Uitvoeringsbesluit accijns

Geldend van 01-04-2010 t/m 31-12-2010

Besluit van 20 december 1991, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit accijns

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 1991, nr. WV 91/343, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Gelet op de artikelen 2, derde lid, 3, derde lid, 5, derde lid, 41, eerste lid, 51, tweede lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 66, eerste lid, 67, eerste lid, 68, eerste lid, 70, eerste lid, 71, eerste lid, 80, eerste lid, 82, eerste lid, 85, eerste lid, 91, derde lid, onderdeel b, en 95, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561), artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en artikel 28 van de Wet van 15 juni 1951 (Stb. 215);

De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1991, nr. W06.91.0589);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 1991, nr. WV 91/436, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1a

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. EMCS: het geautomatiseerde systeem, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van Richtlijn nr. 2008/118/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PbEU L 9);

  • b. Uitvoeringsverordening: Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad wat betreft de geautomatiseerde procedures voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns (PbEU L 197);

  • c. voorlopige e-AD en e-AD: het elektronische administratieve document, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en tabel 1 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening;

  • d. ARC: unieke administratieve referentiecode die door het EMCS is toegekend aan het elektronische administratieve document;

  • e. bericht van annulering: het bericht, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en tabel 2 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening;

  • f. bericht van bestemmingswijziging: het bericht, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en tabel 3 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening;

  • g. bericht van ontvangst: het bericht, bedoeld in artikel 7 en tabel 6 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening;

  • h. bericht van uitvoer: het bericht, bedoeld in artikel 7 en tabel 6 van bijlage 1, van de Uitvoeringsverordening;

  • i. nooddocument: nooddocument ten geleide van overbrengingen van accijnsgoederen onder schorsing van accijns, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening;

  • j. noodbericht van ontvangst of van uitvoer: noodbericht van ontvangst/noodbericht van uitvoer voor overbrengingen van accijnsgoederen onder schorsing van accijns, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsverordening;

  • k. certificaat van vrijstelling: het document, bedoeld in Verordening (EG) nr. 31/96 van de Commissie van 10 januari 1996 betreffende het certificaat van vrijstelling van accijnzen (PbEG L 8);

  • l. vereenvoudigd administratief geleidedocument: het document, bedoeld in Verordening (EG) nr. 3649/92 van de Commissie van 17 december 1992 betreffende een vereenvoudigd geleidedocument voor het intracommunautaire verkeer van accijnsproducten die in de lidstaat van verzending tot verbruik zijn uitgeslagen (PbEG L 369).

Afdeling 2. Overbrengen van accijnsgoederen

Artikel 2

  • 2 De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht dient een voorlopig e-AD in.

  • 3 Indien de gegevens in het voorlopig e-AD niet in orde zijn bevonden, draagt de vergunninghouder zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het voorlopig e-AD opnieuw in.

  • 4 Indien de gegevens in het voorlopig e-AD in orde zijn bevonden, ontvangt de vergunninghouder de ARC, die aan het e-AD is toegekend.

  • 5 De vergunninghouder verstrekt de persoon die de accijnsgoederen vergezelt een gedrukt exemplaar van het e-AD of een ander handelsdocument waarop de ARC duidelijk herkenbaar is vermeld.

  • 6 Het in het vijfde lid bedoelde document moet op ieder moment van de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur of aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat kunnen worden getoond.

  • 7 De vergunninghouder mag het e-AD annuleren zolang de overbrenging nog niet is aangevangen overeenkomstig artikel 2b, eerste lid, van de wet. Hij dient daartoe een bericht van annulering in.

  • 8 Tijdens de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, kan de vergunninghouder de accijnsgoederen via het EMCS een nieuwe bestemming geven, die een van de in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet bedoelde bestemmingen moet zijn. Hij dient daartoe een bericht van bestemmingswijziging in.

  • 9 Indien de geadresseerde van minerale oliën die onder een accijnsschorsingsregeling over zee of via binnenwaterwegen worden overgebracht, nog niet definitief vaststaat wanneer de vergunninghouder het voorlopig e-AD indient, kan de inspecteur toestaan dat de vergunninghouder de gegevens van de geadresseerde niet invult.

  • 10 Zodra de gegevens van de geadresseerde, bedoeld in het negende lid, bekend zijn, maar uiterlijk bij het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de wet, zendt de vergunninghouder de gegevens toe aan de inspecteur. Hij dient daartoe een bericht van bestemmingswijziging in.

  • 12 Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 2a

  • 1 Bij het brengen als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, van de wet van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, kan het e-AD, bedoeld in artikel 2, eerste lid, op verzoek achterwege blijven indien:

    • a. zowel de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht, als de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen worden overgebracht, beschikt over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen;

    • b. gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring, waarin de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht opgave doet van de door hem in een kalendermaand zonder e-AD naar een andere accijnsgoederenplaats overgebrachte accijnsgoederen; en

    • c. de maandverklaring na afloop van een kalendermaand wordt verstrekt aan elke vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats waarnaar in die kalendermaand accijnsgoederen zijn overgebracht.

  • 2 De toestemming voor toepassing van het eerste lid wordt opgenomen in de vergunning voor beide in het eerste lid bedoelde accijnsgoederenplaatsen. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De administratie van de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen zijn overgebracht;

    • b. de soort, de hoeveelheid en de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen;

    • c. de datum van verzending van de accijnsgoederen; en

    • d. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.

  • 4 De administratie van de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht;

    • b. de soort, de hoeveelheid en de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen;

    • c. de datum van verzending van de accijnsgoederen;

    • d. de datum waarop de accijnsgoederen zijn ontvangen; en

    • e. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.

