Monumentenwet 1988

[Regeling vervallen per 01-07-2016.]
Geldend van 08-03-2006 t/m 31-03-2007

Wet van 23 december 1988, tot vervanging van de Monumentenwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen vast te stellen voor het behoud van monumenten van bouwkunst en archeologie en lagere overheden meer bij dat behoud te betrekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 1

[Vervallen per 01-07-2016]

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. monumenten:

    • 1. alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;

    • 2. terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1;

  • c. archeologische monumenten: de monumenten, bedoeld in onderdeel b, onder 2;

  • d. beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers;

  • e. kerkelijke monumenten: onroerende monumenten welke eigendom zijn van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

  • f. stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden;

  • g. beschermde stads- en dorpsgezichten: stads- en dorpsgezichten die door Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als zodanig ingevolge artikel 35 van deze wet zijn aangewezen, met ingang van de datum van publikatie van die aanwijzing in de Nederlandse Staatscourant;

  • h. het doen van opgravingen: het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt;

  • i. de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Artikel 2

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Bij de toepassing van deze wet wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

  • 2 Met betrekking tot een kerkelijk monument wordt geen beslissing genomen ingevolge deze wet dan na overleg met de eigenaar.

Hoofdstuk II. Beschermde monumenten

[Vervallen per 01-07-2016]

§ 1. De aanwijzing

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 3

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister kan, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

  • 2 Voordat Onze minister ter zake een beschikking geeft, vraagt hij advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten.

  • 3 Onze minister doet mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.

  • 4 Burgemeester en wethouders stellen de in het derde lid genoemde belanghebbenden in de gelegenheid zich te doen horen en plegen het overleg, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

  • 5 Burgemeester en wethouders brengen hun advies uit binnen vijf maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde adviesaanvraag, gedeputeerde staten binnen vier maanden.

  • 6 Onze minister beslist, de Raad gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan burgemeester en wethouders, dan wel indien om aanwijzing is verzocht, binnen tien maanden na ontvangst van dat verzoek.

Artikel 4

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze minister doet mededeling van zijn beschikking aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten. Ingeval van aanwijzing leggen burgemeester en wethouders de beschikking op de secretarie ter inzage. De burgemeester maakt die terinzagelegging op de gebruikelijke wijze bekend.

Artikel 5

[Vervallen per 01-07-2016]

Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, derde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6 of artikel 7, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet wordt ingeschreven in een van die registers, zijn de artikelen 11 tot en met 33 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister houdt voor elke gemeente een register aan van de beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in die hij heeft aangewezen, voorzover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

  • 2 Van de inschrijving in het register zendt Onze minister aan gedeputeerde staten, aan burgemeester en wethouders en aan de bewaarder van het kadaster en de openbare registers telkens één afschrift.

  • 3 Het aan burgemeester en wethouders gezonden afschrift wordt ter inzage ter secretarie van de gemeente neergelegd. Een ieder kan zich aldaar op zijn kosten afschriften doen verstrekken.

Artikel 7

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 2 Alvorens Onze minister ten aanzien van een monument als bedoeld in het eerste lid een beschikking geeft, hoort hij de Raad.

  • 3 Indien om aanwijzing is verzocht beslist Onze minister binnen vijf maanden na ontvangst van dat verzoek.

  • 4 Onze minister houdt een landelijk register aan waarin hij de door hem aangewezen monumenten, bedoeld in het eerste lid, inschrijft voorzover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen. Een afschrift van de inschrijving wordt gezonden aan de instantie die het betrokken gebied beheert, aan de bewaarder van het kadaster en de openbare registers alsmede, indien het monument is gelegen binnen het grondgebied van een provincie, aan gedeputeerde staten. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister is bevoegd ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden in het register wijzigingen aan te brengen. De artikelen 3 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien de wijziging naar het oordeel van Onze minister van ondergeschikte betekenis is of indien de wijziging betreft het doorhalen van de inschrijving van een monument dat is teniet gegaan, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3 achterwege.

