Wet toezicht beleggingsinstellingen

[Regeling vervallen per 01-01-2007.]
Geldend van 15-01-2003 t/m 30-11-2003

Wet van 27 juni 1990, houdende bepalingen inzake het toezicht op beleggingsinstellingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te geven voor beleggingsinstellingen met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, en dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (85/611/EEG);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2007]

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. beleggingsmaatschappij: de rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of heeft verkregen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

  • b. beleggingsfonds: een niet in een rechtspersoon ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

  • c. beleggingsinstelling: beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds;

  • d. deelnemer: de aandeelhouder in een beleggingsmaatschappij danwel de deelgerechtigde in een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen;

  • e. beheerder: de beleggingsmaatschappij respectievelijk degene die geheel of ten dele belast is met het beheer van het beleggingsfonds;

  • f. bewaarder: degene die belast is met de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling;

  • g. effecten:

    • 1. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren;

    • 2. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van zaken, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;

    • 3. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld;

    • 4. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld;

  • h. Onze minister: Onze minister van Financiën;

  • i. richtlijn: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (85/611/EEG, Pb.L375);

  • j. Lid-Staat: een lid-staat van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2007]

Geen effecten in de zin van deze wet zijn:

  • a. waarden welke uitsluitend het karakter van betaalmiddel dragen;

  • b. appartementsrechten.

Artikel 3

[Vervallen per 01-01-2007]

De bepalingen van deze wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van een beleggingsinstelling die een beleggingsfonds is, zijn gericht tot de beheerder.

Hoofdstuk II. Vergunning

[Vervallen per 01-01-2007]

§ 1. Algemeen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 4

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is verboden in of vanuit Nederland buiten een besloten kring gelden of andere goederen ter deelneming in een beleggingsinstelling waaraan geen vergunning is verleend, te vragen of te verkrijgen dan wel rechten van deelneming in een dergelijke beleggingsinstelling aan te bieden.

  • 2 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, indien de Lid-Staat waar de zetel is gelegen uitvoering aan de richtlijn heeft gegeven;

    • b. de aanbieding van rechten van deelneming door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.

§ 2. Vergunningvereisten

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister verleent een beleggingsinstelling, op verzoek en met inachtneming van artikel 6, een vergunning indien de aanvrager aantoont dat de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen met betrekking tot:

    • a. deskundigheid en betrouwbaarheid;

    • b. financiële waarborgen;

    • c. bedrijfsvoering; en

    • d. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling en aan het publiek te verstrekken informatie.

  • 2 Indien een vergunning voor een beleggingsfonds wordt gevraagd, dient de aanvrager bovendien aan te tonen dat:

    • a. de beheerder een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. de activa van het beleggingsfonds in bewaring worden gegeven bij een van de beheerder onafhankelijke bewaarder; en

    • c. de activa van het beleggingsfonds worden afgescheiden van het vermogen van de beheerder, van de bewaarder alsmede van elke natuurlijke persoon of andere rechtspersoon.

  • 3 Onze minister kan op verzoek aan een aanvrager een vergunning verlenen indien de aanvrager aantoont dat redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan aan eisen gesteld bij of krachtens het eerste en tweede lid, en hij tevens aantoont dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende bereikt zijn.

Artikel 6

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De aanvrager van een vergunning voor een beleggingsinstelling:

    • a. waarvan het statutaire of reglementaire doel uitsluitend is het beleggen in effecten met toepassing van het beginsel van risicospreiding;

    • b. waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemer ten laste van de activa rechtstreeks of middellijk worden ingekocht of terugbetaald; en

    • c. waarvan de zetel of, wanneer het een beleggingsfonds betreft, die van de beheerder, in Nederland is gelegen;

    moet bovendien aantonen dat de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voldoen aan het tweede tot en met het zesde lid.

  • 2 Het hoofdkantoor van de beleggingsmaatschappij dan wel van de beheerder van het beleggingsfonds is in Nederland gelegen.

