 2 Een kredietinstelling wisselt, op verzoek van een houder van elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in munten of bankbiljetten of door storting op een rekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten mogen worden berekend.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omwisseling, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 6 Een overdracht als bedoeld in het vijfde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    • a. hij dient in staat te zijn de in het vijfde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

    • b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het vijfde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.

  • 7 Aan de overdracht, bedoeld in het vijfde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

§ 7. Kosten van de toezichttaken

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 86

[Vervallen per 01-01-2007]

Kosten, die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet genomen besluiten, kunnen overeenkomstig door Onze minister goed te keuren regelen op de betrokken ondernemingen en instellingen worden verhaald.

§ 8. Publicaties en verslagen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 87

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De Bank doet periodiek in de Staatscourant mededeling van de voornaamste gegevens, voorkomende in de stukken en staten, bedoeld in de artikelen 30, 37, 44 en 55.

  • 2 Zonder schriftelijke toestemming van de hierbij betrokkenen worden gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet gepubliceerd.

Artikel 88

[Vervallen per 01-01-2007]

De Bank brengt jaarlijks aan Onze minister verslag uit over de uitvoering van deze wet en van de krachtens deze wet genomen besluiten. Dit verslag wordt door de zorg van de Bank gepubliceerd, behoudens het gedeelte van het verslag, handelende over de uitvoering van de artikelen 10, vijfde lid, 11, vijfde lid, 14, 28, 29, 30, derde lid, 30e, 35 en 42, met dien verstande dat zonder schriftelijke toestemming van de bij het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet gepubliceerd worden.

§ 10. Advisering door de Bank

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 89a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De Bank verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het kredietwezen.

Hoofdstuk XIII. Beroep

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 90

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten, genomen ter uitvoering van de artikelen 14, 26, eerste lid, 28, 29, 30e, 35 of 90a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan medegedeeld aan de verzoeker en de Bank onderscheidenlijk Onze minister.

Hoofdstuk XIIIA. Onderzoek door onze minister

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 90a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister is bevoegd aan de Bank de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

  • 2 De Bank is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de Bank vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 64, eerste en tweede lid, vallen, is de Bank niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

    • a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 38 heeft verkregen of een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 71 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

    • b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een kredietinstelling of financiële instelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

    • c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde instelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

  • 3 Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

  • 4 Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

  • 5 Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 64 is van toepassing.

  • 6 Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

Hoofdstuk XIII B. Dwangsom en bestuurlijke boete

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 90b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 3 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een last onder dwangsom worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 5 Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

    • a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

    • b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

  • 6 Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Artikel 90c

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Bank indien deze door haar is opgelegd.

  • 3 Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vierde en vijfde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90d

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

  • 2 De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

  • 3 De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

  • 4 Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

  • 5 In afwijking van het eerste lid worden de bedragen van de boetes terzake van overtreding van de afzonderlijke regels, gesteld bij de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 85a en 85b, bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90e

[Vervallen per 01-01-2007]

Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel door de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 90f

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, voornemens is een boete op te leggen, geeft hij, dan wel de Bank, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

  • 2 In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 90d, is aangewezen.

Artikel 90g

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, legt de boete op bij beschikking.

  • 2 De beschikking vermeldt in ieder geval:

    • a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

    • b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

    • c. de termijn, bedoeld in artikel 90i, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 90h

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 90i

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

  • 2 De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen.

  • 3 Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het derde lid zal worden ingevorderd.

  • 4 Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

  • 5 Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 6 Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd.

  • 7 Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.

  • 8 Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 90j

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2 Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 90c vervalt, indien Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 90k

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

  • 2 De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 90l

[Vervallen per 01-01-2007]

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 90m

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Met het oog op de belangen van crediteuren, kunnen Onze Minister en de Bank, onverminderd artikel 64, eerste en tweede lid, het feit terzake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.

  • 2 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk XIIIC. Openbaarmaking van overtredingen

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten

[Vervallen per 01-01-2007]