Vissersvaartuigenbesluit

Geraadpleegd op 02-07-2022.
Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 november 1988, nr. S/J 32.011/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Overwegende dat het wenselijk is de veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 2 april 1977 te Torremolinos tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van vissersvaartuigen, met Bijlage (Trb. 1980, 139);

Gelet op de artikelen 3, 4 bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet (Stb. 1932, 86);

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 1989, nr. W09.88.0652/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 juli 1989, nr. S/J 31.209/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Toepassing

  • 2 Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen die worden gebezigd voor visserijonderzoek of voor opleiding van zeevarenden ter visserij. Indien echter deze vaartuigen daarbij geheel of gedeeltelijk dienst doen als vissersvaartuig, ongeacht of dit moet worden verondersteld te zijn begrepen onder de werkzaamheden welke verband houden met het onderzoek of de opleiding waarvoor het vaartuig bestemd is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie eisen dat ten minste wordt voldaan aan het bepaalde in dit besluit.

  • 3 Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen waarmee bedrijfsmatige recreatie wordt uitgeoefend.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, afwijkende regels stellen, indien naar zijn oordeel de algemene inrichting van die vaartuigen dit rechtvaardigt, rekening houdend met de veiligheid van vaartuigen en opvarenden.

Artikel 2. Omschrijvingen

  • 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:

    • 1°. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • 2°. kapitein: elke gezagvoerder van een vaartuig of die deze vervangt;

    • 3°. schepelingen: allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden; scheepsofficieren zijn de schepelingen aan wie de monsterrol de rang van officier toekent, scheepsgezellen zijn alle overige schepelingen;

    • 4°. Radioreglement: het Radioreglement (Trb. 1981, 78), behorende bij het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164);

    • 5°. radio-officier: een persoon in het bezit van ten minste het overeenkomstig de bepalingen van het Radioreglement afgegeven eerste of tweede klasse certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist, of van een algemeen certificaat als radiotelegrafist voor de maritieme mobiele dienst, die te werk is gesteld in het radiotelegraafstation van een vaartuig;

    • 6°. radiotelefonist: een persoon in het bezit van een geëigend certificaat afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van het Radioreglement;

    • 7°. radiotelegraafstation: een station voorzien van een radiotelegrafie-installatie;

    • 8°. radiotelefoonstation: een station voorzien van een radiotelefonie-installatie;

    • 9°. radiotelegrafie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelegrafie-frequentiebanden;

    • 10°. radiotelefonie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelefonie-frequentiebanden;

    • 11°. luisterdienst radiotelegrafie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelegrafienoodfrequentie;

    • 12°. luisterdienst radiotelefonie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelefonienoodfrequentie;

    • 13°. passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van:

      • 13.1. de kapitein en de schepelingen;

      • 13.2. andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het vaartuig in dienst of tewerkgesteld zijn; en

      • 13.3. kinderen die op de dag van inscheping de leeftijd van één jaar nog niet hebben bereikt;

    • 14°. voortstuwingsvermogen:

      • 14.1. het maximale vermogen, uitgedrukt in kiloWatt (kW), dat door de voortstuwingsmachine(s) zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd, zoals dit vermogen, op grond van door de fabrikant verstrekte gegevens door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt vastgesteld; of

      • 14.2. een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld lager vermogen, indien te zijnen genoegen wordt aangetoond dat slechts dit lagere vermogen ten behoeve van de voortstuwing kan worden gebruikt. Dit vermogen mag niet worden vastgesteld op een waarde die minder is dan 75 percent van het maximale vermogen;

    • 15°. vlampunt: de laagste temperatuur van een vloeistof waarbij deze voldoende damp aan de lucht afgeeft om een explosief mengsel van damp en lucht te doen ontstaan. Het vlampunt moet worden bepaald volgens de gesloten-kroes-methode van Abel, Abel-Pensky of Pensky-Martens en gecorrigeerd voor een barometerstand van 760 mm kwikkolom;

    • 16°. goedgekeurd: goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;

    • 17°. lengte (L): de lengte gelijk aan 96 percent van de lengte van de lastlijn op 85 percent van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, dan wel gelijk aan de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen;

    • 18°. loodlijnen: de loodlijnen op het voorste en het achterste punt van de lengte. De voorloodlijn moet getrokken worden door het snijpunt van de lastlijn waarop de lengte is gemeten en de voorzijde van de voorsteven;

    • 19°. breedte (B): de grootste breedte van het vaartuig, uitgedrukt in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal;

    • 20°. holte:

      • 20.1. de vertikale afstand, uitgedrukt in meters, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde;

      • 20.2. bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating;

      • 20.3. indien het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte moet worden bepaald, wordt de holte gemeten tot een lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek, evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken;

    • 21°. holte (D): de holte midscheeps gemeten;

    • 22°. hoogst gelegen lastlijn: de lastlijn behorende bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 23°. maximum toelaatbare diepgang: de grootste diepgang welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toelaatbaar wordt geacht;

    • 24°. midscheeps: het punt gelegen op het midden van de lengte;

    • 25°. grootspant: de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een vertikaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens;

    • 26°. kiellijn: de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel en die midscheeps gaat door:

      • 26.1. de bovenkant van de kielplaat of door de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de stafkiel, indien in een vaartuig met een metalen huid een stafkiel boven die lijn uitsteekt;

      • 26.2. de binnenkant van de sponning in de kiel van een houten of van een composiet vaartuig;

      • 26.3. de aansnijding van de doorgestrookte lijn van de buitenzijde van de huid met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal;

    • 27°. basislijn: de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt;

    • 28°. werkdek: in het algemeen het doorlopende blootgestelde dek van waar de visserij wordt uitgeoefend. Bij vaartuigen met twee of meer doorlopende dekken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat een lager dek als werkdek wordt aangemerkt, mits dit dek is gelegen boven de hoogst gelegen lastlijn;

    • 29°. bovenbouw: de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de afstand van de zijbeplating tot elk boord niet groter is dan 4 percent van de breedte;

    • 30°. gesloten bovenbouw: een bovenbouw waarvan:

      • 30.1. de eindschotten voldoende sterk zijn;

      • 30.2. de eventuele toegangsopeningen in de eindschotten zijn voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte als het schot, alsof daarin geen opening aanwezig was, en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;

      • 30.3. alle openingen in de zijden, alsmede alle overige openingen in de eindschotten zijn voorzien van doeltreffende middelen waarmede deze openingen dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten; en

      • 30.4. afzonderlijke toegangen voor de bemanning naar de binnen een brughuis of een kampanje gelegen voortstuwingsruimten en andere werkruimten, te allen tijde kunnen worden gebruikt, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten;

    • 31°. opbouwdek: dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,80 m boven het werkdek ligt. In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,80 m, wordt de bovenkant van zulk een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw gelijkgesteld met het werkdek;

    • 32°. hoogte van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw: de kleinste vertikale hoogte gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het opbouwdek tot de bovenkant van de balken van het werkdek;

    • 33°. dicht tegen weer en wind: zodanig dicht dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water in het vaartuig kan binnendringen;

    • 34°. waterdicht: het vermogen van de constructie om het doorlaten van water in enige richting te voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is;

    • 35°. aanvaringsschot: een waterdicht schot dat in het voorste deel van het vaartuig tot het werkdek is opgetrokken en dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

      • 35.1. het schot moet zodanig zijn geplaatst dat de afstand tot de voorloodlijn:

        • 1°. niet kleiner is dan 5 percent en niet groter is dan 8 percent van de lengte bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt;

        • 2°. niet kleiner is dan 5 percent van de lengte en niet groter is dan 5 percent van de lengte, vermeerderd met 1,35 m, bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoudens uitzonderingen toegestaan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;

        • 3°. in geen geval kleiner is dan 2 m;

      • 35.2. in geval, ten gevolge van een afwijkende stevenvorm, enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot vóór de voorloodlijn, moet de afstand als bedoeld onder 35.1 van dit onderdeel worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 1,5 percent van de lengte voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is;

      • 35.3. indien het aanvaringsschot voorzien is van trapsgewijze sprongen of nissen moeten deze binnen de beperkingen vallen als voorgeschreven onder 35.1 van dit onderdeel;

    • 36°. hoofdstuurinrichting: de stuurmachine, de krachtwerktuigen hiervoor, indien aanwezig, en de bijbehorende inrichtingen, alsmede het middel om het koppel op de roerkoning (bijv. de helmstok of het kwadrant) over te brengen, benodigd om de roeruitslag te bewerkstelligen met het doel het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden te kunnen besturen;

    • 37°. krachtwerktuig voor de stuurinrichting:

      • 37.1. bij een elektrische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur;

      • 37.2. bij een elektrisch-hydraulische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur en de aangesloten pomp; en

      • 37.3. bij een ander type hydraulische stuurinrichting: een pomp en het werktuig voor de aandrijving daarvan;

    • 38°. hulpstuurinrichting: de inrichting waarmede de roeruitslag wordt bewerkstelligd voor de besturing van het vaartuig wanneer de hoofdstuurinrichting is uitgevallen;

    • 39°. bedieningsinstallatie van de stuurinrichting: de uitrusting waarmede de opdrachten worden overgedragen vanaf de brug naar de krachtwerktuigen voor de stuurinrichting. Bedieningsinstallaties van stuurinrichtingen bestaan uit gevers, ontvangers, hydraulische verstelpompen met daarbij behorende motoren, bedieningen voor motoren, pijpleidingen en kabels;

    • 40°. maximum dienstsnelheid vooruit: de grootste snelheid waarvoor het vaartuig is ontworpen en die tijdens de vaart op zee gehandhaafd moet kunnen worden bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 41°. maximum snelheid achteruit: de geschatte snelheid die het vaartuig kan bereiken bij het ontworpen vermogen voor het achteruitvaren op de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;

    • 42°. oliestookinrichting: de installatie gebruikt voor de toebereiding van brandstofolie voor levering aan een met olie gestookte ketel, of die installatie gebruikt voor de toebereiding van olie voor levering aan een verbrandingsmotor, met inbegrip van alle oliedrukpompen, filters en verhitters die olie behandelen onder een druk van meer dan 0,18 N/mm2;

    • 43°. normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid: de toestanden waarin het vaartuig in zijn geheel, met inbegrip van de werktuigen, dienstuitoefening, hoofd- en hulpwerktuigen ten behoeve van de voortstuwing, stuurinrichting en bijbehorende uitrusting, hulpmiddelen voor een veilige navigatie en voor de beperking van de gevaren van brand en vervulling, middelen voor interne en externe communicatie en seinapparatuur, voorzieningen voor ontsnapping en lieren voor reddingboten en hulpverleningsboten, goed functioneert en waarbij aan minimum voorwaarden voor een comfortabel verblijf aan boord wordt voldaan;

    • 44°. dood-schip-toestand: de toestand waarbij de hoofdvoortstuwingsinstallatie, ketels en hulpwerktuigen niet in bedrijf zijn;

    • 45°. hoofdschakelbord: een schakelbord dat rechtstreeks wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron en bestemd is om de elektrische energie voor alle diensten te verdelen;

    • 46°. noodschakelbord: een schakelbord dat, in het geval dat de voeding van de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt, direct wordt gevoed door de elektrische noodkrachtbron of door de tijdelijke noodkrachtbron, en bestemd is om de elektrische energie over de nooddiensten te verdelen;

    • 47°. elektrische hoofdkrachtbron: een krachtbron welke elektrische energie moet kunnen leveren aan het hoofdschakelbord voor de verdeling naar alle systemen nodig om het schip in normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid te kunnen houden;

    • 48°. elektrische noodkrachtbron: een krachtbron voor elektrische energie, bestemd om het noodschakelbord te voeden in het geval dat de voeding van de elektrische noodkrachtbron uitvalt;