  • 5 De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het eerste lid bedoelde maandverklaring.

  • 6 De in het eerste lid bedoelde maandverklaring moet binnen één maand na de maand waarop de maandverklaring betrekking heeft zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen zijn overgebracht, dat de accijnsgoederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn accijnsgoederenplaats zijn opgenomen.

  • 7 Indien de maandverklaring niet wordt terugontvangen voorzien van de in het zesde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht de inspecteur daarvan onverwijld in kennis, maar uiterlijk binnen één week na afloop van de maand waarin de maandverklaring door hem moet zijn terugontvangen.

  • 8 Bij toepassing van het eerste lid is artikel 34 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

  • 1 Het brengen als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de wet van een accijnsgoed vanuit een belastingentrepot of door een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde afzender naar de in artikel 2a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde bestemmingen, geschiedt onder dekking van een e-AD.

  • 2 De persoon die de accijnsgoederen vergezelt moet op ieder moment van de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur een gedrukt exemplaar van het e-AD of een ander handelsdocument waarop de ARC duidelijk herkenbaar is vermeld kunnen tonen.

  • 4 Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 3a

  • 1 Het brengen als bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de wet van een accijnsgoed door een in Nederland gevestigde geregistreerde afzender van de plaats van invoer naar de in artikel 2a, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de wet bedoelde bestemmingen, geschiedt onder dekking van een e-AD.

  • 3 Tijdens de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, kan de geregistreerde afzender de accijnsgoederen via het EMCS een nieuwe bestemming geven, die een van de in artikel 2a, derde lid, onderdelen a tot en met d, van de wet bedoelde bestemmingen moet zijn. Hij dient daartoe een bericht van bestemmingswijziging in.

  • 5 Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 3c

  • 1 In afwijking van artikel 2 en 3a kan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats onderscheidenlijk de in artikel 3a, eerste lid, bedoelde geregistreerde afzender, hierna de afzender genoemd, wanneer het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling aanvangen op voorwaarde dat:

    • a. de accijnsgoederen vergezeld gaan van het nooddocument, bedoeld in artikel 1a, onderdeel i;

    • b. hij de inspecteur informeert voordat de overbrenging aanvangt; en

    • c. hij vóór de aanvang van de overbrenging een kopie van het in onderdeel a bedoelde document indient bij de inspecteur.

  • 2 Indien het EMCS niet beschikbaar was om aan de afzender toe te schrijven redenen, worden die redenen afdoend vermeld.

  • 4 Zodra de gegevens in het voorlopig e-AD overeenkomstig artikel 2, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 3a, vierde lid, in orde bevonden zijn, vervangt dit document het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde papieren document.

  • 5 Zolang de gegevens in het e-AD niet in orde zijn bevonden, wordt de overbrenging geacht plaats te vinden onder een accijnsschorsingsregeling onder dekking van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde papieren document.

  • 6 Een kopie van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde papieren document wordt door de afzender ter staving van zijn administratie bewaard.

  • 7 Indien het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, verstrekt de afzender de in artikel 2, achtste lid, onderscheidenlijk artikel 3a, derde lid, bedoelde informatie met behulp van andere communicatiemiddelen. Hij informeert daartoe de inspecteur voordat de bestemming van de overbrenging wordt gewijzigd. De informatie wordt weergegeven in de vorm van gegevenselementen, die op dezelfde wijze als in het bericht van bestemmingswijziging, worden uitgedrukt. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3d

  • 1 Indien, in de in de artikelen 2, elfde lid, 3, derde lid, en 3a, vierde lid, bedoelde gevallen, het in die bepalingen bedoelde bericht van ontvangst bij het eindigen van de overbrenging niet binnen de in die bepalingen vastgestelde termijn kan worden ingediend, hetzij omdat het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, hetzij omdat de in die bepalingen bedoelde geadresseerde het e-AD nog niet heeft ontvangen als gevolg van het niet beschikbaar zijn van het EMCS in de lidstaat van verzending, dient de geadresseerde, behoudens in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, bij de inspecteur een noodbericht van ontvangst als bedoeld in artikel 1a, onderdeel j, in waarin wordt verklaard dat de overbrenging is geëindigd.

  • 2 Zodra het EMCS in Nederland weer beschikbaar komt of de in het eerste lid bedoelde geadresseerde het e-AD heeft ontvangen, dient de geadresseerde onverwijld een bericht van ontvangst in overeenkomstig onderscheidenlijk artikel 2, elfde lid, 3, derde lid, en 3a, vierde lid. De artikelen 2, twaalfde lid, 3, vierde lid, en 3a, vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

  • 1 De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of de in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde kan verzoeken om toestemming tot het toepassen van rechtstreekse aflevering, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid, van de wet.

  • 2 De toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt opgenomen in de vergunning van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of van de in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 46 en 48 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt verleend onder de hierna genoemde voorwaarden en beperkingen:

    • a. de toestemming is alleen van toepassing op de accijnsgoederen die in de vergunning zijn vermeld;

    • b. de afnemer aan wie rechtstreeks wordt afgeleverd is een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en treedt niet op in de hoedanigheid van een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of een geregistreerde geadresseerde;

    • c. alle accijnsgoederen die op het e-AD zijn vermeld, worden rechtstreeks afgeleverd op de plaats van rechtstreekse aflevering;

    • d. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of de geregistreerde geadresseerde zorgt ervoor dat hij wordt geïnformeerd over de datum waarop de accijnsgoederen zijn ontvangen op de plaats van rechtstreekse aflevering. Deze datum wordt op de commerciële bescheiden, behorende bij de fysieke aflevering, vermeld;