  • 3 De werkzaamheden van de beheerder van het beleggingsfonds zijn beperkt tot het beheer van beleggingsinstellingen.

  • 4 De beleggingsinstelling vervult geen andere werkzaamheden dan die bedoeld in het eerste lid.

  • 5 De activa van de beleggingsmaatschappij worden in bewaring gegeven bij een van haar onafhankelijke bewaarder. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor beleggingsmaatschappijen van dit vereiste worden afgeweken overeenkomstig de bij of krachtens die maatregel te stellen regels.

  • 6 De bewaarder van de beleggingsinstelling heeft zijn zetel in een Lid-Staat en heeft een vestiging in Nederland.

Artikel 7

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 6 is niet van toepassing op een in dat artikel omschreven beleggingsinstelling die:

  • a. geen gelden of andere goederen van het publiek van de Lid-Staten ter belegging vraagt of verkrijgt;

  • b. krachtens haar statuten of reglementen, haar rechten van deelneming slechts bij het publiek in landen buiten de Lid-Staten mag plaatsen;

  • c. behoort tot één van de door Onze minister aangewezen soorten beleggingsinstellingen waarvoor de bij en krachtens artikel 12, tweede lid, gestelde regels met betrekking tot het beleggen, gelet op hun beleid inzake beleggingen of het aangaan van leningen, niet geschikt zijn; of

  • d. haar activa via dochtermaatschappijen voornamelijk belegt in andere objecten dan effecten.

Artikel 8

[Vervallen per 01-01-2007]

Aan een vergunning kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, indien feiten en omstandigheden die betrekking hebben op degene voor wie de vergunning zal gelden dit vereisen. De beperkingen kunnen uitsluitend worden gesteld ten aanzien van de reikwijdte en de tijdsduur van de vergunning.

Artikel 9

[Vervallen per 01-01-2007]

Als bewaarder mag slechts optreden een rechtspersoon die in belangrijke mate zijn bedrijf maakt van het bewaren en administreren van beleggingsobjecten ten behoeve van derden.

Artikel 10

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien Onze minister van oordeel is dat van de in Nederland gevoerde of te voeren naam van de beleggingsinstelling gevaar voor verwarring is te duchten, verlangt hij van de beleggingsinstelling een verklarende vermelding aan de naam toe te voegen.

§ 3. Voorschriften voor beleggingsinstellingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 11

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is de beleggingsinstelling waaraan op grond van artikel 6 een vergunning is verleend, verboden haar statuten of reglementen zodanig te wijzigen dat zij niet meer onder de toepassing van artikel 6 valt.

  • 2 Een wijziging van de statuten of reglementen, als bedoeld in het eerste lid, is nietig. Op verzoek van het openbaar ministerie benoemt de rechter een bewindvoerder met de macht om de gevolgen van de nietige handeling ongedaan te maken.

  • 3 Bij het ongedaan maken van de nietige handeling dient de bewindvoerder mede te handelen in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

Artikel 12

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een beleggingsinstelling waaraan een vergunning is verleend en de bewaarder, indien aan de instelling verbonden, zijn verplicht zich te houden aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en informatieverschaffing.

  • 2 Een beleggingsinstelling, waaraan op grond van artikel 6 een vergunning is verleend, en de bewaarder, indien aan de instelling verbonden, zijn bovendien verplicht zich te houden aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen aanvullende regels met betrekking tot financiële waarborgen, het beleggen en informatieverschaffing.

  • 3 Onze minister kan op verzoek van de beleggingsinstelling bepalen, dat zij of de bewaarder, indien aan de instelling verbonden, niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste of het tweede lid bedoelde regels indien zij aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende bereikt zijn. Onze minister kan een beschikking als hiervoor bedoeld wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder de beschikking is gegeven zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.