    • 49°. tijdelijk onbemande machinekamers: die ruimten waarin zich de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende installaties, alsmede alle elektrische hoofdkrachtbronnen bevinden en die niet te allen tijde bij alle werkzaamheden, met inbegrip van het manoeuvreren, bemand behoeven te zijn;

    • 50°. onbrandbaar materiaal: een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750°C tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal;

    • 51°. standaard-brandproef: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proef-oven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme. De gedeelten van de betrokken schotten of dekken moeten een blootgestelde oppervlakte hebben van ten minste 4,65 m2 en een hoogte, of lengte van het dek, van 2,44 m; zij moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad bevatten. Met de standaard tijdtemperatuurkromme wordt bedoeld een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten gemeten boven de aanvankelijke temperatuur in de oven:

      aan het einde van de eerste 5 minuten: 556°C,

      aan het einde van de eerste 10 minuten: 659°C,

      aan het einde van de eerste 15 minuten: 718°C,

      aan het einde van de eerste 30 minuten: 821°C,

      aan het einde van de eerste 60 minuten: 925°C;

    • 52°. schotten van klasse «A»: schotten en dekken die aan de volgende eisen voldoen:

      • 52.1. zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander, gelijkwaardig materiaal;

      • 52.2. zij moeten voldoende verstijfd zijn;

      • 52.3. zij moeten tot aan het einde van de standaard-brandproef van één uur de doortocht van rook en vlammen kunnen verhinderen;

      • 52.4. zij moeten zodanig geïsoleerd zijn met goedgekeurde onbrandbare materialen dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 180°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:

        klasse «A-60» : 60 minuten,

        klasse «A-30» : 30 minuten,

        klasse «A-15» : 15 minuten,

        klasse «A-0» : 0 minuten; en

      • 52.5. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «A» teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 53°. schotten van klasse «B»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen:

      • 53.1. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;

      • 53.2. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:

        klasse «B-15» : 15 minuten,

        klasse «B- 0» : 0 minuten;

      • 53.3. zij moeten zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen en alle materialen die gebruikt worden voor schotten van klasse «B» en voor het aanbrengen daarvan, dienen onbrandbaar te zijn, behoudens dat brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit; en

      • 53.4. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «B» teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 54°. schotten van klasse «C»: schotten en dekken welke zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen. Zij behoeven niet te voldoen aan eisen betreffende het doorlaten van rook en vlammen of de beperking van de temperatuurstijging. Brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit;

    • 55°. schotten van klasse «F»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen:

      • 55.1. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;

      • 55.2. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard-brandproef niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt; en

      • 55.3. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «F», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de beperking van de temperatuurstijging;

    • 56°. doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B»: plafonds of beschietingen van klasse «B» die slechts eindigen bij een schot van klasse «A» of «B»;

    • 57°. staal of ander, gelijkwaardig materiaal: staal, of elk onbrandbaar materiaal dat zelf, of door middel van isolatiemateriaal, een brandwerendheid heeft die gelijkwaardig is aan die van staal tot aan het einde van de van toepassing zijnde standaard-brandproef. Aluminiumlegering, voorzien van een doeltreffende isolatie, kan als zodanig worden aanvaard;

    • 58°. laag vlamverspreidend vermogen: de eigenschap die aangeeft dat het aldus omschreven oppervlak de vlamuitbreiding op voldoende wijze kan beperken. Deze eigenschap dient ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode;

    • 59°. ruimten voor accommodatie: ruimten bestemd voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, hutten, kantoren, ziekenverblijven, bioscopen, ontspanningsruimten, afzonderlijke pantries zonder voorzieningen om te koken, en soortgelijke ruimten;

    • 60°. ruimten voor algemeen gebruik: die delen van de accommodatie welke in gebruik zijn als portalen, eetzalen, salons, en soortgelijke permanent ingesloten ruimten;

    • 61°. dienstruimten: ruimten die gebruikt worden voor kombuizen, pantries met voorzieningen om te koken, kasten en voorraadkamers, werkplaatsen andere dan die welke deel uitmaken van de ruimten voor machines, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten;

    • 62°. controlestations: ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig, de voornaamste navigatiemiddelen of de elektrische noodkrachtbron zijn ondergebracht of die waarin de uitrusting voor de brandmelding of de brandcontrole is samengebracht;

    • 63°. ruimten voor machines van categorie A: alle ruimten met inbegrip van de bijbehorende schachten, waarin zijn ondergebracht:

      • 63.1. verbrandingsmotoren of gasturbines, die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig;

      • 63.2. verbrandingsmotoren of gasturbines, andere dan die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig indien zodanige machines een gezamenlijk vermogen hebben van 375 kW of meer; of

      • 63.3. met olie gestookte ketels of oliestookinrichtingen;

    • 64°. ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines en verbrandingsmotoren, gasturbines, generatoren en belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelingsinstallaties zijn ondergebracht, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten;

    • 65°. ontdekking: de vaststelling van de plaats van de overlevenden of de groepsreddingmiddelen;

    • 66°. inschepingsladder: de ladder die op de inschepingsplaats voor de groepsreddingmiddelen is aangebracht ten einde een veilige toegang te bieden tot de groepsreddingmiddelen nadat deze te water gelaten zijn;

    • 67°. te water laten door middel van vrij opdrijven: de methode van te water laten van een groepsreddingmiddel waarbij dit automatisch van een zinkend vaartuig wordt ontkoppeld en klaar is voor gebruik;

    • 68°. overlevingspak: een beschermend pak dat het verlies van lichaamswarmte van een persoon gekleed in zulk een pak liggend in koud water, vermindert;

    • 69°. opblaasbaar toestel: een toestel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat gewoonlijk, tot aan de klaar voor gebruik situatie, in niet-opgeblazen toestand wordt gehouden;

    • 70°. toestel in opgeblazen toestand: een toestel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat permanent in opgeblazen toestand en klaar voor gebruik wordt gehouden;

    • 71°. tewaterlatingsmiddel of -voorziening: een middel of voorziening om een groepsreddingmiddel of hulpverleningsboot vanaf de opstellingsplaats veilig te water te brengen;

    • 72°. reddingmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp: reddingmiddelen of -voorzieningen die nieuwe eigenschappen bevatten die niet geheel vallen onder de voorschriften van dit besluit, maar die een gelijke of hogere norm van veiligheid bieden;

    • 73°. hulpverleningsboot: een boot ontworpen om personen in nood uit het water te kunnen halen en voor het bij elkaar brengen van reddingvlotten;

    • 74°. lichtterugkaatsend materiaal: materiaal dat een lichtstraal die daarop gericht wordt, in tegengestelde richting terugkaatst;

    • 75°. groepsreddingmiddel: een middel dat personen die in nood verkeren, in leven kan houden vanaf het moment dat zij het vaartuig verlaten;

    • 76°. hulpmiddel tegen warmteverlies: een zak of pak, vervaardigd uit waterdicht materiaal met een zeer lage warmtegeleiding;

    • 77°. gediplomeerd sloepsgast: elk lid der bemanning dat in het bezit is van een diploma als stuurman , of als sloepsgast, als bedoeld in hoofdstuk 12, paragraaf 3;

    • 78°. een vaartuig gebouwd: een vaartuig waarvan:

      • 78.1. de kiel is gelegd; of

      • 78.2. de aanbouw, herkenbaar als behorend tot een bepaald schip, is aangevangen en is aangevangen met de samenbouw die ten minste 50 000 kg moet omvatten of één percent van de geschatte massa van al het bouwmateriaal, welke van deze twee waarden de laagste is.

    • 79°. laagst gelegen lastlijn: de lastlijn behorende bij de beladingstoestand, waarbij het vaartuig is beladen met een restant brandstof en zoetwater overeenkomende met 10 percent van de beschikbare inhoud van de betreffende tanks en met een lading in het visruim gelijk aan 20 percent van de lading die in het visruim in rekening moet worden gebracht voor de beoordeling van de stabiliteit;

    • 80. klassebureau: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, aangewezen krachtens artikel 6, tweede lid, van de Schepenwet en krachtens artikel 6 van het Schepenbesluit 1965.

  • 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt onder «vaartuig» begrepen een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet alsmede een vissersvaartuig dat over zee naar zijn bestemming wordt gesleept.

  • 3 Voor de toepassing van dit besluit worden personen, die tengevolge van schipbreuk of andere bijzondere, onvoorziene omstandigheden aan boord zijn genomen, niet als passagiers aangemerkt.

  • 4 Voor de toepassing van dit besluit wordt, ook wat de strafbepalingen betreft, onder «eigenaar» verstaan de persoon die het beheer over het vaartuig heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder is van de rederij van het vaartuig, hetzij hem het vaartuig in gebruik is gegeven.

Artikel 4. Wederzijdse erkenning

  • 1 Met de bij of krachtens dit besluit vastgestelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

  • 2 Met de bij of krachtens dit besluit geëiste typegoedkeuringen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige typegoedkeuringen, geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of van-wege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 5. Gevallen van overmacht

  • 1 Indien één of meer bepalingen van dit besluit op het ogenblik dat een reis wordt ondernomen niet op een vaartuig van toepassing zijn, zullen zij, voorzover het vaartuig tengevolge van slecht weer of tengevolge van een ander geval van overmacht is genoodzaakt van de voorgenomen reis af te wijken, niet op dit vaartuig van toepassing worden.

  • 2 Bij de beoordeling van de vraag of een bepaling van dit besluit op een vaartuig van toepassing is, wordt met personen die zich daar aan boord bevinden tengevolge van overmacht of tengevolge van een wettelijke verplichting van de kapitein om hetzij schipbreukelingen, hetzij andere in nood verkerende personen te vervoeren, geen rekening gehouden.

Artikel 6. Aanvullende voorschriften

  • 1 In het belang van een goede uitvoering van dit besluit kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere voorschriften worden gegeven.

  • 2 De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet, kunnen in elk bijzonder geval, rekening houdende met de ter zake door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven algemene aanwijzingen, voorschriften geven ter bevordering van de juiste naleving van het bepaalde in dit besluit.

Artikel 7. Vaargebieden

  • 1 De bouw, de inrichting, de uitrusting, of de toestand van het vaartuig, kunnen leiden tot beperkingen van het vaargebied dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan elk vaartuig wordt toegekend.

  • 2 De grenzen van de in het voorgaande lid bedoelde vaargebieden worden vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

§ 2. Onderzoek

Artikel 9. Klassebureaus

  • 1 Voordat een eerste onderzoek plaatsvindt, kiest de eigenaar of de bouwer van een schip voor de regels van een bepaald klassebureau. Bij volgende onderzoeken worden de regels van dat klassebureau toegepast.

  • 2 De zeewaardigheid van een vaartuig wordt met betrekking tot de bouw en de uitrusting beoordeeld volgens de regels van een krachtens het eerste lid gekozen klassebureau, voor zover deze regels niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens dit besluit.

  • 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan keuringen die zijn verricht door een klassebureau gelijkstellen met keuringen die zijn verricht door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie.

Artikel 12. Onderzoeken

  • 1 Een vaartuig is, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, onderworpen aan de volgende onderzoeken:

    • 1°. een onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld;

    • 2°. tussentijdse onderzoeken;

    • 3°. periodieke onderzoeken; en

    • 4°. aanvullende onderzoeken.

  • 2 Het in het eerste lid, onder 1, bedoelde onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld, omvat: een volledige inspectie van de constructie, de voor de visserij bestemde inrichtingen, machine-installaties, algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de romp van het vaartuig aan de buitenzijde en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting, benevens een beoordeling van de stabiliteit. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de stabiliteit, de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radio-installaties, radiotelegrafie-installaties in reddingboten, draagbare radiotoestellen voor groepsreddingmiddelen, nood radiobakens voor groepsreddingmiddelen, reddingmiddelen, brandontdekkings- en brandblusmiddelen, brandbeveiligingsplannen, radars, echoloden, gyrokompassen en andere uitrusting ten volle voldoen aan de eisen van dit besluit. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat het zeker is dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, dagmerken, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist krachtens de voorschriften van dit besluit. In het geval loodsladders worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden teneinde zeker te stellen dat zij deugdelijk zijn en voldoen aan het daaromtrent bepaalde in dit besluit.