    • e. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of de geregistreerde geadresseerde blijft verantwoordelijk voor de indiening van het bericht van ontvangst. Hij vermeldt daarin de datum waarop de accijnsgoederen zijn ontvangen op de plaats van rechtstreekse aflevering;

    • f. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of de geregistreerde geadresseerde neemt de hoeveelheid accijnsgoederen die door de afnemer is ontvangen op de plaats van rechtstreekse aflevering in zijn administratie op als ontvangen en tot verbruik uitgeslagen hoeveelheid;

    • g. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of de geregistreerde geadresseerde richt zijn administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze alle gegevens zijn opgenomen omtrent de rechtstreekse afleveringen;

    • h. iedere wijziging die zich na het verlenen van de toestemming voordoet, wordt schriftelijk gemeld aan de inspecteur die de toestemming voor rechtstreekse aflevering heeft verleend;

    • i. bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan wordt de verleende toestemming ingetrokken.

  • 4 De toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend:

    • a. aan een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 42a van de wet;

    • b. voor tabaksproducten.

    • c. aan een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, waar accijnsgoederen worden vervaardigd, indien de hoeveelheid accijnsgoederen die gemiddeld over een jaar voorhanden is niet meer bedraagt dan de op grond van artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bij ministeriële regeling per soort accijnsgoed vastgestelde hoeveelheid.

Artikel 4a

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan, bij gebreke van een bericht van ontvangst of een bericht van uitvoer om andere dan de in artikel 3d vermelde redenen, het eindigen van de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a, b, c en e, en derde lid, onderdelen a, b, c en e, van de wet bedoelde gevallen ook worden aangetoond met een op basis van afdoend bewijs opgestelde aftekening van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming dat de verzonden accijnsgoederen de opgegeven bestemming hebben bereikt of, in de in artikel 2a, eerste lid, onderdeel d, en derde lid, onderdeel d, van de wet bedoelde gevallen, met een aftekening van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het douanekantoor van uitgang is gelegen, ter bevestiging dat de accijnsgoederen het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid geldt een document dat door de geadresseerde wordt ingediend en dezelfde gegevens als het bericht van ontvangst of het bericht van uitvoer bevat, als afdoend bewijs.

Artikel 5

  • 1 In afwijking van de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behoeft het door middel van een pijpleiding brengen van minerale oliën vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot, alsmede het door middel van een pijpleiding brengen van minerale oliën vanuit een belastingentrepot naar een accijnsgoederenplaats niet te worden aangetoond met een e-AD.

  • 2 Van het brengen, bedoeld in het eerste lid, wordt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats maandelijks een opgaaf verstrekt aan de inspecteur.

Artikel 6

  • 1 De overbrenging, bedoeld in artikel 2e, derde lid, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een andere lidstaat naar Nederland vindt plaats onder dekking van een vereenvoudigd administratief geleidedocument.

  • 2 De personen, bedoeld in artikel 2e, tweede lid, van de wet, stellen de inspecteur voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen in kennis van de verzending van de goederen en stellen zekerheid voor de accijns die zij verschuldigd kunnen worden.

Artikel 6a

  • 1 Het overbrengen van in Nederland reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen via het grondgebied van een andere lidstaat naar een bestemming in Nederland vindt plaats onder dekking van een vereenvoudigd geleidedocument.

  • 2 De verzender van de in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen stelt de inspecteur voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen in kennis van de verzending.

  • 3 De geadresseerde van de in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen stelt de inspecteur in kennis van de ontvangst van de goederen.

  • 4 Het overbrengen van accijnsgoederen die in een andere lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en waarvan in Nederland de accijns niet is geheven via het grondgebied van Nederland naar een bestemming in die andere lidstaat, wordt aangetoond met een vereenvoudigd geleidedocument.

Afdeling 2a. Gebruik als brandstof in een accijnsgoederenplaats

Artikel 6c

  • 1 Het verbruik bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de wet van minerale oliën als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën, dient te blijken uit de administratie.

  • 2 Als verbruik als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën wordt aangemerkt het verbruik voor de energielevering aan bijeenbehorende produktie-installaties waar, anders dan door vermenging, ten minste 30 percent van de vervaardigde produkten minerale oliën zijn.

  • 3 De als brandstof voor de energielevering ingezette minerale oliën kunnen bij voorrang worden toegerekend aan de energie-afname van de in het tweede lid bedoelde bijeenbehorende produktie-installaties.

  • 4 Voor de toerekening bij voorrang wordt uitgegaan van een energiebalans per maand per produktielokatie; een produktielokatie kan zowel de minerale oliën afdeling als de petrochemische afdeling omvatten.

  • 5 In de energiebalans worden opgenomen de binnen de produktielokatie opgewekte hoeveelheid energie en de hoeveelheid en de soort van de daartoe aangewende brandstoffen, alsmede de hoeveelheid afgegeven energie en alle produktie-eenheden waaraan de energie is afgegeven, onderscheiden in die waarin in enigszins betekenende mate minerale oliën worden vervaardigd en andere produktie-eenheden.

Afdeling 3. Ontheffing algemene verbodsbepalingen

Artikel 7

  • 1 De ontheffing als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de wet vindt uitsluitend toepassing indien uit de administratie van degene die de accijnsgoederen vervaardigt uit andere accijnsgoederen blijkt dat het accijnsbedrag dat eerstbedoelde accijnsgoederen vertegenwoordigen niet hoger is dan het accijnsbedrag dat de accijnsgoederen vertegenwoordigen waaruit zij zijn vervaardigd en dat de accijns voor deze laatstbedoelde goederen is betaald.