  • 4 De accountant, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die op grond van de regels, bedoeld in het eerste of tweede lid, de jaarrekening van een beleggingsinstelling van een verklaring moet voorzien, meldt Onze minister zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn desbetreffende werkzaamheden kennis heeft gekregen en die:

    • a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;

    • b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

    • c. het voortbestaan van de beleggingsinstelling bedreigt; of

    • d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

  • 5 Op de accountant, bedoeld in het vierde lid, die naast zijn werkzaamheden voor de beleggingsinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van overeenkomstige toepassing indien de beleggingsinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de beleggingsinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een beleggingsinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

  • 6 De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot een melding aan Onze minister is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Artikel 13

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Een beleggingsinstelling waaraan op grond van artikel 6 een vergunning is verleend en die voornemens is haar rechten van deelneming in een andere Lid-Staat te verhandelen, dient, alvorens daartoe over te gaan, Onze minister alsmede het bevoegde gezag in die andere Lid-Staat van haar voornemen in kennis te stellen.

  • 2 Onze minister verstrekt, op verzoek, aan de beleggingsinstelling waaraan op grond van artikel 6 een vergunning is verleend en die voldoet aan de in artikel 12 bedoelde regels, een verklaring dat zij voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn.

§ 4. Vrijstelling

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 14

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister kan vrijstelling verlenen van het in artikel 4 vervatte verbod.

  • 2 Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten. De beperkingen kunnen uitsluitend worden gesteld ten aanzien van de reikwijdte van de vrijstelling.

§ 5. De intrekking van de vergunning

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 15

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister kan een vergunning slechts intrekken:

  • a. op verzoek van de houder;

  • b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

  • c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;

  • d. indien de vergunninghouder of de aan de beleggingsinstelling verbonden bewaarder kennelijk de in artikel 5, artikel 6 of artikel 9 bedoelde werkzaamheden niet meer uitvoert;

  • e. indien de beleggingsinstelling of de daaraan verbonden bewaarder niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen, regels of beperkingen of gegeven voorschriften;

  • f. indien de beleggingsinstelling of de daaraan verbonden bewaarder niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging van Onze minister als bedoeld in artikel 21 respectievelijk artikel 22.

Artikel 16

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister deelt de intrekking van een op grond van artikel 6 verleende vergunning tegelijk mede aan de beleggingsinstelling, de bewaarder indien aan de beleggingsinstelling verbonden en het bevoegde gezag in de overige Lid-Staten.

  • 2 Een beleggingsmaatschappij waarvan de vergunning is ingetrokken wordt op verzoek van Onze minister door de rechtbank ontbonden.

  • 3 Het vermogen van een beleggingsfonds waarvan de vergunning is ingetrokken moet worden vereffend binnen een door Onze minister te bepalen termijn. Hij kan deze termijn verlengen. Hij kan een of meer vereffenaars aanwijzen die aan hem verantwoording schuldig zijn.

  • 4 Onze minister kan ten aanzien van het beleggingsfonds waaraan op grond van artikel 5 een vergunning is verleend ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien de werkzaamheden van het fonds worden voortgezet in een besloten kring. Aan een ontheffing kunnen in het belang van de deelnemers beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk III. Beleggingsinstellingen uit andere Lid-Staten die onder de toepassing van de richtlijn vallen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 17

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De beleggingsinstelling die haar zetel of een beheerder met zetel in een andere Lid-Staat heeft en overigens voldoet aan de in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, gegeven omschrijving, is verplicht aan Onze minister mededeling te doen van haar voornemen haar rechten van deelneming in Nederland buiten een besloten kring aan te bieden.

  • 2 Bij de mededeling legt de beleggingsinstelling over:

    • a. een verklaring van het bevoegde gezag van de Lid-Staat waar haar zetel of die van haar beheerder is gevestigd, dat de instelling voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn;

    • b. haar statuten of reglementen;

    • c. haar prospectus;

    • d. gegevens over de beoogde wijze van informatieverschaffing, van verhandeling van, uitkeringen op alsmede inkoop van of terugbetaling op rechten van deelneming in Nederland;

    • e. in voorkomend geval haar laatste jaarrekening en halfjaarcijfers.