Artikel 9

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Van wijziging in de in artikel 48, tweede lid onder a, van de Kadasterwet bedoelde gegevens of de kadastrale aanduiding van een beschermd monument geeft de bewaarder van het kadaster en de openbare registers binnen veertien dagen kennis aan Onze minister, die deze wijziging aanbrengt in het register.

  • 2 Onze minister doet mededeling van de wijziging aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.

Artikel 10

[Vervallen per 01-07-2016]

Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het register dan wel onderling niet gelijkluidend zijn, worden als beschermd monument slechts aangemerkt de monumenten die staan vermeld op het afschrift van het register, dat is opgenomen in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

§ 2. Vergunningen tot wijziging, afbraak of verwijdering

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 11

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2 Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

    • a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 12

[Vervallen per 01-07-2016]

Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.

Artikel 13

[Vervallen per 01-07-2016]

In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een monument als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.

Artikel 14

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag, bedoeld in artikel 12, tenzij het betreft:

    • a. een archeologisch monument;

    • b. een monument dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie en tevens een militaire bestemming heeft.

  • 2 In de gevallen waarin burgemeester en wethouders niet beslissen, beslist Onze minister.

Artikel 14a

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 2 Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

  • 3 In de gevallen dat Onze minister beslist over een aanvraag om vergunning, zenden burgemeester en wethouders tijdig naar voren gebrachte zienswijzen onmiddellijk aan hem door.

  • 5 Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing in de gevallen waarin een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 13 wordt ingediend.

Artikel 15

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg, die burgemeester en wethouders adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11.

  • 2 De vastgestelde verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt onverwijld ter kennis gebracht van Onze minister. Zij treedt twee maanden nadat zij ter kennis is gebracht van Onze minister in werking, tenzij Onze minister vóór die datum de verordening tot schorsing heeft voorgedragen.

  • 3 Op wijziging en intrekking van de verordening is het bepaalde in het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 In de gevallen dat burgemeester en wethouders over de aanvraag om vergunning beslissen, zenden zij onmiddellijk afschrift van de aanvraag aan de directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en, indien het beschermde monument ligt buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, aan gedeputeerde staten.

  • 2 Onze minister en gedeputeerde staten adviseren schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift.

  • 3 Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het laatste van de adviezen, bedoeld in het tweede lid, doch in ieder geval binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn.

  • 4 Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het derde lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.

  • 5 Burgemeester en wethouders doen van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan Onze minister en aan gedeputeerde staten.

  • 6 De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 In de gevallen dat Onze minister over de aanvraag om vergunning beslist, zenden burgemeester en wethouders de aanvraag onmiddellijk na ontvangst aan hem door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending. Voor de toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden burgemeester en wethouders aangemerkt als het in dat artikel bedoelde bestuursorgaan.

  • 3 Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.

Artikel 18

[Vervallen per 01-07-2016]

Burgemeester en wethouders dan wel Onze minister nemen met betrekking tot een kerkelijk monument geen beslissing ingevolge artikel 16 of 17 dan in overeenstemming met de eigenaar, voorzover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of de levensovertuiging in dat monument in het geding zijn.

Artikel 19

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Burgemeester en wethouders dan wel Onze minister kunnen aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.

  • 2 De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.

Artikel 20

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Burgemeester en wethouders en, voor zover het betreft de monumenten die niet gelegen zijn binnen het grondgebied van enige gemeente, Onze minister houden een openbaar register aan, waarin aantekening wordt gehouden van vergunningen die ingevolge artikel 16 of artikel 17 zijn verleend of worden geacht te zijn verleend.

  • 2 In het in het eerste lid bedoelde register worden voorts aangetekend:

    • a. de datum van de vergunning;

    • b. het nummer van de vergunning;

    • c. de plaats van het monument waarop de vergunning betrekking heeft, alsmede van de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan;

    • d. de aard van de werkzaamheden.