Hoofdstuk II. Vergunningen

Afdeling 1. Accijnsgoederenplaats

Artikel 8

  • 1 De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats moet:

    • a. de administratieve organisatie van de accijnsgoederenplaats zodanig doen zijn dat zij een juiste en volledige vastlegging van de bedrijfshandelingen waarborgt; en

    • b. de administratie van de accijnsgoederenplaats zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen.

  • 2 De administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

    • a. de uitgeslagen accijnsgoederen en de daarvoor uitgereikte facturen;

    • b. de in artikel 1a, onderdelen c, en e tot en met j, bedoelde documenten en berichten of, indien artikel 2a toepassing vindt, de overgebrachte accijnsgoederen met de daarbij behorende gegevens en de daarvoor uitgereikte facturen;

    • c. de in Nederland geleverde accijnsgoederen en de uit Nederland betrokken accijnsgoederen;

    • d. de naar een andere lidstaat overgebrachte accijnsgoederen en de uit een andere lidstaat betrokken accijnsgoederen; en

    • e. de naar een derde land overgebrachte accijnsgoederen en de uit een derde land betrokken accijnsgoederen.

  • 3 Met betrekking tot accijnsgoederenplaatsen waar accijnsgoederen worden vervaardigd, dient de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde administratie tevens de voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens te bevatten omtrent de inkoop van grondstoffen en van halffabrikaten, alsmede omtrent de vervaardiging van halffabrikaten en van eindprodukten.

Artikel 8a

Onverminderd artikel 8, tweede lid, moet de administratie van de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, onderdeel c, van de wet in ieder geval bevatten de regelmatige aantekening van:

  • a. de minerale oliën die aan boord van schepen zijn afgeleverd in het kader van de bevoorrading van schepen, bedoeld in artikel 66 van de wet;

  • b. de voor de afleveringen, bedoeld in onderdeel a, uitgereikte facturen alsmede de ter zake van die afleveringen opgemaakte en terugontvangen verklaringen, bedoeld in artikel 19; en

  • c. de ontvangen en afgeleverde hoeveelheden minerale oliën volgens de geleidedocumenten en de verklaringen, bedoeld in artikel 19, op zodanige wijze dat aan de hand daarvan het verband tussen ontvangen en afgeleverde hoeveelheden kan worden vastgesteld.

Artikel 9

  • 1 Indien degene die om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats verzoekt naar het oordeel van de inspecteur niet volledig kan voldoen aan het bepaalde in artikel 8, eerste lid, stelt de inspecteur voorwaarden met betrekking tot de locatie en de inrichting van de accijnsgoederenplaats, alsmede met betrekking tot het stelsel van toezicht.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde inrichting van een accijnsgoederenplaats heeft mede betrekking op de daar aanwezige produktie-, transport- en opslaginstallaties.

Afdeling 2. Geregistreerde geadresseerden

Artikel 9a

  • 1 De geregistreerde geadresseerde moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

  • 2 De administratie van de geregistreerde geadresseerde dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

    • a. de ontvangen accijnsgoederen en de daarbij behorende facturen; en

    • b. de documenten en berichten als bedoeld in artikel 3.

Afdeling 3. Geregistreerde afzenders

Artikel 9c

  • 1 De geregistreerde afzender moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

Afdeling 4. Fiscaal vertegenwoordiger van de verkoper op afstand

Artikel 9d

  • 1 De fiscaal vertegenwoordiger van de in een andere lidstaat gevestigde verkoper op afstand moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

  • 2 De administratie van de fiscaal vertegenwoordiger dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

    • a. de accijnsgoederen die door zijn opdrachtgever zijn geleverd in de zin van artikel 2f van de wet en waarvoor de accijns door hem dient te worden voldaan; en

    • b. de door hem aan zijn opdrachtgever uitgereikte facturen.

Hoofdstuk III. Wijze van heffing

Artikel 10

  • 1 Het bepaalde in artikel 51, tweede lid, van de wet vindt uitsluitend toepassing met betrekking tot minerale oliën die zijn uitgeslagen uit een accijnsgoederenplaats op basis van een schriftelijke opdracht van een vergunninghouder van een andere accijnsgoederenplaats voor minerale oliën.

  • 2 De vergunninghouder in wiens opdracht de uitslag heeft plaatsgevonden maakt in zijn administratie aantekening van de accijnsgoederenplaats waaruit de uitslag heeft plaatsgevonden, van de naam van de vergunninghouder van de desbetreffende accijnsgoederenplaats en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.

  • 3 De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waaruit minerale oliën zijn uitgeslagen maakt in zijn administratie aantekening van die uitslag, van de naam van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in wiens opdracht de accijnsgoederen zijn uitgeslagen en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.

Hoofdstuk IV. Vrijstellingen en teruggaven

Afdeling 1. Vrijstellingen

Artikel 12

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van overige alcoholhoudende produkten die kennelijk niet zijn bestemd voor inwendig gebruik door de mens wordt verleend voor produkten die zijn vermengd met bij ministeriële regeling aangewezen stoffen tot de daarbij te bepalen hoeveelheden.

Artikel 15

  • 1 Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die kennelijk niet zijn bestemd om te worden gebruikt als brandstof of als grondstof wordt verleend indien:

    • a. in het geval het lichte olie betreft, deze niet geschikt is voor gebruik als motorbrandstof dan wel wordt afgeleverd in handelsverpakkingen met een inhoud van ten hoogste 25 L;

    • b. in het geval het andere minerale olie dan lichte olie betreft, de verkoopprijs van deze olie zodanig is dat deze in betekenende mate uitgaat boven de verkoopprijs van dezelfde soort minerale olie die wordt gebruikt als brandstof.