  • 3 Een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid moet in ten minste de Nederlandse taal de gegevens en bescheiden verschaffen, die zij openbaar dient te maken overeenkomstig de regels gesteld door de Lid-Staat waar haar zetel of die van haar beheerder is gevestigd.

  • 4 Twee maanden na de mededeling overeenkomstig het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, kan de beleggingsinstelling overgaan tot de verhandeling van haar rechten van deelneming, tenzij Onze minister voordien heeft bekendgemaakt:

    • a. dat de voornemens als bedoeld in onderdeel d van het tweede lid niet in overeenstemming zijn met toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen; of

    • b. dat de beoogde wijze van verhandeling in strijd is met wettelijke voorschriften die betrekking hebben op het niet door de richtlijn bestreken gebied.

  • 5 Artikel 10 is op de in het eerste lid bedoelde beleggingsinstelling van toepassing.

  • 6 De beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid dient, met inachtneming van toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen, de nodige maatregelen te treffen opdat wordt zorggedragen voor de uitkeringen op, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming in Nederland alsmede voor de verschaffing van de informatie die de beleggingsinstelling in Nederland moet verstrekken.

  • 7 Indien een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid in strijd handelt met een voorschrift als bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid, kan Onze minister deze beleggingsinstelling verbieden in Nederland haar rechten van deelneming aan te bieden of voorschriften geven met betrekking tot het aanbieden van deze rechten.

  • 8 Van een besluit op grond van het zevende lid doet Onze minister onverwijld mededeling aan het bevoegde gezag in de Lid-Staat waar de zetel van de beleggingsinstelling of die van haar beheerder is gevestigd alsmede aan het bevoegde gezag in de overige Lid-Staten waar, voor zover hem bekend is, de rechten van deelneming worden verhandeld.

Hoofdstuk IV. Het register

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 18

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister houdt een register, waarin worden ingeschreven:

    • a. beleggingsinstellingen waaraan een vergunning is verleend, met inbegrip van de aan de vergunning gestelde beperkingen of verbonden voorschriften;

    • b. beleggingsinstellingen die op grond van artikel 17 tot de verhandeling van hun rechten van deelneming mogen overgaan;

    • c. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 41, eerste lid.

  • 2 De inschrijving van een beleggingsinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken wordt doorgehaald, evenals de inschrijving van de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 17 die niet langer in Nederland haar rechten van deelneming aanbiedt of waaraan ingevolge artikel 17, zevende lid, is verboden in Nederland haar deelnemingsrechten aan te bieden.

  • 3 De inschrijving van een beleggingsinstelling, en de aan haar vergunning gestelde beperkingen en verbonden voorschriften, alsmede de doorhaling worden binnen twee weken na de dag, waarop zij heeft plaatsgehad, medegedeeld in de Staatscourant.

  • 4 Onze minister kan bepalen dat de in het derde lid bedoelde mededeling van een doorhaling tot een nader door hem te bepalen tijdstip wordt aangehouden indien openbaarmaking ernstige schade aan de belangen van de deelnemers zou kunnen toebrengen.

  • 5 In de maand januari van elk jaar wordt een lijst van de ingeschreven beleggingsinstellingen naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst.

  • 6 Onze minister houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

Hoofdstuk V. Controle en uitvoering

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 19

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister kan bij een aanvrager van een vergunning voor een beleggingsinstelling, bij een beleggingsinstelling en haar bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, alsmede bij organisaties waarbij beleggingsinstellingen zijn aangesloten waarop wegens die aansluiting een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van toepassing is, inlichtingen vragen of een onderzoek instellen of doen instellen ten einde na te gaan of kan worden voldaan dan wel wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen, regels, beperkingen of gegeven voorschriften.