  • 3 Aantekening als bedoeld in het tweede lid vindt plaats binnen een week na de dag waarop een vergunning is verleend of wordt geacht te zijn verleend.

Artikel 21

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De vergunning kan door degene die haar heeft verleend worden ingetrokken indien:

    • a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    • b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften, bedoeld in artikel 19, eerste lid, niet naleeft;

    • c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.

  • 2 Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan Onze minister dan wel burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.

§ 3. Schadevergoeding in verband met de beslissing op de vergunningaanvraag

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 22

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 11 ten gevolge van de weigering daarvan of ten gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent, behoudens het bepaalde in het tweede lid, Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2 Ingeval de beslissing over de vergunningsaanvraag is genomen door burgemeester en wethouders in afwijking van het advies van Onze minister, besluiten zij, de schadebeoordelingscommissie gehoord, omtrent de schadevergoeding, bedoeld in het eerste lid, ten laste van de gemeente. De artikelen 23 tot en met 29, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders in de plaats treden van Onze minister.

Artikel 23

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister stelt met het oog op de advisering over één of meer verzoeken om schadevergoeding een schadebeoordelingscommissie in.

  • 2 De schadebeoordelingscommissie bestaat uit een of meer leden.

  • 3 Een lid van de schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze minister.

  • 4 Met ambtenaar, bedoeld in het derde lid, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, gelijkgesteld zij die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

Artikel 24

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister zendt binnen veertien dagen na de dag waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, het verzoekschrift aan de schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

  • 2 Onze minister verleent aan de schadebeoordelingscommissie de gevraagde medewerking.

Artikel 25

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De schadebeoordelingscommissie stelt de verzoeker of zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn verzoek om schadevergoeding in een openbare vergadering tegenover haar nader toe te lichten.

  • 2 De schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze minister oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.

  • 3 Indien de schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil houden, deelt zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan de verzoeker en aan Onze minister.

Artikel 26

[Vervallen per 01-07-2016]

De schadebeoordelingscommissie brengt binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, advies uit aan Onze minister. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.

Artikel 27

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk, of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn opvatting omtrent het advies kenbaar te maken.

  • 2 De schadebeoordelingscommissie verstrekt Onze minister desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de opvatting daarover van de verzoeker.

Artikel 28

[Vervallen per 01-07-2016]

De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening gebracht.

Artikel 29

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze minister beslist binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de schadebeoordelingscommissie. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

§ 4. Bestuursdwang

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 30

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze Minister is, voorzover hij vergunningverlenend gezag is, bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van een verbod als bedoeld in artikel 11, of van een voorschrift als bedoeld in artikel 19.

Artikel 31

[Vervallen per 01-07-2016]

De werking van een beschikking tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 30 wordt opgeschort tot de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Hoofdstuk III. Subsidie

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 34

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten. Onder instandhouding wordt verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn.

  • 2 De subsidie bestaat uit hetzij een vast bedrag per jaar hetzij een percentage van de door Onze minister vast te stellen kosten.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    • a. de criteria op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt;

    • b. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald;

    • c. de vaststelling van een subsidieplafond;

    • d. de aanvraag van een subsidie;

    • e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

    • f. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

    • g. de vaststelling van de subsidie;

    • h. de betaling en terugvordering van de subsidie, alsmede het verlenen van voorschotten op de subsidie.

  • 4 Indien bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een subsidieplafond, worden daarbij regels gesteld omtrent de wijze van verdeling.

  • 5 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn buiten een reces van de kamers valt.

Hoofdstuk IV. Beschermde stads- en dorpsgezichten

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 35

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Gehoord de gemeenteraad, gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie en de Raad, kunnen Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht en kunnen zij zodanige aanwijzingen intrekken.

  • 2 Onze minister zendt het voorstel tot aanwijzing of intrekking gelijktijdig aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie en de Raad. De gemeenteraad brengt advies uit via gedeputeerde staten binnen 6 maanden, gedeputeerde staten binnen 9 maanden, de Rijksplanologische Commissie en de Raad binnen 12 maanden na verzending van het voorstel.