  • 2 Als lichte olie die niet geschikt is om te worden gebruikt als motorbrandstof wordt aangemerkt lichte olie:

    • a. die volgens de methode ASTM D 86 voor ten minste 95%vol, destillatieverliezen inbegrepen, overdestilleert bij een temperatuur van 210°C; en

    • b. waarvan het volgens de CFR Research Method (ASTM D 908) bepaalde octaangetal minder is dan 85.

Artikel 15a

  • 1 Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die in hoogovens met het oog op chemische reductie worden ingespoten als toevoeging aan de steenkool, die wordt gebruikt als voornaamste brandstof, wordt verleend, indien degene die de minerale oliën betrekt in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende goederen met vrijstelling mag betrekken met inachtneming van de in het tweede lid opgenomen voorwaarden.

  • 2 In de in het eerste lid bedoelde vergunning kunnen nadere technische en administratieve voorwaarden worden gesteld ter vaststelling van de betrokken hoeveelheid minerale oliën ter zake waarvan vrijstelling wordt gevraagd.

Artikel 17

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van sigaretten en rooktabak die geheel uit andere stoffen dan tabak bestaan en die kennelijk zijn bestemd om te worden gebruikt voor medicinale doeleinden wordt verleend indien de samenstelling van de sigaretten en de rooktabak en de bestemming ervan blijken uit de kleinhandelsverpakking en de presentatie van het produkt.

Artikel 18

  • 1 Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen die worden gebruikt:

    • a. voor het vervaardigen van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 64 van de wet, dan wel overeenkomstig de in dat artikel voor het desbetreffende accijnsgoed aangegeven bestemming; dan wel

    • b. als grondstof voor het vervaardigen van niet-accijnsgoederen, wordt verleend indien degene die de accijnsgoederen betrekt in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende accijnsgoederen met vrijstelling mag betrekken met inachtneming van de in het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voorwaarden.

  • 2 Om de in het eerste lid bedoelde vergunning te kunnen verkrijgen dient de administratie van degene die om de vergunning verzoekt zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de vrijstelling van accijns van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen. Daarin moeten in ieder geval de gegevens zijn opgenomen omtrent de betrokken accijnsgoederen en omtrent de daarvan vervaardigde accijnsgoederen en niet-accijnsgoederen, dan wel omtrent het gebruik van de desbetreffende accijnsgoederen.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, zijn de artikelen 12, 15 en 17 van overeenkomstige toepassing op de door degene die de goederen met vrijstelling betrekt vervaardigde accijnsgoederen.

  • 5 Onverminderd de in het tweede tot en met vierde lid bedoelde voorwaarden wordt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, verleend indien:

    • a. degene die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt verklaart dat de aan hem te leveren accijnsgoederen worden gebruikt voor het in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gebruik;

    • b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;

    • c. degene die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

    • d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, in geval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van degene die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt.

Artikel 19

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen, wordt verleend indien:

  • a. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip verklaart dat de aan hem te leveren minerale oliën worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

  • b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;

  • c. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

  • d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, in geval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie aan boord van het schip.

Artikel 19a

Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van andere accijnsgoederen dan de in artikel 19 bedoelde minerale oliën, die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren.

Artikel 20

  • 1 Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 19 wordt voor lichte olie niet verleend.

  • 2 Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 19 wordt voor halfzware olie en gasolie uitsluitend verleend indien die oliën zijn voorzien van de in artikel 27, derde lid, van de wet bedoelde herkenningsmiddelen.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op producten van GN-code 3824 90 99.

Artikel 21

  • 1 Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 1921 die wordt gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, wordt verleend voor de hoeveelheden die worden gebruikt voor andere vluchten dan binnenlandse vluchten als bedoeld in artikel 66, derde lid, van de wet. Een traject dat begint en eindigt binnen Nederland en dat deel uitmaakt van een vlucht die begint of eindigt buiten Nederland, wordt voor de toepassing van deze vrijstelling niet als binnenlandse vlucht aangemerkt.

  • 2 Voor de toepassing van deze vrijstelling wordt onder luchthaven mede begrepen een helihaven. Onder helihaven wordt verstaan een terrein dat permanent is ingericht en uitgerust en geschikt is om te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen, dan wel een platform, dat is aangelegd op een bouwwerk, constructie of vaartuig en dat permanent is ingericht en uitgerust om te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen.

  • 3 Indien de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of de luchtvaartuigen waarin de halfzware olie wordt afgeleverd, zowel binnenlandse vluchten als andere vluchten verricht, wordt de vrijstelling verleend voor de hoeveelheden halfzware olie die blijkens een opgave van de eigenaar of exploitant niet zijn gebruikt voor binnenlandse vluchten, mits deze eigenaar of exploitant beschikt over een vergunning van de inspecteur om op deze wijze halfzware olie met vrijstelling van accijns te betrekken.

  • 4 De in het derde lid bedoelde vergunning wordt op verzoek door de inspecteur verleend aan de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of de luchtvaartuigen die de halfzware olie hoofdzakelijk gebruikt voor andere dan binnenlandse vluchten en waarvan de administratie zodanig is ingericht dat daaruit het gebruik van de halfzware olie voor binnenlandse en andere vluchten kan worden afgeleid. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 5 Indien de eigenaar van het luchtvaartuig of de luchtvaartuigen waarin de halfzware olie wordt afgeleverd, zowel binnenlandse vluchten als andere vluchten verricht, maar niet beschikt over een vergunning als bedoeld in het vorige lid, wordt op verzoek teruggaaf van accijns verleend voor de hoeveelheden met accijns betrokken halfzware olie die zijn gebruikt voor andere dan binnenlandse vluchten.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 21a

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen, andere dan voor de voortstuwing bestemde minerale olie, die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat wordt verleend indien:

  • a. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig verklaart dat de aan hem te leveren accijnsgoederen worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

  • b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;

  • c. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

  • d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, in geval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

Artikel 21b

  • 1 De vrijstelling, bedoeld in artikel 66b, eerste en tweede lid, van de wet, wordt verleend indien wordt aangetoond dat de accijnsgoederen worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van de reizigers, bedoeld in artikel 66b, eerste lid, van de wet, dan wel worden geleverd op de in artikel 66b, tweede lid, van de wet bedoelde wijze.