  • 2 Degene aan wie inlichtingen als bedoeld in dit artikel worden gevraagd, is verplicht deze inlichtingen binnen een door Onze minister te stellen termijn te verstrekken.

  • 3 Degene bij wie een onderzoek wordt ingesteld als bedoeld in dit artikel dient aan de personen die het onderzoek verrichten inzage te verlenen in alle zakelijke gegevens en bescheiden die op de beleggingsinstelling of, indien van toepassing, op de bewaarder betrekking hebben, en overigens alle medewerking te verlenen die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek.

  • 4 Een derde, die de in het derde lid bedoelde zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, is verplicht deze op vordering van Onze minister over te leggen.

  • 5 Inlichtingen omtrent afzonderlijke ondernemingen, instellingen en bewaarders, ingevolge dit artikel verkregen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

Artikel 20

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 17, voor zover het betreft het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel 17 bepaalde.

Artikel 21

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien de beleggingsinstelling waaraan een vergunning is verleend of de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, niet blijkt te voldoen aan de bij en krachtens deze wet gestelde eisen, regels, beperkingen of gegeven voorschriften, kan Onze minister aan de instelling of de bewaarder een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn daaraan alsnog te voldoen.

Artikel 21a

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien een accountant naar het oordeel van Onze Minister niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de beleggingsinstelling naar behoren zal vervullen, kan Onze Minister bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet en daaruit voortvloeiende besluiten bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die beleggingsinstelling af te leggen.

Artikel 22

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien bijzondere gebeurtenissen een adequate functionering van de beleggingsinstelling of de bewaarder in gevaar brengen en naar het oordeel van Onze minister versterking van de organen van de beleggingsinstelling of de bewaarder wenselijk maken, kan Onze minister schriftelijk aanzeggen dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de beleggingsinstelling of van de bewaarder hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze minister aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen.

  • 2 Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanzegging is het volgende van toepassing:

    • a. de in dat lid bedoelde organen zijn verplicht de door Onze minister aangewezen personen alle medewerking te verlenen;

    • b. Onze minister kan de organen toestaan bepaalde handelingen zonder toestemming te verrichten;

    • c. Onze minister kan de aangewezen personen te allen tijde door andere vervangen;

    • d. voor schade ten gevolge van handelingen welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de beleggingsinstelling of van de bewaarder verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de beleggingsinstelling of de bewaarder. De beleggingsinstelling of de bewaarder kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;

    • e. de aanzegging blijft van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde omstandigheden niet langer aanwezig zijn, doch voor ten hoogste één jaar.

Artikel 22a

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 23

[Vervallen per 01-01-2007]

Indien een beleggingsinstelling de inkoop van haar rechten van deelneming opschort, stelt zij Onze minister en, indien zij een beleggingsinstelling is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, het bevoegde gezag van de Lid-Staten waar de rechten van deelneming van de beleggingsinstelling worden verhandeld onverwijld daarvan op de hoogte.

Artikel 24

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 26a, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

  • 2 Het eerste lid en artikel 19, vijfde lid, laten, ten aanzien van degene op wie het eerste lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering die betrekking hebben op het als getuige of deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak.

  • 3 Het eerste lid en artikel 19, vijfde lid, laten evenzo, ten aanzien van degene op wie het eerste lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een beleggingsinstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende beleggingsinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

  • 4 In afwijking van het eerste lid en artikel 19, vijfde lid, kan Onze minister met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen.