  • 3 Het in het eerste lid, onder 2, bedoelde tussentijdse onderzoek omvat elk jaar een inspectie van de constructie, de voor de visserij bestemde inrichtingen, de machine-installatie en de uitrusting van het vaartuig. Het tussentijdse onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat geen wijzigingen zijn aangebracht waardoor de veiligheid van het vaartuig of de opvarenden nadelig zou worden beïnvloed.

  • 4 Het in het eerste lid, onder 3, bedoelde periodieke onderzoek omvat:

    • 1°. elke vijf jaar een inspectie waar het de constructie en de machine-installatie van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6;

    • 2°. elke twee jaar een inspectie waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 10; en

    • 3°. een jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting aan boord, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen, bedoeld in de artikelen 231, 237, en 317, derde lid, van de medicijnkisten aan boord van reddingboten en hulpverleningsboten, bedoeld in artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20, onderscheidenlijk artikel 223, elfde lid, onderdeel 9, en van de radio-installaties, de radiorichtingzoeker en de radar, bedoeld in de hoofdstukken 9 en 10.

    Een periodiek onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat alle in het tweede lid genoemde onderdelen in een bevredigende toestand verkeren en geschikt zijn voor de dienst waarvoor zij zijn bestemd, dat zij voldoen aan de eisen van dit besluit, voorzover deze van toepassing zijn, en dat de stabiliteitsgegevens aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn. In het geval de geldigheidsduur van het certificaat, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt verlengd, kan de tussenliggende tijd van het periodieke onderzoek overeenkomstig worden verlengd.

  • 5 De in het eerste lid, onder 4, bedoelde aanvullende onderzoeken dienen hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, al naar gelang de omstandigheden, te worden gehouden telkens wanneer zich een ongeval heeft voorgedaan of een onvolkomenheid is ontdekt, waardoor de veiligheid van het vaartuig of de doeltreffendheid of volledigheid van de reddingmiddelen of andere uitrusting kan zijn aangetast of wanneer belangrijke herstellingen of vernieuwingen worden uitgevoerd. Het onderzoek moet zodanig zijn, dat het zeker is dat de noodzakelijke herstellingen of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het vaartuig in alle opzichten voldoet aan de eisen van dit besluit.

Artikel 14. Onderzoek van de romp aan de buitenzijde

  • 1 Van een vaartuig moet ten minste eenmaal in de 36 maanden de gehele romp aan de buitenzijde worden onderzocht, met dien verstande dat het tijdsverloop tot het volgende onderzoek van de romp aan de buitenzijde zodanig is dat het vaartuig ten minste twee zulke onderzoeken ondergaat in een periode van 5 jaar.

  • 2 Afhankelijk van de leeftijd van het vaartuig, het materiaal van de romp, de toestand van de romp tijdens het laatste onderzoek en de getroffen voorzieningen ter bescherming tegen corrosie en intering, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kortere periode tussen 2 opeenvolgende onderzoeken van de romp aan de buitenzijde eisen, dan toegestaan in het eerste lid.

Artikel 15. Verplichte kennisgeving

Telkens wanneer van een vaartuig de romp aan de buitenzijde zal worden onderzocht, of wanneer aan het vaartuig of aan de werktuigen herstellingen zullen plaatshebben, moet hiervan tijdig aan de Scheepvaartinspectie worden kennis gegeven, opdat deze in de gelegenheid zal zijn hierbij toezicht te houden of te doen houden.

Artikel 16. Handhaving van de toestand na een onderzoek

Nadat een onderzoek als bedoeld in artikel 12, is beëindigd:

  • 1°. dient de toestand van het vaartuig en de uitrusting te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit besluit, voorzover dit van toepassing is, om zeker te stellen dat het vaartuig in alle opzichten veilig blijft om zonder gevaar voor vaartuig en opvarenden naar zee te vertrekken; en

  • 2°. mag, zonder goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, generlei verandering in de constructie, in de werktuiglijke inrichting en in de uitrusting worden aangebracht, voorzover deze aan het onderzoek waren onderworpen.

Artikel 17. Wijze van handelen bij schade

  • 1 Indien een vaartuig schade heeft opgelopen of zich iets heeft voorgedaan waardoor het vermoeden rijst dat schade dan wel een gebrek is ontstaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of de deugdelijkheid of volledigheid van de reddingmiddelen of van de andere uitrusting kan zijn beïnvloed, dient de kapitein de Scheepvaartinspectie, zo spoedig mogelijk in te lichten.

  • 2 Indien een van de gevallen als bedoeld in het eerste lid zich heeft voorgedaan en het vaartuig bevindt zich in een haven buiten Nederland, buiten de Nederlandse Antillen of buiten Aruba, dan dient de kapitein bovendien onmiddellijk de ter plaatse bevoegde autoriteiten in te lichten. De reis mag niet worden voortgezet voordat de kapitein met een surveyor van het klassebureau in verbinding is getreden en voordat deze een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat de herstelling naar behoren is geschied of dat de reis zonder bezwaar kan worden vervolgd.

  • 3 Indien in de haven buiten Nederland, buiten de Nederlandse Antillen of buiten Aruba de in het voorgaande lid bedoelde surveyor niet ter plaatse is of zal komen, is de kapitein bevoegd met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Schepenwet de reis te vervolgen, tenzij de ter plaatse bevoegde autoriteiten zich hiertegen verzetten. De kapitein dient een en ander in het scheepsdagboek te doen aantekenen en zo mogelijk te doen vaststellen door een ter plaatse aanwezige Nederlandse consulaire ambtenaar.

§ 3. Certificaten

Artikel 20. Aanvragen van certificaten

  • 1 Voor het verkrijgen van een certificaat moet de eigenaar of de bouwer van het vaartuig een aanvraag indienen bij de Scheepvaartinspectie.

  • 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen betreffende de aanvraag ter verkrijging van een certificaat en de daarbij over te leggen tekeningen en gegevens van het vaartuig.

Artikel 21. Het ter inzage leggen van certificaten

Alle op grond van dit besluit afgegeven certificaten of gewaarmerkte afschriften daarvan moeten ter inzage liggen op een voor alle schepelingen toegankelijke plaats, onder aanduiding van de plaats op een zichtbare wijze, zodat zij van de inhoud daarvan behoorlijk kunnen kennisnemen.

Artikel 22. Certificaat van deugdelijkheid

  • 1 Behoudens het bepaalde in het vierde lid, wordt een certificaat van deugdelijkheid afgegeven nadat bij het onderzoek bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3, en ook overigens is gebleken, dat aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.

  • 2 De aanvraag tot het verkrijgen van een eerste certificaat van deugdelijkheid moet vergezeld gaan van de voor de controle van bouw en inrichting benodigde tekeningen en berekeningen, voorzover deze tevoren nog niet waren ingezonden, van het bewijs van inschrijving in het centraal visserij-register en van de meetbrief of van gewaarmerkte afschriften van deze stukken.

  • 3 Voor een vaartuig voorzien van een stoomketelinstallatie, moet elke aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van deugdelijkheid vergezeld gaan van een opgave van de datum van het laatste onderzoek van genoemde installatie.

  • 3 Voor een vaartuig onder toezicht van een van de klassebureaus, moet bij elke aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van deugdelijkheid bovendien het op het ogenblik van aanvraag geldige certificaat van dat bureau worden overgelegd. Bevindt het vaartuig zich in het buitenland, dan kan met toezending van een gewaarmerkt afschrift van dat certificaat worden volstaan.

  • 4 Voor een vaartuig waarvoor een certificaat als bedoeld in het derde lid, onder 2, is overgelegd, kan een certificaat van deugdelijkheid worden afgegeven, tenzij aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie bij onderzoek blijkt dat het certificaat van het klassebureau ten onrechte werd toegekend of dat sedert die toekenning de toestand van het vaartuig zodanig is veranderd, dat de zeewaardigheid onvoldoende is geworden of dat uit anderen hoofde tegen de afgifte van een certificaat van deugdelijkheid bezwaar bestaat.

  • 5 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast voor welk tijdvak het certificaat van deugdelijkheid zal gelden.

  • 5 De geldigheidsduur van een certificaat van deugdelijkheid kan door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd, nadat ten genoegen van genoemd hoofd is gebleken dat aan de betreffende voorschriften van dit besluit is voldaan.

  • 6 Op het certificaat van deugdelijkheid wordt het vaargebied, bedoeld in artikel 7, eerste lid, vermeld.

Artikel 23. Veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen

  • 1 Een vaartuig moet een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen aan boord hebben.

  • 2 Een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen wordt afgegeven nadat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3, is gebleken, dat aan de voorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 10 is voldaan.

  • 3 De aanvraag tot het verkrijgen van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet vergezeld gaan van de nodige gegevens betreffende de redding- en veiligheidsmiddelen, de verdere uitrusting en van de radio-installaties en -toestellen.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast voor welk tijdvak een door hem afgegeven veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen zal gelden, met dien verstande dat dit tijdvak niet langer mag zijn dan vijf jaar.

  • 4 Indien een vaartuig zich ten tijde van het aflopen van de geldigheidsduur van het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen in het buitenland bevindt, kan de geldigheidsduur van genoemd certificaat door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd met een tijdsduur van ten hoogste vijf maanden, teneinde het vaartuig in staat te stellen zijn reis te voltooien naar een haven waar het aan een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3, zal worden onderworpen.

  • 4 Een vaartuig ten behoeve waarvan een verlenging als bedoeld onder 4.2 is verleend, mag, nadat het in de haven waar het aan het onderzoek zal worden onderworpen is aangekomen, niet krachtens een dergelijke verlenging die haven verlaten zonder een nieuw veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen te hebben verkregen.

  • 4 Een niet op grond van het bepaalde onder 4.2 verlengde geldigheidsduur van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen kan door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd voor een tijdsduur van ten hoogste een maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.

  • 5 Het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van aantekeningen worden voorzien waaruit blijkt dat de inspecties bedoeld in artikel 12, derde lid en vierde lid, onder 2 en 3, hebben plaatsgevonden.

Artikel 24. Certificaat van ontheffing

Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing verleent, voegt hij aan het desbetreffende certificaat een certificaat van ontheffing toe. De geldigheidsduur van een certificaat van ontheffing kan niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het certificaat waarop de ontheffing betrekking heeft.

Artikel 26. Het intrekken van certificaten

  • 1 Blijkt aan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, dat niet meer wordt voldaan aan de eisen die voor de afgifte van enig certificaat waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende wordt voorzien, dan trekt hij het betreffende certificaat in.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een certificaat intrekt, deelt hij dit terstond mede aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In Nederland draagt het Hoofd zorg voor de bekendmaking van de intrekking. In de Nederlandse Antillen en in Aruba geeft het Hoofd de eigenaar onder opgaaf van redenen bij aangetekend schrijven kennis van de intrekking.

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

§ 1. Constructie en waterdichte indeling

Artikel 27. Constructie

  • 1 Materiaal te gebruiken voor de bouw van de scheepsromp en de voornaamste werktuigen alsmede voor verbouwing, belangrijke herstelling of vernieuwing van vitale delen, moet voldoen aan en zijn gekeurd volgens de door een klassebureau gestelde eisen, dan wel voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2 en zijn gekeurd op de wijze als daarin is voorgeschreven.

  • 2 De sterkte en de constructie van de romp, bovenbouwen, dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting moeten voldoende bestand zijn tegen alle omstandigheden waaronder het vaartuig moet kunnen opereren.