  • 3 Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslissen over aanwijzing of intrekking binnen zestien maanden na verzending van het voorstel.

  • 4 De bekendmaking van een besluit tot aanwijzing of tot intrekking daarvan geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Van het besluit wordt mededeling gedaan in de daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen en aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie en de Raad.

Artikel 36

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626). Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 2 Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt.

Artikel 37

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 In beschermde stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

  • 2 Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders.

Hoofdstuk V. Opgravingen en vondsten

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 39

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het is verboden opgravingen te doen zonder schriftelijke vergunning van Onze minister.

  • 2 De vergunning kan worden verleend aan een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente.

  • 3 De vergunning wordt geweigerd indien:

    • a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager niet bekwaam is tot het doen van opgravingen;

    • b. redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat de aanvrager in staat is tot het doen van opgravingen;

    • c. de aanvrager een gemeente is die niet beschikt over een depôt voor bodemvondsten als bedoeld in artikel 44.

  • 4 Onze minister kan aan een vergunning voorschriften verbinden.

  • 5 De vergunning wordt voor een bepaalde opgraving of voor een bepaald gebied en voor een bepaalde tijd of tot wederopzegging verleend.

  • 6 Onze minister kan de vergunning intrekken wanneer de vergunninghouder op ondeskundige wijze opgravingen verricht, de aan de vergunning verbonden voorschriften niet nakomt of anderszins misbruik maakt van de vergunning.

Artikel 40

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze minister beslist, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 39. De termijn kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste drie maanden.

Artikel 41

[Vervallen per 01-07-2016]

Van de aanvang en van het einde van een opgraving doet de vergunninghouder mededeling aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Artikel 42

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een overheid of instelling als bedoeld in artikel 39, tweede lid, in het belang van archeologisch onderzoek dat terrein betreedt, daarop metingen verricht dan wel daarin opgravingen doet. Voor zover een rechthebbende hierdoor schade lijdt, wordt hem deze door de Staat vergoed. Rechtsvorderingen tot vergoeding van deze schade staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het terrein of het grootste gedeelte daarvan gelegen is.

Artikel 43

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Roerende monumenten die gevonden zijn bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van de Staat.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn roerende monumenten die gevonden zijn bij het doen van wettige opgravingen door een gemeente en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom van die gemeente.

  • 3 De eigenaar van de grond waarin de roerende monumenten zijn opgegraven, ontvangt van de eigenaar van die roerende monumenten een vergoeding ten bedrage van de helft van de waarde van die monumenten.

  • 4 Rechtsvorderingen ter zake van de vergoeding staan ter kennisneming van de in artikel 42 bedoelde rechtbank.

Artikel 44

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister kan, indien wordt voldaan aan de eisen die hij noodzakelijk acht voor het op verantwoorde wijze onderbrengen van roerende monumenten, een gebouw of een gedeelte van een gebouw aanmerken als depôt voor bodemvondsten.

  • 2 Onze minister kan een beslissing als bedoeld in het eerste lid intrekken.

Artikel 45

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister wijst, de Raad gehoord, bij het doen van een opgraving gevonden roerende monumenten die eigendom zijn van de Staat toe aan depôts voor bodemvondsten. Met ingang van het moment van de overgave aan een depôt voor bodemvondsten berust de eigendom bij de eigenaar van dat depôt.

  • 2 Aan de toewijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de monumentenzorg.

Artikel 46

[Vervallen per 01-07-2016]

Desgevraagd krijgt de opgraver toegang tot roerende monumenten die zijn gevonden bij een opgraving waartoe hij op grond van de bepalingen van deze wet bevoegd was of worden deze hem voor wetenschappelijk onderzoek tijdelijk ter beschikking gesteld.

Artikel 47

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Hij die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, is verplicht hiervan binnen drie dagen aangifte te doen.