Artikel 25

[Vervallen per 01-01-2007]

Met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, kan Onze minister, voor zover nodig in afwijking van artikel 19, vijfde lid, en artikel 24, ter openbare kennis brengen:

  • a. zijn weigering om een aangevraagde vergunning te verlenen wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen;

  • b. zijn mededeling, als bedoeld in artikel 17, vierde lid, wanneer deze mededeling niet meer in beroep kan worden getroffen; of

  • c. het feit dat een beleggingsinstelling die naar zijn oordeel onder het verbod van artikel 4 valt, niet over een vergunning beschikt dan wel geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Artikel 26

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister kan, voor zover nodig in afwijking van artikel 24, periodiek in de Staatscourant mededeling doen van de voornaamste gegevens, voortkomende uit de informatieverschaffing als bedoeld in artikel 12. Zonder schriftelijke toestemming van de beleggingsinstelling die het aangaat, worden gegevens met betrekking tot afzonderlijke beleggingsinstellingen niet gepubliceerd.

Artikel 26a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister is, in afwijking van artikel 19, vijfde lid, en artikel 24, eerste lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die belast is met het toezicht uit hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de curator die betrokken is bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel van een beleggingsinstelling.

  • 2 Onze minister verstrekt geen gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:

    • a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

    • b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.

Artikel 27

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister is, in afwijking van artikel 19, vijfde lid, en artikel 24, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:

    • a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

    • b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

    • c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

    • d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

    • e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

    • f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

  • 2 Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3 Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:

    • a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; dan wel

    • b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede

    • c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

Artikel 27a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 Onze minister voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. Indien ingevolge artikel 29 taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van deze wet heeft zijn overgedragen aan een rechtspersoon, draagt deze rechtspersoon er zorg voor dat hij of een van de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze minister.

  • 3 Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt Onze minister in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.

Artikel 27b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 Onze minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen pleegt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Onze minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.

  • 4 Onze Minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren de gegevens of inlichtingen die hij verkregen heeft bij de vervulling van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid en betrouwbaarheid van personen als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur tot uitvoering van artikel 5, eerste lid, onder a, voor zover Onze Minister dan wel de rechtspersoon als bovenbedoeld, van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.

  • 5 De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 27c

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, is Onze Minister bevoegd ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op beleggingsinstellingen, inlichtingen te vragen aan of een onderzoek in te stellen of te doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

  • 2 Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze Minister te stellen termijn.

  • 3 Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld, verleent aan de persoon die het onderzoek verricht alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld slechts kan worden verplicht tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden voor zover deze op de uitoefening van zijn beroep of bedrijf betrekking hebben.

Artikel 27d

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.

Artikel 28

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen, is bevoegd de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die bevoegdheden aan beleggingsinstellingen in rekening te brengen volgens door Onze minister te stellen regels.

Artikel 29

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van deze wet heeft, kunnen, met uitzondering van de taken en bevoegdheden bedoeld in de artikelen 7, onder c,14, 28, voor zover het daarbij de door Onze Minister te stellen regels betreft, 30, 32, 33b, derde lid, 33c, derde lid en 33m, tweede lid en 33a, bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen die deze als eigen taken uitvoeren en als eigen bevoegdheden uitoefenen. De verplichtingen jegens Onze minister op grond van deze wet gelden alsdan als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

  • 2 Een overdracht als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:

    • a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

    • b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de betrokken rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden zoveel mogelijk is gewaarborgd.

  • 3 Aan de overdracht als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

  • 4 Indien bij algemene maatregel van bestuur taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid zijn overgedragen aan De Nederlandsche Bank N.V., is de Bank bevoegd deze taken uit te voeren en deze bevoegdheden uit te oefenen.

  • 6 Een in het eerste lid bedoelde rechtspersoon brengt eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei, aan Onze minister verslag uit over de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden op grond van deze wet. Dit verslag wordt door de zorg van Onze minister gepubliceerd, behoudens het gedeelte handelende over de uitvoering van artikel 5, derde lid, artikel 6, zevende lid, artikel 12, derde lid, artikel 21 en artikel 22, met dien verstande dat, zonder schriftelijke toestemming van de bij het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen, gegevens met betrekking tot afzonderlijke beleggingsinstellingen en bewaarders niet gepubliceerd worden.