  • 3 Zowel de afmetingen van alle verbanddelen van de in het tweede lid genoemde onderdelen, als de wijze waarop deze ten opzichte van elkaar zijn aangebracht en verbonden, moeten zodanig zijn dat, rekening houdende met de afmetingen van het vaartuig en het vaargebied waarvoor het bestemd is, zowel de algemene sterkte, als het weerstandsvermogen tegen plaatselijk optredende krachten aan redelijke eisen voldoen.

  • 4 De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden, rekening houdend met de te verwachten omstandigheden tijdens de vaart en in het werkgebied.

  • 5 De uitvoering van het constructiewerk van de in het tweede lid genoemde onderdelen moet aan redelijke eisen voldoen.

  • 6 Schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals de methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden. Vaartuigen welke zijn vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten zijn voorzien van een aanvaringsschot, van waterdichte schotten die de ruimte voor machines, waarin zich het hoofdvoortstuwingswerktuig bevindt, omsluiten, en van een achterpiekschot, met dien verstande dat het achterpiekschot kan dienen als het achterste machinekamerschot. Deze schotten moeten zijn opgetrokken tot aan het werkdek, met uitzondering van een achterpiekschot dat niet tevens als achterste machinekamerschot dienst doet; dit achterpiekschot dient ten minste te zijn opgetrokken tot het eerste dek boven de hoogst gelegen lastlijn. In houten vaartuigen moeten dergelijke schotten eveneens zijn aangebracht en, voor zover zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten deze schotten waterdicht zijn.

  • 7 Pijpen die door het aanvaringsschot zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van doelmatige afsluiters, die boven het werkdek moeten kunnen worden bediend en welke tegen het aanvaringsschot in de voorpiek moeten zijn bevestigd. Op de plaats van bediening dient een standaanwijzer te zijn aangebracht die aangeeft of de afsluiter geopend danwel gesloten is. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat de betreffende afsluiters aan de achterzijde van het aanvaringsschot worden aangebracht en daar ter plaatse bedienbaar zijn mits de afsluiters onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk bereikbaar zijn en beschermd zijn tegen beschadiging. Door het aanvaringsschot mag slechts één pijpleiding worden gevoerd, tenzij de voorpiek in twee afdelingen is verdeeld. In dat geval is het toegestaan door het aanvaringsschot twee pijpleidingen te voeren, te weten één pijpleiding voor elke afdeling. In het aanvaringsschot mogen geen deuren, mangaten, ventilatiekokers of andere openingen zijn aangebracht onder het werkdek.

  • 8 Indien een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, dient als voortzetting van het aanvaringsschot een schot, dicht tegen weer en wind, te zijn aangebracht tussen het werkdek en het dek boven het werkdek. Deze voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek behoeft niet onmiddellijk te zijn geplaatst boven het aanvaringsschot, mits het wordt geplaatst binnen de grenzen, als bepaald in artikel 2, eerste lid, onder 35.1 en het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien hiervan nadere regels geven.

  • 9 Het aantal openingen in de voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale bedrijfsuitoefening van het vaartuig. Dergelijke openingen moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.

  • 10 In vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht.

Artikel 28. Waterdichtheid en waterdichte indeling

  • 1 De huid en de wanden van waterdichte afdelingen, zoals schotten, dekken en de tanktop van een dubbele bodem, moeten deugdelijk waterdicht zijn afgewerkt. De huid en deze wanden moeten voldoende zijn verstijfd tegen de waterdruk die ter plaatse, ook in geval van nood, kan optreden.

  • 2 De waterdichte indeling moet zo doeltreffend zijn als redelijkerwijs, in verband met de eisen van het bedrijf, kan worden verlangd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien hiervan nadere regels stellen.

Artikel 29. Waterdichte deuren

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 27, zesde lid, moet het aantal openingen in waterdichte schotten beperkt worden tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig; openingen moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zijn voorzien van waterdichte afsluitmiddelen. Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie, zonder zulke openingen.

  • 2 Waterdichte deuren moeten als schuifdeuren zijn uitgevoerd indien:

    • 1°. deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en de bovenkant van de drempel onder de hoogst gelegen lastlijn ligt, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met het type en de bestemming van het vaartuig, van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar of niet noodzakelijk is; of

    • 2°. deze toegang geven tot het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt.

    In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide zijden van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten. Draaideuren waarvan de bovenkant van de drempel is gelegen onder de hoogst gelegen lastlijn, moeten onder normale omstandigheden op zee gesloten blijven, hetgeen aan beide zijden van de deur moet zijn aangegeven.

  • 3 Waterdichte schuifdeuren moeten nog geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15 graden, ongeacht over welke zijde.

  • 4 Waterdichte schuifdeuren moeten ter plaatse van de deur aan beide zijden geopend en gesloten kunnen worden; bovendien moeten deze deuren door middel van afstandbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een toegankelijke plaats boven het werkdek.

  • 5 Op alle plaatsen van waaruit afstandbediening plaatsvindt, moet een standaanwijzer aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend dan wel gesloten is.

Artikel 30. Uitvoering van waterdichte deuren, terugslagkleppen of afsluiters in pijpdoorvoeringen van waterdichte schotten; mangaten

  • 1 Terugslagkleppen of afsluiters in waterdichte schotten, die deel uitmaken van een pijpleidingsysteem, en waterdichte deuren moeten goed sluiten en voldoende sterk zijn en hun bewegings- en sluitingsinrichtingen moeten te allen tijde een goede werking kunnen waarborgen.

  • 2 Mangaten op ruimten voor berging van water en olie en op kofferdammen en droge tanks moeten, wanneer het vaartuig leeg is, gemakkelijk bereikbaar zijn en naar behoren kunnen worden gesloten.

Artikel 31. Waterdichte afsluitingen

  • 1 Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen moeten zijn voorzien van afsluitmiddelen die voldoen aan het bepaalde in dit besluit. Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten zoveel mogelijk ter plaatse van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig zijn aangebracht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afwijkende voorzieningen toestaan, indien naar zijn oordeel daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert.

  • 2 Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten waterdicht zijn, mechanisch kunnen worden bewogen en vanaf een plaats die een onbelemmerd uitzicht biedt op de werking van deze luiken, kunnen worden bediend.

Artikel 32. Openingen in de huid, de dekken, de bovenbouw en de dekhuizen

  • 1 Openingen in het scheepsboord, als toegangs- en laadpoorten, moeten door deugdelijke afsluitmiddelen van voldoende sterkte waterdicht kunnen worden gesloten.

  • 2 Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en in andere aan weer en wind blootgestelde constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren die permanent aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel, indien de opening daardoor gesloten is, even sterk is alsof geen opening in het schot aanwezig was. De deuren moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten door middel van pakking en knevels of andere, gelijkwaardige middelen die permanent aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn uitgevoerd, dat de deuren aan beide zijden van het schot kunnen worden geopend en gesloten.

  • 3 In deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek en die gelegen zijn in toegangskappen, opbouwen en schachten van machinekamers, moet de hoogte boven het dek van drempels ten minste 600 mm op het werkdek of ten minste 300 mm op een opbouwdek bedragen. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat van deze drempelhoogten wordt afgeweken, met dien verstande dat de drempelhoogte nimmer minder mag bedragen dan 380 mm op het werkdek of 150 mm op een opbouwdek. Ten aanzien van de minimum drempelhoogte van deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines kan niet worden afgeweken.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 33. Luikopeningen en de afsluiting daarvan door luiken van een ander materiaal dan hout

  • 1 De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 mm of op een opbouwdek ten minste 300 mm bedragen. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de hoogte van de luikhoofden wordt verlaagd dan wel de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geborgd kunnen worden.

  • 2 Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is:

    • 1°. 10,0 kN per vierkante meter, voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt; of

    • 2°. 17,0 kN per vierkante meter, voor vaartuigen waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt.

    Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat de belastingen tot maximaal 75 percent van bovenvermelde waarden worden verlaagd, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het opbouwdek bevinden achter een punt, dat op 0,25 L vanaf de voorloodlijn ligt.

  • 3 Wanneer de luiken van staal zijn vervaardigd, mag de volgens het bepaalde in het voorgaande lid berekende trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het staal. Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning van het luik.

  • 4 Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste even sterk zijn als stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen als bepaald in het tweede lid, is verzekerd.

  • 5 Luiken moeten zijn voorzien van knevels en pakkingen of daaraan gelijkwaardige voorzieningen, welke ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten zijn. De uitvoering dient de zekerheid te geven dat de dichtheid tegen weer en wind gehandhaafd blijft onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen. Voor dit doel moeten de luiken bij het onderzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, op dichtheid tegen weer en wind worden beproefd. Een dergelijke beproeving kan ook worden geëist bij het periodieke onderzoek als bedoeld in artikel 12, vierde lid, en zonodig met kortere tussenpozen.

  • 6 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van luikhoofden en sluitmiddelen.

Artikel 35. Openingen boven voortstuwingsruimten

  • 1 Openingen boven voortstuwingsruimten moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijk aan die van de aangrenzende bovenbouw. Indien deze schachten niet door andere constructies zijn beschermd, moet de sterkte aan bijzondere eisen voldoen; toegangsopeningen in dergelijke schachten moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, en alle overige openingen in dergelijke schachten moeten zijn voorzien van gelijkwaardige, vast aangebrachte afsluitmiddelen en moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.

  • 2 Ventilatieschachten en schoorstenen op voorstuwingsruimten op blootgestelde plaatsen op het werkdek of op een opbouwdek moeten zo hoog boven het dek worden opgetrokken als redelijk en uitvoerbaar is. De openingen van ventilatieschachten moeten zijn voorzien van voldoende sterke, vast aangebrachte afsluitmiddelen van staal of een ander goedgekeurd materiaal die de openingen dicht tegen weer en wind kunnen afsluiten, tenzij het naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig binnendringt via ventilatieschachten, in welk geval bijzondere voorzieningen kunnen worden verlangd.

Artikel 36. Andere openingen in het dek

  • 1 Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type, met een maximum van één stortrand per twee viskeeën in het ruim, en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden; de desbetreffende afsluitmiddelen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende constructie. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de afsluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht mits het deksel en de rand zijn voorzien van een grove schroefdraad of van goedpassende geschaafde nokken met een schuinte van 1 op 24.

  • 2 Openingen die geen luikhoofden, openingen boven de voortstuwingsruimte, mangaten of verzonken stortranden in het werk- of opbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, of daaraan gelijkwaardige afsluitingen. Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is ter hoogte van het vlak van kiel en stevens van het vaartuig geplaatst zijn.

Artikel 37. Luchtkokers

  • 1 Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moeten de schachten van luchtkokers, geen schachten van luchtkokers van de voortstuwingsruimte zijnde, een hoogte van ten minste 900 mm boven het werkdek of ten minste 760 mm boven het opbouwdek hebben. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, moet de hoogte van deze schachten respectievelijk 760 mm of 450 mm bedragen.

  • 2 De sterkte van schachten van luchtkokers moet gelijk zijn aan die van de aangrenzende constructie. Indien de schacht van een luchtkoker hoger is dan 900 mm moet deze extra zijn gesteund. Behoudens het bepaalde in het navolgende lid moeten schachten van luchtkokers zijn voorzien van afsluitmiddelen die een doeltreffende afsluiting vormen dicht tegen weer en wind. De afsluitmiddelen moeten vast zijn aangebracht. Indien het naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig binnendringt via de luchtkokers van de voortstuwingsruimte, kunnen afsluitmiddelen aan deze luchtkokers vervallen, in welk geval bijzondere voorzieningen kunnen worden verlangd.

  • 3 Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, behoeven de luchtkokers waarvan de schachten meer dan 4.50 m boven het werkdek of meer dan 2.30 m boven het opbouwdek uitsteken niet van afsluitmiddelen als bedoeld in het tweede lid, te zijn voorzien, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat dergelijke afsluitmiddelen noodzakelijk zijn. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoeven luchtkokers waarvan de schachten meer dan 3.40 m boven het werkdek of meer dan 1.70 meter boven het opbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van afsluitmiddelen als bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor schachten van luchtkokers op blootgestelde plaatsen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een grotere hoogte voorschrijven.