  • 2 In afwijking van artikel 2, eerste lid, geschiedt het aantonen, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van de bewijzen van vervoer, bedoeld in artikel 66b, derde lid, van de wet.

  • 3 Onverminderd artikel 8, tweede lid, moet de administratie van de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden uitgeslagen in ieder geval bevatten de regelmatige aantekening van:

    • a. de accijnsgoederen die worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van de reizigers, bedoeld in artikel 66b, eerste lid, van de wet;

    • b. de accijnsgoederen die worden geleverd op de in artikel 66b, tweede lid, van de wet bedoelde wijze;

    • c. de bewijzen van vervoer, bedoeld in artikel 66b, derde lid, van de wet.

Artikel 22

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën van de GN-codes 1507 tot en met 1518 alsmede van minerale oliën van GN-code 3824 90 99, wat hun van biomassa afkomstige bestanddelen betreft, die zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden, wordt verleend, indien:

  • a. degene die de minerale oliën gebruikt verklaart dat de aan hem te leveren minerale oliën worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

  • b. in de verklaring de plaats wordt vermeld waar het gebruik zal plaatsvinden;

  • c. de verklaring in tweevoud geschiedt;

  • d. de verklaring is verstrekt aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats, dan wel deze verklaring wordt overgelegd bij de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen in geval van invoer;

  • e. degene die de minerale oliën gebruikt beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

  • f. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats, dan wel bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen doet, in geval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van degene die de minerale oliën gebruikt.

Artikel 23

  • 1 Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen die worden gebruikt voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten buiten een accijnsgoederenplaats wordt verleend indien de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden uitgeslagen dan wel degene die de goederen invoert, in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende accijnsgoederen met vrijstelling mag uitslaan dan wel invoeren.

  • 2 De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek om de vergunning worden vermeld:

    • a. de soort, de hoeveelheid en de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen;

    • b. de naam en het adres van de inrichting waar de accijnsgoederen zullen worden onderzocht, gecontroleerd of getest;

    • c. de aard en het doel van het onderzoek, de controle of de test; en

    • d. de bestemming van de eventueel resterende accijnsgoederen na afloop van het onderzoek, de controle of de test.

  • 3 Bij het verzoek om de vergunning moet de schriftelijke opdracht voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen worden overgelegd.

  • 4 De vergunning kan worden verleend voor een bepaalde periode of voor periodiek wederkerende onderzoeken, controles of testen. De in het tweede lid bedoelde opdrachten dienen alsdan afzonderlijk per onderzoek, controle of test uit de administratie te blijken.

  • 5 De accijnsgoederen die na afloop van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen resteren moeten na de onderzoeken, controles of testen worden overgebracht naar een accijnsgoederenplaats, worden uitgevoerd of onder ambtelijk toezicht worden vernietigd.

Afdeling 2. Teruggaven

Artikel 23a

  • 1 Teruggaaf van accijns voor minerale oliën die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een vermogen van minimaal 1 MW, wordt verleend aan degene die de minerale oliën overeenkomstig het vorenstaande heeft gebruikt.

  • 2 Het gebruik van de minerale oliën als bedoeld in het eerste lid dient te blijken uit de administratie van de gebruiker. Uit deze administratie dient eveneens te blijken dat de opgewekte elektriciteit op een Nederlands net als bedoeld in artikel 69a, tweede lid, van de wet, is ingevoed dan wel, indien geen invoeding op een Nederlands net heeft plaatsgevonden, dat die elektriciteit overeenkomstig artikel 50, vierde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag in de heffing van energiebelasting is betrokken.

Artikel 24

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen in gevallen waarin deze accijnsgoederen op de voet van artikel 65 van de wet zouden kunnen worden betrokken met vrijstelling, is artikel 18 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dat artikel.

Artikel 25

  • 1 Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen waarvoor op de voet van de artikelen 66 en 66a van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:

    • a. degene die om teruggaaf verzoekt bij zijn verzoek een verklaring overlegt van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig dat de accijnsgoederen worden gebruikt voor het in de artikelen 66 en 66a van de wet bedoelde gebruik;

    • b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door degene die de levering heeft verricht opgesteld bescheid;

    • c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en

    • d. een exemplaar van de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie aan boord van het schip of bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.

  • 2 Bij de toepassing van het eerste lid is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

  • 1 Teruggaaf van accijns voor halfzware olie en gasolie die zijn belast naar het tarief, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel b, van de wet en die voor andere doeleinden zijn gebruikt dan voor het op de weg aandrijven van motorrijtuigen, wordt verleend indien de belanghebbende vóór het gebruik aan de inspecteur aannemelijk maakt dat om technische of logistieke redenen geen halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de wet kan worden gebruikt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de halfzware olie of gasolie zich bevindt in de brandstoftank van een motorrijtuig, niet zijnde een motorrijtuig als bedoeld in artikel 40, en wordt gebruikt of medegebruikt voor de aandrijving van werktuigen, hulpapparatuur en installaties, die op of in het motorrijtuig zijn aangebracht.