Hoofdstuk VI. Bepalingen van bijzondere aard

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 30

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister kan bepalen dat een vergunning op grond van deze wet wordt geweigerd of ingetrokken, of dat aan de vergunning beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden, dan wel dat de eerder gestelde beperkingen en gegeven voorschriften worden gewijzigd, indien:

  • a. de beleggingsinstelling haar zetel heeft of haar beheerder zijn zetel heeft in een Staat, niet zijnde een Lid-Staat, waar Nederlandse financiële instellingen niet worden toegelaten of aan onredelijke beperkingen worden onderworpen; of

  • b. een natuurlijke persoon of rechtspersoon met de nationaliteit van een onder a bedoelde Staat rechtstreeks of middellijk overwegende zeggenschap kan uitoefenen in de beleggingsinstelling.

Artikel 31

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister kan ten aanzien van de beleggingsinstelling die onder de omschrijving in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, valt en die niet in een Lid-Staat is gevestigd dan wel in een Lid-Staat is gevestigd die nog geen uitvoering aan de richtlijn heeft gegeven, het bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde tot en met zevende lid, alsmede artikel 12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaren.

Artikel 32

[Vervallen per 01-01-2007]

Onze minister kan een organisatie van beleggingsinstellingen of bewaarders, de rechtspersoon of rechtspersonen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, gehoord, aanwijzen als representatieve organisatie met betrekking tot de uitvoering van deze wet.

Hoofdstuk VII. Beroep

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 33

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.

Hoofdstuk VIIA. Onderzoek door onze minister

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 33a

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 29, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

  • 2 De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de rechtspersoon vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder de artikelen 19, vijfde lid, of 24, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

    • a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke beleggingsinstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 4 is verleend of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

    • b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een beleggingsinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

    • c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie.

  • 3 Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

  • 4 Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

  • 5 Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. De artikelen 19, vijfde lid, en 24 zijn van toepassing.

  • 6 Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

Hoofdstuk VII B. Dwangsom en bestuurlijke boete

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 33b

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 3 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 33c

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 2 De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze Minister met toepassing van artikel 29, eerste lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete overdraagt aan een rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.

  • 3 Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 33d

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 5, eerste lid, 6, vijfde lid, tweede volzin, of 12, eerste en tweede lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage behorend bij die algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

  • 2 De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

  • 3 De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

  • 4 Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

Artikel 33e

[Vervallen per 01-01-2007]

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 33f

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

Artikel 33g

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Onze Minister legt de boete op bij beschikking.

  • 2 De beschikking vermeldt in ieder geval:

    • a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

    • b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

    • c. de termijn, bedoeld in artikel 33i, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 33h

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 33f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 33i

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

  • 2 De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 33f, tweede lid, is aangewezen.

  • 3 Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het derde lid zal worden ingevorderd.

  • 4 Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

  • 5 Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 6 Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de boete heeft opgelegd.

  • 7 Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.

  • 8 Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 33j

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2 Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 33c vervalt, indien Onze Minister ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 33k

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

  • 2 De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 33l

[Vervallen per 01-01-2007]

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 33m

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, kan Onze Minister, onverminderd artikel 19, vijfde lid, en artikel 24, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.

  • 2 Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk VIIC. Openbaarmaking van overtredingen

[Vervallen per 01-01-2007]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Hoofdstuk VIII. Wijziging van andere wetten

[Vervallen per 01-01-2007]

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 40

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Het verbod in artikel 4 blijft buiten toepassing tot zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2 Ten aanzien van de beleggingsinstelling die binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag voor een vergunning bij Onze minister heeft ingediend, blijft het verbod in artikel 4 buiten toepassing tot de tweede dag nadat Onze minister zijn beslissing op de aanvraag heeft verzonden.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 41, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing met betrekking tot beleggingsfondsen die, indien de artikelen 9, 10 en 11 van de Wet effectenhandel nog van kracht zouden zijn geweest, ingevolge die artikelen verplicht zouden zijn geweest over een vergunning of ontheffing te beschikken.