Artikel 38. Vul- en luchtpijpen

  • 1 Op dubbele bodem- of andere tanks moeten luchtpijpen zijn aangebracht.

  • 2 De blootgestelde delen van luchtpijpen welke boven het werkdek of boven het opbouwdek uitsteken, moeten voldoende sterk en in voldoende mate beschermd zijn. Voorts moeten luchtpijpen in laadruimten en aan dek zodanig beschermd of zo sterk zijn, dat zij door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.

  • 3 Luchtpijpen van tanks die, hetzij door het openen van een of meer kranen of afsluiters van buitenboord kunnen vollopen, hetzij door middel van een werktuiglijk gedreven pomp kunnen worden gevuld, alsmede alle luchtpijpen van dubbele bodemtanks en kofferdammen en van voorraad-, bezink- en dagtanks voor brandstofolie, moeten boven het werkdek in de open lucht uitmonden en aldaar steeds toegankelijk zijn.

  • 4 De luchtpijpen van brandstoftanks moeten bovendien op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie veilige plaats uitkomen en zijn voorzien van een doelmatige vlamkerende inrichting.

  • 5 Het is toegestaan de luchtpijpen van die tanks waarvan de inhoud bij uitvloeien op het open dek gevaar kan opleveren of om andere redenen ongewenst is, naar een overvloeitank of een andere hiervoor geschikte voorraadtank te leiden. In dat geval dient de ontluchting van de overvloeitank boven het werkdek in de open lucht uit te monden en aldaar steeds toegankelijk te zijn. De ontluchting van de overvloeitank dient zodanig te zijn bemeten, dat deze de maximum te verwachten toevoer zonder overmatige drukverhoging kan verwerken. De overvloeitank dient voldoende ruim bemeten te zijn. Een alarminrichting moet worden aangebracht welke alarmeert bij een vooraf bepaald niveau in tanks of wanneer de tanks overvloeien.

  • 6 De hoogte van de opening van luchtpijpen boven het dek moet op het werkdek ten minste 760 mm of op een opbouwdek ten minste 450 mm bedragen. Indien de hoogte van een luchtpijp een belemmering vormt voor de visserijwerkzaamheden aan boord, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kleinere hoogte toestaan.

  • 7 Voor de afsluiting van de opening van de luchtpijpen moet worden gebruik gemaakt van automatisch werkende afsluitmiddelen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten zijn.

  • 8 Vulpijpen op drinkwatertanks moeten ten minste 150 mm boven het dek reiken.

Artikel 39. Voorzieningen voor peilen

  • 1 Op dubbele bodem- of andere tanks alsmede op de vullingen van alle ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, moeten voorzieningen voor peilen zijn aangebracht.

  • 2 Als voorzieningen voor peilen worden aangemerkt:

    • 1°. peilinrichtingen welke al dan niet zijn ingericht voor aflezing op afstand;

    • 2°. inrichtingen welke door alarmering aangeven dat het vloeistofniveau in een ruimte een bepaalde, vooraf ingestelde waarde overschrijdt;

    • 3°. peilpijpen; en

    • 4°. peilglazen.

  • 3 De voorziening voor peilen van brandstoftanks, smeerolietanks, drinkwatertanks en andere tanks voor verbruiksvloeistoffen, alsmede van waterballasttanks, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat kleine, in de machinekamer dan wel in andere, vanuit de machinekamer bereikbare ruimten gelegen verbruikstanks alsmede kleine buffertanks behorend bij werktuigen, zijn voorzien van peilpijpen of peilglazen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid.

  • 5 In afwijking van het gestelde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts toestaan dat op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt de in dat artikel genoemde tanks zijn voorzien van peilpijpen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid.

  • 6 De voorziening voor peilen op de vullingen van ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, waaronder begrepen laadruimten, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1, dan wel uit een alarminrichting als bedoeld in het tweede lid, onder 2.

  • 7 Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, alsmede inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2, moeten van een goedgekeurd type zijn.

  • 8 Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, moeten zijn voorzien van een ingebouwde mogelijkheid tot calibratie. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afzien van een mogelijkheid tot calibratie, indien de betreffende ruimte of ruimten tevens zijn voorzien van een peilpijp en de bestemming van deze ruimte of ruimten zodanig is dat peilen door middel van deze peilpijp geen bezwaar voor de veiligheid oplevert.

  • 9 Indien is toegestaan dat een ruimte is voorzien van een inrichting als bedoeld in het tweede lid onder 2, moet deze ruimte tevens zijn voorzien van een peilpijp.

  • 10 Indien is toegestaan dat tanks of kofferdammen zijn voorzien van peilpijpen, moeten deze zoveel mogelijk boven het werkdek, op een steeds toegankelijke plaats uitkomen. Peilpijpen van brandstofolietanks moeten bovendien op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie veilige plaats uitkomen. Korte peilpijpen die onder het werkdek uitkomen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende kranen; op brandstofolietanks moeten zij voldoen aan het ter zake bepaalde in artikel 83, derde lid.

  • 11 Indien peilpijpen door laadruimten worden gevoerd, moeten zij aldaar en aan dek zodanig zijn beschermd of zo sterk zijn dat zij door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.

  • 12 Onder peilpijpen moeten stootplaatjes zijn aangebracht.

  • 13 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de constructie en aanleg van peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, en van inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2.

  • 14 Indien op drinkwatertanks peilpijpen zijn toegestaan, moeten deze ten minste 150 mm boven het dek reiken.

Artikel 40. Patrijspoorten, ramen en vaste lichtranden

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 144 en 170, tiende lid, moeten patrijspoorten, ramen en vaste lichtranden in ruimten onder het werkdek of in een gesloten bovenbouw aan de binnenzijde zijn voorzien van scharnierende blinden die deugdelijk en waterdicht kunnen worden gesloten.

  • 2 Het laagste punt van de dagopening van patrijspoorten en lichtranden mag niet lager zijn gelegen dan een lijn die evenwijdig aan het werkdek in de zijde op het scheepsboord is getrokken en die haar laagste punt heeft op een hoogte boven de hoogst gelegen lastlijn, overeenkomend met 2,5 percent van de breedte, dan wel 500 mm indien deze laatste hoogte groter is.

  • 3 Alle patrijspoorten met inbegrip van de zich daarin bevindende glasschijven, ramen, vaste lichtranden en blinden moeten van deugdelijke constructie zijn en moeten overigens voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gestelde eisen betreffende type, afmetingen en sterkte.

  • 4 Voor de ramen van het stuurhuis moet gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal worden toegepast.

  • 5 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat patrijspoorten, ramen, en vaste lichtranden welke zijn aangebracht in de zij- en achterschotten van dekhuizen op of boven het werkdek, niet zijn voorzien van blinden, indien naar zijn oordeel de veiligheid van het vaartuig daardoor niet vermindert.

Artikel 41. Spuipijpen, inlaat- en uitlaatopeningen

  • 1 De door het scheepsboord gaande afvoerpijpen van ruimten onder het werkdek of van ruimten in gesloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek, voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, moeten zijn voorzien van doelmatige middelen ter voorkoming van het binnendringen van water. Deze middelen tot afsluiting moeten steeds bereikbaar zijn. Behoudens het bepaalde in het volgende lid moet in het algemeen elke afzonderlijke uitlaatopening zijn voorzien van een terugslagklep met een inrichting door middel waarvan de klep in gesloten toestand rechtstreeks vanaf een plaats boven het werkdek kan worden geborgd. Deze plaats moet gemakkelijk bereikbaar zijn en er moet aldaar een inrichting zijn aangebracht die aanwijst of de klep open dan wel gesloten is. De spuipijpen voor waterafvoer vanuit de ruimten voor accommodatie mogen niet in de ruimte voor machines uitmonden. Indien de vertikale afstand van de hoogst gelegen lastlijn tot de binnenboordsopening van een afvoerpijp groter is dan één percent van de lengte, mag de uitlaatopening zijn voorzien van twee terugslagkleppen zonder bovengenoemde borginrichting, mits de bovenste klep gedurende de normale dienst bruikbaar is teneinde te worden nagezien. Indien de vertikale afstand van de hoogst gelegen lastlijn tot de binnenboordsopening van een afvoerpijp groter is dan twee percent van de lengte, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de uitlaatopening is voorzien van een enkele terugslagklep zonder borginrichting.

  • 2 Indien bij de maximum toelaatbare diepgang de binnenboordsopening van een afvoerpijp van een toilet eerst bij een hellingshoek groter dan 15 graden wordt ondergedompeld, kan in plaats van de in het voorgaande lid voorgeschreven afsluiting van de buitenboordsopening worden volstaan met het afsluiten van de binnenboordsopening door middel van een in het toilet ingebouwde terugslagklep van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde constructie en met het aanbrengen van een afvoerpijp welke over de gehele lengte dikwandig moet zijn. Ter plaatse van de huid en dekdoorvoering moet de ondersteuning van de pijp deugdelijk zijn uitgevoerd.

  • 3 Buitenboordsin- en uitlaatopeningen van pijpleidingen behorende tot de werktuiglijke inrichting, moeten zijn voorzien van afsluiters of kranen, welke door middel van een flensverbinding aan de huid of aan een op de huid gebouwde stalen kast zijn aangebracht. Voor uitlaatopeningen mag in de plaats van een afsluiter of kraan gebruik worden gemaakt van een terugslagklep, mits deze in gesloten stand kan worden geborgd. Bedoelde afsluitmiddelen moeten gemakkelijk kunnen worden bediend, hetzij vanaf een te allen tijde bereikbare plaats boven het werkdek hetzij ter plaatse, in welk laatste geval de bedieningsinrichting onder normale omstandigheden te allen tijde bereikbaar moet zijn en zich boven de vloerplaten moet bevinden. Afsluiters, kranen en terugslagkleppen moeten op de plaats waar zij kunnen worden bediend, zijn voorzien van een standaanwijzer.

  • 4 Spui- en afvoerpijpen die op een afstand van meer dan 450 mm onder het werkdek of minder dan 600 mm boven de hoogst gelegen lastlijn, door het scheepsboord worden gevoerd, moeten ongeacht het niveau van de binnenboordsopening, zijn voorzien van een tegen het scheepsboord geplaatste terugslagklep. Tenzij vereist ingevolge het bepaalde in het eerste lid, mag deze terugslagklep vervallen indien de wanddikte van de afvoerpijp voldoende is.

  • 5 Spuipijpen vanuit bovenbouwen of dekhuizen die niet zijn voorzien van deuren die voldoen aan het bepaalde in artikel 32, tweede en derde lid, moeten naar buitenboord worden gevoerd.

  • 6 Alle terugslagkleppen, kranen, afsluiters en huidappendages die vereist zijn ingevolge de voorgaande leden van dit artikel moeten van staal, brons of een ander door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd. Gewoon gietijzer of ander dergelijk materiaal is hiervoor niet toegestaan. Zij moeten zijn voorzien van een deksel dat afdoende tegen loswerken is beveiligd. Alle pijpen die zich tussen de huid en de terugslagkleppen bevinden, dienen te zijn vervaardigd van staal, met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op niet-stalen vaartuigen het gebruik van andere materialen kan toestaan in ruimten, andere dan ruimten voor machines.

  • 7 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de afsluiting van afvoervoorzieningen andere dan bedoeld in de voorgaande leden.

Artikel 42. Waterloospoorten

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de standaardzeeg een kromme die bestaat uit twee halve parabolen die hun top hebben ter plaatse van het midden van de lengte en waarvan de ordinaten op de voorloodlijn en de achterloodlijn respectievelijk de waarden 50 (L/3 + 10) mm en 25 (L/3 + 10) mm hebben. De ordinaten worden gemeten van het dek in de zijde tot een denkbeeldige lijn die evenwijdig aan de kiel door de zeeglijn op het midden van de lengte is getrokken. Voor een vaartuig dat met stuurlast is ontworpen wordt deze denkbeeldige lijn evenwijdig aan de constructiewaterlijn getrokken.