  • 3 De hoeveelheid halfzware olie en gasolie waarvoor aanspraak op teruggaaf wordt gemaakt, blijkt uit de administratie van belanghebbende. Tevens blijkt daaruit dat die hoeveelheid is gebruikt voor de doeleinden, bedoeld in het eerste lid, en in Nederland is betrokken.

Artikel 27a

Teruggaaf van accijns voor minerale oliën waarvoor op de voet van artikel 67, eerste lid, van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:

  • a. degene die de minerale oliën gebruikt verklaart dat de aan hem afgeleverde minerale oliën worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden;

  • b. in de verklaring de plaats wordt vermeld waar het gebruik heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden;

  • c. de verklaring in tweevoud geschiedt; en

  • d. een exemplaar van de verklaring wordt meegestuurd met het verzoek om teruggaaf en het andere exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van degene die de minerale oliën heeft gebruikt of zal gebruiken.

Artikel 28

  • 1 Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn verloren gegaan wordt verleend indien de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren en de belanghebbende onverwijld nadat is geconstateerd dat de accijnsgoederen zijn verloren gegaan, daarvan melding doet bij de inspecteur.

  • 2 De soort, de hoeveelheid en de voor de berekening van de teruggaaf van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen die zijn verloren gegaan, alsmede het tijdstip waarop en de oorzaak waardoor de accijnsgoederen verloren zijn gegaan, dienen door de belanghebbende te worden aangetoond.

  • 3 Teruggaaf wordt uitsluitend verleend indien het verloren gaan van de accijnsgoederen is te wijten aan overmacht of ongeval.

Artikel 29

Voor de toepassing van de teruggaaf voor onder ambtelijk toezicht vernietigde accijnsgoederen is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn gebracht naar een derde land, dient bij het verzoek om teruggaaf een exemplaar van de op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, vereiste aangifte ten uitvoer te worden overgelegd waaruit blijkt dat de daarin omschreven accijnsgoederen hun bestemming hebben bereikt.

Artikel 31

  • 1 Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn gebracht binnen een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, wordt verleend aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de goederen zijn overgebracht indien uit de administratie blijkt dat de goederen in zijn accijnsgoederenplaats zijn opgenomen.

  • 2 De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats brengt het bedrag waarvoor aanspraak op teruggaaf wordt gemaakt in mindering op het bedrag dat hij ingevolge artikel 53 van de wet op aangifte moet voldoen over het tijdvak waarin de desbetreffende accijnsgoederen binnen zijn accijnsgoederenplaats zijn gebracht.

Artikel 31a

  • 1 Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die door een ondernemer zijn overgebracht in de zin van artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van de wet, moet belanghebbende:

    • a. de accijnsgoederen vervoeren onder dekking van een vereenvoudigd administratief geleidedocument; en

    • b. het van de geadresseerde terugontvangen derde exemplaar van het geleidedocument aan de inspecteur overleggen, voorzien van de aantekening door de geadresseerde dat de goederen door hem zijn ontvangen.

  • 2 Het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde exemplaar van het geleidedocument moet vergezeld gaan van een document waaruit blijkt dat de betaling van accijns in de lidstaat van bestemming heeft plaatsgevonden. Indien in de lidstaat van bestemming geen accijns verschuldigd is, moet vorengenoemd document de navolgende gegevens vermelden:

    • a. het adres van de ter zake bevoegde fiscale autoriteiten van de lidstaat van bestemming;

    • b. de datum van aanvaarding van de aangifte door de ter zake bevoegde fiscale autoriteiten van de lidstaat van bestemming alsmede het registratienummer van de aangifte.

Artikel 31b

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn geleverd in de zin van artikel 71, eerste lid, onderdeel f, van de wet, moet belanghebbende:

  • a. een document overleggen waaruit blijkt dat de betaling van accijns in de lidstaat van bestemming heeft plaatsgevonden. Indien in de lidstaat van bestemming geen accijns verschuldigd is, moeten gegevens worden verstrekt waaruit blijkt dat de accijnsgoederen in de lidstaat van bestemming zijn afgeleverd;

  • b. voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen bij één enkel, door de lidstaat van bestemming speciaal voor afstandsverkopen aangewezen loket en onder de door deze lidstaat vast te stellen voorwaarden, zijn identiteit bekend maken en zekerheid stellen voor de betaling van de accijns;

  • c. bij de aankomst van de accijnsgoederen de accijns voldoen aan het in onderdeel b bedoelde loket;

  • d. een administratie voeren van de leveringen van de accijnsgoederen.

Artikel 31c

  • 1 Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 71f van de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand, en moet uiterlijk worden gedaan binnen dertien weken na het einde van het kalenderjaar.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Artikel 31d

  • 1 Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 71g van de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van het kalenderkwartaal waarin de minerale oliën zijn geleverd.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen worden overgelegd.

Artikel 32

  • 1 Bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een tariefwijziging van de accijns wordt de teruggaaf ingevolge deze afdeling bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief en bij een tariefverlaging naar het dan geldende tarief verleend, tenzij de belanghebbende aantoont dat de accijns waarvan teruggaaf wordt gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende onderscheidenlijk vóór de tariefverlaging gegolden hebbende hogere tarief.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een gedeeltelijke teruggaaf van accijns.

Artikel 33

Behoudens in het in artikel 31, tweede lid, bedoelde geval, wordt bij een verzoek om teruggaaf van accijns steeds de aankoopfactuur van de desbetreffende accijnsgoederen overgelegd.

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen

Afdeling 1. Controlebepalingen

Artikel 34

  • 1 Van accijnsgoederen, andere dan tabaksprodukten die zijn voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels, die worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een accijnsgoederenplaats of een entrepot, moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.

  • 2 Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes dagen.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot accijnsgoederen:

Artikel 35

Van ruwe en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak die wordt vervoerd moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.