  • 2 De aangifte dient te geschieden bij de burgemeester van de gemeente waar de vondst is gedaan of, wanneer de vondst werd gedaan buiten het grondgebied van enige gemeente, bij Onze minister.

  • 3 De burgemeester geeft van deze aangifte onverwijld kennis aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Artikel 48

[Vervallen per 01-07-2016]

De gerechtigden tot een roerend monument als bedoeld in artikel 47 zijn gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het vorige artikel bedoelde aangifte ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 49

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze minister kan, de Raad gehoord, ten behoeve van een in te stellen wetenschappelijk onderzoek voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van werken waarbij een zaak als bedoeld in artikel 47 is gevonden, dan wel gelasten dat die werken voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden stilgelegd.

  • 2 Schade, veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Staat vergoed. Rechtsvorderingen tot vergoeding van deze schade staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied de vondst is gedaan.

Hoofdstuk VII. Handhaving en strafbepalingen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 56

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een der artikelen 39, eerste lid, en 47, eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.

  • 3 De feiten zijn misdrijven.

Artikel 57

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 3 De feiten zijn overtredingen.

Artikel 58

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister onderscheidenlijk de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

  • 3 De in het eerste en het tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

  • 4 Van een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid of van Onze Minister van Justitie als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 59

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Zolang een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 15 niet van kracht is, beslist Onze minister omtrent aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11.

  • 3 Burgemeester en wethouders zenden een aanvraag onmiddellijk na ontvangst aan Onze minister door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending. Voor de toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden burgemeester en wethouders aangemerkt als het in dat artikel bedoelde bestuursorgaan.

  • 4 Burgemeester en wethouders en, indien het beschermde monument ligt buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, gedeputeerde staten adviseren aan Onze minister over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van doorzending.

  • 7 Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten.

Artikel 61

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 2 Indien tegen de beslissingen die op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) zijn genomen nog beroep kan worden ingesteld dan wel beroep is ingesteld, wordt dat beroep afgehandeld met inachtneming van de artikelen 26 en 27 van die wet.

Artikel 62

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Kennisgevingen die op grond van artikel 8 van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) zijn verzonden, worden afgehandeld met inachtneming van de artikelen 8 en 9 van die wet.

  • 2 Verzoeken om vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet worden afgehandeld met inachtneming van artikel 15 van die wet.

Artikel 63

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het register, de overschrijving en de melding, bedoeld in artikel 10 van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200), gelden onderscheidenlijk als register, overschrijving en melding als bedoeld in artikel 6 van deze wet.

  • 2 Een dwangbevel tot invordering van ingevolge de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) verschuldigde kosten als bedoeld in artikel 19 van die wet geldt als dwangbevel tot invordering van ingevolge deze wet verschuldigde kosten als bedoeld in artikel 33.

Artikel 64

[Vervallen per 01-07-2016]

Beslissingen die op grond van artikel 23, tweede lid, van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) zijn genomen behouden hun geldigheid na de intrekking van die wet. Artikel 61, tweede lid, van deze wet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 65

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De Monumentenraad, bedoeld in artikel 3, eerste lid, alsmede de vijf afdelingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) gelden als onderscheidenlijk de Monumentenraad, bedoeld in artikel 50, eerste lid, en de vijf afdelingen, bedoeld in artikel 52 van deze wet.

  • 2 De benoemingen die op grond van artikel 4 van de Monumentenwet hebben plaatsgevonden gelden als benoemingen als bedoeld in artikel 51 van deze wet.

  • 3 Voorschriften die op grond van artikel 6 van de Monumentenwet (Stb. 1961, 200) zijn gegeven, gelden als regels als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van deze wet.

Artikel 72

[Vervallen per 01-07-2016]

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 73

[Vervallen per 01-07-2016]

Deze wet kan worden aangehaald als Monumentenwet met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden

Gegeven te 's-Gravenhage , 23 december 1988

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

E. H. T. M. Nijpels

Uitgegeven de dertigste december 1988

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Terug naar begin van de pagina