  • 2 Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van werkdek en opbouwdekken een verschansing is aangebracht, moet voldoende gelegenheid tot lozing van water bestaan. Behoudens het bepaalde in het derde en het vierde lid moet de totale oppervlakte (A) van de waterloospoorten in elk scheepsboord voor elke kuil op het werkdek, indien de zeeg van dit dek gelijk is aan of groter is dan de standaardzeeg, ten minste gelijk zijn aan de volgens een van de onderstaande formules bepaalde waarde. De totale oppervlakte van de waterloospoorten in elk scheepsboord voor elke kuil op het dek van een bovenbouw moet ten minste de helft van de in een van deze formules gegeven oppervlakte bedragen.

    • 1°. Indien de lengte van de verschansing (l) aan een zijde in de kuil 20 m of minder bedraagt: A = 0,7 + 0,035 l m2;

    • 2°. Indien l meer dan 20 m bedraagt: A = 0,07 l m2;

    behoeft in geen geval groter genomen te worden dan 70 percent van de lengte van het vaartuig.

    Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing groter is dan 1200 mm, moet voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden vergroot met 0,004 m2 per meter lengte van de kuil.

    Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing kleiner is dan 900 mm, mag voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden verkleind met 0,004 m2 per meter lengte van de kuil.

  • 3 Op een vaartuig zonder zeeg moet de oppervlakte van de waterloospoorten, berekend volgens de in het tweede lid gegeven formules, met 50 percent worden vergroot. Indien het oppervlak tussen de actuele zeeglijn en de in het eerste lid genoemde denkbeeldige lijn kleiner is dan het oppervlak tussen de standaardzeeg en die lijn, moet het vereiste oppervlak van de waterloospoorten door lineaire interpolatie worden vastgesteld.

  • 4 Indien een vaartuig voorzien van een trunk, naast die trunk niet is voorzien van een verschansing welke over ten minste de halve lengte van de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek door open relingwerk is onderbroken, of indien doorlopende of grotendeels doorlopende langshoofden en luikopeningen zijn aangebracht tussen delen van een onderbroken bovenbouw, moet de verhouding van de totale oppervlakte van de waterloospoorten tot de oppervlakte van de verschansing ten minste gelijk zijn aan die vermeld in onderstaande tabel:

    Breedte van het luikhoofd of de trunk in verhouding tot de scheepsbreedte

    Totale oppervlakte van de waterloospoorten in verhouding tot de oppervlakte van de verschansing

    40% of minder

    20%

    75% of meer

    10%

    Bij tussengelegen breedten wordt de vereiste totale oppervlakte van de waterloospoorten door interpolatie bepaald.

  • 5 Op een vaartuig met bovenbouwen die aan een van de einden of aan beide einden open zijn, moeten doelmatige voorzieningen worden getroffen voor lozing van water uit deze bovenbouwen.

  • 6 De onderkanten van de waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen. Tweederde van de voorgeschreven oppervlakte der waterloospoorten moet in die helft van de kuil zijn aangebracht, die het dichtst bij het laagste punt van de zeeg is gelegen.

  • 7 Waterloospoorten en dergelijke openingen in de verschansing moeten door rasterwerk of door staven met een onderlinge afstand van ongeveer 230 mm worden beschermd. Indien kleppen zijn aangebracht, moet voor ruime speling worden gezorgd teneinde klemmen te vermijden. De scharnieren moeten van pennen van roestvrij materiaal zijn voorzien. Indien inrichtingen voor het vastzetten van deze kleppen zijn aangebracht, moeten deze zijn goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en vanaf een gemakkelijke bereikbare plaats eenvoudig te bedienen zijn. Deze vastzetinrichtingen kunnen alleen worden toegestaan indien zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de visserij.

  • 8 Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig zijn aangebracht dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken moeten zo zijn geconstrueerd dat zij bij gebruik in de juiste stand kunnen worden vastgezet en de lozing van overkomend water niet belemmeren.

  • 9 Bij vaartuigen bestemd om te worden gebruikt in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en voorzieningen ter bescherming van waterloospoorten als bedoeld in het zevende lid, gemakkelijk kunnen worden verwijderd teneinde ijsafzetting te beperken.

§ 2. Uitrusting en keuring van materialen

Artikel 43. Uitrusting voor het ankeren en het meren

  • 1 Een vaartuig moet zodanig zijn uitgerust dat het snel en veilig kan ankeren. De uitrusting dient daartoe te bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen van het anker, het lichten van het anker en het ten anker houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene bedrijfsomstandigheid.

  • 2 Een vaartuig moet tevens zijn uitgerust met doelmatig meergerei, teneinde onder alle bedrijfsomstandigheden veilig te kunnen meren.

  • 3 De uitrusting voor het ankeren en voor het meren moet voldoen aan het bepaalde in deze paragraaf en moet tevens ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Artikel 44. Anker- en meergerei

  • 1 De ankers moeten in voldoend aantal aanwezig zijn en van voldoende gewicht en sterkte zijn. De ankerkettingen of ankerkabels moeten van voldoende lengte, gewicht en sterkte zijn, terwijl elk van de ankerkettingen uit de nodige, onderling verbonden, losneembare einden moet bestaan. Er moet een reserve anker- en kettingsluiting aan boord aanwezig zijn.

  • 2 De ankers en kettingen moeten worden gekeurd op de wijze, als in deze paragraaf is voorgeschreven.

  • 3 De ankerkettingen moeten zodanig aan het vaartuig zijn bevestigd, dat zij buiten de kettingbak kunnen worden ontsloten.

  • 4 De voor een vaartuig bestemde ankerkettingen mogen niet worden gebruikt voor het remmen tijdens het te water lopen van het vaartuig.

  • 5 De ankerinrichting moet wat bouw, plaatsing en vermogen betreft, zodanig zijn, dat de ankers gemakkelijk en snel kunnen worden bediend, terwijl een bijzondere borginrichting van de ankers aanwezig moet zijn, die het uitlopen ten gevolge van schok of stoot voorkomt.

  • 6 Al het aan boord aanwezige meergerei moet van voldoende sterkte zijn en moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

  • 7 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van anker- en meergerei.

Artikel 45. Het keuren van materialen - algemeen

Alleen indien materialen bestemd voor de bouw van of herstellingen aan vaartuigen of scheepswerktuigen dan wel voor ankers en kettingen, niet zijn gekeurd door of vanwege een klassebureau, geschiedt de keuring daarvan door de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de in deze paragraaf vermelde voorschriften in acht nemen. Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.

Artikel 47. Kosten beproeving

  • 1 De kosten van de beproeving komen ten laste van de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant.

  • 2 Indien een beproeving buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba plaatsvindt, dienen de beproevingstoestellen door een in het betrokken land bevoegde instantie te zijn geijkt. Een geldig bewijs hiervan wordt overgelegd.

Artikel 49. Keuring, keuringseisen, enzovoort

  • 1 De voorschriften betreffende maatafwijkingen, keuze en aanwijzing van proefstukken, keuring, afkeuring, wijze en middelen van beproeving, keuringseisen en al wat daarbij hoort zoals deze zijn neergelegd in de desbetreffende normen van het Nederlands Normalisatie Instituut worden bij de beoordeling van materialen gevolgd, tenzij in de volgende bepalingen van deze paragraaf afwijkende voorschriften voorkomen.

    Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.

  • 2 Waar in de in het eerste lid bedoelde normen wordt gesproken van «besteller of diens gemachtigde» of «leverancier», dient voor de toepassing van deze paragraaf te worden gelezen: «ambtenaar van de Scheepvaartinspectie» onderscheidenlijk «scheepsbouwmeester of machinefabrikant».

  • 3 Staal gebezigd bij de bouw van romp en werktuigen en voor ankers en kettingen moet zijn vervaardigd volgens het open-haardproces of volgens een proces dat door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of door een klassebureau wordt geacht een gelijkwaardig product te leveren.

Artikel 52. Gevallen waarin materialen niet worden gekeurd

De betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan voor bepaalde gevallen, met het oog op de aard van het werk waarvoor het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen betreft, kan door hem de keuring geheel achterwege worden gelaten.

Artikel 53. Afkeuring

Elk onderdeel kan te allen tijde, zowel tijdens als na de bewerking, nog worden afgekeurd wanneer dit gebreken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn die bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt.

Artikel 54. Ankers, kenmerken, gewicht

  • 1 Elk ter beproeving aangeboden anker moet zijn voorzien van een goed leesbaar slagmerk en ingeslagen nummer, onderscheidenlijk aanduidend de naam van de fabrikant en het doorlopend fabrikatienummer.

  • 2 Tevens moeten de massa van het anker zonder stok en dat van de eventueel bijbehorende stok, beide afzonderlijk gewogen, duidelijk op de schacht van het anker zijn ingeslagen.

  • 3 Nadat de voorgeschreven belastingproef met goed gevolg heeft plaatsgehad, wordt onder de in het voorgaande lid genoemde merken door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar het slagmerkteken van de Scheepvaartinspectie ingeslagen.

  • 4 Ankers met een massa van niet meer dan 70 kg behoeven niet te worden beproefd.

  • 5 Waar in deze paragraaf van de massa van het anker wordt gesproken, wordt de massa zonder stok bedoeld.

Artikel 55. Beproeving van ankers

  • 1 Ankerdelen van gegoten staal moeten worden onderworpen aan een valproef die zij moeten kunnen doorstaan zonder te breken, te scheuren of andere belangrijke beschadiging. Hierbij laat men een dergelijk gegoten stalen onderdeel, of indien het anker uit één stuk is gegoten het gehele anker, vallen over een vrije valhoogte van 4,50 m voor ankers lichter dan 750 kg, over een hoogte van 4 m voor ankers van 750 tot 1500 kg en over een hoogte van 3 m voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij de val neerkomen op een ijzeren of stalen grondplaat die zo sterk is dat zij niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemetselde of betonnen fundatie worden gesteund.

  • 2 Een hamerproef moet op de in het voorgaande lid bedoelde valproef volgen, waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer van 3 kg worden beklopt voor onderzoek naar niet zichtbare gebreken.

  • 3 Alle ankers, onverschillig uit welk materiaal vervaardigd, met uitzondering van dreggen en ankers als bedoeld in artikel 54, vierde lid, moeten worden onderworpen aan een belastingproef. Deze proef wordt genomen met behulp van een kettingtrekbank of op een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Voor de te bezigen werktuigen geldt het bepaalde in artikel 46. De in artikel 58 opgenomen tabel geeft, in verband met de massa van het anker, de te gebruiken belasting aan. Ankers die op grond van hun constructie van geringere massa mogen zijn dan de gebruikelijke typen, moeten worden beproefd met een belasting zoals voorgeschreven indien geen reductie op de massa zou zijn toegepast.

  • 4 Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de roering en aan de andere zijde aan een van de vloeien, bij stokloze ankers aan beide vloeien, op een derde van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei gemeten. Met deze lengte wordt bedoeld de afstand van de punt van de vloei tot het snijpunt van de hartlijn van de schacht met ondereind anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de andere vloeiarm wordt belast en bij stokloze ankers beide vloeien aan de keerzijde worden belast.

  • 5 Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker nagezien om te constateren of zich gebreken voordoen als scheuren, blijvende vormveranderingen en dergelijke. Indien zich gebreken voordoen, wordt het anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt bovendien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Indien zij niet gangbaar zijn gebleven, wordt dit hersteld en de proef herhaald.