Artikel 36

  • 1 Degene die handel drijft in ruwe tabak dient in het bezit te zijn van een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur.

  • 2 De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek wordt opgave gedaan van de plaatsen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. In de vergunning worden voorwaarden opgenomen met het oog op het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen.

  • 3 Monsters van ruwe tabak mogen uitsluitend worden verstrekt aan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksprodukten en aan agenten, commissionairs of makelaars in ruwe tabak.

  • 4 De agent, commissionair of makelaar, die monsters ruwe tabak aan anderen dan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksprodukten afstaat, is onderworpen aan de voor handelaren in ruwe tabak geldende bepalingen.

  • 5 De handelaar die ruwe tabak levert aan anderen dan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksprodukten, agenten, commissionairs of makelaars, wordt van de door hem geleverde tabak de accijns verschuldigd naar het tarief van tot verbruik bereide tabak in de vorm van rooktabak.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ruwe tabak mede verstaan gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak.

Afdeling 2. Overige bepalingen

Artikel 37

Met betrekking tot het verlenen, het aanpassen en het intrekken van op grond van dit besluit te verlenen vergunningen zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38

In een douane-entrepot of een vrij entrepot in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, mogen voorhanden zijn:

  • a. niet-communautaire accijnsgoederen als bedoeld in artikel 4, onderdeel 8, van het Communautair douanewetboek;

  • b. communautaire accijnsgoederen als bedoeld in artikel 4, onderdeel 7, van het Communautair douanewetboek die voor uitvoer zijn vrijgegeven en die in afwachting van het verlaten van de Gemeenschap worden opgeslagen in een douane-entrepot van het type B of C, met toepassing van artikel 106, eerste lid, onderdeel a, van het Communautair douanewetboek in samenhang met artikel 534 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.

Artikel 39

  • 1 De voor opslag bestemde inrichtingen van de vergunninghouder van een entrepot van het type E of van het type C, bedoeld in artikel 525, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, kunnen voor de opslag van accijnsgoederen als accijnsgoederenplaats worden aangewezen.

  • 2 Uit de administratie van de vergunninghouder voor de accijnsgoederenplaats en voor een entrepot als bedoeld in het eerste lid, blijkt op overzichtelijke wijze welke goederen in de accijnsgoederenplaats zijn opgeslagen en welke in het entrepot.

  • 3 Met betrekking tot plaatsen waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in het eerste lid, wordt onder het in artikel 2a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet bedoelde brengen van accijnsgoederen door een in Nederland gevestigde geregistreerde afzender vanuit het entrepot naar een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoederen als zodanig is aangewezen, mede verstaan het in de administratie overboeken van de goederen van het entrepot naar de accijnsgoederenplaats.

  • 4 Voor de in het derde lid bedoelde overbrengingen is geen e-AD vereist.

Artikel 39a

  • 1 De inspecteur kan toestaan dat de vervoerder of de eigenaar, bedoeld in artikel 56, derde lid, van de wet, zekerheid stelt in plaats van de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, indien hiertoe een gezamenlijk verzoek van die vervoerder of eigenaar en die vergunninghouder wordt ingediend.

  • 2 In het verzoek worden vermeld:

    • a. de naam en het adres van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats en de naam en het adres van de vervoerder of de eigenaar van de goederen;

    • b. het accijnsnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats;

    • c. het btw-identificatienummer van de vervoerder of de eigenaar van de goederen.

Hoofdstuk VI. Ontheffing verbodsbepalingen

Afdeling 1. Minerale oliën

Artikel 40

Halfzware olie en gasolie die zijn voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de wet, dan wel bestanddelen bevatten van die herkenningsmiddelen, mogen voorhanden zijn in de brandstoftank ten behoeve van de aandrijving van motorrijtuigen:

Afdeling 2. Tabaksprodukten

Artikel 41

  • 1 Indien tabaksprodukten zullen worden verkocht aan anderen dan wederverkopers voor een hogere prijs dan die is vermeld op de aangebrachte zegels, dient degene door wie de tabaksprodukten worden verkocht accijnszegels ten bedrage van het verschil tussen de oorspronkelijke prijs en de nieuwe verkoopprijs aan te vragen bij de inspecteur onder wie de verkoper ressorteert.

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

Artikel 42

Strafbare feiten zijn:

  • a. het nalaten te voldoen aan een in de artikelen 2, elfde en twaalfde lid, 2a, eerste, vijfde en zevende lid, 3, derde en vierde lid, 3a, vierde en vijfde lid, 6, tweede lid, 6a, 8, 8a, 9a, 9c, 9d, 19, 19a, 21a, 22 en 34, eerste lid, opgenomen verplichting en een op grond van artikel 9 opgelegde verplichting;

  • b. het in strijd met artikel 34 vervoeren of voorhanden hebben van accijnsgoederen, andere dan tabaksprodukten die zijn voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels, zonder bescheid aan de hand waarvan de herkomst kan worden aangetoond;

  • c. het in strijd met artikel 35 vervoeren van ruwe en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak zonder bescheiden aan de hand waarvan de herkomst kan worden aangetoond;

  • d. het drijven van handel in ruwe of in gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak zonder een daartoe strekkende vergunning;

  • e. het verstrekken van monsters ruwe of gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak aan anderen dan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksprodukten, vergunninghouders van een inrichting voor pruimtabak en snuiftabak, agenten, commissionairs en makelaars; en

  • f. het overigens in strijd met dit besluit vervoeren of voorhanden hebben van accijnsgoederen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage , 20 december 1991

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

M. J. J. van Amelsvoort

Uitgegeven de eenendertigste december 1991

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Terug naar begin van de pagina