Artikel 41

[Vervallen per 01-01-2007]

  • 1 Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden vergunningen en ontheffingen die op grond van respectievelijk artikel 9, tweede lid, en artikel 11, eerste lid, van de Wet effectenhandel aan een beleggingsfonds zijn verleend, gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 5 van deze wet.

  • 2 Op een in het eerste lid bedoeld beleggingsfonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 en 12, eerste lid, gestelde eisen en regels, wordt het bepaalde bij of krachtens die artikelen alsmede artikel 15, onderdeel e, van toepassing een jaar na dat tijdstip.

  • 3 Het eerste lid geldt niet ten aanzien van een daarin bedoeld beleggingsfonds dat onder de omschrijving van artikel 6, eerste lid, van deze wet valt.

Artikel 42

[Vervallen per 01-01-2007]

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 43

[Vervallen per 01-01-2007]

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht beleggingsinstellingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage , 27 juni 1990

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. Kok

Uitgegeven de negentiende juli 1990

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen

[Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2007]

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk VII B van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer:

Bedrag (vast tarief):

1.

€ 453

2.

€ 907

3.

€ 5 445

4.

€ 21 781

5.

€ 87 125

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2007]

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen van toepassing met de daarbij behorende factor2:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: beleggingsmaatschappijen, beleggingsfondsen en bewaarders, met een eigen vermogen van minder dan € 453 800; Factor: 1;

Categorie II: beleggingsmaatschappijen, beleggingsfondsen en bewaarders met een eigen vermogen van ten minste € 453 800 maar minder dan € 4 538 000; Factor: 2;

Categorie III: beleggingsmaatschappijen, beleggingsfondsen en bewaarders met een eigen vermogen van ten minste € 4 538 000 maar minder dan € 45 378 000; Factor: 3;

Categorie IV: beleggingsmaatschappijen, beleggingsfondsen en bewaarders met een eigen vermogen van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000; Factor: 4;

Categorie V: beleggingsmaatschappijen, beleggingsfondsen en bewaarders met een eigen vermogen van ten minste € 453 780 000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het eigen vermogen niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Artikel 3

[Vervallen per 01-01-2007]

Op grond van artikel 33f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

Tabel 1

Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel:

Tariefnummer:

8

3

10

4

11, eerste lid

4

13, eerste lid

1

14, tweede lid

3

16, derde lid

4

16, vierde lid

3

17, eerste lid

1

17, tweede lid

1

17, derde lid

3

17, vijfde lid

4

17, zesde lid

3

17, zevende lid

4

21

4

22, tweede lid

4

23

2

Tabel 2

Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel:

Tariefnummer:

4, eerste lid

5

12, vierde lid

3

12, vijfde lid

3

19, tweede lid

3

19, derde lid

3

19, vierde lid

3

20

3

27b, tweede lid

3

27b, derde lid

3

27c, tweede lid

3

  1. In tabel 1 zijn die bepalingen genoemd die zich uitsluitend richten tot beleggingsinstellingen en bewaarders (natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen). In tabel 2 zijn die bepalingen opgesomd die zich in beginsel tot een ieder (al dan niet instellingen) richten.

    ^ [1]
  2. Onder eigen vermogen wordt in dit verband verstaan:

    • ingeval van rechtspersonen en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover dezen een jaarrekening opstellen: het eigen vermogen zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

    • in geval van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover dezen geen jaarrekening opstellen: het privévermogen van de gezamenlijke vennoten, zoals dat blijkt uit hun laatste aangifte voor de vermogensbelasting; en

    • in geval van natuurlijke personen (eenmanszaken): het privévermogen zoals dat blijkt uit zijn laatste aangifte voor de vermogensbelasting.

    ^ [2]
Terug naar begin van de pagina