Artikel 56. Ankerkettingen

  • 1 Met uitzondering van de eindschalmen en de onmiddellijk daarop aansluitende grote schalmen aan elk kettingeind, moeten alle schalmen van gelijke grootte zijn. In de lengte- en breedte-afmetingen wordt voor de schalmen en sluitingen een speling toegestaan van ten hoogste plus of min 2 percent. De speling van de middellijnen van de schalmdoorsnede mag naar beneden niet meer bedragen dan:

    1 mm, voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn kleiner dan 50 mm;

    1,5 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn van 50 tot en met 75 mm; en

    2 mm voor ketting van kettingmateriaal met een middellijn groter dan 75 mm.

  • 2 Elk kettingeind, ongeveer 27 m lang, moet uit een oneven aantal schalmen bestaan.

  • 3 Wartels mogen alleen aan de uiteinden van de gehele ketting voorkomen.

  • 4 De kettingen mogen tijdens de beproeving noch geschilderd, noch geolied, noch met enig ander smeersel zijn bedekt.

  • 5 Elk kettingeind dat aan de eisen voldoet, moet op beide eindschalmen en op alle sluitings, eindharpen en wartels door of ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar duidelijk worden gemerkt met het slagmerkteken als bedoeld in artikel 50.

Artikel 57. Beproeving van ankerkettingen

  • 1 Alle kettingeinden, ook voorloopkettingen, behorende tot het ankergerei van een vaartuig moeten worden beproefd. Hiertoe worden alle schalmen, wartels, sluitings en eindharpen, die tot zulk een eind behoren, alsmede de bij de ketting eventueel behorende reserve sluitings en harpen, onderworpen aan een rekproef. De in artikel 59 opgenomen tabel geeft voor de verschillende zwaarten van ketting de voorgeschreven belasting. Belangrijke vormveranderingen, breuken of andere uitwendige tekenen van beschadiging mogen zich daarbij niet voordoen. Indien dit wel het geval mocht zijn, wordt het betrokken eind ketting of reservedeel afgekeurd. Het bepaalde in artikel 46 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Voordat tot deze rekproef wordt overgegaan, kunnen door de met de keuring belaste ambtenaar, drie willekeurige, opvolgende gewone schalmen uit een kettingeind worden aangewezen voor een proef met verhoogde belasting, de zogenaamde breekproef, met dien verstande dat uit elke 27 m nooit meer dan een eerste breekproef wordt gehouden. Bij deze breekproef mogen de schalmen niet breken beneden of bij een belasting zoals is aangegeven voor elk zwaarte van ketting in de in het voorgaande lid bedoelde tabel. Breekt een van de drie schalmen voordat de belasting is overschreden dan moet een tweede serie van drie opvolgende schalmen uit hetzelfde eind worden onderworpen aan dezelfde proef. Treedt er nogmaals een breuk op, dan wordt het betrokken kettingeind afgekeurd.

  • 3 Na afloop van de breekproef worden de drie hoogbelaste schalmen uit het kettingeind verwijderd en de ketting weer tot een geheel gemaakt, door een of drie nieuwe schalmen tussen beide gedeelten te brengen. Daarna kan tot de in het eerste lid genoemde rekproef worden overgegaan.

  • 4 Na afloop van de rekproef wordt elk kettingeind grondig nagezien om vast te stellen of de lassen in orde zijn, de verschillende delen de vereiste vorm en de vereiste afmetingen hebben en er geen gebreken zijn. Bij het voorkomen van gebreken moeten deze worden hersteld en het kettingeind daarna opnieuw aan de rekproef worden onderworpen.

  • 5 Voor kettingen vervaardigd van staal met een treksterkte die gelijk is aan of groter is dan 690 N/mm2 moeten aanvullende beproevingen van de mechanische eigenschappen worden uitgevoerd, zoals voorgeschreven door de klassebureaus.

Artikel 58. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankers

Massa in kg van het anker. Bij stokankers de massa zonder stok

Belastingproef in kN

50

23,2

55

25

60

27

65

29

70

31

75

32,5

80

34

90

36

100

39

120

44

140

49

160

53

180

57

200

61

225

67

250

70

275

75

300

79

325

84

350

88

375

93

400

97

425

102

450

106

475

111

500

115

550

124

600

132

650

140

700

150

750

157

800

165

850

174

900

182

950

190

1000

200

1050

207

1100

215

1150

223

1200

230

1250

240

1300

247

1350

255

1400

260

1450

270

1500

275

1600

290

1700

305

1800

320

1900

335

2000

350

2100

360

2200

375

2300

385

2400

400

2500

410

2600

425

2700

435

2800

450

2900

460

3000

470

3100

480

3200

495

3300

505

3400

515

3500

525

3600

535

3700

545

3800

555

3900

565

4000

575

4100

585

4200

595

4300

600

4400

610

4500

620

4600

630

4700

635

4800

645

4900

650

5000

660

5100

665

5200

675

5300

680

5400

690

5500

695

5600

705

5700

710

5800

720

5900

725

6000

730

6100

740

6200

745

6300

750

6400

760

6500

765

6600

770

6700

775

6800

785

6900

790

7000

800

7200

815

7400

830

7600

845

7800

860

8000

875

8200

890

8400

905

8600

920

8800

935

9000

945

9200

960

9400

970

9600

985

9800

995

10000

1010

10500

1030

11000

1060

11500

1080

12000

1100

12500

1120

13000

1150

13500

1170

14000

1200

14500

1220

15000

1250

15500

1270

16000

1300

16500

1330

17000

1350

17500

1390

18000

1410

18500

1450

19000

1470

19500

1500

20000

1520

21000

1560

22000

1610

23000

1660

24000

1700

25000

1750

26000

1800

27000

1850

28000

1900

29000

1950

30000

2000

31000

2030

32000

2060

34000

2150

36000

2250

38000

2350

40000

2400

42000

2500

44000

2550

46000

2650

Artikel 59. Tabel, aangevende de te gebruiken belasting bij het beproeven van ankerkettingen met dam

Staal met een treksterkte van 300–490 N/mm2

Staal met een treksterkte van 490–690 N/mm2

Staal met een treksterkte van ≥ 690 N/mm2

Massa per lengte van 27,50 m

Nominale diameter

Breekproef

Rekproef

Breekproef

Rekproef

Breekproef

Rekproef

Met D-sluiting

Met Patent-sluiting

mm

kN

kN

kN

kN

kN

kN

kg

kg

12,5

66

46

92

66

132

92

100

98

14

82

58

115

82

165

115

122

120

16

106

75

150

106

215

150

157

155

17,5

127

89

180

127

255

180

186

184

19

150

105

210

150

300

210

218

215

20,5

175

122

245

175

350

245

253

250

22

200

140

280

200

400

280

290

287

24

235

166

330

235

475

330

343

339

26

275

195

390

275

555

390

400

395

28

320

225

445

320

640

445

462

456

30

365

255

510

365

730

510

530

523

32

415

290

580

415

830

580

603

594

34

465

325

655

465

935

655

680

670

36

520

365

730

520

1050

730

760

750

38

580

405

810

580

1150

810

850

835

40

640

445

895

640

1280

895

930

915

42

700

490

980

700

1400

980

1030

1010

44

765

535

1070

765

1550

1070

1140

1120

46

835

585

1160

835

1670

1160

1235

1210

48

905

635

1270

905

1800

1270

1345

1320

50

980

685

1370

980

1950

1370

1460

1430

52

1050

735

1480

1050

2100

1480

1585

1555

54

1130

790

1600

1130

2250

1600

1700

1665

56

1210

850

1700

1210

2450

1700

1840

1800

58

1300

905

1800

1300

2600

1800

1980

1930

60

1380

965

1950

1380

2750

1950

2120

2065

62

1470

1020

2050

1470

2950

2050

2255

2200

64

1550

1100

2200

1550

3100

2200

2395

2330

66

1650

1150

2300

1650

3300

2300

2570

2505

68

1750

1220

2450

1750

3500

2450

2715

2635

70

1850

1300

2600

1850

3700

2600

2900

2815

73

2000

1400

2800

2000

4000

2800

3150

3065

76

2150

1500

3000

2150

4300

3000

3425

3315

78

2250

1570

3150

2250

4500

3150

3620

3500

81

2400

1700

3350

2400

4800

3350

3880

3745

84

2600

1800

3600

2600

5150

3600

4135

3980

87

2750

1920

3850

2750

5500

3850

4485

4315

90

2900

2050

4050

2900

5800

4050

4840

4655

92

3050

2120

4250

3050

6050

4250

5040

4845

95

3200

2250

4500

3200

6400

4500

5410

5190

97

3350

2350

4650

3350

6650

4650

5610

5375

100

3500

2450

4900

3500

7050

4900

5980

5725

102

3650

2550

5100

3650

7300

5100

6170

5900

105

3850

2700

5350

3850

7650

5350

6540

6245

107

3950

2800

5550

3950

7950

5550

6910

6610

111

4250

2950

5900

4250

8450

5900

7270

6930

114

4400

3100

6200

4400

8850

6200

7885

7505

117

4650

3250

6500

4650

9250

6500

8260

7850

120

4850

3400

6800

4850

9700

6800

8630

8190

122

5000

3500

7000

5000

9950

7000

9065

8605

124

5100

3600

7150

5100

10200

7150

9200

8725

127

5350

3750

7450

5350

10700

7450

9870

9370

130

5550

3900

7750

5550

11100

7750

10250

9690

132

5700

4000

8000

5700

11500

8000

10730

10145

137

6050

4250

8500

6050

12100

8500

11575

10920

142

6450

4500

9000

6450

13000

9000

12420

11690

147

6800

4750

9550

6800

13600

9550

13265

12455

152

7200

5050

10100

7200

14500

10100

14090

13195

157

7600

5300

10600

7600

15200

10600

15030

14080

162

7950

5550

11100

7950

16000

11100

16000

14990

Hoofdstuk 3. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

§ 1. Stabiliteit en de daarmede verband houdende zeewaardigheid

Artikel 60. Algemeen

Vaartuigen moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfstoestanden als bedoeld in artikel 66. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Artikel 61. Stabiliteitscriteria

  • 1 Een vaartuig moet voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen betreffende de minimum stabiliteitscriteria.

  • 2 Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen zijn aangebracht teneinde het slingeren te beperken, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond dat in alle bedrijfstoestanden de stabiliteit ten minste zal blijven voldoen aan de criteria als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Wanneer ballast is aangebracht teneinde zeker te stellen dat wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, moet deze in het algemeen bestaan uit vast aangebrachte ballast. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in gevallen als bedoeld in artikel 67 het gebruik van waterballast toestaan in welk geval de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens duidelijke instructies voor de kapitein moeten bevatten voor het gebruik van zulke ballast.

Artikel 62. Vervuld raken van visruimen

  • 1 Op vaartuigen, andere dan die waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, moeten luikopeningen die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden niet gesloten zijn en die niet snel gesloten kunnen worden, zodanig zijn aangebracht dat bij een hellingshoek van 20 graden of minder geen water de visruimen kan binnendringen, tenzij aan het bepaalde in artikel 61, eerste lid, kan blijven worden voldaan wanneer die visruimen geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vaartuigen waarmede de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, met dien verstande dat de hellingshoek waarbij geen water de visruimen kan binnendringen, 30 graden of minder moet bedragen.

Artikel 63. Bijzondere vismethoden

Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vaartuig werken tijdens de visserij-werkzaamheden, moeten ten minste voldoen aan de stabiliteitscriteria bedoeld in artikel 61, tweede lid, die zonodig ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen worden uitgebreid.

Artikel 64. Invloed van de wind

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van de wind en het slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 65. Water aan dek

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Artikel 67. IJsafzetting

  • 1 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geeft nadere regels voor het berekenen van de stabiliteit van vaartuigen welke de visserij zullen uitoefenen in gebieden waar zich ijsafzetting kan voordoen.

  • 2 Vaartuigen die zijn bestemd voor het uitoefenen van de visserij in gebieden waarvan het bekend is dat zich ijsafzetting voordoet, moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie:

    • 1°. zodanig zijn ontworpen dat ijsafzetting tot een minimum wordt beperkt; en

    • 2°. met middelen voor het verwijderen van ijs zijn uitgerust.

Artikel 68. Hellingproef

  • 1 Elk vaartuig moet na voltooiing aan een hellingproef worden onderworpen waarbij het werkelijke gewicht en de ligging van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig.

  • 2 Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed kunnen zijn op de toestand van het lege, bedrijfsklare vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, moet het vaartuig, indien zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef worden onderworpen en moeten de stabiliteitsgegevens worden herzien.

  • 3 Evenzo kan een vaartuig aan een hellingproef worden onderworpen indien de nodige stabiliteitsgegevens niet kunnen worden overgelegd dan wel deze gegevens naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onvoldoende betrouwbaar zijn.

  • 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de wijze waarop een hellingproef moet worden uitgevoerd.

Artikel 69. Stabiliteitsgegevens

  • 1 Aan de kapitein moeten voldoende nauwkeurige en betrouwbare gegevens betreffende de stabiliteit ter beschikking worden gesteld, opdat door hem op een snelle en eenvoudige wijze de stabiliteit van het vaartuig onder verschillende bedrijfstoestanden kan worden beoordeeld. Deze gegevens moeten zonodig gerichte instructies voor de kapitein bevatten die hem waarschuwen voor die bedrijfstoestanden die een ongunstige invloed kunnen hebben op de stabiliteit of de trim van het vaartuig. De stabiliteitsgegevens moeten ter goedkeuring worden overgelegd aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 2 De goedgekeurde stabiliteitsgegevens moeten te allen tijde aan boord aanwezig en beschikbaar zijn.

  • 3 Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, moeten de gegevens betreffende de stabiliteit opnieuw worden berekend en ter goedkeuring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden overgelegd. Indien op grond van deze stabiliteitsberekeningen het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de bestaande stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, moeten de nieuwe gegevens aan de kapitein ter beschikking worden gesteld en moeten de vervangen gegevens worden verwijderd.

Artikel 70. Keeschotten

De vislading moet deugdelijk worden gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, moeten deze voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.

Artikel 71. Boeghoogte

  • 1 De boeghoogte moet toereikend zijn om te voorkomen dat het vaartuig bovenmatige hoeveelheden water overkrijgt en moet zodanig zijn vastgesteld, dat rekening is gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

  • 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van de boeghoogte.

Artikel 72. Maximum toelaatbare diepgang

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een maximum toelaatbare diepgang worden vastgesteld waarbij nog wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria gesteld in dit hoofdstuk zomede aan het bepaalde, voorzover van toepassing, in de hoofdstukken 2 en 6. De vastgestelde waarde van de maximum toelaatbare diepgang moet in de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens worden opgenomen. Indien een vaartuig is ingericht voor meer dan één vismethode, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor elk van die methoden een maximum toelaatbare diepgang in overweging nemen.

Artikel 73. Waterdichte indeling en lekstabiliteit

Van een vaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend zijn om het lek geraken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.

Hoofdstuk 4. Machine-installaties, elektrische installaties en tijdelijk onbemande machinekamers

§ 1. Algemeen

Artikel 74. Algemeen

  • 1 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en toebehoren, hulpwerktuigen, brandstofsystemen, elektrische installaties, koelsystemen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen, bestemd voor de overdracht van vermogen, moeten zijn ontworpen, geconstrueerd, ingericht, beproefd en onderhouden ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De uitvoering en opstelling van deze machine-installaties, met inbegrip van hefwerktuigen, lieren en uitrusting voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van in de nabijheid aanwezige personen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waar nodig moeten ter beveiliging tegen bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren, schermplaten, handgrepen of hekwerk zijn aangebracht.

  • 2 Ruimten voor machines moeten zodanig zijn ontworpen dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De betreffende ruimten moeten voldoende kunnen worden geventileerd.

  • 3 De bouw en de uitvoering van de werktuiglijke installatie en de inrichting der ruimten waarin tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, moeten ten minste voldoen aan de eisen gesteld door een klassebureau, voor zover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen andere voorschriften zijn gegeven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hieromtrent nadere voorschriften geven.

  • 4 Roosters, bordessen en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund en bevestigd. Vloerplaten moeten gemakkelijk kunnen worden losgenomen.

  • 5 Reservedelen, scheepsbenodigdheden en dergelijke moeten deugdelijk zijn opgeborgen en mogen de doorgang niet versperren.

  • 6 In ruimten voor machines moeten de vullings of de tanktop ter plaatse van de lenskorven kunnen worden gecontroleerd zonder dat hiertoe vloerplaten behoeven te worden losgenomen. Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet voor dit doel tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.

  • 6 In ruimten waarin één of meer met olie gestookte ketels zijn opgesteld, moeten op doelmatige plaatsen roosters zijn aangebracht teneinde de tanktop of de vullings onder de stookplaat te allen tijde te kunnen controleren. Voor dit doel moet tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127.

  • 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht om de goede werking van de voortstuwingsinstallatie te kunnen handhaven of herstellen, zelfs indien één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet daarbij worden gegeven aan de goede werking van:

    • 1°. de inrichtingen die de brandstoftoevoer naar de hoofd-voortstuwingsinstallatie verzorgen;

    • 2°. de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen;

    • 3°. de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie met inbegrip van de verstelbare schroeven;

    • 4°. de middelen om de koelwaterdruk ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en de hulpwerktuigen te verzorgen; en

    • 5°. de luchtcompressoren en de luchtvaten voor aanzet- of bedieningsdoeleinden.

  • 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werking kan worden gesteld vanuit een dood-schip-toestand zonder dat hulp van buiten wordt geboden.

  • 8 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn geïnstalleerd, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel een slagzij maakt tot 15 graden naar beide zijden onder statische omstandigheden of een slagzij tot 22½ graden naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, waarbij het vaartuig over beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamisc he stampbeweging tot 7½ graden over de boeg of achtersteven maakt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig, toestaan dat van deze criteria wordt afgeweken.

  • 9 Het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen moet zodanig zijn, dat binnen de normale bedrijfsgebieden op geen enkele wijze door trillingen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen worden veroorzaakt.

  • 10 Aan boord van elk vaartuig, moeten met betrekking tot de controle over en de beveiliging van de werktuiglijke installatie en van de ruimten waarin de tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, zodanige voorzieningen zijn getroffen als door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden nodig geacht. Indien onder deze voorzieningen een alarmering is begrepen welke waarschuwt tegen een te hoge waterstand in de vullingen van genoemde ruimten, moeten constructie, uitvoering en aanleg van een dergelijke alarmeringsinstallatie voldoen aan de eisen gesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  • 11 Elektrische installaties moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:

    • 1°. alle elektrische hulpdiensten, nodig om de normale toestand van bedrijfsvoering en leefbaarheid te handhaven, verzekerd zijn zonder dat behoeft te worden teruggevallen op de noodkrachtbron;

    • 2°. elektrische diensten welke essentieel zijn voor de veiligheid tijdens verschillende noodtoestanden, verzekerd zijn; en

    • 3°. de veiligheid van bemanning en vaartuig tegen gevaren van elektrische aard is gewaarborgd.

  • 12 Ten aanzien van elektrische installaties dient te allen tijde te worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 3, voor zover op het vaartuig van toepassing.

  • 13 Aan boord van vaartuigen met tijdelijk onbemande machinekamers:

    • 1°. moet, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 en het bepaalde in hoofdstuk 5, bovendien worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 4;

    • 2°. moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zodanige voorzieningen worden getroffen dat het zeker is dat de gehele machine-installatie onder alle omstandigheden op betrouwbare wijze functioneert. In elk geval moeten deze voorzieningen regelmatige inspecties en ronden omvatten teneinde de voortdurende goede werking van de machine-installatie te verzekeren; en

    • 3°. moet een verklaring aanwezig zijn, afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, waaruit blijkt dat deze vaartuigen zijn ingericht om met tijdelijk onbemande machinekamers te varen.

  • 14 Aan boord van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig moeten gereedschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de ketels, de stuurinrichting en de elektrische installatie te kunnen uitvoeren.

  • 15 De samenstellende delen van de scheepsromp en van de werktuigen en inrichtingen, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid van vaartuig en opvarenden, mogen niet te veel zijn ingeteerd of versleten. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt.

§ 2. Machine-installaties

Artikel 75. Machine-installaties

  • 1 De hoofd- en hulpwerktuigen moeten, zowel in hun geheel als in onderdelen, goed functioneren, voldoende sterk geconstrueerd, nauwkeurig gesteld, deugdelijk gefundeerd en voor hun taak berekend zijn.

  • 2 Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.

  • 3 Verbrandingsmotoren met een cilinderdiameter van 200 mm of meer, of een krukkast volume van 0,6 m3 of meer, moeten zijn voorzien van ontlastkleppen voor krukkastexplosies; deze ontlastkleppen moeten van een geschikt type zijn en een voldoende ontlast-oppervlak hebben. De ontlastkleppen moeten zodanig zijn aangebracht of met zodanige voorzieningen zijn uitgerust dat bij in werking treden van de ontlastkleppen de uitstroming zodanig wordt geleid dat de kans op letsel aan de opvarenden tot een minimum wordt beperkt.

  • 4 Indien hoofd- of hulpwerktuigen, drukvaten inbegrepen, of onderdelen van deze werktuigen aan inwendige druk zijn onderworpen en aan gevaarlijke overdruk kunnen worden blootgesteld moeten, waar praktisch uitvoerbaar, voorzieningen worden getroffen die tegen zulk een te hoge druk beschermen.

  • 5 Alle tandwieloverbrengingen en elke as en koppeling welke gebruikt worden voor het overbrengen van vermogen naar werktuigen die essentieel zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig en van de opvarenden, moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zij bestand zijn tegen de hoogste spanningen waaraan zij kunnen worden onderworpen in alle bedrijfstoestanden. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan de uitvoering van de werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel uitmaken.

  • 6 Voortstuwingswerktuigen en, waar van toepassing, hulpwerktuigen moeten voorzien zijn van automatisch werkende voorzieningen om deze uit te schakelen bij storingen, zoals het uitvallen van de smeerolietoevoer, die aanleiding kunnen geven tot ernstige schade, onklaar geraken of explosie. Tevens moet een vooralarm zijn aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter voorzieningen toestaan, waarmede de automatische stopinrichtingen buiten werking kunnen worden gesteld, dan wel ontheffing verlenen van het bepaalde in dit lid, rekening houdende met het type vaartuig of het bijzondere gebruik daarvan.

Artikel 76. Voortstuwingsvermogen

  • 1 Er moet een zodanig voortstuwingsvermogen kunnen worden ontwikkeld, dat het vaartuig onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden behoorlijk manoeuvreerbaar is.

  • 2 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef binnen redelijke tijd om te keren en hiermede binnen redelijke afstand de vaart uit het vaartuig te halen vanuit de maximum dienstsnelheid vooruit.

Artikel 77. Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders

  • 1 Stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders moeten voldoende sterk zijn geconstrueerd en beveiligd.

  • 2 Bij de beoordeling van de constructie en uitvoering van de in het voorgaande lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders, zomede van hun appendages, aansluitingen en leidingen, zullen de regels van de klassebureaus worden gevolgd, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestellen, luchtvaten en drukhouders moeten worden beproefd overeenkomstig de regels van de klassebureaus, voor zover bij of krachtens dit besluit geen andere voorschriften zijn gegeven.

  • 4 Hydrofoortanks moeten zijn voorzien van een manometer, een veiligheidsklep en een peilglas of van daaraan naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardige veiligheidsvoorzieningen. Een tank met een inhoud van meer dan 200 l moet zijn voorzien van een man- of handgat.

  • 5 Onverminderd het bepaalde in dit artikel moeten stoom- en damptoestellen, aanzetluchtvaten en andere drukhouders tevens voldoen aan het bepaalde in de artikelen 78 tot en met 80, voor zover van toepassing.